← België

Arrest 184868 - Varia (binnenlandse zaken en lokale besturen) - 26/06/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 26 juni 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.184.868 Rolnummer: A. 188455/XII-5461 Zaak: Arrest 184868 - Varia (binnenlandse zaken en lokale besturen) - 26/06/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-07-01 Raadplegingen: 63 - laatst gezien 2026-06-29 08:19 Fiche Arrest nr 184.868 van 26 juni 2008 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Varia (binnenlandse zaken en lokale besturen) Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 184.868 van 26 juni 2008 in de zaak A. 188.455/XII-

  1. In zake :
  2. de NV CREPAIN BINST ARCHITECTURE,
  3. de NV VK ENGINEERING,
  4. Dirk VANDEKERKHOVE,
  5. de NV BOPRO, die woonplaats kiezen bij advocaten Chr. Lenders en J. Wouters, kantoor houdende te Antwerpen, Mechelsesteenweg 27 tegen : de PROVINCIE ANTWERPEN, die woonplaats kiest bij advocaat Chr. Coen, kantoor houdende te Antwerpen, Mechelsesteenweg 210 A. tussenkomende partijen :
  6. de CVBA STRAMIEN,
  7. de BVBA IRS STUDIEBUREAU,
  8. de tijdelijke handelsvennootschap STRAMIEN-IRS, die woonplaats kiezen bij advocaat E. Greeve, kantoor houdende te Berchem, Koninklijkelaan
  9. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat de NV Crepain Binst Architecture, de NV VK Engineering, Dirk Vandekerkhove en de NV Bopro op 5 juni 2008 hebben ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing te vorderen van “- de beslissing van de deputatie van de provincie Antwerpen dd. 8 mei 2008 zoals vermeld in het schrijven van de provincie Antwerpen dd. 14 mei 2008 alsook in het schrijven van de provincie Antwerpen dd. 26 mei 2008, waarbij wordt beslist XII-5461-1/26 de offerte van de tijdelijke vereniging Stramien-Irs voor de ontwerpopdracht betreffende de nieuwbouw voor de provinciale politieschool en het provinciaal instituut voor brandweer- en ambulanciersopleiding op de site van het provinciaal instituut voor brandweer- en ambulanciersopleiding te Ranst/Emblem, te weerhouden als meest voordelige offerte en haar de opdracht toe te wijzen. - de daaruit volgende impliciete beslissing van dezelfde datum van de deputatie van de provincie Antwerpen om de offerte van verzoekende partijen voor de ontwerpopdracht betreffende de nieuwbouw voor de provinciale politieschool en het provinciaal instituut voor brandweer- en ambulanciersopleiding op de site van het provinciaal instituut voor brandweer- en ambulanciersopleiding te Ranst/Emblem, niet te weerhouden als meest voordelige offerte en de opdracht niet toe te wijzen aan verzoekende partijen”; Gezien de nota van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 9 juni 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 17 juni 2008, om 10.30 uur; Gezien het op 13 juni 2008 ingediende verzoekschrift waarbij de CVBA Stramien, de BVBA Irs Studiebureau, en de “tijdelijke vereniging Stramien-Irs” vragen in het administratief kort geding te mogen tussenkomen; dat zij voordeel blijken te halen uit de bestreden beslissing en erbij belang hebben dat de vordering wordt afgewezen; dat hun verzoek dienvolgens moet worden ingewilligd; Gehoord het verslag van kamervoorzitter D. Verbiest; Gehoord de opmerkingen van advocaten Chr. Lenders en J. Wouters, die verschijnt voor de verzoekende partijen, van advocaat Chr. Coen, die verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat E. Greeve, die verschijnt voor de tussenkomende partijen; XII-5461-2/26 Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur P. Barra; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : De gegevens van de zaak
  10. De aanbestedende overheid, de provincie Antwerpen, schrijft een overheidsopdracht voor de aanneming van diensten uit met als voorwerp het “Aanstellen van een ontwerper voor het opstellen van het ontwerp en het opvolgen van de werken voor het bouwen van een politie- en brandweeropleidingscentrum te Ranst-Emblem” met als gunningswijze de algemene offerteaanvraag. De opdracht wordt bekendgemaakt in het Bulletin der Aanbestedingen van 18 december 2007 en in het Publicatie blad van de Europese Unie van 19 december
  11. De opdracht wordt in het toepasselijke bijzonder bestek gedetailleerd beschreven. Zo wordt gesteld sub 22.00 : “De basisopdracht omvat de gewone opdracht aangaande ontwerp en controle op de uitvoering van de werken. De verschillende onderdelen en specialiteiten die samen één geheel vormen worden hierna afzonderlijk beschreven : 22.10 Algemene Coördinatie 22.20 Architectuuropdracht 22.30 Structuren en Stabiliteit 22.40 Technische installaties 22.50 Omgevingsaanleg 22.60 Infrastructuurwerken”. Voorts worden er verdere toelichtingen gegeven bij de diverse deelaspecten. XII-5461-3/26 Op blz. 31 wordt gesteld dat de opdracht omvat : “de afbraak van bestaande gebouwen de nieuwbouw en verbouwing de stabiliteitswerken de technische uitrustingen de vaste binneninrichting de infrastructuurwerken en de inrichting van de omgeving”. Aldus wordt een budget voorzien van 14.950.000,00 euro, BTW inbegrepen. De offertes zullen worden beoordeeld op grond van de volgende gunningscriteria, in afnemende volgorde van belang : “
  12. VISIE De helderheid en de ernst van de visie van de ontwerper op het uit te voeren project, op de functionele, architecturale en technische aspecten ervan, zoals dit blijkt uit de verwoording van zijn visie;
  13. ERELONEN De billijkheid van de erelonen. Als onbillijk worden beschouwd: aanrekening van ereloonpercentages die niet in overeenstemming zijn met de gangbare barema's voor elk onderdeel van de opdracht alsook onredelijke accumulaties van erelonen en vergoedingen te berekenen op onderdelen. Kortingen of prijsverhogingen t.o.v. de barema’s kunnen worden toegepast op basis van de specifieke kenmerken van de huidige opdracht. Steeds zal worden geoordeeld of de gevraagde vergoeding toelaat de opdracht volledig en grondig uit te voeren.
  14. METHODIEK Methodiek, werkschema's en toepassing van budget en tijdschema”. Het bestek vermeldt voorts onder punt 13.40 -“Vorm en inhoud van de offerte” : “De offerte zal volgende elementen bevatten : VISIE Een beschrijving van de visie van de inschrijver op de functionele, architecturale, landschappelijke en technische aspecten van het project, bij voorkeur aangevuld met grafische presentaties (planschetsen, ruimtelijke voorstellingen, enz.) XII-5461-4/26 De visie kan worden verduidelijkt en geconcretiseerd door verwijzing naar gerealiseerde projecten. De inschrijver dient expliciet aan te geven in welk aspect of onderdeel deze projecten kenmerken en oplossingen bevatten die de visie op de huidige opgave illustreren. Opmerking : de evaluatie van het inzicht van de inschrijver in de problematiek van het project is een belangrijk gunningscriterium. ERELONEN De berekeningswijze van de erelonen, d.w.z. de toe te passen barema's en de wijze waarop deze op het geheel of de onderdelen van de opdracht zullen worden toegepast, moet door de inschrijver in de offerte worden vermeld. Voor zover aanvaard door de aanbestedende overheid bij toewijzing van de opdracht, vormen deze aldus de contractuele overeenkomst. Opmerking : De aanbestedende overheid is NIET gebonden aan typecontracten, barema’s, gebruiken en regels, deontologische stelsels, buiten de voorwaarden die expliciet en gedetailleerd in de offerte worden vermeld én aanvaard bij toewijzing van de opdracht. Eenvoudige verwijzing naar barema’s en deontologie kunnen NIET volstaan als offerte. Bijvoorbeeld : de vermeldingen ‘erelonen klasse x - categorie y volgens deontologische norm nr. II van de orde van architecten..’ of ‘KVIV barema B’ volstaan niet. Alle formules, rekenregels en parameters voor berekening van de erelonen moeten expliciet in de offerte worden vermeld. (Zie ook de beperking aangaande ‘degressieve’ ereloonschalen in art. 22.00) In dit bestek en in de bijhorende inventaris van dienstprestaties is een voorlopige verdeling van het globale budget over de verschillende onderdelen, technieken of fasen voorzien, voor zover toepassing van verschillende percentages of barema's mogelijk wordt geacht. [...] METHODIEK Een uitgewerkt en gedocumenteerd projectplan met beschrijving van in te zetten mensen en middelen voor overleg, besluitvorming, studiewerk, werfopvolging, enz.; beschrijving van de methodiek voor uitvoering van het studiewerk binnen het opgelegde tijdschema; Opmerking : een belangrijk element in de beheersing van het budget en het tijdschema is de evenwichtige inzet en dosering van middelen en werkzaamheden. Daarom is een evaluatie van deze opgave een belangrijk gunningscriterium”.
  15. De verzoekende partij dient op 5 februari 2008 een offerte in.
  16. Op 29 februari 2008 schrijft de verwerende partij een brief aan de tussenkomende partij met vraag om een verantwoording in het kader van artikel 78, § 1, van het koninklijk besluit van 8 januari 1996 betreffende de overheidsopdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten en de concessies voor openbare werken “waarmee u aantoont dat U, doordat u eerder belast werd met de studie voor XII-5461-5/26 het opmaken van een infrastructuur voor de site, geen voordeel geniet dat van die aard is dat het de normale spelregels van de mededinging vervalst”.
  17. Met een brief van 5 maart 2008 antwoordt de tussenkomende partij : “In antwoord op uw schrijven d.d. 29.2.2008 kan ik u melden dat de Provincie in 2007 aan Stramien gevraagd heeft om een infrastructuurplan voor de site op te stellen. De belangrijkste vraag was om na te gaan of het terrein voldoende potentie had om 3 gebruikers te herbergen. Deze gebruikers waren de brandweeropleiding, de politieschool en het veiligheidsinstituut. De belangrijkste besluiten uit onze studie gaven aan dat het terrein inderdaad geschikt was om 3 gebruikers te herbergen. Wij hebben verder het belang aangegeven van de KMO-zone vooraan op het terrein. Tenslotte zijn er voorstellen tot mogelijke inplanting opgemaakt voor mogelijke nieuwe infrastructuren. De Provincie heeft onze studie slechts gedeeltelijk gevolgd; de uiteindelijke beslissing en locatie voor een nieuw gebouw was niet in onze studie voorgesteld en werd autonoom door de Provincie genomen. Ook het detailonderzoek naar invulling en opvatting van het nieuwe gebouw was niet in onze studie opgenomen. Wij menen dat er geen enkel voordeel was tegenover andere mogelijke kandidaten zodat wij in alle objectiviteit onze kandidatuur hebben gesteld voor deze opdracht”.
  18. Op 11 maart 2008 wordt een gunningsverslag opgesteld; hieruit blijkt dat de raming voor de voorliggende opdracht 1.500.000,00 euro bedraagt, BTW inbegrepen. De offerte van de verzoekende partijen wordt beoordeeld t.a.v. het gunningscriterium visie. Vooreerst worden onder een deel “A” de diverse aspecten opgesomd waaruit het criterium zou bestaan en wordt de offerte aan die aspecten uiterst summier getoetst. Dan volgt : “B GLOBALE BEOORDELING VAN HET GUNNINGSCRITERIUM VISIE Bruikbaarheid van de voorstellen en concepten : goed XII-5461-6/26 Methodische en kritische analyse van de opdracht leidt tot een voorstel dat in grote mate aan de eisen en verwachtingen beantwoordt zowel op vlak van organisatie, structuur, technieken, bouwfysica en duurzaamheid; Uitgangspunten worden toegepast in een concreet en ver uitgewerkt projectvoorstel; Realiseerbaar voor zover het beschikbare budget de toename van oppervlakte t.o.v. het bouwprogramma toelaat... Architectuur en ruimtelijke ordening : zeer goed Krachtige en persoonlijke architecturale visie, op virtuose wijze vertaald in een reeds ver uitgewerkt duidelijk en helder concept; Zelfverzekerde interpretatie van de ruimtelijke structuur op de site De uitspraak ‘Dit is geen ontwerp’ lijkt hier niet bedoeld als excuus, het ontbreekt de ontwerper niet aan zelfverzekerdheid. Het is eerder een opening naar de volgende fase in het ontwerpproces. Betrokkenheid, engagement : zeer goed Kritische benadering en diepgaande studie van de opgave; Coherente, kwalitatieve en ver uitgewerkte weergave van visie en concept; Conclusie : de offerte van tv Crepain Binst Architecture te Antwerpen - NV VK engineering te Anderlecht - de heer Dirk Vandekerckhove te Marakerke, Gent - NV Bopro te Mechelen scoort goed tot zeer goed op het gunningscriterium visie”. Ook de offerte van tussenkomende partijen wordt beoordeeld t.a.v. het gunningscriterium visie. Vooreerst worden onder een deel “A” de diverse aspecten opgesomd waaruit het criterium zou bestaan en wordt de offerte aan die aspecten iets minder summier getoetst. Dan volgt : “B GLOBALE BEOORDELING VAN HET GUNNINGSCRITERIUM VISIE Bruikbaarheid van de voorstellen en concepten: goed Goede analyse van de opgave in alle aspecten : landschappelijk, bouwtechnisch, functioneel, duurzaamheid; Concrete voorstellen, toegepast in een schematisch maar zeer realistisch concept. Architectuur en ruimtelijke ordening : goed Correcte inschatting van de relaties op het terrein en de gewenste beeldvorming. Het nieuwe gebouw als verbinding tussen de verschillende structuren : landschap, militaire site, nieuwe industrie. Persoonlijke en eigentijdse architecturale visie. Betrokkenheid, engagement : zeer goed Kritische benadering en grondige analyse van de opgave; XII-5461-7/26 Volledig engagement, komt tot uiting in reeds vergevorderde studie van ruimtelijke, functionele en bouwtechnische oplossingen. Heldere, volledige en fraai voorgestelde presentatie. Conclusie : de offerte van tv Stramien - IRS te Antwerpen scoort goed tot zeer goed op het gunningscriterium visie”. Wat de beoordeling van het gunningscriterium erelonen betreft, wordt voor elke offerte berekend wat het percentage aan ereloon betekent t.a.v. het geraamde budget voor de bouwkosten, dit is 12.355.371,90 euro, BTW niet inbegrepen. Het totale ereloon dat de verzoekende partijen vragen bedraagt 1.483.400,83 euro, wat 12,01 % uitmaakt van het geraamde budgetbedrag. De tussenkomende partijen vragen 1.148.431,82 euro, wat 9,29 % uitmaakt van het geraamde bedrag. Als bemerking na deze berekeningen wordt vermeld : “Als onbillijk worden beschouwd: aanrekening van ereloonpercentages die niet in overeenstemming zijn met de gangbare barema's voor elk onderdeel van de opdracht alsook onredelijke accumulaties van erelonen en vergoedingen te berekenen op onderdelen. Kortingen of prijsverhogingen t.o.v. de barema's kunnen worden toegepast op basis van de specifieke kenmerken van de huidige opdracht. Steeds zal worden geoordeeld of de gevraagde vergoeding toelaat de opdracht volledig en grondig uit te voeren. Het criterium ‘ereloon - billijkheid van de erelonen’ kan niet louter rekenkundig worden gerangschikt omdat het ereloon steeds in relatie moet gezien worden met wat de inschrijver heeft ‘aangeboden’ om zijn visie op het project aan te tonen. Niet het absolute bedrag of percentage aan erelonen is bepalend voor de evaluatie maar wel de ‘billijkheid’, d.w.z. de relatieve waarde tegenover de te leveren prestaties in het kader van de visie op het project. De beoordeling van het ereloon in verhouding tot de te leveren prestaties in het kader van de visie op het project wordt gepresenteerd in de conclusie op pagina 52”. Ten slotte wordt het gunningscriterium methodiek beoordeeld. Algemeen wordt daarbij gesteld : XII-5461-8/26 “Methodische aanpak van de opgave omvat een doeltreffend projectbeheer. De beoordeling omvat de mate waarin de inschrijvers rekening houden met de vereisten op dit vlak. Bij de beoordeling van de METHODIEK wordt rekening gehouden met - ontwerpmethodiek - projectmethodiek stappenplan projectstructuur communicatie en coördinatie kwaliteitsbewaking” Bij de offerte van verzoekende partij op dit gunningscriterium wordt vastgesteld : “Zeer beperkte beschrijving van aanpak en kwaliteitsbewaking - projectleider/coördinator voor ganse duur van het project - vooropgestelde planning is haalbaar 1 Ontwerpmethodiek : voldoende 2 Projectmethodiek: voldoende 21 Stappenplan 22 Projectstructuur 23 Communicatie en coördinatie 24 Kwaliteitsbewaking 24.1 Realisatie doelstellingen 24.2 Bewaken tijdschema 24.5 Bewaken budget Conclusie : de offerte van tv Crepain Binst Architecture te Antwerpen - NV VK engineering te Anderlecht - de heer Dirk Vandekerckhove te Marakerke, Gent - NV Bopro te Mechelen scoort voldoende op het gunningscriterium methodiek”. Bij de offerte van de tussenkomende partij op dit gunningscriterium wordt vermeld : “1 Ontwerpmethodiek : goed - Centraal aanspreekpunt voor de bouwheer; - Procesmatige aanpak waarbij alle partijen op het gepaste ogenblik worden betrokken; - De projectcoördinator is de motor en inspirator voor het ontwerpteam. 2 Projectmethodiek: goed 21 Stappenplan Stellen een duidelijk stappenplan voor: - Projectdefinitie XII-5461-9/26 - Opmaak definitief ontwerp + toetsing klankbord; - Uitvoeringsontwerp; - Projectuitvoering. 22 Projectstructuur Oprichting van een projectteam zodat het proces toegankelijk, inzichtelijk en rationeel wordt gehouden. 23 Communicatie en coördinatie In het projectteam is ruime ervaring inzake coördinatie en communicatie aanwezig. 24 Kwaliteitsbewaking 24.1 Realisatie doelstellingen Bij de start zal het project volledig worden doorgenomen met de bouwheer en eventueel verfijnd - elke fase wordt getoetst aan het programma van eisen. 24.2 Bewaken tijdschema Volgens bijgevoegde planning 24.5 Bewaken budget Budgetbewaking en controle in elke fase. Conclusie : de offerte van tv cbva Stramien - IRS Studiebureau bvba te Antwerpen scoort goed op het gunningscriterium visie”. Als conclusie van de beoordeling van de drie gunningscriteria wordt een globale evaluatietabel met een rangschikking opgesteld ‘rekening gehouden met de gunningscriteria en hun volgorde van belang’; hierbij worden de tussenkomende partijen eerste gerangschikt, de verzoekende partijen tweede. Daarbij wordt onder andere vastgesteld : “De voordeligste regelmatige offerte gaat uit van Stramien omdat zij een goede tot zeer goede visie hebben op het project en een billijk ereloon in verhouding tot de visie op het project én een goede projectmethodiek voorstellen. Geen enkel andere offerte kan als beter beoordeeld worden, rekening gehouden met de drie gunningscriteria en hun volgorde van belang : - Crepain Binst : heeft een goede tot zeer goede visie op het project gepresenteerd maar het grote verschil in meer voor het ereloon met Stramien kan niet verantwoord worden vanuit de offertes en wordt daardoor eerder als niet billijk beschouwd en bovendien scoort de offerte slechts voldoende qua methodiek; - [...] Op basis van het geraamd projectbudget van 12.355.371,90 EUR (excl. btw) bedraagt het aan de tijdelijke vereniging Stramien-IRS verschuldigde ereloon 1.148.431,82 EUR + 241.170,68 EUR (21% btw) = 1.389.602,50 EUR. XII-5461-10/26 In toepassing van artikel 78 § 1 van het koninklijk besluit van 8 januari 1996 betreffende de overheidsopdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten en de concessies voor openbare werken, zoals gewijzigd bij koninklijke besluiten van 25 maart 1999 en 18 februari 2004, dient de tv Stramien - IRS de nodige schriftelijke verantwoordingen te verstrekken waarmee ze aantoont dat, doordat ze eerder belast werd met de studie voor het opmaken van een infrastructuurplan voor de site, geen voordeel geniet dat van die aard is dat het de normale spelregels van de mededinging vervalst. Met aangetekende brief van 4 maart 2008 (postdatum) werd voornoemde ontwerper door de dienst Infrastructuur verzocht aan deze eis te voldoen. Voormelde schriftelijke verantwoording werd door de tv Stramien-IRS aangetekend verzonden op 10 maart 2008 en op de dienst Infrastructuur ontvangen op 11 maart
  19. In deze verantwoording betoogt de tv Stramien-IRS dat voormeld infrastructuurplan : - een studie was die moest aantonen of de betrokken site geschikt was voor de brandweeropleiding, een politieschool en het veiligheidsinstituut; - voorstellen doet tot mogelijke inplanting voor nieuwe infrastructuren; - slechts gedeeltelijke gevolgd werd door de provincie : de uiteindelijke beslissing en locatie voor een nieuw gebouw was niet in de studie opgenomen; - geen detailonderzoek naar invulling en opvatting van het nieuwe gebouw bevatte. De conclusie dat de tv Stramien-IRS geen enkel voordeel heeft genoten tegenover andere mogelijke kandidaten is hiermee aangetoond. Tevens diende voornoemde ontwerper overeenkomstig artikel 13.12 van he bijzonder bestek bij deze dienstenopdracht het bewijs te leveren dat de bvba IRS op datum van opening van de offertes in het bezit was van een tot 31 december 2008 geldige verzekering tegen beroepsrisico's. Dit bewijs werd door de tv Stramien- IRS als bijlage bij voormelde zending geleverd. Gelet op het voorgaande wordt voorgesteld de opdracht toe te wijzen aan deze firma tegen voormelde prijs”.
  20. Op 8 mei 2008 beslist de bestendige deputatie de opdracht toe te wijzen aan de THV Stramien - IRS voor een prijs van 1.389.602,50 euro, BTW inbegrepen. In deze beslissing wordt verwezen naar het voornoemde evaluatieverslag, en wordt de globale evaluatietabel hernomen.
  21. De bestreden beslissing van 8 mei 2008 wordt met een brief van 26 mei 2008 aan de verzoekende partijen ter kennis gebracht. In die brief wordt gewezen op artikel 21bis, § 2, van de wet van 24 december 1993 betreffende de overheidsopdrachten en sommige opdrachten voor aanneming van werken, leveringen XII-5461-11/26 en diensten en wordt opgemerkt dat een schriftelijke kennisgeving van een beroep uiterlijk op 5 juni 2008 aan de bestendige deputatie dient te worden gericht. De tussenkomst
  22. In zoverre in het verzoekschrift tot tussenkomst de “tijdelijke vereniging STRAMIEN-IRS” zich als derde tussenkomende partij aandient, is het niet ontvankelijk : een dergelijke vereniging is in het huidige wetboek van vennootschappen niet bekend en in zoverre -wellicht- het hier een verschrijving betreft, en de tijdelijke handelsvennootschap wordt bedoeld, waarvan sprake is in artikel 47 van dat wetboek, beschikt een dergelijke vennootschap niet over rechtspersoonlijkheid. De tussenkomst is echter ook door de beide venoten gevraagd hetgeen ze toch ontvankelijk maakt. De verzoekende partijen
  23. De tussenkomende partijen “stellen vast” dat het inleidend verzoekschrift “uitgaat van 4 afzonderlijke verzoekers zonder dat er enige melding gemaakt werd dat deze 4 verzoekers zocht als tijdelijke vereniging gegroepeerd hebben en als tijdelijke vereniging de inschrijvingen hebben ingediend”. In zoverre deze opmerking als een exceptie kan worden beschouwd die de ontvankelijkheid van het verzoekschrift betreft, volstaat het in de huidige stand van de procedure vast te stellen dat de vier vennoten van de tijdelijke handelsvennootschap waaronder de verzoekende partijen optraden bij de offerte te dezen alle het verzoekschrift indienden zodat op dat punt geen onontvankelijkheid voorhanden lijkt. XII-5461-12/26 De grondvoorwaarden voor de schorsing 10 Krachtens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de nietigverklaring van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. Eerste middel
  24. Wat de tweede voorwaarde betreft, voeren de verzoekende partijen in een eerste middel de schending aan van artikel 16 van de wet van 24 december 1993 betreffende de overheidsopdrachten en sommige opdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten, van artikel 78, § 1, van het koninklijk besluit van 8 januari 1996 betreffende de overheidsopdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten en de concessies voor openbare werken, van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, van de materiële motiveringsplicht, van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, van het gelijkheidsbeginsel en van het zorgvuldigheidsbeginsel. Daartoe betogen zij hetgeen volgt - In de bestreden beslissing is er sprake van de toepassing van het voormelde artikel 78, §
  25. Aan de tussenkomende partijen werd gevraagd de nodige schriftelijke verantwoordingen te verstrekken waarmee ze aantoont dat, doordat ze eerder belast werd met de studie voor het opmaken van een infrastructuurplan voor de site, geen voordeel geniet dat van die aard is dat het de normale spelregels van de mededinging vervalst; XII-5461-13/26 - De conclusie bij de summiere verantwoording is volgens de verwerende partij dat daarmee is aangetoond dat de tussenkomende partijen THV Stramien-IRS geen enkel voordeel hebben genoten tegenover andere mogelijke kandidaten; Eerste onderdeel. - De verwerende partij heeft niet afdoende gemotiveerd waarom deze verantwoording het eerder door haar geuite vermoeden van het genieten van een voordeel, heeft weerlegd; - Deze verantwoording is uiterst summier en de bestreden beslissing bevat geen andere formele motivering dan de loutere verwijzing naar deze verantwoording. Voorts is ze onjuist : het gaat niet om een infrastructuurplan doch om een masterplan; het gaat om meer dan een studie over de geschiktheid van de site voor de brandweeropleiding, de politieschool en het veiligheidsinstituut; het masterplan bevat een programma met eisen, een raming en een visie op het totale concept inclusief voor wat betreft de op te richten gebouwen. In de opdrachtomschrijving van het masterplan wordt het volgende duidelijk vermeld : “De studie moet leiden tot een uitgewerkt programma met functionele en technische eisen, organigram en spaceplanning, dat in een volgende fase direct kan worden uitgewerkt tot architecturale, (bouw)technische of infrastructurele ontwerpen. Het eindrapport moet toelaten om bij de beleidsdiensten de nodige beslissingen uit te lokken”. De feitelijke motieven van de verantwoording van de tussenkomende partijen stroken niet met de inhoud van het masterplan deel I van maart 2007 zodat, in zoverre deze motieven zijn vervat in de bestreden beslissing, deze de materiële motiveringsverplichting schendt; Tweede onderdeel. - Door de voorafgaande studieopdracht hebben de tussenkomende partijen ongetwijfeld een kennisvoorsprong opgebouwd aangaande de site, de mogelijkheden voor het op te richten gebouw (o.m. stedenbouwkundig ), de XII-5461-14/26 wensen en verzuchtingen van de verwerende partij m.b.t. “de visie van het concept en het geheel en de raming van de opdracht”; de tussenkomende partijen werkten tevens een programma van eisen uit op basis waarvan het bijzonder bestek werd opgesteld; ook zijn de tussenkomende partijen in staat geweest ruim vóór de aankondiging van de opdracht hun offerte voor te bereiden nu zij als eerste en enige wisten dat een algemene offerteaanvraag voor het uitvoeren van het ontwerp zou worden uitgeschreven. Dit is precies de casus die artikel 78, § 1 beoogt; - Er is in hoofde van de tussenkomende partijen ook een financiële voorsprong. Het gunningscriterium ‘visie' is ruim aan bod gekomen bij hun studie. Reeds bij die studie hebben zij dus het gunningscriterium visie kunnen ontwikkelen, wijl ze hiervoor betaald werden. Zulks heeft een repercussie op de hoogte van het ereloon zoals het als tweede gunningscriterium werd opgevat en ingevuld. Bespreking van het eerste middel
  26. Artikel 78, § 1, van het koninklijk besluit van 8 januari 1996 luidt als volgt : “§
  27. Moet worden afgewezen, de aanvraag tot deelneming of de offerte voor een overheidsopdracht voor aanneming van werken, leveringen of diensten ingediend door de persoon die belast werd met het onderzoek, de proeven, de studie of de ontwikkeling van die werken, leveringen of diensten, indien die persoon wegens die verrichtingen een voordeel geniet dat van die aard is dat het de normale spelregels van de mededinging vervalst. Toch zal de aanbestedende overheid, alvorens de aanvraag tot deelneming of de offerte van die persoon om die reden af te wijzen, aan deze laatste per aangetekende brief vragen schriftelijk de afdoende verantwoordingen te bezorgen waarmee kan worden aangetoond dat hij geen dergelijk voordeel geniet. Deze vormvereiste moet niet worden vervuld wanneer deze verantwoordingen werden gevoegd bij de aanvraag tot deelneming of de offerte. Om ontvankelijk te zijn moeten de verantwoordingen binnen twaalf kalenderdagen aan de aanbestedende overheid worden overgemaakt, te rekenen vanaf de dag die volgt op de verzending van de aangetekende brief, tenzij daarin een langere termijn is bepaald. Het is de betrokken persoon die het bewijs van verzending van die verantwoordingen moet leveren”. XII-5461-15/26 In tegenstelling tot de vroegere versies van het voormelde aangehaalde artikel 78, § 1, dat een onweerlegbaar vermoeden instelde lastens de persoon die belast was geweest met het onderzoek, de proeven, de studie of de ontwikkeling van werken, leveringen of diensten, dat deze een voordeel genoot dat de normale spelregels van de mededinging vervalste, bij het deelnemen aan de opdracht voor de aanneming van werken, leveringen of diensten, bevat de huidige aangehaalde bepaling dat onweerlegbaar vermoeden dat deelneming uitsloot, niet meer. Dit laatste was welbewust geschrapt, zoals blijkt uit het Verslag aan de Koning naar aanleiding van de wijziging van de bepaling door artikel 2 van het koninklijk besluit van 18 februari 2004 (Belgisch Staatsblad 27.02.2004) : “Na een nieuw onderzoek van de problematiek door de Commissie voor de overheidsopdrachten, heeft deze laatste voorgesteld het stelsel dat van toepassing is op § 1 van de genoemde artikelen 78 en 65 te versoepelen door het onweerlegbaar vermoeden dat erin voorkomt te schrappen”. Het lijkt aldus dat thans sprake is van een weerlegbaar vermoeden in hoofde van diegene die zoals te dezen een studieopdracht heeft uitgevoerd voorafgaand aan de in het geding zijnde opdracht.
  28. Wat de studieopdracht betreft, besliste de verwerende partij op 18 mei 2006 goedkeuring te hechten aan de voorwaarden voor het aanstellen van een ontwerper “voor de studie van de ruimtebehoefte en mogelijkheden tot ontwikkeling van gebouwen en infrastructuren en benutting van de buitenruimte voor het provinciaal centrum voor brandweer- en ambulanciersopleiding te Emblem - Ranst”. De gunningswijze is de onderhandelingsprocedure zonder bekendmaking. In deze beslissing wordt de volgende overweging opgenomen : “In het kader van het opstellen van een masterplan fase II heeft de [provinciale] dienst werken en infrastructuur een ontwerpdossier opgesteld waarin volgende doelstellingen werden opgenomen : Analyse van de ruimtebehoefte - studie van de bestaande structuur, bedrijfscultuur, werking, ontwikkelingsmogelijkheden; XII-5461-16/26 - bepalen van de nodige ruimtelijke infrastructuren: aantal, soort, capaciteit en onderlinge relaties van lokalen en functionele elementen. Onderzoek van de infrastructuur - studie van de bestaande toestand: benutting van de beschikbare ruimte; - onderzoek van de gebruiksmogelijkheden van de beschikbare gebouwen; - onderzoek van de werkelijke tekorten om dit instituut optimaal te laten functioneren. Stedenbouwkundige voorwaarden - toetsen van de diverse strategieën aan stedenbouwkundige randvoorwaarden en inzichten van de bevoegde diensten (gemeente, AROHM). Spaceplanning - ontwikkelen van een visie aangaande de meest optimale verdeling van functies over de verschillende gebouwen en op het terrein; - opmaken van een ruimtelijke organogram. Opmaken uitgebreid projectplan - programma van eisen: volledig bouwprogramma omvattend: aard, afmetingen, uitrusting, kwaliteit, prestaties van gebouwen, lokalen en andere functionele elementen; - planning: plan van aanpak met volgorde en tijdschema; - budget : raming van de nodige budgetten per onderdeel.” Het bestek voor die studie omschrijft de opdracht als : “Studie van de ruimtebehoefte en mogelijkheden tot ontwikkeling van gebouwen en infrastructuren en benutting van de buitenruimte voor het provinciaal instituut voor brandweer- en ambulanciersopleiding te Emblem/Ranst”. De onderdelen van de dienstenopdracht worden als volgt nader beschreven : “21.00 Voorstudies Omschrijving De huidige dienstenopdracht omvat enkel een voorstudie die niet rechtstreeks aanleiding zal geven tot verdere studie- of ontwerpopdrachten, noch tot uitvoering van werken. De opdracht wordt afgesloten met het aanvaarden door de opdrachtgever van het eindrapport. De dienstverlener kan geen rechten op bijkomende opdrachten doen gelden indien de opdrachtgever zou beslissen een project te realiseren op basis van de resultaten van deze studie. Anderzijds zal de huidige dienstverlener niet worden uitgesloten van toewijzing van eventuele nieuwe studieopdrachten, aangezien de huidige opdracht beëindigd zal zijn en de resultaten zullen worden gepubliceerd. Aard van de overeenkomst Zie deel 3 XII-5461-17/26 21.20 Behoefteanalyse Omschrijving Omvat het opmaken van een concreet programma van eisen op basis van een analyse van de bestaande behoeften. Vooral te situeren op gebied van functionaliteit, ruimtebehoefte, gebruiksmogelijkheden van bestaande gebouwen en infrastructuren en/of eisen voor realisatie van nieuwe. Tevens omvat de studie in een voorstel tot ontwikkeling van de buitenruimten in functie van uitbreiding en nieuwe initiatieven ten behoeve van het provinciaal instituut voor brandweer- en ambulanciersopleiding en in tweede orde andere mogelijke nieuwe initiatieven zoals de bouw van een politieschool en een veiligheidsinstituut. Het resultaat van deze studie is een uitgewerkt programma met functionele en technische eisen, organogram en spaceplanning, dat in een volgende fase direct kan worden uitgewerkt tot architecturale, (bouw)technisch of infrastructurele ontwerpen. Toepassing Zie deel 3 Aard van de overeenkomst Zie deel 3”. Deel 3 van het bestek handelt dan over de inhoudelijke beschrijving van de opgave. Hier komen aan bod: de bestaande gebouwen, de streefdoelen zoals bijkomende leslokalen, een polyvalente ruimte. Onder het opschrift opdracht wordt het volgende vermeld : “30.40 OPDRACHT 30.41 Analyse van de ruimtebehoefte - studie van de bestaande structuur, bedrijfscultuur, werking, ontwikkelingsmogelijkheden; - bepalen van de nodige ruimtelijke infrastructuren : aantal, soort, capaciteit en onderlinge relaties van lokalen en functionele elementen. 30.42 Onderzoek van de infrastructuur - studie van de bestaande toestand: benutting van de beschikbare ruimte; - onderzoek van de gebruiksmogelijkheden van de beschikbare gebouwen; - onderzoek van de werkelijke tekorten om dit instituut optimaal te laten functioneren. 30.43 Stedenbouwkundige voorwaarden - toetsen diverse strategieën aan stedenbouwkundige randvoorwaarden en inzichten van de bevoegde diensten (gemeente, AROHM) 30.44 Spaceplanning - ontwikkelen van een visie aangaande de meest optimale verdeling van functies over de verschillende gebouwen en op het terrein; - opmaken van een ruimtelijke organogram. XII-5461-18/26 - in tweede orde de mogelijke inplanting van een politieschool en een veiligheidsinstituut. 30.45 Opmaken uitgebreid projectplan - programma van eisen: volledig bouwprogramma omvattend aard, afmetingen, uitrusting, kwaliteit, prestaties van gebouwen, lokalen en andere functionele elementen; - planning : plan van aanpak met volgorde en tijdschema; - budget : raming van de nodige budgetten per onderdeel”. Inzake de methode voor de studie vermeldt het bestek : “30.50 METHODE De aannemer/dienstverlener maakt plan van aanpak op voor uitvoering van deze taken. Te voorziene werkingsmiddelen : - opzoeken en studie van documenten en teksten; - onderzoek gebouwen en uitrusting; - bevraging directies, medewerkers, bevoegde personen van het instituut, provinciebestuur en betrokken diensten, instellingen en besturen: - opzetten, leiden van een overlegstructuur (werkgroepen, stuurgroep, enz..) - rapportering over voortgang en resultaten. De voornaamste ‘deliverable’ is een eindrapport met opgave van een volledig programma van eisen, wijzigingen en mogelijkheden, ter beschikking te stellen dat moet toelaten om bij de beleidsdiensten de nodige beslissingen uit te lokken”.
  29. Volgens de in het vorig randnummer opgenomen opdrachtomschrijvingen lijkt het de bedoeling te zijn geweest dat als meest concreet resultaat van de opdracht de tussenkomende partijen tot een “projectplan” dienden te komen met een “volledig bouwprogramma” met planning en budgettering daarvan, (30.45), of ook een “uitgewerkt programma met functionele en technische eisen [...] dat in een volgende fase direct kan worden uitgewerkt tot architecturale, (bouw)technische of infrastructurele ontwerpen” (21.20). Een dergelijke invulling lijkt vergaand en in voorkomend geval een toegangsverbod te kunnen wettigen wat betreft de uiteindelijke architectuuropdracht. Uit het door de verzoekende partijen ter terechtzitting niet tegengesproken verweer van de verwerende partij en de tussenkomende partijen lijkt echter te moeten worden afgeleid dat de studieopdracht niet volledig werd uitgevoerd toen bleek dat de opties die de tussenkomende partijen hadden voorgesteld, onhaalbaar bleken: volgens die partijen zou de opdracht enkel als resultaat het XII-5461-19/26 ‘Masterplan PIBA Deel I - Voorstudie Maart 2007’ hebben gehad, waarbij de benamingen niet relevant zijn voor de beperkte inhoud ervan; aldus zou het gedeelte van de studieopdracht niet zijn uitgevoerd dat dienstig zou zijn als dadelijke voorbereiding van een bouwproject; voorts zou voor wat wel zou worden uitgevoerd de studieopdracht zelfs niet relevant zijn omdat de opties daarvan niet worden gevolgd.
  30. Er lijkt te moeten worden vastgesteld dat de opties die de tussenkomende partij in het masterplan voorstelden het gehele daarin betrokken domein betreffen, met renovaties en nieuwbouw. Het plan gevoegd bij het bestek van de in het geding zijnde opdracht lijkt echter beperkt tot één nieuw gebouw en een parking, infrastructuurwerken en inrichting van de nabije omgeving. In het masterplan wordt het gehele gebied in kaart gebracht, ook planologisch, juridisch, naar mobiliteit; voorts wordt de bestaande toestand geanalyseerd qua wegen , bestaande bebouwing, buitenruimte; er wordt een analyse gegeven van de huidige functies en van het ruimtegebruik; er volgt een programma en een ruimtebehoeftenstudie waarbij de toekomstige gebruikers blijkbaar bevraagd werden; er wordt een organigram opgesteld; er wordt een visie gegeven die een aantal richtlijnen lijken te bevatten zoals de verbetering van de ontsluiting, het behoud van het militaire karakter van het gebied, de optimale inpassing van het terrein en de functies in het landschap; er worden “concepten” voorgesteld betreffende de zonering van het domein; er wordt een structuurschets weergegeven en tenslotte wordt onder de titel “scenario’s” een raming gegeven die varieert van ongeveer 30.000.000 euro tot 36.000.000 euro, bedragen die een veelvoud zijn van de waarde van het budget voor de in het geding zijnde opdracht namelijk 14.950.000 euro. Daarbij wordt gewag gemaakt van herinrichting van bestaande gebouwen, oprichting van nieuwe gebouwen en sloping van de centrale loods. In de offerte van de tussenkomende partijen staan weliswaar bij het gunningscriterium visie een aantal gegevens die terug te vinden zijn in hun voorstudie : zo is er bijvoorbeeld de verwijzing naar het behoud van de militaire XII-5461-20/26 structuur; zo lijkt er een gelijkaardige visie op het ruimer landschappelijk geheel voorhanden te zijn. Anderzijds echter lijkt de architecturale oplossing van de voorstudie wel anders dan die van het bestek en lijken in het masterplan inderdaad geen eisenprogramma’s of embryonale besteksvoorwaarden opgenomen; in die zin lijken bijvoorbeeld raming en structuurschets in wezen weinig relevant voor de opdracht zoals beschreven in het bestek. De visie van de tussenkomende partijen voor de voorliggende opdracht lijkt van een andere orde te zijn dan in de voorstudie en een ander voorwerp te betreffen. In de voorstudie betrof de gevraagde visie volgens het bestek overigens “de meest optimale verdeling van functies over de verschillende gebouwen en op het terrein” en verschilde ze van de te dezen gevraagde visie die een nieuwbouwproject betreft. De tussenkomende partijen lijken een voordeel te hebben kunnen genieten door de site al geruime tijd te hebben kunnen bestuderen, door contacten te hebben met de verwerende partij en met de gebruikers en zo de behoeften en inzichten op te vangen - die wel een rol kunnen spelen bij een gunningscriterium als visie. Nochtans lijkt te dezen niet te mogen worden gesteld, bij gebrek aan concrete aanwijzingen daartoe, dat de verantwoording die de tussenkomende partijen gegeven hebben en die door verwerende partij aanvaard werd in het gunningsverslag, onjuist of onvolledig zou zijn: een vergelijking tussen bestek studieopdracht, masterplan, bestek opdracht en offerte tussenkomende partijen brengt aan het licht dat de visie die laatstgenoemden in de in het geding zijnde offerte ontwikkeld hebben, juist niet onmiddellijk bepalend lijkt te zijn geïnspireerd door de studieopdracht en het masterplan. De kennisvoorsprong en financiële voorsprong waarvan de verzoekende partijen gewag maken lijken aldus te moeten worden gerelativeerd. In die zin is het tweede onderdeel van het middel niet ernstig. De verantwoording die de tussenkomende partijen geven, namelijk dat zij geen vervalsend voordeel genoten hebben en die als motivering door de XII-5461-21/26 verwerende partij is overgenomen, lijkt voorts niet onjuist: de beslissing en locatie voor het betrokken nieuwe gebouw was niet in de voorstudie voorgesteld en werd autonoom door de verwerende partij genomen; ook het detailonderzoek naar invulling en opvatting van het nieuwe gebouw was niet in de voorstudie opgenomen. De verwerende partij is die verantwoording uitdrukkelijk bijgevallen. Aldus lijkt het voormelde weerlegbaar vermoeden van artikel 78, §1, weerlegd op een juiste manier en lijkt de bijval door de verwerende partij voldoende duidelijk om die verantwoording ook uiteindelijk die overheid toe te rekenen. Aldus lijkt de aangevoerde schending van de formele motiveringsverplichting niet aanwezig. Zoals uit de bespreking van het tweede onderdeel blijkt, lijkt de directe relatie tussen de studieopdracht en de in het geding zijnde opdracht niet van aard te zijn om hier van een marktvervalsend voordeel te kunnen spreken. De verwerende partij lijkt dan ook niet de materiële motiveringsverplichting , noch de in het middel aangevoerde beginselen te hebben geschonden. Evenmin lijkt dan aangetoond dat bij de keuze van de inschrijver niet zou zijn voldaan aan artikel 16 van de voormelde wet van 24 december 1993 nu het niet lijkt dat de offerte van een uit te sluiten inschrijver is gekozen. Ook het eerste onderdeel van het middel is niet ernstig. Tweede middel
  31. In een tweede middel voeren de verzoekende partijen de schending aan van artikel 16 van de wet van 24 december 1993 betreffende de overheidsopdrachten en sommige opdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten, van artikel 115 van het koninklijk besluit van 8 januari 1996 betreffende de overheidsopdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten en de concessies voor openbare werken, van de materiële motiveringsverplichting, van het beginsel “patere legem quam ipse fecisti” en van het gelijkheidsbeginsel. XII-5461-22/26 De verzoekende partijen bekritiseren hier de beoordeling aan de hand van de andere twee gunningscriteria, erelonen en methodiek en wel als volgt : - T.a.v. het gunningscriterium erelonen stelt de bestreden beslissing dat het verschil in meer tussen de offerte van de verzoekende partijen en die van de tussenkomende partijen niet zou kunnen worden verantwoord; het bestek vermeldt inzake dit gunningscriterium dat de billijkheid het criterium is - eigenlijk stelt het bestek dat niet de laagste erelonen de meest voordelige zullen zijn maar billijke erelonen die in overeenstemming zijn met de gangbare barema's en de uit te voeren opdracht. Het door de verzoekende partijen opgegeven ereloon is gesteund op gekende en aanvaarde barema's waarop ze een redelijke korting heeft toegepast. De verwerende partij geeft niet aan, wanneer ze stelt dat de erelonen van de verzoekende partijen te hoog zijn, waarom de erelonen van de verzoekende partijen niet billijk zouden zijn. Zij hadden niet minder mogen scoren dan de tussenkomende partij. - T.a.v. het gunningscriterium methodiek stellen de bestreden beslissing en het evaluatierapport dat de offerte van de tussenkomende partijen tweemaal (ontwerp en project) “goed” beoordeeld wordt terwijl die van de verzoekende partijen tweemaal als “voldoende” werden bestempeld. De tussenkomende partijen krijgen voor de ontwerpmethodiek de beoordeling goed" op grond van de volgende motivering : - centraal aanspreekpunt voor de bouwheer; - procesmatige aanpak waarbij alle partijen op het gepaste ogenblik worden betrokken; - de projectcoördinator is de motor en inspirator van het bouwteam. Al deze motieven kunnen echter ook worden teruggevonden in de offerte van de verzoekende partijen onder de titel methodiek, subtitel studiewerk. De verzoekende partijen hadden dan ook beter moeten scoren dan thans het geval is. XII-5461-23/26 Bespreking van het middel
  32. Overeenkomstig het hiervoor aangehaalde gunningscriterium “erelonen” is daarbij de billijkheid het te waarderen gegeven; het laagste ereloon is daarentegen geen norm. Wel wordt benadrukt dat niet-overeenstemming met de gangbare barema’s als niet billijk zal worden beschouwd maar dat kortingen of prijsverhogingen wel zullen worden beoordeeld op grond van de specifieke kenmerken van de opdracht waarbij echter steeds zal worden nagegaan of de gevraagde vergoeding toelaat de opdracht volledig en grondig uit te voeren. Te dezen wordt in het evaluatieverslag (blz. 52) aangegeven dat het grote verschil tussen de erelonen van de verzoekende partijen en van de tussenkomende partijen niet kan worden verantwoord vanuit de offertes - daarom wordt het als niet billijk beoordeeld; de aanbestedende overheid lijkt dus wel de hoogte van het ereloon te hebben beoordeeld in verhouding tot de opdracht. Het middelonderdeel is niet ernstig.
  33. Inzake het gunningscriterium methodiek gaan de verzoekende partijen slechts in op één van de twee elementen namelijk de ontwerpmethodiek en dus niet op de projectmethodiek. Inzake het gunningscriterium methodiek vermeldt het rapport bij de offerte van de verzoekende partijen dat daarin een “zeer beperkte” beschrijving van aanpak en kwaliteitsbewaking wordt gegeven maar wordt de ontwerpmethodiek voldoende geacht. Bij de offerte van de tussenkomende partijen luidt de beoordeling van de ontwerpmethodiek “goed” . Deze lijkt dan ook meer uitgewerkt dan in de offerte van de verzoekende partijen, hetgeen ook het geval is voor de projectmethodiek. Aldus lijkt de “voldoende” van de verzoekende partijen tegenover de “goed” van de tussenkomende partijen voor het gunningscriterium in zijn geheel geen beoordeling die ingaat tegen het bestek, tegen het gelijkheidsbeginsel of de materiële- motiveringsverplichting en evenmin schending in te houden van de XII-5461-24/26 artikelen 16 van de wet van 24 december 1993 en 115 van het koninklijk besluit van 8 januari
  34. Ook dit middelonderdeel is niet ernstig.
  35. Geen van de middelen is ernstig gebleken. Aldus is niet voldaan aan de tweede van de door het voormelde artikel 17 gestelde voorwaarden, die vervuld moeten zijn om de schorsing toe te wijzen. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  36. Het verzoek tot tussenkomst van de CVBA Stramien, de BVBA Irs Studiebureau, samen vormend de tijdelijke vereniging Stramien-Irs in het administratief kort geding wordt ingewilligd. Artikel
  37. De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen. Artikel
  38. De kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, bepaald op 700 euro, komen lastens de verzoekende partijen, elk voor een vierde. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 250 euro, komen ten laste van de tussenkomende partijen, elk voor de helft. XII-5461-25/26 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zesentwintig juni 2008, door : de H. D. VERBIEST, kamervoorzitter, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-5461-26/26 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.184.868 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.