id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 27 juni 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.184.887 Rolnummer: Zaak: Arrest 184887 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 27/06/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-07-15 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-06-29 08:19 Fiche Arrest nr 184.887 van 27 juni 2008 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Verwerping Samenvoeging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 184.887 van 27 juni 2008 in de zaken A. 186.149/XIV-30.010 186.156/XIV-30.
- In zake : I.XXX II. XXX, die woonplaats kiezen bij Advocaat M. VAN LAER, kantoor houdende te 2018 ANTWERPEN, Broederminstraat 38 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Sri Lankaanse nationaliteit, op 4 december 2007 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van 30 oktober 2007 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, waarbij hem de vluchtelingenstatus en de subsidiaire beschermingsstatus wordt geweigerd; Gelet op de beschikking nr. 1897 van 15 januari 2008 waarbij het cassatieberoep toelaatbaar wordt verklaard; Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Sri Lankaanse nationaliteit, op 4 december 2007 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van 30 oktober 2007 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, waarbij haar de vluchtelingenstatus en de subsidiaire beschermingsstatus wordt geweigerd; Gelet op de beschikking nr. 1898 van 15 januari 2008 waarbij het cassatieberoep toelaatbaar wordt verklaard; Gelet op artikel 19 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur M. VAN LIMBERGEN, op grond van artikel 19 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; XIV-30.010-1/12 Gelet op de beschikkingen van 12 maart 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 4 juni 2008; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat J. DE LIEN die, loco Advocaat M. VAN LAER verschijnt voor de verzoekende partijen en van Attaché K. MAES, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur R. VAN DEN EECKHOUT; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de procedure. Overwegende dat XXX en XXX elk in een afzonderlijk verzoekschrift de vernietiging vragen van de beslissing waarbij hen de vluchtelingenstatus en de subsidiaire beschermingsstatus worden geweigerd; dat de beslissing die ten aanzien van XXX werd genomen in hoofdzaak steunt op de niet-erkenning van XXX, haar echtgenoot; dat, in het belang van een goede rechtsbedeling het aangewezen is beide beroepen wegens verknochtheid samen te behandelen en te berechten;
- Over de gegrondheid van de beroepen. 2.
- Wat het beroep van XXX betreft: 2.1.
- Overwegende dat verzoeker als middelen aanvoert: “EERSTE MIDDEL: Schending van artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Schending van de principes van het E.U.-procesrecht met name het algemeen rechtsbeginsel van recht van verdediging zoals vastgelegd in de rechtspraak van het Europees Hof van Justitie. Verzoeker betoogt dat het beroep bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen geenszins voldoet aan de waarborgen zoals vastgesteld in bovenvermelde rechten. Verzoeker meent dat hij recht heeft op een beroep met volle rechtsmacht en dat het genoemde beroep hieraan niet voldoet. Verzoeker meent dat hij conform de bovenvermelde principes recht heeft op een onderzoek van de feiten door het jurisdictioneel orgaan dat zijn beroep behandelt en dit omwille van het feit dat de natuur van een asielaanvraag een actuele beoordeling dient XIV-30.010-2/12 in te houden van zijn asielaanvraag op het moment van de finale beslissing. Dit recht wordt beperkt gezien verzoeker na het indienen van het verzoekschrift in beroep bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen geen nieuwe stukken kan aanbrengen en geen geactualiseerde memorie/conclusie kan bijbrengen. Er kan geenszins sprake zijn van een jurisdictioneel orgaan dat volle rechtsmacht heeft. Verzoeker zal aantonen dat de principes van het artikel 6 E.V.R.M. direct van toepassing zijn. Verzoeker zal verder aantonen dat ook het artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie van toepassing is. Verzoeker zal aantonen dat het begrip "volle rechtsmacht” een bijzondere betekenis heeft en dat de betekenis varieert van materie tot materie. Verzoeker zal tenslotte aantonen dat de waarborgen van het Europees procesrecht volledig afwezig zijn en dit ondanks het feit dat de ganse materie van asiel thans onder het Europees recht ressorteert.
- Wat betreft de toepassing van art. 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Zowel de Kwalificatierichtlijn (2004/83) als de Procedurerichtlijn verwijzen direct naar het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en dus ook naar art. 47 van het Handvest. In juni 2006 citeerde het Europees Hof van Justitie het Charter derwijze dat het zijn rechtstreekse werking bevestigde. Het stelde dat de vermelding in de preambule in de richtlijn voldoende was om het Charter van toepassing te maken (...). Een Advocaat Generaal van het Europees Hof van Justitie stelde dat het Handvest de uitdrukking is van het hoogste niveau, van een democratisch gevestigde politieke consensus die thans beschouwd moet worden als een catalogus van fundamentele rechten gewaarborgd in het Gemeenschapsrecht. Voor een preliminaire studie verwezen wordt naar de volgende weblink: http://www.law.kuleuven.ac.be/jura/38nl/debussere.htm. Deze studie liet reeds uitschijnen wat het belang van het Handvest zou worden en thans heeft. Het Handvest wordt geciteerd en toegepast in diverse materies zowel bij het Europees Hof van Justitie als bij nationale rechters. Ook het UNHCR is deze visie toegedaan. Verzoeker verwijst naar 'The European asylum procedures directive in Legal context." Research Paper No.
- p. 20 ev. (www.unhcr.org) De toepassing van het art. 47 van het Handvest dient dan ook gewaarborgd te worden in alle zaken die de Europese Unie regelt waaronder het asielrecht. Het art. 47 luidt als volgt: Recht op een doeltreffende voorziening in rechte en op een onpartijdig gerecht Eenieder wiens door het recht van de Unie gewaarborgde rechten en vrijheden zijn geschonden, heeft recht op een doeltreffende voorziening in rechte, met inachtneming van de in dit artikel gestelde voorwaarden. Eenieder heeft recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. Eenieder heeft de mogelijkheid zich te laten adviseren, verdedigen en vertegenwoordigen. Rechtsbijstand wordt verleend aan diegenen die niet over toereikende financiële middelen beschikken, voorzover die bijstand noodzakelijk is om de daadwerkelijke toegang tot de rechter te waarborgen. De invulling van het art. 47 is gelijklopend met de invulling van art. 6 EVRM met dit verschil dat het toepassingsgebied zich uitstrekt niet alleen over burgerlijke en strafrechtelijke materies maar over ALLE materies die het Europees recht regelt waaronder dus ook het asielrecht. Deze tekst incorporeert zowel het art. 13 EVRM als het art 6 EVRM. De rechtspraak ivm het art 6 EVRM is dan ook relevant ter beoordeling van het feit of dit beroep voldoet aan de voorwaarde zoals gesteld in het Europees Handvest. XIV-30.010-3/12 Het art. 47 van het handvest stelt echter geen vereiste van burgerlijke of politieke rechten.
- Begrip "volle rechtsmacht". Verzoeker stelt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen volle rechtsmacht dient te hebben. Verzoeker betoogt dat het principe dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen geen eigen onderzoek kan stellen in strijd is met het begrip "full jurisdiction" - volle rechtsmacht - zoals vastgelegd in het EVRM en dus indirect van toepassing via art. 47 van het Handvest (zie hierboven). Van belang is om te beginnen dat artikel 6 lid 1 EVRM niet alleen toegang tot een rechter garandeert maar ook eisen stelt aan de rechterlijke toetsing van overheidsoptreden. In het kader van een procedure moet op grond van vaste jurisprudentie ten minste één rechterlijke instantie met volledige rechtsmacht ('full jurisdiction') de betreffende besluiten kunnen controleren (...). De eis van 'full jurisdiction' houdt in dat de betreffende rechter de bevoegdheid moet hebben: 'to examine all questions of fact and law relevant to the dispute before it.’(...) De rechter moet op grond van artikel 6 lid 1 EVRM dus alle voor het betreffende geschil relevante vragen van juridische en feitelijke aard kunnen onderzoeken. Het is belangrijk om expliciet te constateren dat er geen onderscheid wordt gemaakt tussen rechtsvragen en feitelijke vragen (...). Uit het voorgaande volgt dat de rechter, om te voldoen aan de eisen van artikel 6 EVRM, dus ook moet kunnen oordelen over de vaststelling van de feiten als deze relevant zijn in het geschil. Daarmee is van belang wat wordt bedoeld met 'facts relevant to the dispute'. Immers alleen met betrekking tot deze feiten geldt het vereiste van 'full jurisdiction'. Daarmee is de vraag aan de orde hoe intensief de rechter terzake moet kunnen toetsen. Uitgangspunt van de jurisprudentie van het EHRM lijkt te zijn dat de rechter een eigen oordeel over de feiten moet geven hetgeen impliceert dat hij de bestuurlijke feitenvaststelling vol moet kunnen toetsen. Gewezen kan hier worden op de uitspraak van het EHRM in de zaak Terra Woningen t. Nederland. Daarin werd een schending van artikel 6 lid 1 EVRM aangenomen omdat de kantonrechter bij het vaststellen van een huurprijs niet zelfstandig wilde onderzoeken of er sprake was van bodemverontreiniging (een factor bij het bepalen van de huurprijs) en het standpunt van Gedeputeerde Staten daarover zonder meer overnam. Dit ondanks het feit dat partijen van mening verschilden over de vraag of er inderdaad sprake was van bodemverontreiniging. Uit het voorgaande zou kunnen worden afgeleid dat een meer terughoudende - marginale toetsing van de feitenvaststelling nooit door de beugel zou kunnen, maar uit de zaak Bryan t. Verenigd Koninkrijk blijkt dat het EHRM onder bepaalde omstandigheden daarmee wel genoegen neemt (...). Deze zaak betrof een handhavingsbesluit op grond waarvan de heer Bryan twee huizen moest slopen en bouwmateriaal moest verwijderen. Daartegen kwam hij vergeefs op bij het bestuursorgaan dat het besluit nam, waarna er beroep werd ingesteld bij de rechter. Daar kon echter de juistheid van de vastgestelde feiten die de basis vormden van het besluit niet meer direct worden betwist. De rechter was alleen bevoegd ten aanzien van rechtsvragen en kon geen nader bewijs ontvangen. Wel had de rechter de bevoegdheid om te beoordelen of de procedure waarin de feiten waren vastgesteld rechtmatig was en of de feitenvaststelling 'perverse or irrational' was. Beperkingen van rechterlijke controle op de bestuurlijke feitenvaststelling bevinden zich dus 'in de gevarenzone van artikel 6 EVRM', maar zijn gelet op de zaak Bryan niet zonder meer ongeoorloofd. Voor dergelijke beperkingen moet wel een overtuigende rechtvaardigingsgrond bestaan, zoals de aard van het materiële rechtsgebied en de daaraan verbonden bestuurlijke vrijheid en het gespecialiseerde karakter van de feitenvaststelling. Daarbij is van belang dat de bestuurlijke feitenvaststelling in een met voldoende waarborgen omklede - quasirechterlijke gespecialiseerde administratieve voorprocedure heeft plaatsgevonden. Hieruit lijkt voort te vloeien dat het in dergelijke XIV-30.010-4/12 gevallen in het licht van artikel 6 EVRM ook mogelijk is grenzen te stellen aan het inbrengen van bepaald nieuw bewijsmateriaal in de rechterlijke procedure. Sommige bewijsmateriaal vergt immers een geheel nieuwe beoordeling door de rechter, iets waartoe hij echter juist niet in staat is gelet op, bijvoorbeeld, de daartoe vereiste specialisatie. De beperkingen van rechterlijke controle op de bestuurlijke feitenvaststelling mogen in ieder geval nooit zo ver gaan dat de rechter zich geheel verlaat op het oordeel van het bestuur. Dat zou immers feitelijk betekenen dat de betrokkene opdat punt geen toegang heeft tot de rechter. Er moet in het kader van de rechterlijke procedure een debat kunnen worden gevoerd over de juistheid van het bestuurlijke feitenoordeel en de wijze waarop dat tot stand is gekomen. Het geheel uitsluiten daarvan kan blijkens de jurisprudentie van het EHRM niet door de beugel. Gewezen kan worden op de al genoemde zaak Terra Woningen t. Nederland en op de meer recente zaak Chevrol t. Frankrijk (...). Deze laatste zaak werd aan het EHRM voorgelegd nadat de Franse Raad van State (Conseil d’Etat) het beroep van verzoekster tegen de weigering haar Algerijnse artsexamen te erkennen had afgewezen. Daarbij heeft de Raad van State zijn eigen jurisprudentie gevolgd, waarbij hij, bij de beantwoording van de vraag of de betreffende verdragen toepasselijk waren, zich geheel heeft verlaten op het oordeel van een bestuursorgaan, ook waar dat de feitenvaststelling betrof. Het EHRM is daarover kritisch: ook al lijkt raadpleging van de minister door de Raad van State over de beoordeling van de voorwaarde van wederkerigheid bij de erkenning van diploma's noodzakelijk, door deze wijze van werken verplicht de Raad van State zich het oordeel te volgen van de minister, dat wil zeggen van een buiten de Raad staande en tot de uitvoerende macht behorende autoriteit, zonder het oordeel van die autoriteit aan kritiek of aan een contradictoir debat te onderwerpen. Het Hof is verder van oordeel dat met betrekking tot het inwinnen van het oordeel van de minister, dat bepalend zou zijn voor hetgeen in het geschil ter beslissing stond, voor appellante geen enkele voorziening openstond. Zij heeft geen enkele gelegenheid gekregen zich uit te spreken over het gebruik van het ministerieel oordeel, of over de formulering van de aan de minister gestelde vraag, of over de elementen van de beantwoording van die vraag. Appellante heeft aan de Raad van State verscheidene stukken overgelegd om aan te tonen dat de Algerijnse overheid de betreffende regelingen feitelijk wel degelijk toepaste. Deze stukken zijn zelfs niet onderzocht door de Raad, die derhalve niet heeft willen onderzoeken of zij een goede grondslag voor het betoog van appellante vormden. Aldus heeft de Raad zich gebonden geacht aan het oordeel van de minister, en zichzelf de bevoegdheid ontzegd om feitelijke gegevens die beslissend konden zijn voor het aan hem voorgelegde geschil in zijn beoordelingen te betrekken. Onder deze omstandigheden kan volgens het EHRM niet worden gezegd dat appellante toegang heeft gehad tot een rechterlijke instantie die een toereikende bevoegdheid had, dan wel erkende dat zij een dergelijke bevoegdheid had, om zich te buigen over alle feitelijke en juridische kwesties die relevant waren om het geschil te beoordelen. Toegepast op de beroepsprocedure bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen meent verzoeker dat deze geenszins voldoet. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen had ambtshalve moeten overgaan tot een onderzoek van alle voor deze zaak relevante feiten, onder meer de huidige mensenrechtensituatie in Sri Lanka en meer bepaald het risico op vervolging en mensenrechtenschendingen voor de Tamils die door de overheid geassocieerd worden met het LTTE/Karuna en omgekeerd, om zo te beoordelen of verzoeker recht heeft op asiel en/of subsidiaire bescherming. Dit is op geen enkele manier gebeurd. Integendeel, de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen weigert om in te gaan op het relaas van verzoeker zoals uiteengezet in het verzoekschrift, met als enige motivering "Verzoeker laat na op concrete wijze aan te duiden op welke wijze de behandeling van zijn beroep niet voldeed aan het vereiste van volle rechtsmacht, zoals hierboven uiteengezet." Verzoeker had tevens nieuwe documenten neergelegd als bijlage bij zijn verzoekschrift in beroep. Deze stukken worden, net als het feitenrelaas van verzoeker, met verwijzing XIV-30.010-5/12 naar het artikel 39/76, derde lid, 3/ van de Vreemdelingenwet genegeerd, hoewel verzoeker in zijn verzoekschrift had uiteengezet waarom hij in eerste instantie andere verklaringen had afgelegd. Het gaat hierbij om zijn initieel wantrouwen t.o.v. de Belgische overheid, die in verband met zijn zaak contact zou kunnen hebben met de Sri Lankaanse overheid. Immers, ondanks het feit dat het Hoge Commissariaat voor de Vluchtelingen van de Verenigde Naties in haar handboek (...) het volgende aanbeveelt: "It will be necessary for the examiner to gain the confidence of the applicant in order to assist the latter in putting forward his case and in fully explaining his opinions and feelings. In creating such a climate of confidence it is, of course, of the utmost importance that the applicant's statements will be treated as confidential and that he be so informed." Vrij vertaald: “Het zal voor de ondervrager noodzakelijk zijn om het vertrouwen van de aanvrager te winnen om deze laatste ertoe aan te zetten zijn zaak uiteen te zetten en volledig zijn meningen en gevoelens uit te leggen. Om zo'n klimaat van vertrouwen te creëren is het uiteraard van het allergrootste belang dat de verklaringen van de aanvrager vertrouwelijk zullen behandeld worden en dat hij hierover geïnformeerd wordt.” werd er op geen enkel moment aan verzoeker uitgelegd dat het Commissariaat-Generaal voor de Vluchtelingen en Staatlozen alle van hem verkregen informatie binnen haar muren zou houden en dat de Sri Lankaanse overheid er niet van op de hoogte zou gesteld worden. Dit wantrouwen werd bovendien expliciet bevestigd door de jurist van het Commissariaat-Generaal voor de Vluchtelingen en Staatlozen, die tijdens het interview d.d. 08.08.2007 te kennen gaf dat de informatiedienst van het Commissariaat in contact was getreden met de Sri Lankaanse overheid om te vragen wat een welbepaalde stempel op een van de documenten die verzoeker had voorgelegd, betekende. Verzoeker heeft in verband hiermee de nota's van zijn advocaat (p. 4: V: Wanneer heeft u Sri Lanka verlaten? A: 16.12.
- V: Was het de eerste keer dat u Sri Lanka verlaten heeft? A: Ja. V: In verband met de stempel op deze akte: volgens onze bronnen betekent dit dat u deze akte heeft opgevraagd in het buitenland, via een ambassade of consulaat van Sri Lanka? A: Dát heb ik nooit eerder gehoord. Ik deed dit omdat de reisagent het van me verwachtte. V: Dus u heeft deze niet vanuit het buitenland gevraagd? A: Neen, het komt door de reisagent. V: Onze bronnen zijn uw eigen overheid. U moet beter nadenken over wat u hier tegen mij vertelt. A: Neen, ik ben zelf, in persoon, daar geweest. Het bewijs hiervan is dit reçu.) voorgebracht doch de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen noemt deze geen objectieve bron, en op deze manier wordt verzoekers uiteenzetting verworpen. Verzoeker verwees in verband hiermee in zijn aanvullende nota naar het arrest van de Raad van State d.d. 07.08.2007, n/ 173.899, waarin de nota's van de advocaat van de asielzoeker wel degelijk aanvaard werden als meer geloofwaardig dan die van het Commissariaat-Generaal voor de Vluchtelingen en Staatlozen. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen negeert deze aanvullende nota echter in zijn geheel aangezien "in het kader van de behandeling van de beroepen tegen de beslissingen van de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en Staatlozen, noch in de voormelde wet van 15 december 1980, noch in het procedurereglement van 21 december 2006 de mogelijkheid tot repliek voorzien is." Verzoeker had in extenso uiteengezet waarom de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen rekening diende te houden met de aanvullende nota. Van al deze gegevens wordt in het bestreden arrest geen letter vermeld. Verzoeker is van mening dat dit een schending van de rechten van verdediging is daar hij zich dienstig had moeten kunnen verweren tegen de repliek van het Commissariaat- Generaal voor de Vluchtelingen en Staatlozen.
- Algemeen rechtsbeginsel van recht van verdediging en het beroep met volle rechtsmacht zoals vastgelegd in de rechtspraak van het Europees Hof van Justitie Verzoeker stelt dat, mocht het art. 47 van het Handvest geen rechtstreekse werking hebben, het recht op een beroep met volle rechtsmacht en de rechten van verdediging algemene rechtsbeginselen zijn waarop verzoeker zich rechtsreeks op kan beroepen. XIV-30.010-6/12 Verzoeker verwijst naar de zaak 222/86 van het Hof van Justitie (Heylens) waarin voormeld principe van de rechten van verdediging bevestigd wordt (eigen onderlijning): "
- Aangezien de vrije toegang tot het arbeidsproces een fundamenteel recht is dat het verdrag aan iedere werknemer van de gemeenschap individueel toekent, is de mogelijkheid van beroep in rechte tegen iedere beslissing van een nationale instantie waarbij de uitoefening van dat recht wordt geweigerd, van wezenlijk belang om de particulier een doeltreffende bescherming van zijn recht te waarborgen. Dit vereiste vormt een algemeen beginsel van gemeenschapsrecht, dat voortvloeit uit het constitutionele erfgoed dat alle lidstaten gemeen hebben en dat eveneens is neergelegd in de artikelen 6 en 13 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens." Verzoeker herhaalt de uiteenzetting inzake volle rechtsmacht en stelt dat het recht op een beroep met volle rechtsmacht en de rechten van verdediging een algemeen rechtsbeginsel zijn. Verzoeker meent dat ook dat, gelet op het feit dat huidige Vreemdelingenwet de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet toelaat dergelijk onderzoek te voeren, de initiële beslissing voorgenoemde artikelen schendt. Verzoeker vraagt eveneens aan de Raad van State een prejudiciële vraag te stellen aan het Europees Hof van Justitie die als volgt luidt: "Dienen de lidstaten te voorzien in een beroep bij een administratief rechtscollege inzake de materie van de Kwalificatierichtlijn 2004/83 en houdt het artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie of het algemeen rechtsbeginsel van het recht op verdediging en het recht op een beroep met volle rechtsmacht in dat deze administratieve rechtscolleges over een eigen onderzoeksbevoegdheid dienen te beschikken die hen toelaat tot op de dag van de eindbeslissing onderzoek te verrichten naar alle relevante feiten die nuttig zijn om de zaak te beoordelen?". TWEEDE MIDDEL: Schending van de artikelen 39/2 § 1, 48/3 en 48/4 van de Vreemdelingenwet van 15.12.
- Schending van het art. 1 A 2) van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen ondertekend te Genève op 28 juli
- Schending van de motiveringsverplichting van het artikel 62 van de Vreemdelingenwet. Schending van het artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen vermeldt in de bestreden beslissing dat "het beroep tegen de beslissingen van de Commissaris-generaal een beroep is met volle rechtsmacht. De Raad kan luidens artikel 39/2, § 1, de bestreden beslissingen bevestigen, hervormen en vernietigen wegens een substantiële onregelmatigheid of het ontbreken van essentiële elementen die inhouden dat de Raad niet kan komen tot de bevestiging of hervorming zonder aanvullende onderzoeksmaatregelen te bevelen. Zulks houdt in dat de Raad kennis neemt van het geschil in zijn volledigheid en de beslissing van de Commissaris-generaal kan herzien, ongeacht op grond van welk motief deze tot de bestreden beslissing is gekomen. (...) Tenslotte kan de kamervoorzitter of rechter in vreemdelingenzaken de bestreden beslissing vernietigen en voor een nieuw onderzoek terugsturen naar het CGVS indien hij van oordeel is dar hij de zaak niet ten gronde kan onderzoeken omdat hij niet beschikt over bepaalde essentiële gegevens en waarvoor het nodig is aanvullende onderzoeksmaatregelen te bevelen." Verzoeker heeft in zijn verzoekschrift een coherent, volledig en gedetailleerd relaas neergeschreven, dat afweek van de voordien bekende gegevens in verband met zijn vlucht. Toen hij initieel zijn vluchtverhaal uiteenzette had hij slechts weinig relevante documentatie; dit keer heeft hij echter een stukkenbundel neergelegd die op zeer overtuigende wijze zijn relaas ondersteunt. De originelen zijn in verzoekers bezit en hij had deze kunnen overleggen ter zitting van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Indien deze werkelijk van de volle rechtsmacht gebruik had willen maken had de voorzitter bv. kunnen vragen naar deze stukken en op grond hiervan en op grond van het nieuwe relaas de beslissing van het Commissariaat-Generaal voor de Vluchtelingen XIV-30.010-7/12 en Staatlozen kunnen hervormen in positieve zin, minstens had de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen het dossier voor uitgebreider onderzoek van beide kunnen terugsturen naar het Commissariaat-Generaal voor de Vluchtelingen en Staatlozen. Geen van deze mogelijkheden is echter benut en de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen maakt zich er in de bestreden beslissing op een gemakkelijke manier vanaf door het volgende te stellen: "Verzoeker laat na op concrete wijze aan te duiden op welke wijze de behandeling van zijn beroep niet voldeed aan het vereiste van volle rechtsmacht, zoals hierboven uiteengezet." Verzoeker bevestigt nogmaals dat hij in Sri Lanka vervolgd wordt of tenminste zou worden bij terugkeer op basis van zijn afkomst en zijn (vermeende) politieke overtuiging. In hoofdorde is hij dan ook van mening dat hij als vluchteling erkend had moeten worden door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Ondergeschikt stelt hij recht te hebben op de subsidiaire bescherming, die hem evenmin werd toegekend in de bestreden beslissing. Ook hier werd immers gekozen voor de volgende gemakkelijkheidsoplossing: "Verzoekers recente afkomst uit het oosten van Sri Lanka en zijn betrokkenheid bij het LTTE werden niet afdoende aangetoond. Verzoeker beschikt dus over een intern vluchtalternatief in Colombo daar er geen geloof kan worden gehecht aan zijn voorgehouden profiel." Dit terwijl verzoeker verscheidene niet te betwisten documenten heeft voorgelegd die aantoonden dat hij wel degelijk aanwezig was in Sri Lanka in de bedoelde periode! Het is duidelijk dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen wetens en willens heeft geweigerd toepassing te maken van de haar toebedeelde volle rechtsmacht.”; 2.1.
- Overwegende dat, in tegenstelling tot hetgeen verzoeker meent, het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie - zoals de bestreden beslissing terecht opmerkt - geen bindende rechtsbron is; dat, wat de ingeroepen schending van artikel 6 van het E.V.R.M. en de daarop gebaseerde argumenten betreft, betwistingen in verband met de toegang, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen en de erkenning van hun asielrecht buiten de toepassingssfeer van voormeld artikel 6 van het E.V.R.M. vallen omdat de desbetreffende regels een publiekrechtelijk karakter hebben; dat voormeld artikel in deze niet toepasselijk is omdat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen noch over burgerlijke rechten noch over de gegrondheid van een strafvervolging uitspraak doet; dat hij er door de wet is mee belast na te gaan of de betrokkene beantwoordt aan de definitie van vluchteling zoals bepaald in het Internationaal Verdrag betreffende de status van Vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951, goedgekeurd bij de wet van 26 juni 1953; dat, gelet op hetgeen voorafgaat en op het feit dat de ontwikkelde uiteenzetting in het middel volledig is afgeleid uit artikel 47 van het Handvest voor de Grondrechten van de Mens en uit artikel 6 van het E.V.R.M., die in deze niet toepasselijk is, dan ook niet dient te worden ingegaan op de vraag om een prejudiciële vraag te stellen aan het Europees Hof van Justitie; dat artikel 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) en de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen niet van toepassing zijn op de beslissingen van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, die een administratief rechtscollege is; dat, in tegenstelling tot XIV-30.010-8/12 hetgeen verzoeker meent, de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen wel degelijk ingaat op de situatie in Sri Lanka, zoals genoegzaam blijkt uit het volgende motief van de bestreden beslissing: “Uit het antwoorddocument van Cedoca (administratief dossier, stuk 30) en voor iedereen toegankelijke publieke bronnen blijkt dat er in de noordelijke en oostelijke provincies van Sri Lanka momenteel een gewapend conflict is. De situatie in de hoofdstad Colombo is daarentegen niet van die aard dat elke Tamil, louter omwille van zijn etnische origine, een reëel risico op ernstige schade loopt. Het zijn vooral zakenmannen, politieke figuren, pro-Tamilactivisten en journalisten die het doelwit zijn van gewelddadige acties (UNHCR, Position on the international protection needs of asylum-seekers from Sri Lanka, december 2006, UNHCR Refworld, http://www.unhcr.org/cgi-bin/texis/vtx/refworld/rwmain? docid=459a1fcb2). De veiligheidsmaatregelen die van kracht zijn in Colombo, waaronder systematische veiligheids- en identiteitscontroles, en waarbij vooral na bomaanslagen strenge veiligheidsmaatregelen worden genomen, gelden ten aanzien van iedereen. Tamils van wie betrokkenheid bij de LTTE wordt vermoed lopen een groter risico op intimidatie of arrestatie (Ministerie van Buitenlandse zaken, Nederland, Ambtsberichten, Algemeen Ambtsbericht Sri Lanka, april 2007, http://www.minbuza.nl). Voor personen wiens asielaanvraag afgewezen werd en die gedwongen dienen terug te keren naar Sri Lanka, kan worden vastgesteld dat er door de autoriteiten een geijkte procedure gevolgd wordt. Slechts indien er tegen de teruggeleide persoon een arrestatiebevel bestaat of indien deze persoon in het verleden reeds door de autoriteiten verdacht werd omwille van banden met het LTTE, loopt hij het risico bij aankomst gearresteerd te worden, zoniet is hij of zij vrij om te gaan. (UK Home Office, Country of Ongin Information Report Sri Lanka, 4 september 2007, p. 160-161, http://www.homeoffice.gov.uk/rds/pdfs07/sri-lanka-100907.doc). Verzoekers recente afkomst uit het oosten van Sri Lanka en zijn betrokkenheid bij het LTTE worden niet afdoende aangetoond. Verzoeker beschikt dus over een intern vluchtalternatief in Colombo daar er geen geloof kan worden gehecht aan zijn voorgehouden profiel. Gelet op het bestaan van voormeld intern vluchtalternatief en de ongeloofwaardigheid van verzoekers asielrelaas, is het verzoek tot toekenning van de subsidiaire beschermingsstatus ongegrond.”; dat aldus afdoende wijze wordt ingegaan op de situatie in Sri Lanka en genoegzaam wordt gemotiveerd waarom verzoeker over een binnenlands vluchtalternatief beschikt; dat uit de bestreden beslissing blijkt - in tegenstelling tot hetgeen verzoeker aanvoert - dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen geenszins «weigert om in te gaan op het relaas van verzoeker zoals uiteengezet in zijn verzoekschrift, met als enige motivering “Verzoeker laat na op concrete wijze aan te duiden op welke wijze de behandeling van zijn beroep niet voldeed aan het vereiste van volle rechtsmacht, zoals hierboven uiteengezet”» doch - integendeel - wel degelijk op dit relaas ingaat; dat zij hieromtrent evenwel oordeelt dat “het asielrelaas in het verzoekschrift in belangrijke mate is van de door verzoeker afgelegde verklaringen voor Dienst Vreemdelingenzaken (verder: DVZ) en het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen (verder: CGVS)”; dat dit besluit inzonderheid steunt op de volgende vaststelling: XIV-30.010-9/12 “In het bijzonder maakte verzoeker bij DVZ en het CGVS geen melding van het feit dat (i) hij werkzaam was als chauffeur voor een Canadese organisatie (ii) dat hij in deze hoedanigheid tolkte tussen de organisatie en de overheid of rebellen (iii) de Karuna- factie hem contacteerde om informatie te verkrijgen over het LTTE en over de projecten van de organisatie in LTTE-gebieden (iv) de Karuna-factie hem in 2006 een bedrag vroeg van 2,5 miljoen roepies om hem gerust te laten. De Raad stelt tevens vast dat verzoeker zijn arrestatie en detentie in 2005 niet meer aanhaalt.”; dat verzoeker bovendien voorbijgaat aan de reden waarom de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zijn argument “dat hij een zeer groot wantrouwen heeft ten aanzien van het CGVS” niet dienstig acht, met name omdat “hij op DVZ ook verklaringen aflegde die in velerlei opzichten afwijken van het in het verzoekschrift gemelde relaas. Uit het administratief dossier blijkt dat verzoeker op DVZ verklaarde dat door hem gegeven inlichtingen oprecht zijn (administratief dossier, stuk 25, p. 17). Van een kandidaatvluchteling, die beweert te vrezen voor zijn leven en vrijheid en daarom de bescherming van de Belgische autoriteiten vraagt, mag worden verwacht dat deze alle elementen ter ondersteuning van zijn asielaanvraag op correcte wijze en zo accuraat mogelijk aanbrengt, zeker de elementen die de directe aanleiding vormen van zijn vertrek of vlucht uit het land van herkomst. De kandidaat-vluchteling dient dit zo volledig en gedetailleerd mogelijk te doen en dit reeds van bij het eerste interview, daar op hem de verplichting rust om zijn volledige medewerking te verlenen aan de asielprocedure (R.v.St., X., nr. 163.364, 10 oktober 2006; R.v.St., X., nr. 150.135, 13 oktober 2005).”; en omdat “Verzoekers handelswijze, die strijdig is met de medewerkingsplicht, volgens dewelke de asielzoeker de waarheid moet vertellen (zie UNHCR, Guide des procédures et critères á appliquer pour déterminer le statut de réfugié, Genève, 1992, 205), resulteert in het feit dat verzoeker intentioneel twee asielrelazen aanbrengt die dermate verschillend zijn dat ze, afzonderlijk of samen genomen, elke geloofwaardigheid ontberen aangezien de Raad, in acht genomen dat het eerste asielrelaas behept is met ongeloofwaardige verklaringen, niet kan aannemen dat het nieuwe relaas geloofwaardig zou zijn. Verzoekers middel dat de Raad ambtshalve het nieuwe asielrelaas zou dienen te onderzoeken wordt verworpen aangezien hij er van uit gaat dat hij, nadat hij bij twee asielinstanties een verhaal heeft opgehangen, alsnog een ander verhaal en scenario zou kunnen opdissen dat dan door de Raad dient onderzocht te worden terwijl van hem, die internationale bescherming zoekt omwille van een beweerde vrees voor vervolging door de autoriteiten van zijn land van herkomst, minstens verwacht kan worden dat hij bij de onderscheiden asielinstanties coherente en consistente verklaringen aflegt ter onderbouwing van zijn beweerde vrees.”; dat het de Raad van State, optredend als administratieve cassatierechter, niet toekomt deze beoordelingen over te doen; dat voorts uitsluitend aan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen als feitenrechter toekomt om oordelen over de waarde van de nota's van verzoekers advocaat ter ondersteuning van zijn wantrouwen in de Belgische XIV-30.010-10/12 asielinstanties; dat, in tegenstelling tot hetgeen verzoeker laat uitschijnen, de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zijn uiteenzetting hieromtrent niet alleen verwerpt omdat deze nota's geen objectieve bron uitmaken doch tevens opmerkt “dat uit de voorgelegde nota, die geen melding van naam of datum draagt, niet kan worden opgemaakt dat verweerder contact opnam met de overheden van Sri Lanka om het document van verzoeker aan een onderzoek te onderwerpen”; dat, wat de bijgebrachte stukken betreft, de Raad voor Vreemdelingen betwistingen zich bovendien niet beperkt tot de verwijzing naar artikel 39/76, derde lid, 3/, van de Vreemdelingenwet, doch motiveert dat deze stukken “in fotokopie zijn bijgebracht en omwille van de manipuleerbaarheid van fotokopieën geen authenticiteitswaarde hebben”; dat de bewijslast inzake de gegrondheid van een asielaanvraag in beginsel rust op de kandidaat-vluchteling zelf die, zoals iedere burger die om een erkenning vraagt, moet aantonen dat zijn asielaanvraag gerechtvaardigd is en die in de mate van het mogelijke stavingsstukken moet aanbrengen; dat indien verzoeker - zoals hij thans beweert- de originelen van zijn stukken in zijn bezit had, het hem dan ook toekwam om deze ten gepasten tijde aan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen voor te leggen zonder dat de raad hem daartoe expliciet diende uit te nodigen; dat, in tegenstelling tot hetgeen verzoeker ten slotte meent, de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zijn “aanvullende nota” van 17 oktober 2007 geenszins “negeert” doch zij deze niet in aanmerking neemt omdat “in het kader van de beroepen tegen de beslissingen van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, noch in de voormelde wet van 15 december 1980, noch in het procedurereglement van 21 december 2006 (...) de mogelijkheid tot repliek voorzien is”; dat de middelen in de mate zij ontvankelijk zijn, niet gegrond zijn; 2.
- Wat het beroep van XXX betreft: 2.2.
- Overwegende dat verzoekster dezelfde middelen aanvoert als haar echtgenoot; 2.2.
- Overwegende dat de middelen om dezelfde redenen als voor haar echtgenoot moeten worden verworpen;
- Overwegende dat er grond is om toepassing te maken van artikel 19 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State; dat de cassatieberoepen worden verworpen, BESLUIT: XIV-30.010-11/12 Artikel
- De zaken nrs. A. 186.149/XIV-30.010 en A. 186.156/XIV-30.012 worden gevoegd. Artikel
- De beroepen worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, elk voor de helft. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zevenentwintig juni tweeduizend en acht, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-30.010-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.184.887 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.