← België

Arrest 184845 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 26/06/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 26 juni 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.184.845 Rolnummer: A. 185476/X-13488 Zaak: Arrest 184845 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 26/06/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-07-25 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-06-29 08:19 Fiche Arrest nr 184.845 van 26 juni 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 184.845 van 26 juni 2008 in de zaak A. 185.476/X-13.

  1. In zake : Patrick VERBRAEKEN, die woonplaats kiest bij advocaat G. VRINTS, kantoor houdende te 2990 LOENHOUT-WUUSTWEZEL, henningenlaan 60 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat J. CLAES, kantoor houdende te 2550 KONTICH, Mechelsesteenweg
  2. tussenkomende partij : de n.v. ASTRID, die woonplaats kiest bij advocaten T. VANDENPUT en P. DE MAEYER, kantoor houdende te 1160 BRUSSEL, Tedescolaan
  3. DE VOORZITTER VAN DE Xe KAMER, Gezien het enig verzoekschrift dat Patrick VERBRAEKEN op 12 oktober 2007 heeft ingediend, en waarin hij de schorsing van de tenuitvoerlegging vordert van het besluit van 7 augustus 2007 van de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar waarbij aan de n.v. ASTRID de stedenbouwkundige vergunning wordt verleend tot het plaatsen van een buispyloon te Zoersel, Gagelhoflaan 8, kadastraal bekend sectie D, nr. 112/k2; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur A. EYLENBOSCH; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; X-13.488-1/10 Gelet op de beschikking van 18 december 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 1 februari 2008; Gehoord het verslag van kamervoorzitter R. STEVENS; Gehoord de opmerkingen van advocaat G. VRINTS, die verschijnt voor de verzoeker, van advocaat J. CLAES, die verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat P. DE MAEYER, die verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur A. EYLENBOSCH; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT :
  4. Rechtspleging. Met een verzoekschrift van 31 oktober 2007 heeft de n.v. ASTRID gevraagd om in het geding te mogen tussenkomen. Er is grond om het verzoek in te willigen.
  5. Feiten 2.
  6. Op 1 maart 2007 ontvangt de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar van de tussenkomende partij een aanvraag om stedenbouwkundige vergunning voor het plaatsen van een buispyloon op het hoger bedoelde perceel. De verzoeker woont op het aanpalend perceel. De aanvraag behelst het plaatsen van een buispyloon met een hoogte van 30m waar aan de bovenzijde door middel van een draagstructuur 3 omni-antennes worden op aangebracht. Op de pyloon wordt er eveneens een GPS-antenne aangebracht. Aan de voet van de constructie wordt de shelter geplaatst die de technische installatie bevat en het geheel wordt afgesloten door een draadomheining. De installatie wordt voorzien op een terrein van een jeugdherberg en wordt achteraan het perceel geplaatst. X-13.488-2/10 De tussenkomende partij heeft bij het BIPT een technisch antennedossier ingediend overeenkomstig de bepalingen van het koninklijk besluit van 10 augustus 2005 houdende de normering van zendmasten voor elektromagnetische golven tussen 10 MHz en 10 Ghz. Het BIPT heeft een ontvangstbewijs opgesteld. 2.
  7. Blijkens de bestemmingsvoorschriften van het bij koninklijk besluit van 30 september 1977 vastgestelde gewestplan Turnhout is kwestieus perceel gelegen in woongebied. Het is niet gelegen binnen de grenzen van een goedgekeurd bijzonder plan van aanleg/ruimtelijk uitvoeringsplan, noch binnen de omschrijving van een behoorlijk vergunde, niet vervallen verkaveling. 2.
  8. Ter gelegenheid van het openbaar onderzoek, georganiseerd van 30 april 2007 tot en met 4 juni 2007 worden vijf bezwaarschriften ingediend, waaronder één door de verzoeker. Deze beklaagt zich in wezen over de plaatsing van de pyloon in woongebied met groen karakter, de visuele impact op de omgeving en de impact op de menselijke gezondheid. Het college van burgemeester en schepenen bevindt het bezwaar ontvankelijk en deels gegrond. Het college adviseert niettemin de plaatsing van de installatie op het betrokken terrein gunstig. 2.
  9. Op 7 augustus 2007 geeft de gewestelijk stedenbouwkundige ambtenaar de vergunning af. Dit is het bestreden besluit.
  10. Ten gronde 3.
  11. Grondvoorwaarden tot schorsing Krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. X-13.488-3/10 3.
  12. Enig middel 3.2.
  13. Het enig middel is als volgt geformuleerd : “
  14. Aangezien verzoekers onverminderd alle andere middelen aan te voeren na onderzoek van het administratief dossier of ambtshalve op te werpen door de Raad van State, de nietigverklaring vordert wegens schending van de artikelen 2 en 3 van wet van 29/7/91 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, wegens schending van artikel 4 van het decreet van 18.5.1999 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening, wegens schending van artikel 19 lid 3 en 20 van het koninklijk besluit van 28/12/1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerpgewestplannen en gewestplannen en wegens schending van het voorzorgsbeginsel. Dat deze middelen ernstig lijken derwijze dat ze van aard zijn om de schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing te bevelen.
  15. Aangezien luidens de bepalingen van artikelen 2 en 3 van de wet van 29/7/91 betreffende uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen elke eenzijdige rechtshandeling met individuele strekking die uitgaat van het bestuur en die beoogt rechtsgevolgen te hebben voor één of meer bestuurders of voor een andere bestuur, in de akte de juridische en feitelijke overwegingen moet vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen, en dat deze afdoende moeten zijn. Aangezien de gemachtigde ambtenaar moet motiveren waarom een GSM-mast bestaanbaar is met de bestemming van landelijk woongebied, en of ze verenigbaar is met de onmiddellijke omgeving; dat de gemachtigde ambtenaar weliswaar een ruime appreciatiebevoegdheid heeft, doch de Raad van State kan nagaan of de gemachtigde ambtenaar bij de uitoefening van zijn appreciatiebevoegdheid is uitgegaan van feitelijke en in rechte juiste gegevens; dat wanneer de in de bestreden beslissing opgegeven motivering te weinig concrete gegevens bevat en niet toelaat uit te maken welke eigenlijk de precieze kenmerken zijn van het landelijk woongebied, deze motivering niet volstaat om tot de bestaanbaarheid met de bestemming landelijk woongebied en de verenigbaarheid met de onmiddellijke omgeving te besluiten (...); dat ook een stedenbouwkundige vergunning afgeleverd door de gemachtigde ambtenaar aan NV A.S.T.R.I.D.-kan worden geschorst en/of vernietigd wanneer de redengeving alleen maar bestaat uit vage algemeenheden en niet voldoende concrete gegevens bevat (...).
  16. Aangezien de bestreden beslissing fouten en tegenstrijdigheden bevat; dat een onjuist adres werd opgegeven, in die zin dat het adres (Zoersel, Gagelhoflaan 8) niet blijkt overeen te stemmen met het perceelnummer in kwestie (afdeling 1, sectie D nr. 112 k2) en inderdaad blijkens de motivering van de beslissing het college van burgemeester en schepenen van Zoersel gunstig advies heeft gegeven voor het plaatsen van een Astrid installatie op het terrein aan Gagelhoflaan 26 (en dus niet Gagelhoflaan 8); dat anderzijds in de aanvang van de beslissing wordt gesteld dat de bestemming van het gebied volgens het gewestplan Turnhout zou zijn vastgesteld, terwijl verder in het besluit dan weer wordt overwogen dat het perceel zich binnen het gewestplan Antwerpen zou situeren; dat dus allerminst duidelijk is op welk gewestplan de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar zich concreet heeft gebaseerd. Aangezien de motivering sowieso ook onvolledig is waar erin wordt verwezen naar een overeenkomst die NV A.S.T.R.I.D.en de eigenaar van het X-13.488-4/10 perceel (Jeugdherberg Gagelhof) zou zijn gemaakt terwijl die overeenkomst zelf niet bij de aanvraag was voorgelegd en dus niet geweten is tegen welke vergoeding en onder welke modaliteiten N.V. A.S.T.R.I.D.van het perceel in kwestie gebruik mag maken.
  17. Aangezien de juiste kenmerken van het woongebied in de motivering niet staan aangeduid en ook geen precieze beschrijving van de omgeving wordt gegeven (bijvoorbeeld noch de dichtheid, noch het al dan niet landelijk karakter van het gebied worden vermeld); dat waar de gemachtigde ambtenaar zelf stelt dat o.w.v. de verscheidenheid van situaties de precieze kenmerken van het woongebied duidelijk moeten zijn om de verenigbaarheid met de goede plaatselijke ordening, de algemene bestemming en/of het architectoraal karakter van het betrokken gebied te kunnen beoordelen, het evident is dat de karakteristieken van het gebied ook zo exact en zo volledig mogelijk worden omschreven; dat zulks niet is gebeurd doch de gemachtigde ambtenaar er zich toe beperkt heeft vaag en algemeen te overwegen dat de ordening van het gebied vastligt en bepaald wordt door goed gekende feitelijke toestanden en stedenbouwkundige karakteristieken van de omgeving, zonder te preciseren dewelke.
  18. Aangezien in de beslissing ook niet duidelijk gesteld is welke concrete bouwvoorschriften voor het gebied van toepassing zijn. Dat weliswaar wordt aangehaald dat wat de bouwhoogte betreft een definitief besluit van 07.07.2000 van de Vlaamse Regering zou gelden , zonder echter concreet te vermelden wat terzake de maximale bouwhoogtes zijn. Dat dus uit de beslissing niet blijkt dat de vergunde pyloon van 30 meter hoogte wel met die voorschriften verenigbaar is.
  19. Aangezien ook niet gemotiveerd wordt waarom de zendmast precies op die locatie dient te worden ingeplant, zijnde midden in een groene en bosrijke omgeving die in feite alleen voor residentieel verblijf wordt gebruikt, en niet in een ander naburig gebied dat volgens de in 1998 goedgekeurde Vlaamse Telecomcode (Code voor een duurzame ruimtelijke inplanting van draadloze telecommunicatieinfrastructuur in Vlaanderen) beter voor dergelijke installaties geschikt is; dat ondermeer algemeen in de motivering geen enkel element is terug te vinden waarom de radiodekking met een zendmast op die specifieke locatie het meest adequaat zou zijn en waarom een plaatsing in een minder kwetsbaar gebied niet dezelfde efficiëntie zou kunnen garanderen.
  20. Aangezien het feit dat de aangevraagde constructie niet in strijd zou zijn met het gewestplan en als gemeenschapsvoorziening ook in een woongebied zou kunnen worden toegelaten, niet volstaat om de vergunning te wettigen; dat immers de artikels 19, lid 3 en 20 van het KB van 28.12.1972 bepalen dat de constructie sowieso verenigbaar moet zijn met een goede plaatselijke ordening, met de algemene bestemming en met het architectonisch karakter van het gebied; dat uit de motieven niet blijkt dat de gemachtigde ambtenaar deze toetsing volwaardig en integraal heeft gedaan en de noodzaak van de locatie op die plaats voldoende heeft afgewogen tegen de nadelen die ze voor de onmiddellijke omgeving veroorzaakt (... T.R.O.S., 2002, afl. 27,220, noot: de verplichting van de vergunningsverlenende overheid om de vergunning te toetsen aan de eisen van goede plaatselijke ordening , houdt in dat vergunning moet geweigerd worden als blijkt dat de ontworpen constructie kennelijk overdreven hinder voor de buren zal veroorzaken waardoor de maat van de gewone ongemakken tussen de buren zal overschreden worden en bijgevolg het evenwicht tussen de naburige erven op ernstige wijze zal verbroken worden). X-13.488-5/10
  21. Aangezien de gemachtigde ambtenaar besluit dat hij als vergunningsverlenende overheid er in alle redelijkheid mag van uitgaan dat het gezondheidsaspect voldoende onder controle is en het verlenen van de stedenbouwkundige vergunning niet in de weg staat, daar men verder onder de algemene aanvaarde risicogrens qua straling zit op plaatsen waar personen zich redelijkerwijze kunnen bevinden (sic). Aangezien evenwel de discussie omtrent het gezondheidsrisico en stralingsgevaar nog steeds aan de gang is. Dat het gevaar algemeen erkend wordt, in die zin dat bij de omzendbrief van 8.7.1997 wordt gesteld dat het niet aangewezen is om ontvangst- en zendmasten voor radio en TV in een woongebied te lokaliseren. Dat op grond van dit voorzorgsbeginsel ook zendmasten voor GSM-installatie zoveel als mogelijk uit woongebieden worden geweerd, in die zin dat wanneer er in redelijkheid kan worden vastgesteld dat er een mogelijk gevaar is, zelfs al kan dit niet met alle zekerheid worden aangetoond, GSM-installaties in de nabijheid van woningen niet kunnen worden toegelaten (...). Aangezien het in casu gaat om een zendmast bestemd voor een zeer specifieke communicatietechniek en het absoluut niet zeker is dat deze installatie, in tegenstelling tot klassieke GSM-installaties, helemaal geen gevaar voor de omwonenden inhoudt. Aangezien in casu de beoordeling van het gezondheidsrisico, lees stralingsgevaar, nog strenger moet gebeuren gezien men de zendmast niet alleen midden in een woongebied wil inplanten, maar ook nog op een plaats waar frequent personen aanwezig zijn, namelijk op een plaats waar een jeugdherberg staat waar dus residenten, zowel jong als oud, systematisch met stralingsgevaar in aanraking kunnen komen. Dat de gemachtigde ambtenaar hiermee weinig of geen rekening blijkt te hebben gehouden en geen enkel element heeft aangehaald waarom de zendmast om technische redenen toch nergens anders kan worden geïnstalleerd”. 3.2.
  22. De andere partijen betwisten de ernst van het middel. 3.2.
  23. In het auditoraatsverslag wordt het middel als volgt besproken : “
  24. Het bestreden besluit vindt geen steun in artikel 20 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerpgewestplannen en gewestplannen luidens welke ‘bouwwerken voor openbare diensten en gemeenschapsvoorzieningen (...) ook buiten de daarvoor speciaal bestemde gebieden worden toegestaan voor zover ze verenigbaar zijn met de algemene bestemming en met het architectonisch karakter van het betrokken gebied’. In zoverre het middel is afgeleid uit bedoeld artikel 20, mist het juridische grondslag.
  25. Daargelaten de vraag in hoeverre artikel 4 van het decreet van 18 mei 1999 een bepaling bevat die niet enkel bij het opmaken van plannen van aanleg, maar ook bij het onderzoek van vergunningsaanvragen in acht genomen moet worden, blijkt uit het bestreden besluit in elk geval dat er voor het gebied waarin de ontworpen constructie gelegen is, geen goedgekeurd algemeen of bijzonder plan van aanleg bestaat, noch een ruimtelijk uitvoeringsplan, en dat dit gebied evenmin gelegen is binnen een vergunde verkaveling. In dat geval is het de taak van de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar om geval per geval te X-13.488-6/10 onderzoeken of de bouwaanvraag beantwoordt aan de eisen van een goede ruimtelijke ordening, overeenkomstig artikel 19 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerpgewestplannen en gewestplannen. Volgens de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen moet elke eenzijdige rechtshandeling met individuele strekking die uitgaat van een bestuur en die beoogt rechtsgevolgen te hebben voor één of meer bestuurden of voor een ander bestuur, in de akte de juridische en feitelijke overwegingen vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen, en moet die motivering ‘afdoende’ zijn. Toegespitst op de beoordeling van de verenigbaarheid van een aanvraag met de goede ruimtelijke ordening, volgt uit de voornoemde wetsbepalingen dat de stedenbouwkundige vergunning duidelijk de met de plaatselijke aanleg of de ruimtelijke ordening verband houdende redenen moet opgeven waarop de vergunningverlenende overheid haar beslissing steunt.
  26. In een eerste onderdeel voert verzoeker in essentie aan dat het bestreden besluit niet afdoende motiveert waarom de aanvraag in overeenstemming is met de bestemming woongebied en met de onmiddellijke omgeving.
  27. Het bestreden is gemotiveerd als volgt: ‘(...) Het perceel is gelegen in het gewestplan Antwerpen, vastgesteld bij koninklijk besluit van 03/10/1979, gewijzigd bij besluit van de Vlaamse regering van 28/10/1998 en definitief besluit (bouwhoogte) van de Vlaamse Regering van 07/07/
  28. (...) Het perceel ligt, volgens dit van kracht zijnde gewestplan, in: Art.
  29. 0 - Woongebieden. (...) Het bedoelde terrein is niet gelegen binnen de grenzen van een goedgekeurd plan van aanleg, noch binnen de omschrijving van een behoorlijk vergunde en niet vervallen verkaveling. Wegens het ontbreken van enig gedetailleerd ordeningsplan dient de vergunningverlenende overheid de voorliggende aanvraag te evalueren aan de hand van de gebruikelijke inzichten en noden betreffende een goede ordening der plaats, gebaseerd op de eerder geciteerde voorschriften van het van kracht zijnde plan. De aanvraag is in overeenstemming met de bestemmingsvoorschriften van het gewestplan. (...) In de rechtspraak werd in dit verband reeds geoordeeld dat een zendinstallatie voor mobiele communicatie kan worden opgevat als een ‘openbare nutsvoorziening’ die als zodanig verenigbaar is met de ‘woonfunctie’, zodat anders dan voor handel, dienstverlening, ambacht en kleinbedrijf niet dient te worden nagegaan of zij om redenen van goede ruimtelijke ordening in een daartoe aangewezen gebied moeten worden afgezonderd. (...) De huidige aanvraag houdt ten overstaan van de bestaande toestand slechts een logische en uit oogpunt van ruimtelijke ordening beperkte verdere uitbouw in, die zich geheel situeert binnen de omschrijving van de gegeven configuratie zoals duidelijk op te maken uit de bijgevoegde plans en foto's in het dossier. De ordening van het gebied ligt vast en wordt bepaald door goed gekende feitelijke toestanden en stedenbouwkundige karakteristieken van de omgeving. Het algemeen X-13.488-7/10 karakter, uitzicht en bestemming van het ontwerp zijn stedenbouwkundig inpasbaar en aanvaardbaar in deze omgeving. De constructie is sober van ontwerp, neemt slechts een zeer beperkte oppervlakte in en wordt neutraal uitgevoerd zodat ze zonder ruimtelijke conflicten in de omgeving geïntegreerd wordt. De inplanting van de aanvraag is als dusdanig verenigbaar met de goede plaatselijke ordening. (...)’.
  30. Verzoeker maakt niet aannemelijk dat de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar is uitgegaan van onjuiste of onvolledige gegevens. Uit het administratief dossier blijkt dat de relevante feitelijke gegevens van de zaak zijn opgenomen in het aanvraagdossier en in de bijgevoegde plannen. Verzoeker maakt in de huidige stand van het geding niet aannemelijk dat de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar zich zou hebben laten leiden door een onjuiste voorstelling van de relevante gegevens. De onjuiste weergave in het besluit van het adres en het toepasselijke gewestplan berust kennelijk op een materiële vergissing die de wettigheid van de vergunning als dusdanig niet aantast. De overeenkomst tussen de n.v. ASTRID en de eigenaar van het perceel betreft voorts een uitsluitend burgerrechtelijke aangelegenheid die de subjectieve rechten tussen die partijen regelt en niet in de beoordeling van de stedenbouwkundige overheid dient te worden betrokken. Bij gebreke aan algemene en bijzondere plannen van aanleg, ruimtelijke uitvoeringsplannen en verkavelingsvergunningen kunnen concrete bouwvoorschriften tot slot bezwaarlijk worden vermeld.
  31. Op het punt van de bestaanbaarheid van de pyloon met de bestemming woongebied voldoet de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar aan de hem opgelegde motiveringsplicht door te verwijzen naar de kwalificatie als ‘openbare nutsvoorziening’. (...)
  32. Op het punt van de verenigbaarheid van de pyloon met de onmiddellijke omgeving kan verzoekers argumentatie verslaggever er op het eerste gezicht tot slot niet toe brengen aan te nemen dat de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar op grond van de voorliggende feitelijke gegevens de grenzen van zijn appreciatiebevoegdheid zou hebben overschreden. De omstandigheid dat de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar ter aanduiding van de gegeven configuratie heeft volstaan met te verwijzen naar de foto’s en plannen in het dossier zonder deze opnieuw te omschrijven, lijkt onvoldoende om een niet afdoende verantwoording van de verenigbaarheid van de constructie met de onmiddellijke omgeving te weerhouden. De vraag of de vergunde constructie kennelijk overdreven hinder voor de buren zou veroorzaken, waardoor de maat van de gewone ongemakken tussen de buren wordt overschreden, en bijgevolg het evenwicht tussen de naburige ervan op ernstige wijze verbroken zal worden, behoort voorts principieel tot het domein van het burgerlijk recht. De Raad van State is niet bevoegd hiervan kennis te nemen. Stedenbouwkundige vergunningen worden verleend onder voorbehoud van de geldende burgerlijke rechten. Immers het vergunningverlenende bestuur, wanneer het over een aanvraag om stedenbouwkundige vergunning uitspraak doet, treedt op, niet als rechter om vast te stellen of de subjectieve rechten van derde belanghebbenden al dan niet worden miskend, maar wel als bestuursoverheid om te beslissen, door X-13.488-8/10 het geven of weigeren van de stedenbouwkundige vergunning, of een bepaalde bouwaanvraag al dan niet verenigbaar is met de openbare belangen waarvan de zorg hem door de decreetgever is opgedragen, in casu de beoordeling van de verenigbaarheid met de goede plaatselijke ordening. Nu verzoeker in de huidige stand van het geding geen concrete gegevens aanbrengt die de conclusie kunnen wettigen dat de beoordeling van de goede ruimtelijke ordening door de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar is gebeurd met miskenning van de als geschonden ingeroepen bepalingen, hoefde deze laatste op het eerste gezicht niet meer in te gaan op het aspect van de alternatieve inplantingsplaatsen en de redenen waarom deze niet worden weerhouden. Het eerste onderdeel is niet ernstig.
  33. In een tweede onderdeel voert verzoeker in essentie aan dat het voorzorgsbeginsel is geschonden doordat in het bestreden besluit wordt overwogen dat de vergunningverlenende overheid er in alle redelijkheid kon van -uitgaan dat het gezondheidsaspect voldoende onder controle is en het verlenen van de stedenbouwkundige vergunning niet in de weg staat. Met betrekking tot het voorzorgbeginsel wordt op het eerste gezicht aangenomen dat de overheid die bevoegd is inzake ruimtelijke ordening, voor de beoordeling van de risico's van een constructie, voor de gezondheid, in beginsel kan voortgaan op de beoordeling van de ter zake bevoegde overheid, zoals die haar uitdrukking heeft gevonden in een bij koninklijk besluit vastgestelde normering. Dienaangaande wordt in het bestreden besluit verwezen naar het koninklijk besluit van 10 augustus 2005 houdende de normering van zendmasten voor electromagnetische golven tussen 10 MHz en 10 GHz, dat door de federale overheid is uitgevaardigd. Dit koninklijk besluit legt de gezondheidsnormen vast die vier keer strenger zijn dan die van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) en 200 keer strenger dan de effectieve risicogrens. Aldus wordt op het eerste gezicht het voorzorgsprincipe gerespecteerd. Bijgevolg blijkt uit de motivering van het bestreden besluit dat het mogelijk gevaar voor de gezondheid van de omwonenden in de beoordeling van de aanvraag van de stedenbouwkundige vergunning werd betrokken. De Raad van State kan enkel rekening houden met de ter zake geldende normen en niet met in voorkomend geval opportuniteitskritiek die de verzoekende partij levert op de in dit besluit vastgelegde normen”. 3.2.
  34. Om de in dat verslag uiteengezette redenen, welke de Raad van State tot de zijne maakt, dient besloten te worden dat het middel niet ernstig is, OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  35. Het verzoek tot tussenkomst van de n.v. ASTRID wordt ingewilligd. X-13.488-9/10 Artikel
  36. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
  37. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de tussenkomst wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zesentwintig juni 2008, door : de H. R. STEVENS, kamervoorzitter, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. R. STEVENS. X-13.488-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.184.845 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.196.404 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.