← België

Arrest 184852 - Penitentiair recht - 26/06/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 26 juni 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.184.852 Rolnummer: A. 187526/IX-5879 Zaak: Arrest 184852 - Penitentiair recht - 26/06/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-07-29 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-29 08:19 Fiche Arrest nr 184.852 van 26 juni 2008 Justitie - Penitentiair recht Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 184.852 van 26 juni 2008 in de zaak A. 187.526/IX-

  1. In zake : Burak ERSEN, die woonplaats kiest bij advocaat K. VAN DER STRAETEN, kantoor houdende te DENDERMONDE, Justitieplein 9, bus 7 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Justitie. ----------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Burak ERSEN op 11 maart 2008 heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging en de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 15 januari 2008 van de directeur van de gevangenis te Hasselt waarbij hem de tuchtsanctie “9 dagen strafcel en 6 maanden individueel regime (glasbezoek, geen gemeenschappelijke activiteiten en individuele wande- ling)” wordt opgelegd; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag over de vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring op grond van artikel 93 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrecht- spraak van de Raad van State, opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op de beschikking van 19 mei 2008 waarbij de terecht- zitting bepaald wordt op 2 juni 2008; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gehoord het verslag van staatsraad D. MOONS; IX-5879-1/10 Gehoord de opmerkingen van attaché P. VAN CAENEGHEM, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelings- hoofd W. VAN NOTEN; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT :
  2. Over de aanwijzing van de verwerende partij. 1.
  3. In zijn verzoekschrift wijst de verzoeker de volgende overheid aan als de verwerende partij : “De heer directeur van de gevangenis te Hasselt gelegen te 3500 Hasselt, Zwarte Brugstraat 4, de heer (...)”. Volgens de verwerende partij is de directeur een orgaan van de overheid die de bestreden beslissing heeft genomen en kan hij niet als verwerende partij worden aangeduid. Bij gebrek aan verwerende partij zou het verzoekschrift niet ontvankelijk zijn. 1.
  4. De beslissing waartegen de voorliggende vorderingen zijn gericht, gaat uit van de directeur van de gevangenis te Hasselt. Met de verwerende partij wordt aangenomen dat de directeur handelt als orgaan van de Belgische Staat. Het is dan ook die rechtspersoon, en niet een orgaan ervan, die als de verwerende partij moet worden aangewezen. De directeur van de gevangenis dient buiten de zaak gesteld te worden. 1.
  5. Wat betreft de vertegenwoordiging van de Belgische Staat in huidig geding, blijkt uit het begeleidend schrijven van 8 april 2008 bij de nota met opmerkingen dat deze (mede) namens de minister van Justitie werd ingediend. De Belgische Staat is derhalve rechtsgeldig in het geding vertegenwoordigd en de vorderingen zijn ontvankelijk in de mate dat zij gericht zijn tegen de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Justitie. IX-5879-2/10
  6. Over de relevante gegevens van de zaak. 2.
  7. De verzoeker verblijft in de gevangenis te Hasselt. Op 12 januari 2008 deden er zich in één van de bezoekzalen van de gevangenis te Hasselt incidenten voor tussen gedetineerden en bezoekers enerzijds en het toezichthoudend penitentiair personeel anderzijds. Twee personeels- leden geraakten hierbij gewond en moesten voor verzorging worden overgebracht naar het ziekenhuis. 2.
  8. Naar aanleiding van die feiten werden twee rapporten aan de directeur opgesteld, waarin aan de verzoeker ten laste werd gelegd dat hij in de gespannen sfeer die ingevolge de incidenten ontstond in de bezoekzaal en het fouillelokaal van de gelegenheid gebruik maakte om andere gedetineerden met opruiende uitspraken op te jutten. 2.
  9. Op 13 januari 2008 besliste de directeur om de verzoeker bij voorlopige maatregel in een veiligheidscel te plaatsen. Op 15 januari 2008 vond de tuchtrechtelijke hoorzitting plaats. Dezelfde dag werd aan de verzoeker de betwiste tuchtsanctie “9 dagen strafcel en 6 maanden individueel regime (glasbezoek, geen gemeenschap- pelijke activiteiten en individuele wandeling)” opgelegd. De motivering van die sanctie luidt als volgt : “- Overwegende dat betrokkene zich schuldig heeft gemaakt aan : uitlatingen om andere gedetineerden op te jutten zodat de veiligheid van het personeel in het gedrang kwam, - dat betrokkene de veiligheid van de inrichting en het personeel ernstig in gevaar heeft gebracht, - de disciplinaire antecedenten van betrokkene, - dat dergelijk gedrag niet door de beugel kan en een gepaste sanctie zich opdringt, - dat hij de feiten grotendeels toegeeft en helemaal geen spijt heeft over wat er is gebeurd.” IX-5879-3/10
  10. Over de grond van de zaak. 3.
  11. De verzoeker voert een enig middel aan dat als volgt luidt : “Art. 81 van het KB van 21 mei 1965 houdende Algemeen reglement strafinrichtingen stelt dat ongehoorzaamheid, daden van tuchteloosheid of van weerspannigheid, worden gestraft naar omstandigheden en volgens de ernst van het geval. In casu is de straf opgelegd aan verzoeker absoluut niet in verhouding met wat zich werkelijk heeft afgespeeld. Wat immers de omstandigheden van de feiten betreft, is verzoeker formeel dat hij enkel gaan kijken is naar de vechtpartij en er in geen geval aan deelge- nomen heeft. Nadien heeft hij rechtstreeks tegen een cipier zijn mening gegeven over het voorval, zonder daarbij enige dreigende taal te gebruiken of een luidere stem te gebruiken. Het is dan ook volstrekt willekeurig om verzoeker een zeer zware tucht- sanctie op te leggen, gelet op het feit dat hij enkel op een normale manier zijn mening gegeven heeft, wat nog steeds conform het grondwettelijk recht op vrije meningsuiting, niet verboden is. Bovendien staat de ernst van de sanctie die aan verzoeker werd opgelegd niet in verhouding met enerzijds wat verzoeker gedaan heeft en anderzijds de straffen die werden opgelegd aan de gedetineerden die daadwerkelijk de menigte opgehitst hebben en de 2 gedetineerden die daadwerkelijk slagen uit- gedeeld hebben aan de cipier. Immers, de gedetineerden die kabaal veroorzaakten en getracht hebben de situatie te laten escaleren hebben slechts een relatief lichte tuchtsanctie opgelegd gekregen. De 2 gedetineerden, effectieve geweldenaars tegen de cipiers, kregen een zelfde straf als verzoeker. De directeur motiveert de tuchtsanctie door te stellen dat :
  12. verzoeker zich schuldig heeft gemaakt aan uitlatingen om andere gedetineerden op te jutten zodat de veiligheid van het personeel in het gedrang kwam;
  13. verzoeker de veiligheid van de inrichting en het personeel ernstig in gevaar heeft gebracht;
  14. verzoeker disciplinaire antecedenten heeft;
  15. dat dergelijk gedrag niet door de beugel kan, en een gepaste sanctie zich opdringt;
  16. dat hij de feiten grotendeels toegeeft en helemaal geen spijt heeft over wat er is gebeurd. - Wat betreft 1 : opjutten andere gedetineerden Verzoeker betwist dit ten stelligste. Hij heeft absoluut geen andere gedetineer- den opgejut. Integendeel, hij heeft de gedetineerden die dit wel deden aangemaand tot kalmte. Nadien heeft hij wel kalm zijn mening gezegd tegen een cipier, doch in geen geval op een opruiende of bedreigende toon. - Wat betreft 2 : veiligheid inrichting en personeel in gevaar brengen Nooit heeft hij zelf de veiligheid in gevaar gebracht. De vechtpartij vond immers plaats in een andere bezoekzaal dan waar verzoeker zat. Verzoeker heeft dan ook absoluut niet deelgenomen aan de vechtpartij. IX-5879-4/10 Bovendien betwist verzoeker pertinent dat hij enige ophitsende taal of gebaren heeft gebruikt. Het blijft wat betreft dit gegeven dan ook woord tegen woord tussen verzoeker en de dienstdoende cipier die een rapportbrief heeft opgesteld. - Wat betreft 3 : disciplinaire antecedenten Verzoeker heeft volgende tuchtrechtelijke antecedenten : 17/12/2007 : 1 maand geen gemeenschappelijke activiteiten + 1 maand individuele wandeling 03/12/2007 : 3 dagen geen avondwandeling 20/11/2007 : 2 weken geen avondwandeling 29/10/2007 : 1 week geen avondwandeling 30/9/2007 : 3 dagen geen avondwandeling Dat nu opeens een straf uitgesproken wordt van 9 dagen strafcel + 6 maanden individueel regime (glasbezoek, geen gemeenschappelijke activiteiten en individuele wandeling) is absoluut buiten proportie en helemaal niet in verhouding tot wat er feitelijk gebeurd is. Verzoeker voelt zich dan ook geviseerd door het personeel van de gevangenis te Hasselt. - Wat betreft 4 : het niet door de beugel kunnen van dergelijk gedrag en een gepaste sanctie die er moet aan gekoppeld worden Verzoeker heeft absoluut niet laakbaar gehandeld. Het is opvallend dat pertinent naar de argumenten van verzoeker niet wordt geluisterd en dat er al helemaal geen rekening wordt gehouden met het feitenrelaas van verzoeker. Van enige objectiviteit is er dan ook geen sprake. De sanctie die wordt opgelegd is dan ook in hoofdorde niet terecht, in onder- geschikte orde niet in verhouding tot wat verzoeker gedaan heeft, namelijk zijn mening geven over wat hij gezien heeft. - Wat betreft 5 : het grotendeels toegeven van de feiten en het niet tonen van spijt Verzoeker heeft de feiten helemaal niet toegegeven. In de beslissing staat immers duidelijk : ‘Betrokkene geeft de feiten niet toe en zegt dat hij niemand heeft opgejut.’ Hieruit blijkt duidelijk de eenzijdige gevolgtrekkingen die er gemaakt zijn bij het nemen van de beslissing tot tuchtsanctie. Verzoeker geeft enkel aan dat hij zijn mening gezegd heeft zonder enig scheldwoord te gebruiken. Het uitdrukken van spijt is dan ook absoluut niet vereist, aangezien hij enkel zijn mening gegeven heeft over wat hij gezien heeft.” 3.
  17. De verwerende partij antwoordt in essentie in haar nota dat de verzoeker door zijn gedrag de orde en de veiligheid binnen de gevangenis in het gedrang heeft gebracht, op een ogenblik waarop de situatie bijzonder precair was. De verwerende partij voegt daaraan toe dat de motivering van de bestreden beslissing pertinent, deugdelijk en afdoende is en dat de verwerende parij in redelijkheid een vrij zware tuchtstraf kon opleggen aan de verzoeker. IX-5879-5/10
  18. De verzoeker voert in essentie aan dat de straf niet in verhouding staat tot de ernst van de feiten en deze bovendien niet deugdelijk gemotiveerd werd. 5.
  19. Luidens artikel 81 van het koninklijk besluit van 21 mei 1965 houdende Algemeen reglement van de strafinrichtingen worden daden van ongehoorzaamheid, daden van tuchteloosheid of van weerspannigheid, overtreding van de reglementen of misbruik van hetgeen daarin is toegestaan, gestraft naar omstandigheden en volgens de ernst van het geval. 5.
  20. In de uitoefening van zijn wettigheidstoezicht staat het niet aan de Raad van State om zijn oordeel over de gepastheid van een bepaalde tuchtstraf in de plaats te stellen van het oordeel van de bevoegde tuchtoverheid. De Raad van State kan enkel nagaan of die overheid de grenzen van de wettigheid en van de redelijkheid niet te buiten is gegaan. Te dezen dient aldus nagegaan te worden of de overheid geen tuchtsanctie heeft opgelegd die in een kennelijke wanverhouding staat tot de feiten. 5.3.
  21. Wat de vastgestelde inbreuk betreft, blijkt uit de bestreden beslissing dat de verzoeker is gestraft wegens het ophitsen van andere gedetineer- den. De directeur heeft in redelijkheid kunnen oordelen dat de veiligheid van de inrichting en het personeel hierdoor ernstig in het gedrang werd gebracht. Dit geldt des te meer daar de feiten zich voordeden op een ogenblik dat de sfeer ingevolge geweldadige incidenten reeds gespannen was. De directeur heeft bij het opleggen van de tuchtstraf ook rekening gehouden met het feit dat de verzoeker een hele reeks tuchtrechtelijke antecedenten heeft (onder meer voor het aannemen van een agressieve houding tegen het personeel, het uiten van valse beschuldigingen en onbeschoft en gezagsondermijnend gedrag), en dat de verzoeker bovendien over de feiten geen spijt heeft betuigd. 5.3.
  22. Bijgevolg staat de tuchtstraf niet in kennelijke wanverhouding tot de feiten. Die feiten zijn immers, vanwege de manifeste risico’s voor de veiligheid van de inrichting en het personeel, ernstig. Om de orde en veiligheid in de gevangenis te waarborgen, mag een tuchtsanctie desgevallend ook een zeker ontradend karakter hebben. In die zin is de bestreden beslissing ook een ordemaatre- gel om de orde en de veiligheid binnen de gevangenis te herstellen. IX-5879-6/10 Het argument dat de twee gedetineerden die slagen hebben toe- gebracht aan de cipiers dezelfde straf zouden hebben gekregen, leidt niet tot de conclusie dat de aan de verzoeker opgelegde straf niet in een redelijke verhouding staat tot de feiten. 5.3.
  23. Wat de motivering van de tuchtstraf betreft, betwist de verzoeker dat hij andere gedetineerden zou hebben opgejut. De twee rapporten aan de directeur die ten laste van de verzoeker werden opgesteld, zijn erg duidelijk. In het rapport betreffende het gedrag van de verzoeker in de bezoekzaal vermeldt de penitentiair beambte dat de verzoeker uitspraken bleef doen “om de zaak op te jutten tot hij aandacht kreeg van de andere gedetineerden en deze hier ook reactie op gaven”. In het rapport dat werd opgesteld naar aanleiding van verzoekers gedrag in het fouillelokaal staat onder meer te lezen : “Gedetineerde Ersen Burak maakte van deze gelegenheid gebruik om de andere gedetineerden verder op te jutten. Hij riep ‘daar is die klootzak die ons allemaal beschouwt als beesten, hij vindt dat wij beesten zijn. Hij heeft een boekje geschreven over ons.’ Hierdoor werd de sfeer in het lokaaltje nog grimmiger en keerde de groep zich tegen mij. Ik interpreteerde de situatie als enorm bedreigend en diende me dan ook snel uit de voeten te maken om de gebeurtenissen niet te laten escaleren. Het is niet de eerste maal dat deze gedetineerde mijn naam door het slijk probeert te trekken.” Beide rapporten aan de directeur vermelden de naam van een getuige die alles heeft gezien. Tijdens de hoorzitting stelt de verzoeker eerst dat hij niemand heeft opgejut, maar verklaart nadien wel : “Klootzak heb ik niet gezegd de rest wel”. Wanneer de feiten betwist worden dient de Raad van State niet als een appelrechter uit te maken wat naar zijn oordeel als de juiste toedracht van de aan de tuchtsanctie ten grondslag liggende feiten moet beschouwd worden. Hij dient wel na te gaan of de tuchtoverheid naar recht en redelijkheid tot haar voorstelling van de feiten is gekomen, meer bepaald of die overheid de zorgvuldigheidsplicht bij de feitenvinding heeft in acht genomen. IX-5879-7/10 De verzoeker toont niet aan dat de directeur op basis van de twee tuchtrapporten niet naar recht en redelijkheid tot de bevinding kon komen dat de verzoeker zich schuldig heeft gemaakt aan uitlatingen om andere gedetineerden op te jutten in een gevaarlijke situatie. 5.3.
  24. De verzoeker betwist bovendien dat hij de veiligheid van de inrichting en het personeel in gevaar heeft gebracht. Het staat vast dat het opjutten van andere gedetineerden, op een ogenblik dat de sfeer ingevolge een vechtpartij reeds gespannen is, een ernstig risico inhoudt voor de veiligheid van de inrichting en het personeel. Uit het reeds geciteerd rapport aan de directeur blijkt dat de kwartieroverste de situatie “als enorm bedreigend” beschrijft. Bijgevolg staat het vast dat de verzoeker de veiligheid binnen de gevangenis in gevaar heeft gebracht. 5.3.
  25. Volgens de verzoeker zou in de motivering van de bestreden beslissing ook ten onrechte zijn verwezen naar zijn tuchtrechtelijke antecedenten om hem opeens een straf van negen dagen strafcel en zes maanden individueel regime op te leggen. De tuchtrechtelijke antecedenten komen in aanmerking bij het bepalen van een latere tuchtsanctie. Hetzelfde geldt voor het feit dat de verzoeker geen spijt heeft betuigd. 5.3.
  26. De verzoeker betoogt ten slotte dat de vermelding in de bestreden beslissing dat hij de feiten grotendeels heeft toegegeven, in strijd is met de vermelding in dezelfde beslissing dat hij de feiten niet toegeeft. Tijdens de hoorzitting zegt de verzoeker eerst dat hij niemand heeft opgejut, maar later geeft hij toe de uitlatingen te hebben gedaan die hem worden ten laste gelegd. De verzoeker verschilt blijkbaar met de directeur van mening over het ophitsend karakter van zijn uitlatingen en over de vraag of daardoor de veiligheid in de inrichting in gevaar werd gebracht. Aangezien de verzoeker evenwel niet betwist de hem ten laste gelegde uitlatingen te hebben gedaan, kon de directeur rederlijkerwijze stellen dat verzoeker de feiten “grotendeels toegeeft”. IX-5879-8/10 5.3.
  27. Het enig middel is niet gegrond.
  28. Aangezien deze zaak slechts korte debatten vereist, is er reden om toepassing te maken van artikel 93 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Er is bijgevolg geen grond meer om over de vordering tot schorsing uitspraak te doen. OM DIE REDENEN BESLIST DE Wnd. VOORZITTER : Artikel
  29. De directeur van de gevangenis te Hasselt wordt buiten de zaak gesteld. Artikel
  30. Het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen. Artikel
  31. Er is geen grond meer om over de vordering tot schorsing uitspraak te doen. Artikel
  32. De kosten van de vordering tot schorsing, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. IX-5879-9/10 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 26 juni 2008, door : de HH. D. MOONS, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. D. MOONS. IX-5879-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.184.852 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.