id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 26 juni 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.184.777 Rolnummer: A. 187757/VII-37169 Zaak: Arrest 184777 - Milieuvergunningen - 26/06/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-07-11 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-06-29 08:18 Fiche Arrest nr 184.777 van 26 juni 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : heropening debatten Inwilliging tussenkomst Aanvullend verslag Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 184.777 van 26 juni 2008 in de zaak A. 187.757/VII-37.
(2x)en koelinstallaties met een gezamenlijk vermogen van 74 kW; - de opslag van 1.404 l diverse gassen in verplaatsbare recipiënten (150 l zuurstof, 100 l atal, 50 l stikstof, 70 l argon, 350 l acetyleen, 20 l inarc en 664 l propaan); - de opslag van 4.910 kg schadelijke, irriterende en corrosieve stoffen; - de opslag van 200 l petroleum in een vat; - de opslag van 134.000 l P3-producten in bovengronds enkelwandige houders (93.000 l diesel, 1.000 l afvalolie en 30.000 l, 6.000 l en 4.000 l stookolie); - een verdeelslang voor diesel voor de bevoorrading van eigen voertuigen; - de opslag van 2.155 kg gevaarlijke stoffen in verpakkingen van max. 25 l of 25 kg; - diverse houtbewerkingstoestellen met een gezamenlijk vermogen van 18,5 kW; - de opslag van 750 m3 houten palletten, deels in een gesloten ruimte en deels in openlucht; - de opslag van 10 ton PVC-palletten in een lokaal; - een kwaliteitslabo; - diverse metaalbewerkingsmachines met een gezamenlijk vermogen van 44,7 kW; - een ontvettingsbad van 200 l voor metalen; - de opslag van 150 ton papieren verpakkingsmateriaal; - een stoomketel met een waterinhoud van 3.500 l; - vijf stookinstallaties met een totaal thermisch vermogen van l.516 kW (1.042,5 kW, 234,5 kW, 98,2 kW, 97,6 kW en 45,3 kW); VII-37.169-3/22 - een proefbakkerij met een gezamenlijk vermogen van 30 kW; - een graanmaalderij met een totaal geïnstalleerd vermogen van 4.588,75 kW (1.958,75 kW voor bewerking en 2 630 kW voor transport); - de opslag van 29.882 m3 granen, bloem en bijproducten in silo's". 2.4. Er worden bijzondere vergunningsvoorwaarden opgelegd. Relevant voor het voorliggende beroep zijn de vergunningsvoorwaarden inzake geluidshinder, die luiden als volgt : "- De exploitant dient het specifieke geluid van de inrichting te evalueren door het uitvoeren van een nieuw geactualiseerd volledig akoestisch onderzoek zoals beschreven in bijlage 4.5.2 van titel II van het VLAREM. De inrichting dient hierbij getoetst te worden aan de voorwaarden vervat in afdeling 4.5.3 van titel II van het Vlarem (voorwaarden voor nieuwe inrichtingen en voor veranderingen van bestaande inrichtingen). Indien nodig dient een saneringsplan voor geluidshinder zoals beschreven in bijlage 4.5.3 van titel II van het VLAREM (te worden) uitgewerkt en uitgevoerd. Deze documenten dienen binnen een termijn van vier maand na ondertekening van onderhavig besluit ter goedkeuring te worden voorgelegd aan de provinciale entiteit van de Afdeling milieu-inspectie alsook ter kennisgeving aan het hoofdbestuur van de Afdeling milieuvergunningen. De vereiste saneringsmaatregelen worden zo snel als mogelijk uitgevoerd. - Na uitvoering van de saneringsmaatregelen laat de exploitant binnen het jaar na datum van ondertekening van onderhavig besluit, en mits het in acht nemen van de termijn van rapportage, zoals hierna vermeld, een tweede volledig akoestisch onderzoek uitvoeren, waaruit moet blijken dat de geluidsnormen van afdeling 4.5.3 van titel II van het Vlarem steeds gerespecteerd worden. Het rapport van dit laatste onderzoek wordt uiterlijk één jaar na datum van ondertekening van dit besluit ter goedkeuring voorgelegd aan de provinciale entiteit van de Afdeling milieu-inspectie en ter kennisgeving overgemaakt aan het hoofdbestuur van de Afdeling milieuvergunningen". 2.5. Op 22 augustus 2002 wordt een definitieve vergunning verleend. Deze wordt evenwel op vordering van eerste verzoeker door de Raad van State geschorst bij arrest nr. 120.126 van 4 juni 2003 en vernietigd bij arrest nr. 138.268 van 9 december 2004. 2.6. Na dat vernietigingsarrest wordt op 4 april 2005 een nieuwe beslissing genomen. De vergunning wordt opnieuw verleend voor een termijn tot 24 augustus 2020. Ook deze beslissing wordt door de Raad van State geschorst bij arrest nr. 156.449 van 16 maart 2006 en vernietigd bij arrest nr. 173.494 van 12 juli 2007. VII-37.169-4/22 2.7. Daarna wordt de procedure voor een derde maal hernomen. De volgende adviezen worden verleend : - de afdeling Stedenbouwkundig Beleid adviseert gunstig; - de Vlaamse Milieumaatschappij adviseert gunstig, en stelt een bijzondere vergunningsvoorwaarde voor; - de afdeling Milieuvergunningen adviseert gunstig, en stelt bijzondere vergunningsvoorwaarden voor; - de afdeling Milieu-inspectie, buitendienst Oost-Vlaanderen, adviseert een vergunning te verlenen voor een beperkte termijn, met het oog op een herlokalisatie; - de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie adviseert gunstig, en stelt bijzondere vergunningsvoorwaarden voor. 2.8. Op 18 december 2007 wordt de thans bestreden beslissing genomen. Er wordt een definitieve vergunning verleend, voor een termijn tot 24 augustus 2020. Inzake geluidshinder bevat de bestreden beslissing de volgende overwegingen : "(...) Overwegende dat door de afdeling Milieu-inspectie, voor de verschillende procedures, drie evaluatieverslagen werden opgesteld respectievelijk in 2002, op 12 januari 2005 en op 18 september 2007; dat de voornaamste conclusies hieruit zijn: - voor het aspect geluid: - op 21 augustus 2001 heeft het bedrijf de verslaggeving van juni 2001 door een erkend geluidsdeskundige van een volledig akoestisch onderzoek/saneringsplan toegestuurd; - het vermeld onderzoek toonde aan dat de overschrijdingen van de VLAREM II-geluidsvoorwaarden vrij drastisch zijn voor zowel de basisactiviteit op continue basis als voor laad- en losverrichtingen die niet plaatsvinden 's nachts noch tijdens het weekend; het deelverslag saneringsplan met de noodzakelijke geluidsreductie per bron, de aard van de maatregelen en hun gefaseerde aanpak werd afgeleid uit een theoretische simulatiestudie; - het akoestisch onderzoek/saneringsplan droeg aanvankelijk niet onze goedkeuring, wat verwoord werd in een aanmaning van 4 september 2001 (meetwaarden dienen getoetst aan de geluidsvoorwaarden voor nieuwe inrichtingen, zoals opgelegd in de bijzondere voorwaarden; er werden geen uitvoeringstermijnen van saneringsmaatregelen meegedeeld en het saneringsplan is niet ondertekend door de exploitant); - hierop werd gerepliceerd door het bedrijf op 8 oktober 2001 en er werd een tijdsplanning voor de sanering meegedeeld; - op 3 mei 2002 werd er een inspectiebezoek verricht; - het resultaat van in een eerste fase uitgevoerde en nog geplande maatregelen van het saneringsplan werd ingeschat op basis van een simulatieberekening; een tweede beoordeling van het tussentijdse VII-37.169-5/22 saneringsresultaat wordt gegeven in het verslag 'opvolging saneringsplan' van 6 mei 2003; op basis van gemeten overschrijdingen van de richtwaarden kwam de deskundige tot het besluit dat de sanering diende verder gezet voor een aantal bronnen op welke het beginsel van de beste beschikbare technieken niet was toegepast; - eindbeoordeling van de geluidssanering is te vinden in het verslag van 16 februari 2004; hierbij had een ambulante meting plaats in een meetpunt representatief voor de buur/klager Tolpoortstraat 64 ter hoogte van het slaapkamerniveau; volgens de conclusie bedraagt het specifiek geluid in dit meetpunt 45 dB(A) voor de nachtperiode, hetgeen gelijk is aan de richtwaarde voor bestaande inrichtingen; dat het bedrijfsgeluid nog steeds het geluidsklimaat in de omgeving van de woning beheerst, volgt uit de meetresultaten gegeven in figuur 7-1; een stabiel en constant geluidsdrukniveau van 45 dB(A) veroorzaakt door industrielawaai en gemeten op slaapkamerniveau is niet van aard een aanvaardbare kwaliteit van de woonomgeving te waarborgen; - de redenen van het vernietigingsarrest van 9 december 2004 zijn grotendeels voorbijgestreefd door de gegevens van het saneringsdossier voor het aspect geluid, zoals voormeld; (...) Overwegende dat door een erkend geluidsdeskundige een rapport werd opgesteld in juni 2001: 'opvolging saneringsplan met betrekking tot geluid'; dat hierin samengevat werd besloten dat: '- het specifiek geluid van de inrichting de Vlarem II richtwaarden (woongebied - een rekenmodel werd opgesteld waarbij een goede benadering werd verkregen tussen de gemeten en de berekende waarden; er werd bij de bepaling van het specifieke geluid uitgegaan van het ergst mogelijke scenario, waarbij alle mogelijke bronnen in werking waren (veelal een overschatting van de werkelijke toestand); - een opsomming werd gedaan van mogelijk uit te voeren maatregelen (in twee fazen), teneinde aan de Vlarem II voorwaarden te kunnen voldoen'; Overwegende dat vervolgens door een erkend geluidsdeskundige een tweede evaluatierapport werd opgesteld op 17 april 2002 : 'evaluatie van de reeds uitgevoerde en nog geplande saneringsmaatregelen'; dat hierin samengevat werd besloten dat: '- wanneer alle geplande maatregelen doorgevoerd zullen zijn, dan zal volgens de overdrachtsberekening voldaan worden aan de Vlarem II richtwaarden voor bestaande inrichtingen voor zowel de dag-, avond- als de nachtperiode; enkel tijdens het lossen van schepen en vrachtwagens zal de richtwaarde van 50 dB(A) voor de dagperiode overschreden worden ter hoogte van de beoordelingspunten aan de overzijde van de Leie (BP1 en BP 2); hierbij dient opgemerkt dat deze twee activiteiten veelal niet samen gaan, zodat de overschrijding eerder beperkt zal blijven; ter hoogte van alle andere beoordelingspunten zullen de Vlarem II richtwaarden gerespecteerd worden; - enkel daadwerkelijke metingen na het uitvoeren van de maatregelen kunnen toelaten het effect van de sanering te begroten en de aanwezigheid van zuivere tonen ter hoogte van de beoordelingspunten uit te sluiten; de overdrachtberekening geeft echter wel een indicatie of de goede richting gevolgd werd bij het doorvoeren van het saneringsplan'; VII-37.169-6/22 Overwegende dat vervolgens door een erkend geluidsdeskundige een derde evaluatierapport werd opgesteld op 16 februari 2004: 'opvolging saneringsplan deel 2'; dat hierin samengevat werd besloten dat: '- het LA95, 1h van het omgevingsgeluid voldoet in MP3 en MP 4 aan de milieukwaliteitsnormen van het Vlarem II. MP3 is gelegen op het bedrijfsterrein en wordt minder streng beoordeeld (MKN 60/55/55). Enkele meters verder zijn de milieukwaliteitsnormen strenger (50/45/45) ter hoogte van de woningen. Bij een toetsing aan deze normen zou, gedurende de avond- en de nachtperiode, een overschrijding van 3 tot 5 dB(A) vastgesteld worden. Ter hoogte van de Tolpoortstraat 64 (achterzijde) wordt gedurende de week avondperiode de milieukwaliteitsnorm met 1 dB(A) overschreden. In de andere beoordelingsperiodes doen er zich geen overschrijdingen voor. Ter hoogte van de overzijde aan de Leie wordt gedurende de weekdag- en avondperiode de MKN overschreden met 4 dB(A). Gedurende het weekend wordt enkel gedurende de avondperiode een overschrijding vastgesteld; - het omgevingsgeluid rondom het bedrijf evolueert sinds 2001 gunstig. De saneringen van deel 1 hebben een gunstig effect gehad op het omgevingsgeluid met dalingen van 2 tot 10 dB(A). De saneringen van deel 2 hebben slechts beperkt effect op het gemeten omgevingsgeluid. Eventuele verdere geluidssaneringen zullen dus geen of zeer beperkte effecten op het omgevingsgeluid hebben; - het berekend specifiek geluid ligt in bijna alle beoordelingspunten minstens 1 of 2 dB(A) onder de richtwaarden van het VLAREM II. Enkel gedurende de dagperiode aan de overzijde van de Leie wordt de richtwaarde nog met 2 dB(A) overschreden. Een vergelijking tussen de metingen (voor de nachtperiode) en de berekeningen toont aan dat het berekende specifiek geluid 1 à 2 dB(A) onder het gemeten specifiek geluid ligt. Indien dit bij het berekende specifiek geluid wordt toegevoegd dan zal de geluidsimmissie ten gevolge van het bedrijf op of net onder de richtwaarden van het Vlarem II vallen. Ter hoogte van de woning aan de overzijde van de Leie is het berekende specifiek geluid en het gemeten specifiek geluid wel gelijk aan elkaar. De overschrijding in dit beoordelingspunt blijft dus 2 dB(A) voor de dagperiode; - ter hoogte van MP4 (slaapkamer achteraan Tolpoortstraat 64) werd een kortstondige meting gedurende de nachtperiode uitgevoerd. Hieruit bleek dat het gemeten Laeq, T 44 dB(A) bedraagt. De meting werd echter uitgevoerd in de raamopening zodat reflecties de meting kunnen beïnvloed hebben. Het specifiek geluid van het bedrijf zal in de praktijk dus iets lager liggen. De analyse van de langdurige omgevingsmetingen (op 3,5 meter vanaf de gevel) toont aan dat het specifiek geluid 43 dB(A) bedraagt gedurende de nachtperiode (op basis van het LA95,lh). Uit auditieve waarnemingen en een fijnere FFT analyse blijkt dat er mogelijk hoorbare zuivere tonen aanwezig zijn bij 76, 100 en/of 300 Hz. Het specifiek geluid bedraagt daarom gedurende de nachtperiode 43 dB(A) + 2 dB(A)= 45 dB(A) inclusief tonale correctie hetgeen gelijk is met de richtwaarde. Auditieve waarnemingen in de kamer met gesloten ramen leidden tot het bepalen van een duidelijk hoorbare periodieke geluidsbron in de kamer die lange tijd aanhoudt en die binnen goed waarneembaar is. Het betreft namelijk passerende treinen door Deinze die telkens gedurende enkele minuten het geluidsdrukniveau in de kamer doen stijgen'; VII-37.169-7/22 Overwegende dat door een erkend geluidsdeskundige een vierde rapport werd opgesteld op 14 februari 2005 (= draftversie; definitief rapport gedateerd op 28 september 2007) : 'addendum bij opvolging saneringsplan deel 2'; dat hierin samengevat werd besloten dat: • in het initiële rapport werden alle installaties als bestaand beschouwd; dit werd door de vergunningverlenende overheid ter discussie gesteld; momenteel dienen de volgende installaties als nieuw te worden beschouwd: enerzijds compressoren en koelgroepen, die binnen staan opgesteld en die bijgevolg aan de buitenzijde niet opgemeten worden en dus geen impact hebben naar de omgeving en anderzijds de uitbreiding van het vermogen van de molen met circa 56 %; • de capaciteit van de molen is met minder dan 100 % uitgebreid, waardoor de totale inrichting niet 'nieuw' wordt; • volgens afdeling 4.5.3. van titel II van het VLAREM dient elke verandering aan een installatie voor de discipline geluid bepaald te worden en getoetst te worden aan de grenswaarden voor nieuwe inrichtingen; dit stond ook zo in de proefvergunning; • het specifiek geluid van de situatie van voor de uitbreiding en na de uitbreiding diende te worden uitgesplitst; • aangezien er geen meetgegevens zijn van voor de uitbreiding, kan deze uitsplitsing niet gedaan worden op basis van meetgegevens; er diende dus aan de hand van indicatieve geluidsvermogenniveaus gewerkt te worden; • het oorspronkelijk omgevingsgeluid voordat het molengebouw is uitgebreid, is niet gekend; daarom wordt met het huidige omgevingsgeluid rekening gehouden; aangezien het bedrijf de laatste jaren heel wat geïnvesteerd heeft in geluidssaneringen, kan er gesteld worden dat het omgevingsgeluid in de huidige situatie lager ligt dan het omgevingsgeluid voordat de saneringen zijn doorgevoerd; • uit de berekeningen blijkt dat het specifiek geluid van de verandering van bestaande inrichtingen op of onder de grenswaarden van titel II van het VLAREM blijft; dat het splitsen van het molengebouw dus niet veel impact heeft naar de algemene beoordeling van het specifiek geluid van het bedrijf; Overwegende dat de inrichting is gelegen in een gebied voor ambachtelijke bedrijven of gebied voor KMO's; dat dit gebied omgeven is door woongebied; dat tevens op minder dan 500 m een gebied voor gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen is gelegen; dat de richtwaarden voor het specifiek geluid in open lucht van als hinderlijk ingedeelde inrichtingen staan bepaald in bijlage 4.5.4. van titel II van het VLAREM; dat hierbij tevens is bepaald dat als een gebied valt onder twee of meer punten van de tabel, dat dan in dat gebied de hoogste richtwaarde van toepassing is; dat dit bijgevolg voor onderhavig dossier betekent dat de richtwaarden van punt 2 van bijlage 4.5.4. van titel II van het VLAREM van toepassing zijn; Overwegende dat er in de twee laatste geluidsrapporten 5 relevante meetpunten/beoordelingspunten zijn, namelijk: - BP1. (= MP2): overzijde Leie, ter hoogte van een woning aan de Leiedam en ongeveer in het midden tussen de tarwelossingsplaats en de verlading van de bloem-schepen; - BP2: achterzijde woningen Tolpoortstraat, tussen ingang bedrijf en brug over de Leie; - BP3: overzijde Leie, woning Leiedam (richting centrum); ten westen gelegen van BP1; - BP4: achterzijde woningen Tolpoortstraat, achter kantoorgebouwen; - BP5 (= MP4): in de Tolpoortstraat 46 achteraan de woning; dat alle beoordelingsposities zich bevinden in woongebied, op minder dan 500 m van een gebied voor gemeenschapsvoorzieningen en openbare VII-37.169-8/22 nutsvoorzieningen, zodat de richtwaarden 50/45/45 dB(A) gelden voor respectievelijk dag/avond/nachtperiode; Overwegende dat, overeenkomstig artikel 3.2.2.2., § 1 van titel II van het VLAREM, voor onderdelen van de bestaande inrichtingen die na 1 januari 1993 aanzienlijk werden of worden veranderd, integraal de voorschriften van dit besluit voor nieuwe inrichtingen gelden; dat, volgens de definitie van titel II van het VLAREM, een aanzienlijke verandering een vergroting is van meer dan 100 % van de capaciteit, de drijfkracht of de perceelsoppervlakte, ten aanzien van de vóór 1 januari 1993 vergunde situatie; dat door de aangevraagde uitbreiding het vermogen van de graanmaalderij wordt uitgebreid met 1.619,8 kW tot in totaal 4.588,75 kW; dat het bijgevolg om een uitbreiding gaat van circa 55 % en dus geen aanzienlijke verandering betreft; dat ook de uitbreiding van de opslag van de grondstoffen en de afgewerkte producten niet als een 'aanzienlijke' uitbreiding kon worden beschouwd; Overwegende dat afdeling 4.5.3 van titel II van het VLAREM, inzake de beheersing van geluidshinder, dezelfde voorwaarden vastlegt voor nieuwe inrichtingen van klasse 1 en 2 als voor de verandering van bestaande inrichtingen van klasse 1 en 2; dat het hier gaat over elke verandering die een installatie ondergaat, dus eveneens deze waarbij de capaciteitsuitbreiding de 100% niet overschrijdt; dat deze voorwaarden strenger zijn dan de voorwaarden zoals bepaald in afdeling 4.5.4. van titel II van het VLAREM voor bestaande inrichtingen; Overwegende dat ook in de proefvergunning expliciet is gesteld dat het om een uitbreiding gaat waarvoor de geluidsvoorwaarden van afdeling 4.5.3. van titel II van het VLAREM van toepassing zijn; Overwegende dat het huidige dossier enerzijds betrekking heeft op het verder exploiteren van een bestaande inrichting en anderzijds op het veranderen van deze bestaande inrichting; dat bijgevolg om de inrichting te kunnen toetsen aan de voorwaarden voor geluid, het specifiek geluid van de situatie vóór en na de uitbreiding apart dient te worden getoetst aan respectievelijk afdeling 4.5.3. voor wat de verandering betreft en aan afdeling 4.5.4. voor wat de bestaande inrichting betreft; Overwegende dat uit het derde geluidsrapport, waarvan de conclusies hierboven letterlijk worden aangehaald, blijkt dat de geluidsimmissie ten gevolge van het bedrijf op of net onder de richtwaarden van titel II van het Vlarem liggen met uitzondering voor de dagperiode aan de overzijde van de Leie waar de richtwaarden nog met 2 dB(A) word(
- en)overschreden; dat tevens in de conclusies werd gesteld dat de saneringen een gunstig effect gehad hebben op het omgevingsgeluid met dalingen van 2 tot 10 dB(A); dat eventuele verdere geluidssaneringen geen of zeer beperkte effecten op het omgevingsgeluid zullen hebben; dat de bestaande inrichting bijgevolg voldoet aan de voorwaarden van afdeling 4.5.4. van titel II van het VLAREM; Overwegende dat pas in het laatste, zijnde het vierde rapport, het specifiek geluid van de uitbreiding apart is getoetst aan afdeling 4.5.3. van titel II van het VLAREM; dat deze toetsing evenwel niet is kunnen gebeuren op basis van meetgegevens aangezien gesteld is dat er geen meetgegevens zijn van het oorspronkelijk omgevingsgeluid dat aanwezig was vóór het veranderen van de inrichting; dat bijgevolg deze toetsing is gebeurd rekening houdende met het huidige omgevingsgeluid; dat dit aanvaardbaar is aangezien het bedrijf de laatste jaren heel wat heeft geïnvesteerd in geluidssaneringen en bijgevolg gesteld kan worden dat het omgevingsgeluid in de huidige situatie lager ligt dan het omgevingsgeluid voordat de saneringen zijn doorgevoerd waardoor men een strengere beoordeling van het specifiek geluid voor de verandering van bestaande inrichtingen heeft; VII-37.169-9/22 dat het specifiek geluid van de verandering van het molengebouw berekend is; dat bij deze berekeningen rekening is gehouden met de bepalingen in afdeling 4.5.3. van titel II van het VLAREM; dat meer bepaald in BP1 gedurende de dagen de avond en in BP2 gedurende de dag, avond en nacht het omgevingsgeluid groter was dan de richtwaarden waardoor, overeenkomstig artikel 4.5.3.1, §1, het specifiek geluid moet beperkt worden tot het oorspronkelijk omgevingsgeluid verminderd met 5 dB(A) enerzijds alsmede de richtwaarde anderzijds; dat voor de overige beoordelingspunten het omgevingsgeluid lager is dan de richtwaarden waardoor, overeenkomstig artikel 4.5.3.1, §3, het specifiek geluid moet beperkt worden tot de richtwaarden verminderd met 5 dB(A); Overwegende dat bijgevolg in het laatste, zijnde vierde rapport, duidelijk wordt aangetoond dat het specifiek geluid van de uitbreiding voldoet aan de bepalingen van afdeling 4.5.3 van titel II van het VLAREM; dat meer bepaald voor alle beoordelingspunten met uitzondering van BP1 overdag en BP3 overdag het specifiek geluid van de verandering steeds lager ligt dan de grenswaarden; dat voor BP1 het specifiek geluid overdag 47 dB(A) bedraagt, wat gelijk is met de grenswaarde 47 dB(A) (= omgevingsgeluid 52 dB(A) - 5 dB(A)) en voor BP3 bedraagt het specifiek geluid overdag 45 dB(A), wat gelijk is met de grenswaarde 45 dB(A) (= richtwaarde 50 dB(A) - 5 dB(A)); (...)". 3. De beoordeling 3.1. In het eerste middel wordt de schending aangevoerd van artikel 17 van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning (hierna : milieuvergunningsdecreet), van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, van artikel 4.5.3.1, § 3, van het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne (hierna : Vlarem II), van bijlage 4.5.4. bij Vlarem II, van artikel 2 van bijlage 4.5.2 bij Vlarem II, van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder van het zorgvuldigheidsbeginsel en van de materiële motiveringsplicht. De verzoekende partijen stellen dat de inzet van de proefperiode duidelijk blijkt uit de beslissing van 23 maart 2001. Ze stellen dat uit dezelfde beslissing blijkt dat de voorwaarden van afdeling 4.5.3 van Vlarem II van toepassing zijn. Zij betogen het volgende : "Bijgevolg mag de door de gehele inrichting, respectievelijk door het onderdeel van de bestaande inrichting dat het voorwerp van de verandering uitmaakt, geproduceerde geluidshinder in het woongebied van verzoekende partijen niet meer bedragen dan 45 dB(A) overdag, 40 dB(A) 's avonds en 35 dB(A) 's nachts (punt 3/) of 45 dB(A) overdag, 40 dB(A) 's avonds en 40 dB(A) ‘s nachts (punt 2/). In de proefvergunning werd uitdrukkelijk bepaald dat uit de door de exploitant meegedeelde, en door de Afdeling Milieu-inspectie en de afdeling milieuvergunningen goedgekeurde akoestische onderzoeken (zie VII-37.169-10/22 artikel 4.5.2 van titel II van Vlarem), moet blijken dat deze richtwaarden steeds worden gerespecteerd. Dit was de inzet van de proefperiode. De motivering van het bestreden besluit dient steun te vinden in de vaststellingen (akoestisch onderzoek) m.b.t. de inzet van de proefperiode. In het bestreden besluit (p. 15) wordt - net als in het bij arrest van 12 juli 2007, nr. 173.494 vernietigde besluit van 4 april 2005 - geconcludeerd dat de richtwaarden steeds worden gerespecteerd : 'Overwegende dat bijgevolg in het laatste, zijnde vierde rapport, duidelijk wordt aangetoond dat het specifiek geluid van de uitbreiding voldoet aan de bepalingen van afdeling 4.5.3 van titel II van het VLAREM; dat meer bepaald voor alle beoordelingspunten met uitzondering van BP1 overdag en BP3 overdag het specifiek geluid van de verandering steeds lager ligt dan de grenswaarden; dat voor BP1 het specifiek geluid overdag 47 dB(A) bedraagt, wat gelijk is met de grenswaarde 47 dB(A) (...) (= omgevingsgeluid 52 dB(A) - 5 dB(A)) en voor BP3 bedraagt het specifiek geluid overdag 45 dB(A), wat gelijk is met de grenswaarde 45 dB(A) (= richtwaarde 50 dB(A) - 5 dB(A))'. Het betreffende 'vierde rapport' dateert van 28 september 2007 (...) en is een kopie van de draft-versie van 14 februari 2005 (...). Uw Raad oordeelde reeds in het vernietigingsarrest van 12 juli 2007 dat op basis van deze 'draft' niet geredelijk kan worden besloten dat de (...) van toepassing zijnde richtwaarden steeds worden gerespecteerd: '2.5.4. In het door de tussenkomende partij bezorgde addendum van 14 februari 2005 wordt gezegd dat deze overschrijding van de richtwaarden van bijlage 4.5.4. van Vlarem II eigenlijk niet bestaat. Het bestreden besluit neemt deze redenering over, zonder eigen evaluatie. Het addendum vertrekt niet van de geluidsproductie vóór de verandering, om vervolgens te bepalen hoeveel geluid er bij mag komen ná de verandering, maar neemt de geluidsproductie ná de verandering als uitgangspunt. De tussenkomende partij toetst in dit addendum niet de werkelijke geluidsproductie (dus van het geheel van het veranderde onderdeel) aan de Vlarem II - normen, maar enkel een theoretische toename van geluid na de verandering'. Aangezien het verslag waarop het bestreden besluit steunt - het is weerom een letterlijke overname van de bevindingen in het verslag - een kopie is van de ondeugdelijke 'draft' van 14 februari 2005, is het bestreden besluit met dezelfde onwettigheid behept als het besluit van 4 april 2005. Het middel is dan ook om die reden kennelijk gegrond. Het verslag van 28 september 2007 werd ook nu weer niet door verwerende partij ter evaluatie voorgelegd (aan) (noch) goedgekeurd door de afdeling Milieu-Inspectie. Het evaluatieverslag van de afdeling Milieu-inspectie dateert van 18 september 2007 (...). In dit verslag wordt m.b.t. het geluid gesteld: 'Op 12/1/2005 werd, voor het aspect geluid, een evaluatieverslag opgesteld, bijlage 1. Volgens de heer Van der Cruyssen Frans, Milieu-inspecteur bij de afdeling Milieu-inspectie is dit standpunt nog steeds actueel'. In het evaluatieverslag van 12 januari 2005 wordt gesteld: 'Het akoestisch onderzoek/saneringsplan droeg aanvankelijk niet onze goedkeuring gelet op de opmerkingen bij dit rapport waarover het bedrijf werd ingelicht met aanmaning van 4.9.2001. De aanmaning was als volgt verwoord: 1. De meetwaarden dienen getoetst aan de geluidswaarden vervat in afdeling 4.5.3 van Vlarem II voor nieuwe inrichtingen of veranderingen van bestaande inrichtingen, zoals opgelegd in de bijzondere voorwaarden 21. M.b.t. het geluidsaspect van de milieuvergunning verleend door de Vlaamse minister van datum 23.3.2001.(...) VII-37.169-11/22 De eindbeoordeling van de geluidssanering is te vinden in het verslag 'opvolging saneringsplan - deel 2' van datum 16.2.2004. Hierbij had een ambulante metingen plaats in een meetpunt representatief voor de buur/klager Tolpoortstraat 64, ter hoogte van het slaapkamerniveau. Volgens de conclusie bedraagt het specifiek geluid in dit meetpunt 45 dB(A) voor de nachtperiode hetgeen gelijk is aan de richtwaarde voor bestaande inrichtingen. Dat het bedrijfsgeluid nog steeds het geluidsklimaat in de omgeving van de woning beheerst, volgt uit de meetresultaten gegeven in figuur 7-1. Dit valt af te leiden uit het quasi-stabiel verloop van de Laeq, 1sec-waarden en uit de spectrale gegevens welke duiden op het belang van laagfrequent-industriegeluid (tevens tonaal volgens smalbandanalyse). Een stabiel en constant geluidsdrukniveau van 45 dB(A) veroorzaakt door industrielawaai en gemeten op slaapkamerniveau is niet van aard een aanvaardbare kwaliteit van de woonomgeving te waarborgen'. (...) Verzoekende partijen stellen dus vast dat enkel het verslag van 16 februari 2004 , waarin een eindbeoordeling van de geluidssanering te vinden is, werd voorgelegd aan de afdeling Milieu-inspectie, zoals vereist door artikel 2 van bijlage 4.5.2 van titel II van Vlarem. Bijgevolg kan enkel rekening worden gehouden met dit verslag. Verwerende partij diende dan ook aan de hand van dit verslag vast te stellen dat aan de inzet van de proefvergunning geenszins voldaan was. In het evaluatieverslag van 16 februari 2004 wordt helemaal niet gesteld dat de richtwaarde wordt gerespecteerd, wel integendeel. Aangezien de afdeling Milieu-inspectie op grond van de meetresultaten van het akoestisch onderzoek tot de conclusie komt dat de inrichting geluidshinder veroorzaakt die niet van aard is een aanvaardbare kwaliteit van de woonomgeving te waarborgen, kan niet ernstig worden betwist dat aan de inzet van de proefperiode nl. het steeds respecteren van de richtwaarden, niet voldaan is. De overweging in het evaluatieverslag dat 'de redenen van het vernietigingsarrest dd. 9.12.04 grotendeels voorbij gestreefd (zijn) door de gegevens van het saneringsdossier voor het aspect geluid voormeld' kan dan ook enkel slaan op het feit dat ditmaal wél een akoestisch onderzoek werd voorgelegd. Echter, uit dit onderzoek is gebleken dat de inrichting niet voldoet aan de richtwaarden inzake geluid en onaanvaardbare hinder voor de omwonenden veroorzaakt. Uw Raad oordeelde reeds in het arrest van 12 juli 2007 m.b.t. het verslag van 16 februari 2004: 'Het laatst beschikbaar akoestisch onderzoek heeft bij het slaapkamerraam van eerste verzoeker een specifiek geluid van de inrichting gemeten van 45 dB(A), wat in het voor de exploitant meest gunstige uitgangspunt een overschrijding van de norm met 5 dB(A) betekent, en in het uitgangspunt van de proefvergunning zelfs een overschrijding met 10 dB(A). In het bestreden besluit wordt gesteld dat het specifieke geluid gedurende de nachtperiode 45 dB(A) bedraagt. Deze vaststelling is -in het licht van de geuite bezwaren- onvolledig en zelfs misleidend, aangezien die waarde de door artikel 4.5.3.1., § 3, van Vlarem II toegelaten waarden met 5 dB(A) overschrijdt en zelfs- als de verwerende partij zou zijn uitgegaan van de waarden vastgelegd in de proefvergunning - met 10 dB(A)'. Bijgevolg kan niet geredelijk betwist worden dat de motivering in het bestreden besluit dat door onderhavige inrichting de richtwaarden van Titel II van Vlarem gehaald worden, onjuist is en onmogelijk het bestreden besluit kan dragen. Het bestreden besluit schendt tevens de motiveringsplicht. VII-37.169-12/22 In het bestreden besluit wordt tevens verwezen naar een geluidsonderzoek van 28 september 2007, een kopie van de draft van 14 februari 2005, dat werd overhandigd aan de Afdeling Milieuvergunningen. Dit is duidelijk een aanvulling van het akoestisch onderzoek. Artikel 2 van bijlage 4.5.2 van titel II van het Vlarem bepaalt : 'Uitvoering Een volledig akoestisch onderzoek wordt uitgevoerd door een milieudeskundige, erkend in de discipline geluid en trillingen. Mits toestemming van de Afdelingen Milieu-inspectie en Milieuvergunningen en op verantwoordelijkheid van de milieudeskundige, erkend in de discipline geluid en trillingen, mogen evenwel bepaalde metingen door de exploitant worden uitgevoerd. Het volledige akoestische onderzoek wordt door de exploitant in drie exemplaren toegestuurd aan de vergunningverlenende overheid, die het ter beoordeling en goedkeuring voorlegt aan de Afdelingen Milieu- vergunningen en Milieu-inspectie'. Dit geluidsonderzoek werd duidelijk niet geëvalueerd door de Afdeling Milieu-inspectie, zodat verwerende partij artikel 2 van bijlage 4.5.2 van titel II van Vlarem schendt. In het arrest LOWIE van 8 februari 2001 werd het belang van een evaluatieverslag van de Afdeling Milieu-inspectie door de Raad van State benadrukt: 'Bovendien ligt het ook voor de hand dat de vergunningverlenende overheid bij de definitieve beoordeling van de vergunningsaanvraag bijzondere aandacht zal moeten hebben voor de redenen die er haar toe gebracht hebben om de vergunning eerst op proef te verlenen en niet onmiddellijk definitief te vergunnen voor een langere vergunningstermijn. Dit verklaart waarom (...) door de Vlarem-reglementering wordt vereist dat in het kader van de definitieve beoordeling van de vergunningsaanvraag een evaluatieverslag wordt opgesteld door de afdeling milieu-inspectie, die belast is met de controle ter plaatse van de hinderlijke inrichtingen'. (R.v.St., 8 februari 2001, LOWIE, nr. 93.180). Door een definitieve vergunning af te leveren zonder dit wettelijk vastgelegd controlemechanisme te respecteren, heeft verwerende partij tevens het zorgvuldigheidsbeginsel geschonden. Aangezien een definitieve vergunning werd afgeleverd op grond van bevindingen afgeleid uit een eenzijdig geluidsonderzoek steunt het bestreden besluit geenszins op afdoende motieven in de zin van artikel 3 van de Formele Motiveringswet". 3.2. In haar repliek stelt de verwerende partij het volgende : "(...) Er kan op zichzelf geen bezwaar zijn tegen de bevestiging in een definitief rapport op 28 september 2007 van een ontwerp van 14 februari 2005. Onzorgvuldigheid zou er alleen kunnen in bestaan dat geen rekening wordt gehouden met nieuwe elementen die voor de geluidsevaluatie relevant zijn, maar deze zijn er niet. Voor het overige vat de bestreden beslissing het vierde geluidsrapport deskundig samen, en maakt het zich de conclusie ervan eigen (...). Uit de nauwkeurige lezing ervan volgt dat de bestreden beslissing op het vlak van de evaluatie van het geluid niet alleen zorgvuldig werd voorbereid, maar ook formeel en materieel correct werd gemotiveerd". Ze meent voorts wat volgt : VII-37.169-13/22 "(...) de verzoekende partijen (benaderen) de inzet van de proefperiode al te formalistisch en beperkend (...). Na de vernietiging van de definitieve vergunning van 22 augustus 2002 moet de inzet van de proefperiode met het oog op de wettigheidscontrole van de nieuwe definitieve vergunning rekening houden met het feit dat het saneringsproces op het vlak van het geluid intussen werd verder gezet. De controle van de motieven moet dus noodzakelijk gebeuren op grond van de elementen die voorliggen op het ogenblik van de bestreden beslissing". Vervolgens verdedigt de verwerende partij de bestreden beslissing en de werkwijze die werd gevolgd bij het tot stand komen ervan, als volgt : "Het is noodzakelijk om op dit punt het (ongunstig) advies van de afdeling Milieuvergunningen bij het besluit van 4 april 2005 te lezen. Het advies maakt overwegingen over de meetresultaten in de slaapkamer van de eerste verzoekende partij (meetpunt MP4), maakt kort het verslag van de eigen geluidswaarnemingen tijdens het plaatsbezoek van 02 februari 2005 (die zeer gunstig zijn) en neemt nota van de uitgevoerde geluidbeheersingsmaatregelen en besluit als volgt: 'overwegende dat alhoewel de exploitant alle saneringen heeft doorgevoerd, hij heeft nagelaten om het geluid van de ingediende toetsen aan afdeling 4.5.3. van titel II van VLAREM; dat in de proefvergunning niet werd gezegd dat de volledige inrichting dient te voldoen aan de voorwaarden voor nieuwe inrichtingen, maar dat deze wel gelden voor de onderdelen die veranderd werden; dat dit telefonisch aan de exploitant gemeld werd en dat er werd aangedrongen op een document waarin de verenigbaarheid wel wordt aangetoond; overwegende dat er op het ogenblik van de adviesverlening zodoende niet kan gesteld worden dat er aan de voorwaarden van de milieuvergunning voldaan werd, dat er aldus ongunstig advies wordt uitgebracht'. Het advies geeft met andere woorden uitsluitsel over een zeer essentieel punt van de toetsing van de richtwaarden, en laat op grond van de telefonische mededeling aan de exploitant op 08 februari 2005 de mogelijkheid open om op een ander ogenblik een ander advies te geven. De telefonische aanmaning van de afdeling Milieuvergunningen van 08 februari 2005 wordt bevestigd in het verslag dat de exploitant tijdens de hoorzitting van de GMVC van 14 februari 2005 neerlegde (...)". Zij stelt dat de verzoekende partijen ten onrechte proberen te zeggen dat de exploitatie als geheel moet voldoen aan de geluidsvoorwaarden van afdeling 4.5.3. van Vlarem II. Deze afdeling bepaalt de geluidsvoorwaarden voor de nieuwe inrichtingen van klasse 1 en 2 voor de veranderingen van de bestaande inrichtingen van dezelfde klassen. Er is volgens de verwerende partij op grond van de vergunning op proef geen discussie over het feit dat de verandering een uitbreiding van de molenactiviteiten met 55 % betrof. De verzoekende partijen betwisten dit ook niet. De verwerende partij meent dan ook dat de afdeling Milieuvergunningen op een geldige wijze redeneert dat de geluidsvoorwaarden van afdeling 4.5.3. van Vlarem II niet voor het geheel van de exploitatie gelden, maar wel voor de veranderde onderdelen. VII-37.169-14/22 De verwerende partij wijst er op dat de erkende geluidsdeskundige in zijn "addendum bij opvolging saneringsplan deel 2" uitlegt dat de veranderde, respectievelijk nieuwe installaties bestaan uit compressoren en koelgroepen die binnen in het gebouw zijn opgesteld met akoestische isolatie voor de ventilatie-openingen of akoestische isolatie van ramen en deuren, zodat de bronnen aan de buitenzijde niet kunnen worden gemeten en geen impact hebben op de omgeving. De verzoekende partijen miskennen, volgens de verwerende partij, de draagwijdte van de documenten en de motieven waarop de bestreden beslissing steunt door te blijven verwijzen naar de eerste definitieve vergunning van 22 augustus 2002, die door de Raad van State werd bekritiseerd omdat ze, wat de evaluatie van de geluidshinder betreft, niet steunde op meetresultaten die werden bekomen na de voltooide sanering, maar op een simulatieberekening die werd uitgevoerd omdat de sanering nog niet was voltooid. Het noodzakelijke volledig akoestisch onderzoek, "vereist volgens art. 53 § 3 Vlarem I" was wel voorhanden. De verwerende partij meent dat het debat over de toepassing van artikel 2 van bijlage 4.5.2. bij Vlarem II niet pertinent is. De afdeling Milieu-inspectie had klaarblijkelijk de gelegenheid om het volledig akoestisch onderzoek te lezen en te evalueren. Het hierboven vermelde addendum geeft een essentiële toelichting naar aanleiding van de telefonische vraag van de afdeling Milieuvergunningen met betrekking tot de meetresultaten in het verslag van 16 februari 2004, en meer bepaald met betrekking tot de vraag of en hoe het specifiek geluid, in functie van de toetsing van de meetresultaten aan de voorwaarden van afdeling 4.5.3. van Vlarem II, kon of moest worden uitgesplitst in enerzijds het specifiek geluid van de verandering van de bestaande inrichting en anderzijds het specifiek geluid van de bestaande inrichting. Dit addendum moest niet op straffe van nietigheid worden voorgelegd aan de afdeling Milieu-inspectie, en in de gegeven omstandigheden maakt de onmiddellijke evaluatie van het addendum door de vertegenwoordiger van de afdeling Milieuvergunningen geen schending van het zorgvuldigheidsbeginsel uit. Wel integendeel, vermits het inwinnen van de adviezen correct verliep, en zowel de afdeling Milieuvergunningen - door een plaatsbezoek op 2 februari 2005 en een telefonische aanmaning op 8 februari 2005 -, als de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie de adviesverlening op een zorgvuldige wijze hebben voorbereid en tot stand gebracht. Een vertraging van de procedure van de adviesverlening - die overigens niet mogelijk was - zou niet tot een ander resultaat hebben geleid. VII-37.169-15/22 De brief van de afdeling Milieu-inspectie, buitendienst Oost-Vlaanderen, van 18 september 2007 aan de afdeling Milieuvergunningen, waaruit de verzoekende partijen citeren, werd, steeds volgens de verzoekende partijen, geschreven vóór de neerlegging van het vierde geluidsrapport van 28 september 2007, en uit de stukken blijkt dat de afdeling Milieuvergunningen en de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie van het vierde rapport kennis hebben genomen. Het hoeft volgens de verwerende partij dus niet te verwonderen dat de brief van 18 september 2007 naar een eerder evaluatieverslag verwijst. Relevant is volgens haar hoedanook het besluit van de brief, waarin het volgende wordt gesteld : "Gelet op het feit dat: - de problematiek rond dit bedrijf in hoofdzaak geluidsoverlast betreft en voortkomt uit de ligging van het bedrijf binnen een dichtbevolkte woonbuurt; - het bedrijf binnen enkele jaren verhuist naar een locatie op de Tweebruggenlaan te Deinze; is het aangewezen om de milieuvergunning te verlenen voor een beperkte termijn, met het oog op herlokalisatie". 3.3. De tussenkomende partij stelt het volgende : "De motiveringsplicht houdt in casu in dat de rechtsonderhorige (omwonende) de motieven van de beslissing (milieuvergunningsbesluit) moet kunnen kennen, onder meer opdat hij met kennis van zaken zou kunnen uitmaken of het aangewezen is die beslissing met een annulatieberoep (en eventueel schorsingsberoep) te bestrijden. Welnu, het door verzoekende partij aangevochten bestreden ministerieel besluit (...) voldoet aan deze voorwaarde. Terecht stelt verzoekende partij dat de motivering van de beslissing over de definitieve vergunning steun moet vinden in de vaststellingen (...) met betrekking tot de 'inzet' van de proefvergunning (...). Hierbij mag vooreerst wel worden herinnerd aan de doelstelling die aan het systeem van de vergunning op proef ten grondslag ligt. Bij het verlenen van een milieuvergunning moet worden geoordeeld over het te verwachten risico of gevaar voor het milieu. Indien dit risico of gevaar niet met voldoende zekerheid kan worden beoordeeld, hetzij omdat het een nieuwe inrichting betreft die op dat ogenblik nog niet geëxploiteerd werd, hetzij omdat het een nieuw procédé of toestel betreft waarvan de milieueffecten of veiligheidsrisico's nog niet gekend zijn, kan het aangewezen zijn een proefperiode op te leggen (Memorie van Toelichting bij het ontwerp van Milieuvergunningsdecreet, Gedr. St., Vl.R., 1984-85, nr. 291/1, 10). De 'inzet' van de vergunning op proef wordt in het bestreden besluit uitvoerig weergegeven : Alle aspecten - en de realisatie - van de 'inzet' van de proefvergunning werden (
- i)omstandig getoetst in het kader van de adviesverlening, (
- ii)door tussenkomende partij zelf uitvoerig toegelicht op de opeenvolgende hoorzittingen van de GMVC, en (iii) vervolgens op gedetailleerde wijze VII-37.169-16/22 beschreven en beoordeeld in (
- de)evaluatieverslagen van de afdeling Milieu-inspectie dd. 2002, 12 januari 2005 en 18 september 2007. Vervolgens worden in de bestreden beslissing de uitgevoerde geluidssaneringsmaatregelen en veiligheidsmaatregelen uitvoerig toegelicht, besproken en geëvalueerd (...). De minister komt op basis hiervan tot de volgende appreciatie en beoordeling: 'Overwegende dat er zodoende aan de voorwaarden, opgelegd in de proefvergunning werd voldaan; dat alle nodige saneringen, zowel op het gebied van de veiligheid als op het gebied van geluid werden doorgevoerd; dat de vergunning definitief kan worden verleend voor een termijn die eindigt op 24 augustus 2020'. Deze motivering voldoet dan ook aan de vereisten gesteld door artikel 17 van het Milieuvergunningsdecreet en de artikelen 2 en 3 van de Motiveringswet. (...) In het bijzonder met betrekking tot de geluidsproblematiek voldoet tussenkomende partij wel degelijk aan de van toepassing zijnde reglementering, zoals uitdrukkelijk wordt bevestigd in de bestreden beslissing (...): 'Overwegende dat pas in het laatste, zijnde het vierde rapport, het specifiek geluid van de uitbreiding apart is getoetst aan afdeling 4.5.3. van titel II van het VLAREM; dat deze toetsing evenwel niet is kunnen gebeuren op basis van meetgegevens aangezien gesteld is dat er geen meetgegevens zijn van het oorspronkelijk omgevingsgeluid dat aanwezig was voor het veranderen van de inrichting; dat bijgevolg deze toetsing is gebeurd rekening houdende met het huidige omgevingsgeluid; dat dit aanvaardbaar is aangezien het bedrijf de laatste jaren heel wat heeft geïnvesteerd in geluidssaneringen en bijgevolg gesteld kan worden dat het omgevingsgeluid in de huidige situatie lager ligt dan het omgevingsgeluid voordat er saneringen zijn doorgevoerd waardoor men een strengere beoordeling van het specifiek geluid voor de verandering van bestaande inrichtingen heeft; dat het specifiek geluid van de verandering van het molengebouw berekend is; dat bij deze berekeningen rekening is gehouden met de bepalingen in afdeling 4.5.3. van titel II van het Vlarem; dat meer bepaald in BP1 gedurende de dagen de avond en in BP2 gedurende de dag, avond en nacht het omgevingsgeluid groter was dan de richtwaarden waardoor overeenkomstig artikel 4.5.3.1, §1 het specifiek geluid moet beperkt worden tot het oorspronkelijk omgevingsgeluid verminderd met 5 db(A) enerzijds alsmede de richtwaarde anderzijds; dat voor de overige beoordelingspunten het omgevingsgeluid lager is dan de richtwaarden waardoor overeenkomstig artikel 4.5.3.1., §3, het specifiek geluid moet beperkt worden tot de richtwaarden verminderd met 5 dB(A); Overwegende dat bijgevolg in het laatste, zijnde vierde rapport, duidelijk wordt aangetoond dat het specifiek geluid van de uitbreiding voldoet aan de bepalingen van afdeling 4.5.3 van titel II van het VLAREM; dat meer bepaald voor alle beoordelingspunten met uitzondering van BP1 het specifiek geluid van de verandering steeds lager ligt dan de grenswaarden; dat voor BP1 het specifiek geluid overdag 47 dB(A) bedraagt; wat gelijk is met de grenswaarde 47 dB(A) (= omgevingsgeluid 52 db(A) - 5 db(A)), en voor BP3 bedraagt het specifiek geluid overdag 45 db(A), wat gelijk is met de grenswaarde 45 db(A) (= richtwaarde 50 db(A) - 5 db(A))'. Tussenkomende partij verwijst voor het overige naar het bijgevoegde laatste geluidsrapport (...)". VII-37.169-17/22 3.4. De auditeur meent dat de huidige zaak slechts korte debatten vereist. Om aan te tonen dat de bestreden beslissing zonder verder onderzoek als onwettig kan worden bestempeld, stelt hij onder meer het volgende : "Cruciaal is dus de vraag of het addendum van 14 februari 2005 de in het akoestisch onderzoek van 16 februari 2004 vastgestelde overschrijding weerlegt. Het addendum stelt: 'Er dient rekening gehouden te worden dat het berekend specifiek geluid gebaseerd is op een aanname dat de helft van de geluidsemissie van het molengebouw bepaald wordt door de capaciteitsuitbreiding ervan'. Het gaat niet op om 'het specifieke geluid (...) voortgebracht (...) door het onderdeel van een bestaande inrichting dat het voorwerp van een verandering heeft uitgemaakt' (artikel 4.5.3.1, §3 van VLAREM II) op te vatten als de toename van geluid bovenop het voorheen reeds aanwezige geluid. Dat is nochtans wat het addendum blijkt te doen, daarin zonder meer gevolgd door de verwerende partij, die daarvoor noch in de bestreden beslissing, noch in haar nota, enige verantwoording geeft, ondanks de duidelijke overweging terzake in het eerdere vernietigingsarrest. Hetzelfde vernietigingsarrest stelde vast dat in het addendum niet het omgevingsgeluid vóór de verandering in aanmerking werd genomen, maar het omgevingsgeluid ná de verandering. De bestreden beslissing stelt 'dat deze toetsing (in het 'vierde rapport', zijnde het addendum) evenwel niet is kunnen gebeuren op basis van meetgegevens aangezien gesteld is dat er geen meetgegevens zijn van het oorspronkelijke omgevingsgeluid dat aanwezig was vóór het veranderen van de inrichting (...)' Nochtans waren bij het verlenen van de vergunning op proef wel degelijk metingen van het oorspronkelijke omgevingsgeluid voorhanden; hieraan werd overigens herinnerd in het vernietigingsarrest. Meer bepaald (weergave in het arrest) 'lag het oorspronkelijk omgevingsgeluid (in de meetpunten 1 en 3) tussen 35 en 40 dB(A). Dit betekent dat artikel 4.5.3.1., §3, van Vlarem II van toepassing is (...)' De bestreden beslissing gaat daar geheel aan voorbij. Ze vindt het hanteren van het omgevingsgeluid van na de verandering aanvaar(d)baar 'aangezien het bedrijf de laatste jaren heel wat heeft geïnvesteerd in geluidssaneringen en bijgevolg gesteld kan worden dat het omgevingsgeluid in de huidige situatie lager ligt dan het omgevingsgeluid voordat de saneringen zijn doorgevoerd waardoor men een strengere beoordeling van het specifiek geluid voor de verandering van bestaande inrichtingen heeft (...)' Dit is totaal naast de kwestie, en erg misleidend. Wat relevant is, is het oorspronkelijk omgevingsgeluid vóór de verandering, niet het omgevingsgeluid na de verandering en vóór de sanering. Uit het akoestisch onderzoek van 16 februari 2004 blijkt dat het omgevingsgeluid in meetpunt 3, in januari 2004 (na de sanering), 10 tot 15 db(A) hoger was dan wat in de vergunning op proef voor hetzelfde meetpunt werd vermeld als uitgangspunt vóór de verandering. Als gevolg van deze werkwijze wordt niet - zoals de bestreden beslissing stelt - een strengere beoordeling gemaakt van het specifieke geluid, maar integendeel een mildere. Meer bepaald wordt voor twee beoordelingspunten (en voor bepaalde periodes), in strijd met wat in de vergunning op proef was bepaald, niet artikel 4.5.3.1, §3, van VLAREM II toegepast, maar artikel 4.5.3.1, §1. Het resultaat daarvan is het volgende: VII-37.169-18/22 - voor beoordelingspunt 1 wordt een nachtelijke overschrijding van 2 dB(A) weggewerkt, en lijkt het alsof de norm net gehaald wordt; - voor beoordelingspunt 2 wordt een overschrijding van 2 dB(A) tijdens de nacht weggewerkt, en lijkt het alsof men 1 dB(A) onder de norm blijft; - voor hetzelfde beoordelingspunt 2 wordt voor de avondperiode een overschrijding van 2 dB(A) weggewerkt, en lijkt het alsof men 3 dB(A) onder de norm blijft. Daarbij mag niet worden vergeten dat het te beoordelen specifiek geluid door de vorige kunstgreep reeds was gehalveerd. Nu de bestreden beslissing opnieuw steunt op hetzelfde door de exploitant bezorgde document, zonder de in het vernietigingsarrest nr. 173.494 van 12 juli 2007 geformuleerde bezwaren te weerleggen, dient het eerste middel gegrond te worden bevonden". 3.5.1. De toepasselijke bepalingen van Vlarem II zijn de volgende : "Art. 4.5.1.1. § 1. De exploitant treft ter naleving van de bepalingen van dit hoofdstuk, de nodige maatregelen om de geluidsproductie aan de bron en de geluidsoverdracht naar de omgeving te beperken. Naargelang van de omstandigheden en op basis van de technologisch verantwoorde mogelijkheden volgens de beste beschikbare technieken wordt hierbij gebruikgemaakt van een oordeelkundige (her)schikking van de geluidsbronnen, geluidsarme installaties en toestellen, geluidsisolatie en/of absorptie en/of afscherming. § 2. De bepalingen vermeld onder de afdelingen 4.5.2, 4.5.3 en 4.5.4 van dit besluit zijn van toepassing, tenzij voor bepaalde categorieën van inrichtingen in dit reglement andere bepalingen zijn opgenomen. (...) Art. 4.5.2.1. Ter beoordeling van het geluid van inrichtingen gelden de in de bijlagen 4.5.4 en 4.5.5 bij dit besluit aangegeven waarden in dB(A) als richtwaarden waaraan het specifieke geluid in open lucht van een inrichting wordt getoetst. (...) Art. 4.5.3.1. § 1. LA95, 1 h van het oorspronkelijke omgevingsgeluid is gelijk aan of hoger dan de richtwaarde van bijlage 2.2.1 bij dit besluit. In dat geval moet het specifieke geluid, in open lucht voortgebracht door de nieuwe inrichting of door het geheel, respectievelijk door het onderdeel van een bestaande inrichting dat het voorwerp van een verandering heeft uitgemaakt, beperkt worden tot het LA95, 1h van het oorspronkelijke omgevingsgeluid verminderd met 5 dB(A) enerzijds alsmede tot de in bijlage 4.5.4 bij dit besluit bepaalde richtwaarden anderzijds. § 2. LA95, 1h van het oorspronkelijke omgevingsgeluid is lager dan de richtwaarden in de gebieden onder 1/, 4/, 6/ of 7/ van de bijlage 2.2.1 bij dit besluit. In dat geval moet het specifieke geluid in open lucht voortgebracht door de nieuwe inrichting of door het geheel, respectievelijk door het onderdeel van een bestaande inrichting dat het voorwerp van een verandering heeft uitgemaakt, beperkt worden tot het LA95, 1h van het oorspronkelijke omgevingsgeluid enerzijds en tot de in bijlage 4.5.4 bij dit besluit bepaalde richtwaarden verminderd met 5 dB(A) anderzijds. § 3. LA95, 1h van het oorspronkelijke omgevingsgeluid is lager dan de richtwaarden in de gebieden onder 2/, 3/, 5/, 8/ of 9/ van de bijlage 2.2.1. bij dit besluit. In dat geval moet het specifieke geluid in open lucht voortgebracht door de nieuwe inrichting of door het geheel, respectievelijk door het onderdeel van een bestaande inrichting dat het voorwerp van een verandering heeft VII-37.169-19/22 uitgemaakt, beperkt worden tot de in bijlage 4.5.4 bij dit besluit bepaalde richtwaarden verminderd met 5 dB(A). § 4. Onverminderd de bepalingen van § 1, 2 en 3 moeten nieuwe inrichtingen van klasse 1 of 2, alsmede veranderingen van bestaande inrichtingen van klasse 1 of 2 die een gemene muur en/of vloer hebben met bewoonde vertrekken voldoen aan volgende bepalingen: het specifieke geluid binnenshuis van de inrichting gemeten in de bewoonde vertrekken, waarvan vensters en deuren gesloten zijn, dient beperkt te worden tot de in bijlage 2.2.2 bij dit besluit bepaalde richtwaarden verminderd met 3 dB(A). § 5. Als het geluid in open lucht van een inrichting een incidenteel, fluctuerend, intermitterend of impulsachtig karakter vertoont, dan worden de in bijlage 4.5.5 bij dit besluit aangegeven richtwaarden toegepast op de toepasselijke waarde. De toepasselijke waarde is de in bijlage 4.5.4 van dit besluit aangegeven richtwaarde voor de verschillende gebieden verminderd met 5. § 6. De voorwaarden vermeld in deze afdeling worden schematisch weergegeven in de beslissingsschema's 4.5.6.1 en 4.5.6.3 in bijlage 4.5.6 bij dit reglement. (...) Art. 4.5.4.1. § 1. Indien volgens een beperkt akoestisch onderzoek een door de inrichting veroorzaakte overschrijding van de in bijlage 4.5.4, 4.5.5 en/of bijlage 2.2.2 bij dit besluit bepaalde richtwaarden wordt vastgesteld, kan de toezichthoudende ambtenaar de exploitant(
- en)verplichten tot uitvoering van een volledig akoestisch onderzoek en dit op kosten van de exploitant(en). Dit volledige akoestische onderzoek wordt uitgevoerd overeenkomstig bijlage 4.5.2 bij dit besluit en bepaalt de bijdrage van de inrichting of, in voorkomend geval, van elke inrichting tot voormelde overschrijding. § 2. Indien het volledige akoestische onderzoek, bedoeld in § 1, uitwijst dat het specifieke geluid in open lucht voortgebracht door de inrichting(
- en)de in bijlage 4.5.4 bij dit besluit bedoelde richtwaarde met 10 dB(A) of meer overschrijdt, moet(
- en)de exploitant(
- en)van de betrokken inrichting(
- en)op zijn(hun) kosten een saneringsplan opstellen en uitvoeren overeenkomstig de bepalingen van bijlage 4.5.3 bij dit besluit. § 3. Indien het volledige akoestische onderzoek, bedoeld in § 1, uitwijst dat het specifieke geluid in open lucht voortgebracht door de inrichting(
- en)de in bijlage 4.5.4 bij dit besluit bepaalde richtwaarden met minder dan 10 dB(A) overschrijdt, kan de vergunningverlenende overheid, op advies van de afdeling Milieuvergunningen voor de inrichtingen van de 1ste klasse en van de afdeling Milieuvergunningen en van de bevoegde gemeentelijke milieudienst voor inrichtingen van de 2de klasse, een saneringsplan ter uitvoering opleggen overeenkomstig de bepalingen van bijlage 4.5.3 bij dit besluit. § 4. Onverminderd de bepalingen van § 1, 2 en 3 wordt het specifieke geluid binnenshuis van bestaande inrichtingen van klasse 1 of 2 die een gemene muur en/of vloer hebben met bewoonde vertrekken zodanig beperkt dat de richtwaarden van bijlage 2.2.2 bij dit besluit zo goed mogelijk worden benaderd, rekening houdend met de bepalingen van artikel 4.5.1.1 en met gebruik van de beste beschikbare technieken. Het specifieke geluid van de inrichting wordt gemeten in de bewoonde vertrekken, waarvan vensters en deuren gesloten zijn. Tenzij anders vermeld in de milieuvergunning moet het specifieke geluid van de inrichting aan de bepalingen van deze paragraaf voldoen uiterlijk op 1 augustus 1997. § 5. Als het geluid in open lucht van een inrichting een incidenteel, fluctuerend, intermitterend of impulsachtig karakter vertoont, dan worden de in bijlage 4.5.5 bij dit besluit aangegeven richtwaarden toegepast op de toepasselijke waarde. VII-37.169-20/22 De toepasselijke waarde is de in bijlage 4.5.4 bij dit besluit aangegeven richtwaarde voor de verschillende gebieden. § 6. De voorwaarden vermeld in deze afdeling worden schematisch weergegeven in de beslissingsschema's 4.5.6.2 en 4.5.6.3 in bijlage 4.5.6 bij dit reglement". 3.5.2. De bestreden beslissing besteedt meerdere bladzijden aan de geluidsproblematiek. De verzoekende partijen hebben acht bladzijden van hun verzoekschrift besteed aan het uiteenzetten en toelichten van het eerste middel. De verwerende en de tussenkomende partij geven hun argumenten eveneens op omstandige wijze weer. De toepasselijke reglementering is niet meteen de meest duidelijke. De situatie kan niet zomaar worden vergeleken met deze van voorgaande procedures, nu uit de bestreden beslissing blijkt dat er een belangrijke geluidsbron wegens herlokalisatie is weggevallen. In de gegeven omstandigheden kan niet op het eerste gezicht worden vastgesteld dat het eerste middel een voldoende graad van ernst vertoont om in korte debatten te leiden tot een definitieve beoordeling van het geschil. 3.5.3. Aangezien het auditoraatsverslag is gesteund op de gegrondheid in korte debatten van het annulatieberoep, wordt het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat gelast met een aanvullend onderzoek van de vordering tot schorsing, OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel 1. Het verzoek tot tussenkomst van de NV DOSSCHE MILLS wordt ingewilligd. Artikel 2. De debatten worden heropend. Artikel 3. De zaak wordt verwezen naar de gewone rechtspleging. VII-37.169-21/22 Artikel 4. Het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat wordt gelast met een onderzoek over de vordering tot schorsing. Artikel 5. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zesentwintig juni tweeduizend en acht, door : de HH. E. BREWAEYS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, D. DECOCK, griffier. De griffier, De voorzitter, D. DECOCK. E. BREWAEYS. VII-37.169-22/22 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.184.777 Gerelateerde publicatie(
- s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.187.111 ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.189.332 ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.206.408 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div