← België

Arrest 184856 - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan - 26/06/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 26 juni 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.184.856 Rolnummer: A. 187510/XII-5366 Zaak: Arrest 184856 - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan - 26/06/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-07-10 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-29 08:19 Fiche Arrest nr 184.856 van 26 juni 2008 Openbaar ambt - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 184.856 van 26 juni 2008 in de zaak A. 187.510/XII-

  1. In zake : Michaël VAN POELVOORDE, die woonplaats kiest bij advocaat A. Stuckens, kantoor houdende te Sint-Pieters-Leeuw, Meibloemstraat 51 tegen : de BRUSSELSE HOOFDSTEDELIJKE DIENST VOOR BRANDWEER EN DRINGENDE MEDISCHE HULP, die woonplaats kiest bij advocaten B. Lombaert en L. Schellekens, kantoor houdende te Brussel, Central Plaza, Loksumstraat
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Michaël Van Poelvoorde op 17 maart 2008 heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van de beslissing van 6 februari 2008 waarmee de minister van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest belast met Tewerkstelling, Economie, Wetenschappelijk Onderzoek, Brandbestrijding en Dringende Medische Hulp, zijn besluit van 26 oktober 2007 om eerstgenoemde de tuchtstraf van de afzetting op te leggen met ingang van 3 augustus 2001, bevestigt; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgesteld door eerste auditeur B. Thys; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 30 mei 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 17 juni 2008; XII-5366-1/8 Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; Gehoord de opmerkingen van advocaat A. Stuckens, die verschijnt voor de verzoeker, en van advocaat L. Schellekens, die loco advocaat B. Lombaert verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur B. Thys; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : De voornaamste voorganden
  3. Verzoeker is vast benoemd brandweerman bij de Brusselse Hoofdstedelijke Dienst voor Brandweer en Dringende Medische Hulp. Op 3 augustus 2001 beslist de staatssecretaris van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest belast met Mobiliteit, Ambtenarenzaken, Brandbestrijding en Dringende Medische Hulp, hem met onmiddellijke ingang in het belang van de dienst te schorsen, met vermindering van wedde en ontzegging van bevorderingsaanspraken, tijdens de duur van het gerechtelijk onderzoek dat te zijnen laste wordt gevoerd naar aanleiding van feiten die zich op 1 juli 2001 hebben voorgedaan en waarbij een persoon om het leven kwam. Bij arrest van 2 mei 2007 veroordeelt het hof van beroep te Brussel verzoeker voor de feiten van 1 juli 2001, omschreven als “door gebrek aan voor- zichtigheid of voorzorg, zonder het oogmerk om de persoon van een ander aan te randen, onopzettelijk [L.H.] gedood te hebben”, tot een gevangenisstraf van acht maanden en een geldboete van 1.239,47 euro. Geoordeeld wordt dat het vaststaat dat L.H. om het leven kwam nadat hij ten gevolge van een duw door verzoeker op de rijbaan terechtkwam, vlak voor een voorbijrijdend voertuig, dat zonder de onvoor- zichtigheid van verzoeker de feiten niet gebeurd zouden zijn zoals ze zich in concreto hebben voorgedaan, dat de omstandigheid dat verzoeker vermoedde dat L.H. in zijn zaak drugs gebruikte of wilde verhandelen geen verschoning kan vormen, dat verzoeker moest weten dat hij door zijn duw zware schade kon veroorzaken, en dat het risico dat L.H., mede gelet op zijn niet nuchtere toestand waarvan verzoeker op de hoogte was, door de duw zou struikelen en op de rijbaan terecht zou komen, reëel XII-5366-2/8 en voorzienbaar was. Wat specifiek de opgelegde straf betreft, houdt het hof van beroep rekening “met de zwaarwichtigheid en de ernst van de gepleegde feiten alsmede met de gevaarlijke asociale persoonlijkheid van de beklaagde die onvoldoen- de agressiebeheersing betoonde en gebrek heeft aan respect voor de fysieke integriteit van anderen”. Tegen het arrest is geen voorziening in cassatie ingesteld. Met een aangetekende brief van 11 juni 2007 roept de officier- dienstchef van de Brusselse Hoofdstedelijke Dienst voor Brandweer en Dringende Medische Hulp verzoeker op om “in het kader van een tuchtrechtelijke procedure” door hem te worden gehoord naar aanleiding van het arrest van 2 mei 2007 van het hof van beroep te Brussel. Het verhoor heeft plaats op 2 juli
  4. Met een brief van 30 augustus 2007 betekent de officier-dienstchef aan verzoeker zijn strafvoorstel om hem af te zetten. Verzoeker reageert met een brief waarin hij erop wijst dat het arrest van 2 mei 2007 van het hof van beroep te Brussel een tegenstrijdigheid bevat, vermits het in zijn motiverend gedeelte melding maakt van de zwaarwichtigheid en de ernst van de gepleegde feiten alsmede de gevaarlijke asociale persoonlijkheid van verzoeker, die onvoldoende agressiebeheersing betoonde en gebrek aan respect heeft voor de fysieke integriteit van anderen, terwijl het hem in zijn dispositief veroordeelt wegens het onopzettelijk doden van L.H., door gebrek aan voorzorg of voorzichtigheid, zonder het oogmerk om de persoon van een ander aan te randen. Op 26 oktober 2007 beslist de minister van het Brussels Hoofd- stedelijk Gewest belast met Tewerkstelling, Economie, Wetenschappelijk Onderzoek, Brandbestrijding en Dringende Medische Hulp, om verzoeker bij tuchtmaatregel met ingang van 3 augustus 2001 af te zetten. Na beroep van verzoeker, adviseert de gemeenschappelijke raad van beroep voor de instellingen van openbaar nut van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest op 8 januari 2008 om de in eerste aanleg opgelegde tuchtstraf van afzetting te behouden. Dit advies volgend, neemt de minister van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest belast met Tewerkstelling, Economie, Wetenschappelijk Onderzoek, Brandbestrijding en Dringende Medische Hulp, op 6 februari 2008 de bestreden beslissing om zijn tuchtbesluit van 26 oktober 2007 tot afzetting van verzoeker met ingang van 3 augustus 2001, te bevestigen. XII-5366-3/8 De grondvoorwaarden voor de schorsing
  5. Krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de Raad slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging besluiten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. De grondvoorwaarde van de ernstige middelen Standpunt van verzoeker
  6. Verzoeker voert in een enig middel de schending aan van “de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen, de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder het motiveringsbeginsel en het beginsel volgens hetwelk elke administratie- ve beslissing op rechtens juiste en deugdelijke motieven moet zijn gesteund en het zorgvuldigheids, het redelijkheidsbeginsel en het gelijkheidsbeginsel”. Hij argumenteert dat de afzetting, als zwaarste tuchtstraf, slechts kan worden opgelegd om reden van bijzonder ernstige feiten of wanneer de tuchtoverheid van mening is dat elke mindere straf nutteloos zou zijn, dat de Raad van State kan nagaan of de tuchtoverheid gelet op de concrete gegevens van de zaak het principe van de juiste evenredigheid heeft nageleefd, dat in casu de beslissing tot afzetting van verzoeker onbegrijpelijk is aangezien verzoeker door het hof van beroep is veroordeeld wegens het niet opzettelijk toebrengen van lichamelijke letsels aan een andere persoon, die de dood van die persoon tot gevolg hebben gehad, en aangezien de minister dit gegeven herhaaldelijk heeft erkend in zijn tuchtbesluit van 26 oktober 2007, dat de minister de afzetting van verzoeker hoofdzakelijk heeft gesteund op het motiverende gedeelte van het arrest van 2 mei 2007 van het hof van beroep te Brussel dat verwijst naar de zwaarwichtigheid van de gepleegde feiten, alsmede naar de gevaarlijke, asociale persoonlijkheid van verzoeker, die onvoldoende agressiebeheersing vertoonde en een gebrek aan respect heeft voor de fysieke integriteit van anderen, dat evenwel het voormelde arrest op dit punt tegenstrijdig is met zijn dispositief dat verzoeker veroordeelt voor zijn gebrek aan voorzorg en voorzichtigheid, dat ten gevolge van deze tegenstrijdigheid tussen de motieven en het beschikkende gedeelte van het arrest, derden alleen mogen acht slaan op het XII-5366-4/8 beschikkende gedeelte, dat de motieven van het arrest die strijdig zijn met dat beschikkende gedeelte immers geen gezag van gewijsde hebben, dat de afzetting die slechts gesteund is op het misdrijf van artikel 418 van het Strafwetboek het evenredigheidsbeginsel schendt, dat de omstandigheid dat dit misdrijf de dood van een persoon tot gevolg heeft gehad, daar niets aan verandert vermits verzoeker dat gevolg niet heeft gewild. Volgens verzoeker wordt ook het gelijkheidsbeginsel manifest geschonden, doordat de zware tuchtstraf van de afzetting nooit wordt opgelegd in gevallen die juridisch niet wezenlijk verschillen van dat van hem, bijvoorbeeld wanneer een ambtenaar betrokken is in een “banaal” verkeersongeval waarbij een dodelijk slachtoffer te betreuren valt. Ten slotte argumenteert verzoeker dat de motivering van het bestreden besluit kant noch wal raakt in zoverre daarin wordt gesteld dat de handelwijze van verzoeker het vertrouwen van het publiek in de dienst kan aantasten. Immers is het niet duidelijk hoe een onopzettelijk door een brandweerman gepleegd misdrijf het vertrouwen van het publiek in de dienst kan aantasten, en moest de minister de specifieke gegevens van de zaak in concreto hebben onderzocht. Beoordeling
  7. De minister motiveert zijn keuze voor de tuchtstraf van de afzetting in het bestreden besluit als volgt : “Overwegende dat het Hof van Beroep te Brussel er in zijn arrest van 2 mei 2007 aan herinnert dat de heer Michaël Van Poelvoorde bij arrest van het Hof van Beroep van 25 oktober 2000 veroordeeld werd tot een gevangenisstraf van 3 jaar met uitstel van 5 jaar voor 30 maanden uit hoofde van valsheid in geschrifte, diefstal, heling, oplichting, misbruik van vertrouwen en gebruik van nagemaakte zegels of stempels, die hij niet heeft ondergaan of die niet verjaard is; Overwegende dat het Hof van Beroep te Brussel de heer Van Poelvoorde met kracht van gewijsde veroordeelt tot een gevangenisstraf van acht maanden met geldboete; Overwegende dat de heer Van Poelvoorde en zijn raadsman tijdens de hoorzitting niet betwist hebben dat de gepleegde feiten een ernstige inbreuk vormen op de deontologie maar gevraagd hebben dat er een minder zware sanctie dan de afzetting zou worden opgelegd; Overwegende dat de feiten die de heer Michaël Van Poelvoorde ten laste worden gelegd en waarvoor hij door het Hof van Beroep te Brussel veroordeeld werd, uiterst zwaarwichtig zijn aangezien zij de dood van een man tot gevolg gehad hebben, is het absoluut noodzakelijk hem de zwaarste disciplinaire sanctie op te leggen; XII-5366-5/8 Overwegende dat het Hof van Beroep de heer Michaël Van Poelvoorde kenschetst als een ‘gevaarlijke asociale persoonlijkheid (...) die onvoldoende agressiebeheersing betoonde en gebrek heeft aan respect voor de fysieke integriteit van anderen’; dat heer Michaël Van Poelvoorde tijdens zijn hoorzitting hieraan herinnerd werd door de heer Charles De Sneyder; Overwegende dat op die manier op ernstige wijze is tekort geschoten in zijn plicht tot waardigheid en de verplichting om buiten de uitoefening van zijn ambt elke handelswijze te vermijden die het vertrouwen van het publiek in zijn dienst kan aantasten; Overwegende dat, van een ambtenaar kan worden verwacht dat hij zich in alle omstandigheden gedraagt zoals van hem kan worden verwacht, d.w.z. met waardigheid en zonder aanleiding te geven tot enigerlei reden die het vertrouwen van de bevolking in een dienst zoals de Brandweer kan schaden; Overwegende dat de integriteit en de geloofwaardigheid van de Brusselse Hoofdstedelijke Dienst voor Brandweer en Dringende Medische Hulp, een dienst die instaat voor de veiligheid van personen en goederen, ten allen tijde moeten gevrijwaard worden; Overwegende dat dergelijke omstandigheden van dien aard zijn dat ze het de heer Van Poelvoorde absoluut onmogelijk maken ambtenaar bij de Brusselse Hoofdstedelijke Dienst voor Brandweer en Dringende Medische Hulp te blijven”.
  8. Vooralsnog blijkt niet dat verwerende partij ten onrechte de tegen verzoeker in aanmerking genomen feiten, die de dood van een man tot gevolg hebben gehad, als uiterst zwaarwichtig heeft bestempeld. Volgens het hof van beroep bestaat er geen twijfel over dat verzoeker L.H. een duw heeft gegeven, waardoor deze struikelde en op de rijbaan terecht kwam, vlak voor een aankomend voertuig, wijl het risico dat L.H. door de duw zou struikelen en op de rijbaan zou terecht komen “reëel en voorzienbaar” wordt genoemd. Het hof heeft het overigens zelf in zijn arrest over “de zwaarwichtigheid en de ernst van de gepleegde feiten”. Het lijkt niet op te gaan die feiten te minimaliseren of te banaliseren omdat zij begaan zijn zonder het oogmerk om L.H. aan te randen. Ook een gebrek aan onvoorzichtigheid of voorzorg kan bijzonder laakbaar zijn, reden waarom het in bepaalde gevallen als een misdrijf wordt gekwalificeerd en waarom verzoeker er te dezen effectief strafrechtelijk gesanctioneerd voor geworden ís, met een allerminst geringe gevangenisstraf van acht maanden en een geldboete.
  9. Ten onrechte gaat verzoeker ervan uit dat het toebrengen van letsel door gebrek aan voorzorg of voorzichtigheid überhaupt geen afzetting kan verant- woorden. De juistheid van dit a priori wordt niet aangetoond en is niet apert.
  10. Evenmin maakt verzoeker in de huidige stand van de procedure geloofwaardig dat andere ambtenaren van de verwerende partij minder zwaar gestraft worden, ofschoon hun situatie met die van hem vergelijkbaar zou zijn. Van een XII-5366-6/8 dergelijke vergelijkbaarheid lijkt immers slechts sprake te kunnen zijn, onder meer wanneer aan die ambtenaren, zoals blijkens het arrest van het hof van beroep aan verzoeker, een gevaarlijke asociale persoonlijkheid toe te meten is, met een onvoldoende agressie-beheersing en een gebrek aan respect voor de fysieke integriteit van anderen.
  11. Weliswaar meent verzoeker dat met de betrokken overweging in het arrest van 2 mei 2007 geen rekening mag worden gehouden. Die zienswijze wordt vooralsnog evenwel niet gevolgd. Verzoeker acht de overweging strijdig met het dispositief van het voormelde arrest dat hem veroordeelt voor onopzettelijke doding door gebrek aan voorzichtigheid of voorzorg, zonder het oogmerk om de persoon van een ander aan te randen, waardoor de overweging niet met gezag van gewijsde zou zijn bekleed. Echter lijkt de bedoelde motivering van de opgelegde straf alleszins in de huidige stand van de procdure niet onbestaanbaar met de in aanmerking genomen strafrechte- lijke kwalificatie van de feiten: de omstandigheid dat verzoeker “niet de intentie heeft gehad iemand te kwetsen, aan te randen” lijkt een gevaarlijke asociale persoonlijkheid niet uit te sluiten. Bovendien werpt verwerende partij terecht tegen, zo lijkt, dat het tot de bevoegdheid van het Hof van Cassatie behoort om uit te maken of het arrest van het hof van beroep met een tegenstrijdigheid behept is, en heeft verzoeker tegen het arrest van 2 mei 2007 van het hof van beroep te Brussel geen cassatieberoep ingesteld.
  12. Verwerende partij heeft op het eerste gezicht niet de grenzen van de redelijkheid of de evenredigheid overschreden door te hebben geoordeeld dat verzoeker, gelet op zijn in kracht van gewijsde gegane veroordeling voor de feiten van 1 juli 2001, waarbij hem een gevaarlijke asociale persoonlijkheid door een gebrek aan agressiebeheersing en respect voor de fysieke integriteit van anderen wordt verweten, “op ernstige wijze is tekort geschoten in [...] de verplichting om buiten de uitoefening van zijn ambt elke handelswijze te vermijden die het vertrouwen van het publiek in zijn dienst kan aantasten” en door hem om die reden te hebben afgezet als ambtenaar van de Brusselse Hoofdstedelijke Dienst voor Brandweer en Dringende Medische Hulp, zijnde een dienst die -zoals de bestreden beslissing pertinent opmerkt- juist instaat voor de veiligheid van personen en goederen en waarvan de integriteit en de geloofwaardigheid te allen tijde gevrijwaard moet worden. XII-5366-7/8 Deze beoordeling lijkt niet in het gedrang te worden gebracht doordat verzoeker in fine van het middel verwijst naar een aantal aspecten die de minister niet concreet zou hebben onderzocht. Terzake blijft immers verzoeker zelf in gebreke te specificeren welke precieze en relevante gegevens in zijn voordeel, door de verwerende partij over het hoofd zijn gezien.
  13. Verzoekers enige middel is in geen enkel van zijn onderdelen ernstig. Aldus is aan tenminste een van de cumulatieve grondvoorwaarden voor een schorsing niet voldaan. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  14. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
  15. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zesentwintig juni 2008, door : de HH. J. LUST, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, F. BONTINCK, griffier. De griffier, De voorzitter, F. BONTINCK. J. LUST. XII-5366-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.184.856 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2011:ARR.212.336 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.