id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 27 juni 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.184.888 Rolnummer: A. 185047/XIV-29792 Zaak: Arrest 184888 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 27/06/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-07-15 Raadplegingen: 66 - laatst gezien 2026-06-29 08:19 Fiche Arrest nr 184.888 van 27 juni 2008 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 184.888 van 27 juni in de zaak A. 185.047/XIV-29.
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat J. DE LIEN, kantoor houdende te 2018 ANTWERPEN, Broederminstraat 38 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Angolese nationaliteit, op 3 september 2007 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van 20 augustus 2007 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen waarbij haar de vluchtelingen- status en de subsidiaire beschermingsstatus worden geweigerd; Gelet op de beschikking nr. 1342 van 8 oktober 2007 waarbij het cassatieberoep toelaatbaar wordt verklaard; Gelet op artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur M. VAN LIMBERGEN, op grond van artikel 16 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting teneinde te worden gehoord van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 12 maart 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 4 juni 2008; XIV-29.792-1/19 Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat J. DE LIEN, die verschijnt voor de verzoekende partij en van Attaché K. MAES, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur R. VAN DEN EECKHOUT; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- XXX, van Angolese nationaliteit, komt op 30 januari 2006 België binnen en vraagt op 31 januari 2006 om de erkenning van de hoedanigheid van vluchteling. 1.
- Deze aanvraag wordt op 2 maart 2007 door de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen verworpen. 1.
- Verzoekster tekent tegen deze weigeringsbeslissing op 21 maart 2007 hoger beroep aan bij de (toenmalige) Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen (thans: Raad voor Vreemdelingenbetwistingen). 1.
- Op de zitting van 23 juli 2007 wordt verzoekster, bijgestaan door advocaat J. DE LIEN, gehoord. 1.
- Op 20 augustus 2007 neemt de Waarnemend Kamervoorzitter van de vierde Kamer van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de thans bestreden beslissing, waarbij aan verzoekster de vluchtelingenstatus en de subsidiaire beschermingsstatus worden geweigerd. Deze beslissing is als volgt gemotiveerd : XIV-29.792-2/19 “1.
- Verzoekster werpt ter terechtzitting op dat niet is aangetoond dat de attaché, die ter terechtzitting verschijnt om de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen te vertegenwoordigen, door deze gemachtigd is. 1.
- De Raad stelt vast dat de naam van de heer Michel HUYGHE, die ter terechtzitting voor de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen verschijnt, voorkomt op de lijst die de Commissaris-generaal bij brief van 31 mei 2007 heeft overgezonden aan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen en waarbij hij de namen vermeldt van de attachés die door hem gemachtigd werden om hem te vertegenwoordi- gen bij de Raad. Het bezwaar is derhalve niet dienstig. 2.1.1.
- In een eerste middel voert verzoekster een schending aan van de motiverings- plicht, bepaald in artikel 62 van de voormelde wet van 15 december 1980 en in artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurs- handelingen. Zij stelt dat de motivering zowel manifest foutief als niet afdoende is. 2.1.1.
- De motiveringsplicht, zoals vervat in artikel 62 van de voormelde wet van 15 december 1980 en in de voormelde wet van 29 juli 1991, moet verzoekster toelaten de redenen te begrijpen die aan de basis liggen van de genomen beslissing. Uit het verzoekschrift blijkt dat verzoekster de motieven van de bestreden beslissing kent, zodat het doel van de motiveringsplicht in casu is bereikt. 2.1.2.
- In de bestreden beslissing wordt vooreerst als volgt gemotiveerd: “U vertelde tijdens het gehoor bij de Dienst Vreemdelingenzaken dat uw huwelijk plaats vond in het huis van (M.) in Mabor (zie verhoorverslag Dienst Vreemdelingenzaken, dd. 1 en 8 juni 2006, punt 42). Zowel tijdens het gehoor in dringend beroep als tijdens het gehoor ten gronde op het Commissariaat-generaal zei u echter dat uw huwelijk plaatsvond in het huis van uw oom en dat u pas daarna naar het huis van (M.) gebracht werd (zie verhoorverslag CGVS d b, p. 7 en verhoorverslag CGVS t g, p.6). Tijdens het gehoor in dringend beroep op het Commissariaat-generaal zei u dat u bij de Dienst Vreemdelingenzaken eveneens gezegd had dat het huwelijksfeest in het huis van uw oom gehouden werd (zie verhoorverslag CGVS d b, p.7). U zei tijdens het gehoor in dringend beroep op het Commissariaat-generaal dat het huis van (M.) zich in de zone 18 in Mabor bevond (zie verhoorverslag CGVS d b, p.7). Tijdens het gehoor ten gronde op het Commissariaat-generaal beweerde u echter dat het huis van (M.) zich in de zone 16 situeerde (zie verhoorverslag CGVS t g, p.7). Tijdens het gehoor in dringend beroep op het Commissariaat-generaal vertelde u dat de vader van uw man João Antonio heette (zie verhoorverslag Commissariaat-generaal in dringend beroep, dd. 11 september 2006, hierna CGVS d b, p.4) terwijl u tijdens het gehoor ten gronde op het Commissari- aatgeneraal zei dat de vader van uw echtgenoot João Pedro heette (zie verhoorverslag Commissariaat-generaal ten gronde, dd. 7 november 2006, hierna CGVS t g, p.4). Aanvankelijk verklaarde u dat (M.) met zijn twee andere vrouwen zeven zonen had (zie verhoorverslag CGVS d b, p.3). Later tijdens het gehoor ten gronde op het Commissariaat-generaal vertelde u echter dat uw man met zijn twee andere vrouwen slechts vijf kinderen had waarvan drie jongens en twee meisjes (zie verhoorverslag CGVS t g, p.4). U zei tijdens het gehoor in dringend beroep op het Commissariaat- generaal dat uw echtgenoot in Cazenga werkte (zie verhoorverslag CGVS d b, p.4). Tijdens het interview ten gronde op het Commissariaat-generaal vertelde u echter dat hij in Mutamba, Baixa werkte (zie verhoorverslag CGVS t g, pp.4-5). Toen u met deze incoherente verklaring geconfronteerd werd tijdens het gehoor ten gronde antwoordde u enkel dat u in Cazenga woonde (zie verhoorverslag CGVS t g, p.5). U vertelde bovendien tijdens het gehoor in dringend beroep op het Commissariaat-generaal dat uw man één keer om de drie maanden naar Malanje ging voor twee of drie weken en soms zelfs voor een maand (zie verhoorverslag CGVS d b, p.4). Tijdens het gehoor ten gronde op het Commissariaat-generaal vertelde u daarentegen dat uw echtgenoot maandelijks naar Malanje reisde (zie verhoorverslag CGVS t g, p.5). Toen uw aandacht tijdens het gehoor ten gronde op het Commissariaat-generaal op deze tegenstrijdige verklaring gevestigd werd hield u staande dat het niet mogelijk was dat uw man maar om de drie maanden naar Malanje ging omdat hij maandelijks zijn werknemers moest XIV-29.792-3/19 gaan betalen (zie verhoorverslag CGVS t g, p.5). Deze verklaring doet echter geen afbreuk aan het feit dat uit het administratieve dossier blijkt dat u wel degelijk tegenstrijdige verklaringen aflegde hieromtrent.” 2.1.2.1.
- Verzoekster voert aan dat het huwelijk plaatsvond in het huis van (M.) maar dat op het Commissariaat-generaal gevraagd werd waar het huwelijksfeest plaatsgreep, zodat het geen tegenstrijdige verklaring betreft. 2.1.2.1.
- Verweerder werpt terecht tegen dat “er wel degelijk tegenstrijdige verklaring- en werden afgelegd die hun grondslag vinden in het administratief dossier. Verzoekster verklaarde ten aanzien van de Dienst Vreemdelingenzaken (DVZ) expliciet dat op 10/07/2004 het huwelijk plaatsvond in het huis van (M.) (gehoorverslag DVZ, p.14) terwijl ze op het Commissariaat-generaal verklaarde dat in het huis van haar oom het huwelijk was en dat ze daarna naar het huis van papa (M.) gingen (gehoorverslag CGVS, TG, p.6). Hieruit kan dus geenszins worden afgeleid dat het huwelijk bij (M.) zou hebben plaatsgehad, maar dat het huwelijksfeest bij haar oom zou hebben plaatsgehad, zoals verzoekster nu in het verzoekschrift aanvoert. Bovendien benadrukt verweerder dat verzoekster reeds in dringend beroep werd geconfronteerd met het feit dat ze bij DVZ had gezegd dat het huwelijk plaatsvond in het huis van papa (M.). Bij confrontatie hiermee verklaarde verzoekster op het gehoor dat dit niet klopt, dat ze op DVZ wel degelijk zei in het huis van haar oom en dat ze pas nadien naar het huis van papa (M.) gingen en dat de tolk misschien niet goed oplette. (gehoorverslag CGVS, DB, p.7). Deze uitleg van de tegenstrijdigheid die verzoekster tijdens het gehoor gaf staat gewoonweg haaks op de verklaring van de tegenstrijd die verzoekster nu aanvoert in haar verzoekschrift. Tijdens het gehoor in dringend beroep betwiste verzoekster immers dat ze op de Dienst Vreemdelingenzaken zou hebben gezegd dat het huwelijk in het huis van (M.) plaatshad om nu in haar verzoekschrift opnieuw aan te geven dat het huwelijk plaatsvond in het huis van (M.), maar dat het feest bij haar oom plaatshad. De verwarring die verzoekster nu poogt te zaaien door een onderscheid te gaan maken tussen het huwelijk en het huwelijksfeest kan dus de vastgestelde tegenstrijd(igheid) niet weerleggen, wel integendeel. Volledigheidshalve merkt verweerder op dat verzoekster tijdens haar gehoren nooit heeft aangegeven dat het huwelijk zelf en het huwelijksfeest op verschillende locaties zou hebben plaatsgehad en verweerder wijst er op dat verzoeker dit onderscheid reeds had kunnen aanhalen tijdens haar gehoor in dringend ter verklaring van de tegenstrijdigheid in plaats van aan te geven dat het niet klopt dat het huwelijk plaatsvond in het huis van (M.).” 2.1.2.2.
- Verzoekster werpt op, aangaande de locatie van het huis van (M.), dat uit de vraagstelling niet afgeleid kon worden of zijn huis, dan wel het huis van haar oom bedoeld werd. De contradictie vindt bovendien geen steun in het administratief dossier. 2.1.2.2.
- Verweerder repliceert terecht dat “…dit argument van verzoekster geen steek houdt, uit de vraagstelling en de context blijkt immers overduidelijk dat er werd gevraagd naar de locatie van het huis van (M.). Verzoekster verklaarde dat ze naar het huis van papa (M.) werd gebracht in Mabor en werd onmiddellijk hierop gevraagd naar waar in Mabor. Dat deze vraagstelling onduidelijk zou zijn of dat verzoekster zou kunnen hebben geïnterpreteerd dat er naar de locatie van het huis van haar oom werd gevraagd is niet aannemelijk. Verweerder volhardt in het motief van de bestreden beslissing, namelijk dat ze tijdens haar gehoor in dringend beroep verklaarde dat huis van (M.) zich in de zone 18 bevindt (gehoorverslag DB, p.7), terwijl ze tijdens het gehoor ten gronde verklaarde dat het huis van (M.) zich in de zone 16 situeerde (gehoorverslag CGVS, p.7). Verzoekster werd bovendien geconfronteerd met de tegenstrijdigheid en kon enkel haar verklaringen die ze aflegde ten gronde herbevesti- gen zonder de tegenstrijdigheid te kunnen verklaren.” 2.1.2.3.
- Verzoekster weerlegt de tegenstrijdige verklaringen aangaande het aantal kinderen van haar man door het feit dat zij die kinderen nooit gezien heeft en dat zij nooit met haar echtgenoot communiceerde. Er werd geen rekening gehouden met de zeer jonge leeftijd van verzoekster op het ogenblik van het huwelijk. XIV-29.792-4/19 2.1.2.3.
- De Raad stelt vast dat verzoekster simpelweg had kunnen aangeven dat zij niet wist hoeveel kinderen (M.) had, in de plaats van hieromtrent dusdanig tegenstrijdi- ge verklaringen af te leggen. 2.1.2.4.
- Betreffende de werkplaats van haar man werpt verzoekster op dat de interviewster niets wist over de stad Luanda, die is opgedeeld in twee verschillende delen, Baixa en Cidadealta. Dit verklaart de verwarring, de Commissaris-generaal heeft nagelaten de plaats Baixa te lokaliseren. 2.1.2.4.
- Verweerder stelt terecht dat “verzoekster tijdens het gehoor in dringend beroep verklaarde dat haar echtgenoot in Cazenga werkte (gehoorverslag CGVS, DB, p.4) terwijl ze tijdens het gehoor ten gronde verklaarde dat hij in Mutamba Baixa werkte. Verweerder ziet niet in hoe deze tegenstrijdigheid kan verklaard worden louter door te stellen dat de stad Luanda is opgedeeld in twee delen. Verweerder wijst er op dat Cazenga niet hetzelfde is, of geen deel is van Mutamba Baixa waardoor de vastgestelde tegenstrijd(igheid) niet wordt weerlegd. Verweerder benadrukt verder dat verzoekster met de tegenstrijdigheid tijdens het gehoor ten gronde werd geconfronteerd en dat ze toen ontkende dat haar man in Cazenga werkte en louter verklaarde dat ze zelf in Cazenga woonde (gehoorverslag CGVS, p.5). De tegenstrijdigheid pogen te verklaren door te beweren dat de interviewster niets weet over de stad Luanda is dan ook niet ernstig.” 2.1.2.5.
- De vastgestelde tegenstrijdigheid aangaande het aantal keer dat verzoeksters man naar Malanje ging is volgens verzoekster te wijten aan de dubbele betekenis van het Portugese woord “frequentemente”. Er werden in de verschillende gehoren verschillende vragen gesteld, zodat verschillende antwoorden geen tegenstrijdigheid vormen. 2.1.2.5.
- Verweerder werpt terecht tegen dat verzoekster de “vastgestelde tegenstrijdig- heid niet kan verklaren door te wijzen op de meervoudige betekenis van het woord “frequentemente”. Verzoekster werd tijdens haar gehoor ten gronde immers geconfron- teerd met de tegenstrijdigheid en verklaarde toen dat het niet mogelijk was dat hij slechts om de drie maanden in Malanje ging omdat hij maandelijks zijn werknemers diende te betalen (gehoorverslag CGVS, TG, p.5). De verklaring van verzoekster voor de tegenstrijdigheid in het verzoekschrift houdt bijgevolg geen steek en bovendien is dit wederom een nieuwe verklaring van verzoekster die geen steun vindt in het administratieve dossier.” 2.1.3.
- In de bestreden beslissing wordt verder als volgt gemotiveerd: “U was niet in staat te zeggen van waar in de provincie Malanje (M.) precies afkomstig was (zie verhoorverslag CGVS d b, p.3 en verhoorverslag CGVS t g, p.2). Nochtans vertelde u dat hij van hetzelfde dorp afkomstig was als uw oom bij wie u opgroeide (zie verhoorverslag CGVS d b, p.3). U kon niet zeggen tot welke etnie uw man behoorde (zie verhoorverslag CGVS d b, p.3 en verhoorverslag CGVS t g, p.2). U wist niet hoeveel familie en wie precies uw man nog in Malanje had (zie verhoorverslag CGVS d b, p.4 en verhoorverslag CGVS t g, p.4). U zei niet te weten hoe de moeder van uw man heette (zie verhoorverslag CGVS d b, p.4 en verhoorverslag CGVS t g, p.4). U was niet in staat te zeggen waar en bij wie uw echtgenoot logeerde telkens hij naar Malanje reisde (zie verhoorverslag CGVS t g, p.6). Daar u vanaf de dag van uw huwelijk op 10 juli 2004 tot de dag dat u het land verliet op 29 januari 2006 samenwoonde met (M.) G. als zijn vrouw, mag aangenomen worden dat u toch een duidelijk en coherent antwoord zou kunnen verschaffen op bepaalde vragen met betrekking tot uw huwelijk en met betrekking tot de persoon van uw echtgenoot. Dit was duidelijk niet het geval.” 2.1.3.1.
- Verzoekster voert aan dat het onjuist is dat zij haar echtgenoot niet zou kennen. Er werd geen rekening gehouden met tal van zaken die zij wel over hem wist. Zij herhaalt dat zij nauwelijks met haar echtgenoot communiceerde. Het feit dat zij een aantal vragen niet kon beantwoorden kan niet leiden tot de ongeloofwaardigheid van haar asielrelaas. 2.1.3.1.
- Uit de verschillende gehoren blijkt dat verzoekster elementaire kennis aangaande haar vermeende echtgenoot, zoals onder andere zijn etnie, ontbeert. De gestelde vragen vereisen allerminst een doorgedreven kennis. Het betreft eenvoudige XIV-29.792-5/19 kennisvragen waarvan men redelijkerwijs kan verwachten van iemand die beweert gedurende anderhalf jaar gehuwd te zijn geweest het antwoord weet. Noch haar verklaring dat zij zeer weinig communiceerde met haar man, noch de stelling dat geen rekening werd gehouden met haar jeugdige leeftijd, doen afbreuk aan deze vaststelling. Het is niet zo dat elk onjuist antwoord op een kennisvraag op zich leidt tot de ongeloofwaardigheid van verzoeksters relaas, maar wel de totaliteit van onwetendheden en onvolledigheden. Verzoekster tracht de vaststellingen te weerleggen, stellende dat er veel zaken waren die zij wel wist, zoals zijn leeftijd, waar hij woonde en werkte, uit welke provincie hij afkomstig was,… Eerder bleek echter dat zij aangaande de woon- en werkplaats tegenstrijdige verklaringen aflegde. Deze evident ontoereikende kennis ondermijnt verder de geloofwaardigheid van het asielrelaas. 2.1.4.
- De bewijslast inzake de gegrondheid van een asielaanvraag rust in beginsel op de asielzoeker zelf. Zoals iedere burger die om een erkenning vraagt, moet ook hij aantonen dat zijn aanvraag gerechtvaardigd is. Hij moet een poging ondernemen om het relaas te staven en hij moet de waarheid vertellen (R.v.St., X, nr. 163.124, 4 oktober 2006; UNHCR, Guide des procédures et critères à appliquer pour déterminer le statut de réfugié, Genève, 1992, nr. 205). Zijn verklaringen kunnen een voldoende bewijs zijn van zijn hoedanigheid van vluchteling op voorwaarde dat ze mogelijk, geloofwaardig en eerlijk zijn (J. HATHAWAY, The Law of Refugee Status, Butterworths, Toronto- Vancouver, 1991, 84). De afgelegde verklaringen mogen niet in strijd zijn met algemeen bekende feiten. In het relaas mogen geen hiaten, vaagheden, ongerijmde wendingen en tegenstrijdigheden op het niveau van de relevante bijzonderheden voorkomen. Het voordeel van de twijfel kan slechts worden toegestaan als alle elementen werden onderzocht en men overtuigd is van de geloofwaardigheid van de afgelegde verklaringen (UNHCR, a.w., nr. 204). 2.1.4.
- Verzoekster slaagt er niet in een aannemelijke verklaring te geven voor de vastgestelde tegenstrijdigheden en onwetendheden. De Raad maakt de kwestieuze motivering tot de hare en beschouwt deze als zijnde hier hernomen. Het eerste middel is ongegrond. 2.2.
- In een tweede middel voert verzoekster de schending aan van artikel 1 van het Verdrag van Genève van 28 juli 1951 betreffende de status van vluchteling en van de artikelen 48/3 en 48/4 van voormelde wet van 15 december
- 2.2.
- Betreffende de vermeende schending van artikel 1 van voormeld verdrag en van artikel 48/3 van voormelde wet van 15 december 1980 geeft verzoekster een theoretische uiteenzetting over de evaluatie van het risico en de objectivering van de gegrondheid van de vrees. Zij stelt verder dat zij, als lid van een sociale groep blootgesteld wordt aan ”aan bruidschat gerelateerd geweld” en bijgevolg recht heeft op de bescherming van het verdrag, vermits zij niet de nodige bescherming kan genieten van de nationale overheid. Zij meent ook dat de bewijslast genuanceerd dient te worden en zelfs vervalt indien zij een waarheidsgetrouwe verklaring aflegt van de feiten die zich hebben afgespeeld. Zij geniet van het voordeel van de twijfel. 2.2.
- Verzoekster werd het statuut van vluchteling geweigerd wegens de bevinding dat haar verhaal ongeloofwaardig is. Te dezen herhaalt de Raad dat verzoeksters relaas ongeloofwaardig is. Uit het feitenrelaas blijkt dat verzoekster niet halsoverkop wegvluchtte, maar wel de tijd had om sleutels bij te maken en haar vertrek voor te bereiden. Desondanks legt zij geen begin van bewijs, noch van haar huwelijk, noch van haar identiteit of reisweg, voor. Zij geeft niet aan dat zij ernstige en volhardende pogingen heeft ondernomen om deze te bemachtigen. Ook dit is een negatieve indicatie voor de geloofwaardigheid van haar relaas. Algemene informatie over intra familiaal geweld of over de beoordeling van het risico vermag niet bovenstaande vaststellingen te weerleggen. 2.2.
- Betreffende de vermeende schending van artikel 48/4 van voormelde wet van 15 december 1980, brengt verzoekster geen element aan waarom zij aanspraak zou kunnen maken op subsidiaire bescherming. De Raad stelt vast dat verzoeksters asielrelaas niet geloofwaardig is en dat haar verzoek tot toekenning van de subsidiaire beschermingsstatus op dezelfde elementen als haar asielrelaas is gesteund. Zij maakt XIV-29.792-6/19 aldus niet aannemelijk dat zij in geval van een terugkeer naar haar land van herkomst een reëel risico op ernstige schade zou lopen zoals bedoeld in artikel 48/4, § 2, van voormelde wet van 15 december
- 2.
- De bestreden beslissing is gesteund op pertinente gronden, die de Raad bevestigt en overneemt. Dienvolgens kan in hoofde van verzoekster geen vrees voor vervolging in de zin van artikel 1, A
(2), van het Verdrag van Genève van 28 juli 1951 in aanmerking worden genomen, noch kan haar de subsidiaire beschermingsstatus worden toegekend. OM DIE REDENEN BESLUIT DE RAAD VOOR VREEMDELINGENBETWIS- TINGEN: Artikel 1 De vluchtelingenstatus wordt aan de verzoekende partij geweigerd. Artikel 2 De subsidiaire beschermingsstatus wordt aan de verzoekende partij geweigerd.”.
- Over de gegrondheid van het beroep. 2.1.
- Overwegende dat verzoekster als eerste middel aanvoert: “EERSTE MIDDEL: Schending van artikel 39/56 van de Vreemdelingenwet. Schending van artikel 39/59 van de Vreemdelingenwet. Schending van art. 3 van het Koninklijk besluit houdende de rechtspleging voor de Raad voor Vreemdelingenbetwis- tingen. Art. 39/56 van de Vreemdelingenwet luidt als volgt: “Art. 39/
- De beroepen bedoeld in artikel 39/2 kunnen voor de Raad worden gebracht door de vreemdeling die doet blijken van een benadeling of van een belang. De Minister of diens gemachtigde kan een beroep instellen tegen een beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, die hij strijdig acht met de wet of met de koninklijke besluiten die ermee in verband staan. De partijen mogen zich laten vertegenwoordigen of bijstaan door advocaten die ingeschreven zijn op de tabel van de Orde der Advocaten of op de lijst van de stagiairs, alsook, volgens de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek, door de onderdanen van een lidstaat van de Europese Unie die gerechtigd zijn om het beroep van advocaat uit te oefenen. Onverminderd deze mogelijkheid, wordt bij een beroep tegen een beslissing von de Commissaris-Generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen, deze partij vertegen- woordigd door de Commissaris-Generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen, door een van de adjuncten of door een door de Commissaris-Generaal aangewezen gemachtigde." Op de zitting was de Commissaris-Generaal voor de Vluchtelingen en Staatlozen in casu beweerdelijk vertegenwoordigd door attaché Michel HUYGHE. Uit geen enkel stuk uit het administratief dossier blijkt dat Michel HUYGHE een aangewezen gemachtigde van de Commissaris-Generaal voor de Vluchtelingen en Staatlozen zou zijn. Dat de raadsman van verzoekster tijdens de zitting van 23 juli uitdrukkelijk heeft gesteld dat het Commissariaat-Generaal voor de Vluchtelingen en Staatlozen niet geldig vertegenwoordigd was en uitdrukkelijk verzocht aan de voorzitter de machtiging van de vertegenwoordiger te onderzoeken. Dat de beweerde gemachtigde hierop repliceerde dat er een brief zou zijn van de Commissaris Generaal waaruit zijn machtiging zou blijken. Dat hij niet in het bezit was van deze brief en zelfs niet wist wanneer deze brief zou zijn verstuurd. XIV-29.792-7/19 Dat verzoekster van mening is dat elkeen die beweert gemachtigd te zijn door de Commissaris Generaal voor de Vluchtelingen en verschijnt voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen hiervan bewijs dient te leveren op de zitting zelf. Ondergeschikt meent verzoekster dat de een dergelijke machtiging een procedurestuk betreft dat in elk dossier dient te worden bijgevoegd zodat het derhalve controleerbaar is. Dat de verwijzing in het bestreden arrest naar een brief van 31.05.2007 van de Commissaris Generaal nutteloos is. De raadsman van verzoeker heeft geen kennis kunnen krijgen van deze brief voor de zitting, noch op de zitting van 23 juli
- Dat het stuk derhalve uit de debatten had geweerd moeten worden. Dat de raadsman van verzoeker de brief van 31.05.2007 nadien heeft ingezien en blijkt dat het stuk niet per aangetekend schrijven werd verstuurd. Dat eveneens om deze reden het stuk uit de debatten had moet worden geweerd. Het KB Procedurereglement (art. 3 van het Koninklijk besluit houdende de rechtsple- ging voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen) stelt duidelijk dat alle procedure- stukken per aangetekend schrijven verstuurd moeten worden aan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Dat dit niet blijkt uit de brief van 31.05.
- Dat minstens hiervan geen enkel bewijs voorligt in het dossier. Dat voor de volledigheid verzoekster opnieuw benadrukt dat dit stuk niet aan hoor werd gemeld laat staan overgemaakt en derhalve ook geen vaste datum werd verkregen van het stuk op een onder wijze. Dat zelfs niet kan worden nagegaan of het stuk zich op de griffie bevond op de datum van de zitting. Dat derhalve geen machtiging kan worden aangetoond. Dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen derhalve toepassing had moeten maken van art. 39/59 § 2 Dat art. 39/59 §2 als volgt luidt: “§
- Alle partijen verschijnen ter terechtzitting of zijn er vertegenwoordigd. Wanneer de verzoekende partij noch verschijnt noch vertegenwoordigd is, wordt het beroep verworpen. De andere partijen die niet zijn verschenen of niet vertegenwoordigd zijn, worden geacht in te stemmen met de vordering of het beroep. In elke kennisgeving van een beschikking tot vaststelling van de rechtsdag wordt melding gemaakt van deze paragraaf.". Derhalve had de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen moeten vaststellen dat de Commissaris Generaal voor de Vluchtelingen en Staatlozen niet geldig was vertegen- woordigd en dat art. 39/59 volle uitwerking diende te krijgen met name dat er ingestemd werd met de vordering. Dat dit middel uiteraard leidt tot cassatie van de bestreden beslissing.”; 2.1.
- Overwegende dat de verwerende partij antwoordt: “2.1 In een eerste middel beroept verzoekster zich op een schending van de artikelen 39/56 en 39/59 van de Vreemdelingenwet en van artikel 3 van het Koninklijk Besluit houdende de rechtspleging voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. 2.1.1 Verzoekster werpt in haar verzoekschrift op dat uit geen enkel stuk uit het administratief dossier blijkt dat attaché Michel HUYGHE, die de Commissaris-generaal op de zitting van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen vertegenwoordigde, een aangewezen gemachtigde van de Commissaris-generaal is en dat deze beweerde gemachtigde ook op de zitting zelf hiervan geen bewijs kon leveren. De verwijzing in het bestreden arrest naar een brief van 31 mei 2007 van de Commissaris-generaal is volgens verzoekster nutteloos aangezien zij voor ontvangst van het arrest nooit kennis heeft gekregen van deze brief en blijkt dat dit procedurestuk niet per aangetekend schrijven verstuurd werd. XIV-29.792-8/19 2.1.2 Verweerder stelt samen met de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen vooreerst vast dat de naam van de heer Michel HUYGHE, die ter terechtzitting voor de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen is verschenen, voorkomt op de lijst die de Commissaris-generaal bij brief van 31 mei 2007 heeft overgemaakt aan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen en waarbij hij de namen vermeldt van de attachés die door hem gemachtigd werden om hem te vertegenwoordigen bij de Raad. 2.1.3 Hierbij aansluitend verwijst verweerder naar rechtspraak van de Raad van State waarin gesteld wordt dat verzoekster aanvoert dat de “gemachtigde ambtenaar” op geen enkel ogenblik in de procedure van zijn zogeheten ‘volmacht’ heeft doen blijken, dat verzoekster echter niet aantoont dat de betrokken gemachtigde ambtenaar niet over de vereiste volmacht beschikt en dat de loutere bewering niet volstaat (Raad van State, X, 19 maart 2004, nr. 129.464 en 129.470). In casu stelt verwerende partij eveneens vast dat verzoekster helemaal niet heeft aangetoond dat voornoemde attaché geen volmacht heeft om de Commissaris-generaal te vertegenwoordigen voor de Raad en uit voornoemde brief blijkt duidelijk dat verzoekster dit ook niet zal kunnen aantonen, wel integendeel. Het eerste middel is niet gegrond.”; 2.1.
- Overwegende dat verzoekster repliceert: “Dat het Commissariaat-Generaal voor de Vluchtelingen en Staatlozen hierop repliceert door te stellen dat verzoekster niet zou aantonen dat hij niet gemachtigd is. Verzoekster herhaalt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zich beroept op een stuk dat zich buiten het dossier bevindt, stuk dat niet conform de procedureregels (althans verwerende partij brengt hiervan tot op heden geen bewijs van voor) werd neergelegd hoewel het wel degelijk een processtuk is. Dat de Raad voor Vreemdeling- enbetwistingen zelf aangeeft de machtiging te moeten onderzoeken daar ze zelf verwijst naar de brief van 31 mei
- Dat wanneer derhalve het Commissariaat-Generaal voor de Vluchtelingen en Staatlozen stelt dat de loutere bewering van niet machtiging niet volstaat, dit een overweging is welke de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen had moeten maken en derhalve het Commissariaat-Generaal voor de Vluchtelingen en Staatlozen zelf aangeeft dat de motivering van het arrest foutief is. Dat dit middel uiteraard leidt tot cassatie van de bestreden beslissing.”; 2.1.
- Overwegende dat artikel 39/56 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) bepaalt dat de partijen zich voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen mogen laten vertegenwoordigen of bijstaan door advocaten die ingeschreven zijn op de tabel van de Orde der Advocaten of op de lijst van de stagiairs alsook door de onderdanen van een lidstaat van de Europese Unie die gerechtigd zijn om het beroep van advocaat uit te oefenen, en dat bij een beroep tegen een beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, deze partij vertegenwoordigd wordt door de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, door een van de adjuncten of door een door de Commissaris-generaal aangewezen gemachtigde; dat uit de bestreden beslissing blijkt dat de naam van Michel HUYGHE, die in casu ter terechtzit- ting van 23 juli 2007 voor de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen XIV-29.792-9/19 verscheen, “voorkomt op de lijst die de Commissaris-generaal bij brief van 31 mei 2007 heeft overgezonden aan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen en waarbij hij de namen vermeldt van de attachés die door hem gemachtigd werden om hem te vertegenwoordigen bij de Raad”; dat deze brief luidt als volgt: “(...) Brussel, 31 mei 2007 Mijnheer de Eerste Voorzitter, In een brief van 22 januari 2007 gaf ik u een overzicht van attachés die ik machtigde om op te treden voor de Nederlandstalige kamers van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen. Ik hecht eraan u op de hoogte te brengen dat ik diezelfde medewerkers machtig om mij te vertegenwoordigen bij de Nederlandstalige kamers van de Raad voor Vreemdeling- enbetwistingen. Verder geeft ik hen volmacht om akten van rechtspleging op te maken en te ondertekenen voor de Commissaris-generaal in procedures bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen aanhangig. Ter herinnering vindt u hieronder de lijst met namen van desbetreffende attachés, aangevuld met de namen van attachés die recentelijk werden gemachtigd om mijn te vertegenwoordigen voor uw Raad. Eva VISSERS Lies VANDERVOORT Bob BEERENS Ben BETTENS Sara BOTTU Bart COLMAN Laurence DECROOS Griet DESNYDER Elisabeth DEWIL Benny DIERICKX Sophie DUPONT Liesbet EECKHAUT Kristine GOOSSENS Gunter HABETS Dries HANOULLE Veerle HEIREMANS Michel HUYGHE Hilde JONCKHEERE Ruth LARNO Eef MAES Katleen MAES Ilse SNEYERS Peter VAN COSTENOBLE Brigitte VANDENHAUTE Agnes VAN DE VOORDE Pablo VERBEKE Franky VEREEKEN Joris VERSTRAETEN (...).”; “(...) Brussel, 18 januari 2007 Mijnheer de Eerste Voorzitter, XIV-29.792-10/19 Ik hecht eraan u op de hoogte te brengen dat ik de volgende medewerkers opdraag mij te vertegenwoordigen bij de Nederlandstalige kamers van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen. Verder geeft ik hen volmacht om akten van rechtspleging op te maken en te ondertekenen voor de commissaris-generaal in procedures bij de Vaste Beroepscommissie aanhangig. Als bijlage vindt u eveneens de lijst van personen die momenteel in de Juridische Dienst Nederlandstalig werkzaam zijn met hun telefoonnummer, alsook een herinnering aan het GSM-nummer waarop onze wachtdienst te bereiken is tijdens avonden en weekends (telefonische oproep en faxnummers). Eva VISSERS (verantwoordelijke juridische dienst Nederlandstalig): (...) Lies VANDERVOORT: (...) Bob BEERENS: (...) Ben BETTENS: (...) Sara BOTTU: (...) Bart COLMAN: (...) Laurence DECROOS: (...) Griet DESNYDER: (...) Elisabeth DEWIL: (...) Benny DIERICKX: (...) Sophie DUPONT: (...) Kristine GOOSSENS: (...) Gunter HABETS: (...) Dries HANOULLE: (...) Veerle HEIREMANS: (...) Michel HUYGHE: (...) Ruth LARNO: (...) Katleen MAES: (...) Ilse SNEYERS: (...) Peter VAN COSTENOBLE: (...) Brigitte VANDENHAUTE: (...) Pablo VERBEKE: (...) Franky VEREEKEN: (...) Joris VERSTRAETEN: (...) (...).”; dat artikel 39/56 van de Vreemdelingenwet niet voorschrijft dat deze brief van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, waarin hij de namen opgeeft van de attachés die hij machtigt hem te vertegenwoordigen voor de Raad voor Vreemdeling- enbetwistingen en die - in tegenstelling tot hetgeen verzoeker voorhoudt - geen “procedure- stuk” is, (al dan niet ter zitting) aan de verzoekende partij dient te worden voorgelegd, laat staan dat zulks op straffe van nietigheid van de bestreden beslissing moet gebeuren; dat, aangezien de vertegenwoordiger van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen op de zitting van 23 juli 2007 over de wettelijke vertegenwoordigingsbevoegdheid beschikte om in rechte op te treden voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen namens de tegenpartij, de schending van artikel 39/59, § 2, van de Vreemdelingenwet niet wordt dienstig aangevoerd; dat het eerste middel niet gegrond is; 2.2.
- Overwegende dat verzoekster als tweede middel aanvoert: XIV-29.792-11/19 “TWEEDE MIDDEL: Schending van artikel 47 van het handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Schending van de principes van het EU procesrecht. Verzoekster betoogt dat het beroep bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen geenszins voldoet aan de waarborgen zoals vastgesteld in bovenvermelde rechten. Verzoekster meent dat zij recht heeft op een beroep met volle rechtsmacht tegen een beslissing van het Commissariaat-Generaal voor de Vluchtelingen en Staatlozen. Verzoekster meent dat zij conform bovenvermelde principes recht heeft op een onderzoek van de feiten door het jurisdictioneel orgaan dat haar beroep behandelt en dit omwille van het feit dat de natuur van een asielaanvraag een actuele beoordeling dient in te houden van zijn asielaanvraag op het moment van de finale beslissing. Dat dit recht beperkt wordt gezien verzoekster na het indienen van onderhavig beroep geen nieuwe stukken kan aanbrengen en geen geactualiseerde memorie/conclusie kan bijbrengen. Dat geenszins sprake kan zijn van een jurisdictioneel orgaan dat volle rechtsmacht heeft. Verzoekster zal aantonen dat de principes van art. 6 EVRM thans direct van toepassing zijn. Verzoekster zal verder aantonen dat ook art. 47 van het handvest van de grondrechten van de Europese Unie van toepassing is. Verzoekster zal aantonen dat het begrip "volle rechtsmacht" een bijzondere betekenis heeft en dat de betekenis varieert van materie tot materie. Verzoekster zal tenslotte aantonen dat de waarborgen van het Europees procesrecht volledig afwezig zijn en dit ondanks het feit dat de ganse materie van asiel thans onder het Europees recht ressorteert.
- Wat betreft de toepassing van art. 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Zowel de Kwalificatierichtlijn (2004/83) als de Procedurerichtlijn verwijzen direct naar het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en dus ook naar art. 47 van het handvest. In juni 2006 citeerde het Europees Hof van Justitie het Charter derwijze dat het zijn rechtstreekse werking bevestigde. Het stelde dat de vermelding in de preambule in de richtlijn voldoende was om het Charter van toepassing te maken (...). Een Advocaat Generaal van het Europees Hof van Justitie stelde dat het Handvest de uitdrukking is van het hoogste niveau , van een democratisch gevestigde politiek consensus welke thans beschouwd moet worden als een catalogus van fundamentele rechten gewaarborgd in het Gemeenschapsrecht. Het handvest wordt geciteerd en toegepast in diverse materie zowel bij het Europees Hof van Justitie als bij nationale rechters. Dat ook het UNHCR deze visie is toegedaan. Dat verzoekster verwijst naar 'The European asyium procedures directive in Legal context.' Research Paper No.
- p. 20 ev. (www.unhcr.org) Dat de toepassing van art. 47 van het Handvest dan ook gewaarborgd dient te worden in alle zaken die de Europese Unie regelt waaronder het asielrecht. Dat art. 47 als volgt luidt: Recht op een doeltreffende voorziening in rechte en op een onpartijdig gerecht Eenieder wiens door het recht van de Unie gewaarborgde rechten en vrijheden zijn geschonden, heeft recht op een doeltreffende voorziening in rechte, met inachtneming van de in dit artikel gestelde voorwaarden. Eenieder heeft recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. Eenieder heeft de mogelijkheid zich te laten adviseren, verdedigen en vertegenwoordi- gen. Rechtsbijstand wordt verleend aan diegenen die niet over toereikende financiële middelen beschikken, voorzover die bijstand noodzakelijk is om de daadwerkelijke toegang tot de rechter te waarborgen. XIV-29.792-12/19 Dat de invulling van art. 47 gelijklopend is met de invulling van art. 6 EVRM met het verschil dat het toepassingsgebied zich uitstrekt niet alleen over burgerlijke en strafrechtelijke materies maar ALLE materies die het Europees recht regelt waaronder dus ook het asielrecht. Dat de tekst zowel art. 13 EVRM als art. 6 EVRM incorporeert. Dat de rechtspraak ivm art. 6 EVRM dan ook relevant is ter beoordeling van het feit of dat onderhavig beroep voldoet aan de voorwaarde zoals gesteld in het Europees Handvest. Dat evenwel art. 47 van het handvest geen vereiste stelt van burgerlijke of politieke rechten.
- Begrip “volle rechtsmacht”. Verzoekster stelt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen volle rechtsmacht dient te hebben en thans niet voldoet aan deze vereist. Verzoekster betoogt dat het principe dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen geen eigen onderzoek kan stellen in strijd is met het begriip "full jurisdiction” volle rechtsmacht zoals vastgelegd in het EVRM en dus indirect van toepassing via art. 47 van het Handvest (zie hierboven). 'Full jurisdiction' Van belang is om te beginnen dat artikel 6 lid 1 EVRM niet alleen toegang tot een rechter garandeert maar ook eisen stelt aan de rechterlijke toetsing van overheidsoptre- den. In het kader van een procedure moet op grond van vaste jurisprudentie ten minste één rechterlijke instantie met volledige rechtsmacht ('full jurisdiction') de betreffende besluiten kunnen controleren (...). De eis van 'full jurisdiction' houdt in dat de betreffende rechter de bevoegdheid moet hebben: 'to examine all questions of fact and law relevant to the dispute before it.’ (...) De rechter moet op grond van artikel 6 lid 1 EVRM dus alle voor het betreffende geschil relevante vragen van juridische en feitelijke aard kunnen onderzoeken. Het is belangrijk om expliciet te constateren dat er geen onderscheid wordt gemaakt tussen rechtsvragen en feitelijke vragen (...). Uit het voorgaande volgt dat de rechter om te voldoen aan de eisen van artikel 6 EVRM dus ook moet kunnen oordelen over de vaststelling van de feiten als deze relevant zijn in het geschil. Daarmee is van belang wat wordt bedoeld met 'facts relevant to the dispute'. Immers alleen met betrekking tot deze feiten geldt het vereiste van 'full jurisdiction'. Daarmee is de vraag aan de orde hoe intensief de rechter terzake moet kunnen toetsen. Uitgangspunt van de jurisprudentie van het EHRM lijkt te zijn dat de rechter een eigen oordeel over de feiten moet geven hetgeen impliceert dat hij de bestuurlijke feitenvast- stelling vol moet kunnen toetsen. Gewezen kan hier worden op de uitspraak van het EHRM in de zaak Terra Woningen t. Nederland. Daarin werd een schending van artikel 6 lid 1 EVRM aangenomen omdat de kantonrechter bij het vaststellen van een huurprijs niet zelfstandig wilde onderzoeken of er sprake was van bodemverontreini- ging (een factor bij het bepalen van de huurprijs) en het standpunt van Gedeputeerde Staten daarover zonder meer overnam. Dit ondanks het feit dat partijen van mening verschilden over de vraag of er inderdaad sprake was van bodemverontreiniging. Uit het voorgaande zou kunnen worden afgeleid dat een meer terughoudende - marginale toetsing van de feitenvaststelling nooit door de beugel zou kunnen, maar uit de zaak Bryan t. Verenigd Koninkrijk blijkt dat het EHRM onder bepaalde omstandig- heden daarmee wel genoegen neemt (...). Deze zaak betrof een handhavingsbesluit op grond waarvan de heer Bryan twee huizen moest slopen en bouwmateriaal moest verwijderen. Daartegen kwam hij vergeefs op bij het bestuursorgaan dat het besluit nam, waarna er beroep werd ingesteld bij de rechter. Door kon echter de juistheid van de vastgestelde feiten die de basis vormden van het besluit niet meer direct worden betwist. De rechter was alleen bevoegd ten aanzien van rechtsvragen en kon geen nader bewijs ontvangen. Wel had de rechter de bevoegdheid om te beoordelen of de procedure waarin de feiten waren vastgesteld rechtmatig was en of de feitenvaststelling 'perverse or irrational' was. XIV-29.792-13/19 Beperkingen van rechterlijke controle op de bestuurlijke feitenvaststelling bevinden zich dus 'in de gevarenzone van artikel 6 EVRM', maar zijn gelet op de zaak Bryan niet zonder meer ongeoorloofd. Voor dergelijke beperkingen moet wel een overtuigende rechtvaardigingsgrond bestaan, zoals de aard van het materiële rechtsgebied en de daaraan verbonden bestuurlijke vrijheid en het gespecialiseerde karakter van de feitenvaststelling. Daarbij is van belang dat de bestuurlijke feitenvaststelling in een met voldoende waarborgen omklede - quasirechterlijke gespecialiseerde administratieve voorprocedure heeft plaatsgevonden. Hieruit lijkt voort te vloeien dat het in dergelijke gevallen in het licht van artikel 6 EVRM ook mogelijk is grenzen te stellen aan het inbrengen van bepaald nieuw bewijsmateriaal in de rechterlijke procedure. Sommige bewijsmateriaal vergt immers een geheel nieuwe beoordeling door de rechter, iets waartoe hij echter juist niet in staat is gelet op, bijvoorbeeld, de daartoe vereiste specialisatie. De beperkingen van rechterlijke controle op de bestuurlijke feitenvaststelling mogen in ieder geval nooit zo ver gaan dat de rechter zich geheel verlaat op het oordeel van het bestuur. Dat zou immers feitelijk betekenen dat de betrokkene opdat punt geen toegang heeft tot de rechter. Er moet in het kader van de rechterlijke procedure een debat kunnen worden gevoerd over de juistheid van het bestuurlijke feitenoordeel en de wijze waarop dat tot stand is gekomen. Het geheel uitsluiten daarvan kan blijkens de jurisprudentie van het EHRM niet door de beugel. Gewezen kan worden op de al genoemde zaak Terra Woningen t. Nederland en op de meer recente zaak Chevrol t. Frankrijk 6 . Deze laatste zaak werd aan het EHRM voorgelegd nadat de Franse Raad van State (Conseil d'Etat) het beroep van verzoekster tegen de weigering haar Algerijnse artsexamen te erkennen had afgewezen. Daarbij heeft de Raad van State zijn eigen jurisprudentie gevolgd, waarbij hij, bij de beantwoording van de vraag of de betreffende verdragen toepasselijk waren, zich geheel heeft verlaten op het oordeel van een bestuursorgaan, ook waar dat de feitenvaststelling betrof. Het EHRM is daarover kritisch: ook al lijkt raadpleging van de minister door de Raad van State over de beoordeling van de voorwaarde van wederkerigheid bij de erkenning van diploma's noodzakelijk, door deze wijze van werken verplicht de Raad van State zich het oordeel te volgen van de minister, dat wij zeggen van een buiten de Raad staande en tot de uitvoerende macht behorende autoriteit, zonder het oordeel van die autoriteit aan kritiek of aan een contradictoir debat te onderwerpen. Het Hof is verder van oordeel dat met betrekking tot het inwinnen van het oordeel van de minister, dat bepalend zou zijn voor hetgeen in het geschil ter beslissing stond, voor appellante geen enkele voorziening openstond. Zij heeft geen enkele gelegenheid gekregen zich uit te spreken over het gebruik van het ministerieel oordeel, of over de formulering van de aan de minister gestelde vraag, of over de elementen van de beantwoording van die vraag. Appellante heeft aan de Raad van State verscheidene stukken overgelegd om aan te tonen dat de Algerijnse overheid de betreffende regelingen feitelijk wel degelijk toepaste. Deze stukken zijn zelfs niet onderzocht door de Raad, die derhalve niet heeft willen onderzoeken of zij een goede grondslag voor het betoog van appellante vormden. Aldus heeft de Raad zich gebonden geacht aan het oordeel van de minister, en zichzelf de bevoegdheid ontzegd om feitelijke gegevens die beslissend konden zijn voor het aan hem voorgelegde geschil in zijn beoordelingen te betrekken. Onder deze omstandighe- den kan volgens het EHRM niet worden gezegd dat appellante toegang heeft gehad tot een rechterlijke instantie die een toereikende bevoegdheid had, dan wel erkende dat zij een dergelijke bevoegdheid had, om zich te buigen over alle feitelijke en juridische kwesties die relevant waren om het geschil te beoordelen. Toegepast op de beroepsprocedure bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, meent verzoekster dat deze procedure geenszins voldoet. Dat de Raad voor Vreemdelingenbe- twistingen ambtshalve dient over te gaan tot een onderzoek van alle feiten relevant voor deze zaak. Meer bepaald dient zij zich ervan te vergewissen dat verzoekster geen enkel risico op een mensonterende behandeling zal ondergaan wanneer zij terug zou keren naar Iran. XIV-29.792-14/19
- Schendingen van art. 47 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie 3.
- Prejudiciële vraag. Dat verzoekster verzoekt aan de Raad van State een prejudiciële vraag te stellen aan het Europees Hof van Justitie die als volgt luidt: “Dienen de lidstaten te voorzien in een beroep bij een administratief rechtscollege met volle rechtsmacht inzake de materie van de Kwalificatierichtlijn 2004/83 en volstaat een mogelijkheid tot terugwijzing naar de initiële administratieve overheid om te kunnen spreken van volle rechtsmacht of dienen deze administratieve rechtscolleges over een eigen onderzoeksbevoegdheid te beschikken die hen toelaat tot op de dag van de eindbeslissing onderzoek te verrichten naar alle relevante feiten die nuttig zijn om de zaak te beoordelen". Dat de vraag relevant is in die zin dat indien beide onderdelen bevestigend beantwoord worden de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen ambtshalve diende over te gaan tot een onderzoek van alle aspecten van de asielaanvraag ook andere feiten die vermeld worden buiten het administratief dossier vergelijkbaar met de onderzoeksbevoegdheid van de Vaste Beroepscommissie voor Vluchtelingen. Dat deze onderzoeksbevoegdheid de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen toelaat verzoekster opnieuw te ondervragen en te komen tot een tegensprekelijke feitenvinding. 3.
- Motivering van de bestreden beslissing Verzoekster is van mening dat de art. 47 van het Handvest de Raad voor Vreemdeling- enbetwistingen de plicht oplegt te motiveren waarom de argumentatie van verzoekster zoals gesteld in haar verzoekschrift en mondeling gesteld tijdens de zitting niet gevolgd dient te worden. Het louter citeren van de repliek van het Commissariaat-Generaal voor de Vluchteling- en en Staatlozen volstaat in alle redelijkheid niet.”; 2.2.
- Overwegende dat de verwerende partij antwoordt: “2.2 In een tweede en laatste middel beroept verzoekster zich op een schending van artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en van de principes van het EU procesrecht. 2.2.1 Verweerder stelt vast dat artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie stelt dat eenieder recht heeft op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. Eenieder heeft de mogelijkheid zich te laten adviseren, verdedigen en vertegenwoordigen. Vooreerst is verweerder van mening dat het Handvest geen enkele wettelijke status heeft zodat artikel 47 van dit Handvest dan ook niet dienend kan worden aangevoerd. Hoedanook meent verweerder dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen aan deze waarborgen voldoet. Verzoekster geeft in haar verzoekschrift slechts een algemene theoretische uiteenzetting over de toepassing van de waarborgen voorzien in artikel 47 van voornoemd Handvast in het kader van het asielrecht, maar ze toont nergens concreet aan dat de Raad één van deze waarborgen zou hebben geschonden. 2.2.2 Voorts stelt verzoekster dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen volle rechtsmacht dient te hebben maar thans niet aan deze vereiste voldoet aangezien de Raad geen eigen onderzoeksbevoegdheid heeft. Verzoekster geeft hierbij een uiteenzetting over het begrip “volle rechtsmacht” en ondersteunt haar betoog onder meer met rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens omtrent de toepassing van artikel 6 lid 1 van het E.V.R.M. Zij merkt ook op dat zowel de Kwalificatielijn (2004/83) als de Procedurerichtlijn direct verwijzen naar het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en dus ook naar artikel 47 van het Handvest, dat dit artikel gelijklopend is met de invulling van artikel 6 lid 1 van het E.V.R.M. met dit verschil dat het toepassingsgebied zich uitstrekt niet alleen over burgerlijke en XIV-29.792-15/19 strafrechtelijke materies maar naar alle materies die het Europees recht regelt waaronder dus ook het asielrecht, en dat de tekst van artikel 47 van het Handvest de artikelen 6 en 13 incorporeert. Ten slotte vraagt verzoekster de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen een prejudiciële vraag te stellen aan het Europees Hof van Justitie die als volgt luidt: “Dienen de lidstaten te voorzien in een beroep bij een administratief rechtscollege inzake de materie van de Kwalificatierichtlijn 2004/83 en volstaat de mogelijkheid tot terugwijzing naar de initiële administratieve overheid om te kunnen spreken van volle rechtsmacht of dienen deze administratieve rechtscolleges over een eigen onderzoeks- bevoegdheid te beschikken die hen toelaat tot op de dag van de eindbeslissing onderzoek te verrichten naar alle relevante feiten die nuttig zijn om de zaak te beoordelen”. 2.2.3 Met betrekking tot de prejudiciële vraag dient vooreerst te worden opgemerkt dat wanneer een richtlijn is omgezet in het interne recht zij niet meer rechtstreeks kan worden ingeroepen, behalve om aan te voeren dat de omzetting niet correct zou zijn gebeurd (zie in dezelfde zin R.vSt. arrest nr. 117.877 van 2 april 2003 inzake la s.a. SOCATRA). Verweerder stelt vast dat dit in casu echter niet wordt aangevoerd. Zelfs indien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie regelmatig wordt vermeld tijdens de beraadslagingen van de advocaten-generaal en invloed heeft gehad op de conclusies van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, dient er evenwel op gewezen te worden dat het Handvest nog steeds geen bindende kracht heeft. Overigens blijkt ook dat het Handvest geen wettelijke status heeft maar eerder een politieke verklaring is. Verzoeksters verzoek tot het stellen van een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie dient volgens verwerende partij dan ook om voornoemde redenen te worden verworpen. 2.2.4 Aangaande het begrip “volle rechtsmacht” verwijst verweerder naar de klassieke definitie gegeven in het handboek van A. MAST (A. Mast, J. Dujardin, M. Van Damme en J. Vande Lanotte, Overzicht van het Belgisch administratief recht, Mechelen, Kluwer, 2006, p. 1055, randnr. 1021) waarin vermeld staat dat “volheid van rechts- macht”, luidens de memorie van toelichting (Wetsontwerp tot hervorming van de Raad van State en tot oprichting van een Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, Memorie van toelichting, Parl. St. Kamer 2005-2006, nr. 2479/001, 95) betekent dat de Raad het geschil, in zijn geheel, aan een nieuw onderzoek onderwerpt en als administratieve rechter, in laatste aanleg, uitspraak doet over de grond van het geschil, waarbij hij de bevoegdheid heeft tot hervorming of tot bevestiging van de door de Commissaris- generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen genomen beslissingen ongeacht het motief waarop de Commissaris-generaal de bestreden beslissing heeft gesteund. In het kader van de uitoefening van deze volle rechtsmacht heeft de Raad een annulatiebe- voegdheid met terugwijzing en dit op twee limitatief bepaalde gronden (art. 39/2, § 1, tweede lid, 2/, Vreemdelingenwet), met name indien aan de bestreden beslissing een substantiële onregelmatigheid kleeft die door de Raad niet kan worden hersteld, of als er essentiële elementen ontbreken die inhouden dat de Raad niet kan komen tot een bevestiging of hervorming zonder aanvullende onderzoeksmaatregelen hiertoe te moeten bevelen. Het feit dat de Raad bij een vastgestelde substantiële onregelmatigheid of het ontbreken van essentiële elementen waardoor hij zijn volle rechtsmacht niet kan uitoefenen, de bestreden beslissing vernietigt en terugstuurt naar de Commissaris- generaal en niet zelf een beslissing in de plaats stelt, doet volgens verweerder geenszins afbreuk aan de eis van “volle rechtsmacht”. (zie ook R.v.St., nr. 160.759 van 29 juni 2006 ; R.v.St., nr. 160.761 van 29 juni 2006 ; R.v.St., nr. 160.760 van 29 juni 2006) 2.2.5 Verder betwist verweerder met klem verzoeksters stelling dat de principes van artikel 6 van het E.V.R.M. thans direct van toepassing zijn. De Raad voor Vreemdeling- enbetwistingen doet immers noch over burgerlijke rechten noch over de gegrondheid van een strafvervolging uitspraak. Hij is er door de wet mee belast na te gaan of de betrokkene beantwoordt aan de definitie van vluchteling zoals bepaald in voornoemd Vluchtelingenverdrag. In dit verband wenst verweerder ook te verwijzen naar rechtspraak van de Raad van State die stelt dat artikel 6 E.V.R.M. niet van toepassing is op geschillen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf en de XIV-29.792-16/19 verwijdering van vreemdelingen. Dit onderdeel van het middel is dan ook niet ontvankelijk. (R.v.St., 13 maart 2007, nr. 181.070 en R.v.St., 6 juni 2007, nr. 182.901) 2.3 Verweerder beklemtoont tot slot dat het bestreden arrest van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in een overzicht van de rechtspleging en de weergaven van het asielrelaas de middelen van verzoeker op omstandig gemotiveerde wijze bespreekt. Het arrest wordt gedragen door in feite en in rechte aanvaardbare motieven en is afdoende gemotiveerd. Verweerder meent dat derhalve aan de motiveringsplicht van jurisdictionele beslissingen is voldaan, aangezien de bestreden beslissing duidelijk de redenen vermeldt waarop zij werd gesteund. Ook het tweede en laatste middel is niet gegrond.”; 2.2.
- Overwegende dat verzoekster repliceert: “
- Algemeen rechtsbeginsel van recht van verdediging en het beroep met volle rechtsmacht zoals vastgelegd in de rechtspraak van het Europees Hof van Justitie Schending van de principes van het EU procesrecht Verzoekster stelt dat mocht art. 47 van het Handvest geen rechtstreekse werking hebben het recht op een beroep met volle rechtsmacht en de rechten van verdediging (Schending van de principes van het EU procesrecht) algemene rechtsbeginselen zijn waarop verzoekster zich rechtsreeks op kan beroepen. Verzoekster verwijst naar het zaak 222/86 (Heylens) waarin voormeld principe van de rechten van verdediging bevestigd wordt.
- AANGEZIEN DE VRIJE TOEGANG TOT HET ARBEIDSPROCES EEN FUNDAMENTEEL RECHT IS DAT HET VERDRAG AAN IEDERE WERKNEMER VAN DE GEMEENSCHAP INDIVIDUEEL TOEKENT, IS DE MOGELIJKHEID VAN BEROEP IN RECHTE TEGEN IEDERE BESLISSING VAN EEN NATIONA- LE INSTANTIE WAARBIJ DE UITOEFENING VAN DAT RECHT WORDT GEWEIGERD, VAN WEZENLIJK BELANG OM DE PARTICULIER EEN DOELTREFFENDE BESCHERMING VAN ZIJN RECHT TE WAARBORGEN . DIT VEREISTE VORMT EEN ALGEMEEN BEGINSEL VAN GEMEENSCHAPS- RECHT, DAT VOORTVLOEIT UIT HET CONSTITUTIONELE ERFGOED DAT ALLE LID-STATEN GEMEEN HEBBEN EN DAT EVENEENS IS NEERGELEGD IN DE ARTIKELEN*6 EN*13 VAN HET EUROPEES VERDRAG TOT BESCHER- MING VAN DE RECHTEN VAN DE MENS Verzoekster herhaalt de uiteenzetting inzake volle rechtsmacht en stelt dat het recht op een beroep met volle rechtsmacht en de rechten van verdediging een algemeen rechtsbeginsel zijn. Verzoekster meent dat ook dat gelet op het feit dat huidige Vreemdelingenwet de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet toelaat dergelijk onderzoek te voeren de initiële beslissing voorgenoemde artikelen schendt. Dat het beroep bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen hoogstens een beroep tot herziening genoemd kan worden.”; 2.2.
- Overwegende dat in tegenstelling tot hetgeen verzoekster meent, het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie geen bindende rechtsbron is doch slechts een politieke verklaring die geen directe werking heeft in de interne rechtsorde; dat ook uit het feit dat in de Richtlijn 2004/83/EG van 29 april 2004 expliciet wordt verwezen naar het Handvest geenszins kan worden afgeleid dat voormeld Handvest directe werking heeft, integendeel; dat de Richtlijn enkel stelt dat zij - zoals overigens genoegzaam uit haar bewoordingen blijkt - de grondrechten eerbiedigt en de - reeds bestaande - beginselen in acht XIV-29.792-17/19 neemt die erkend zijn in het Handvest, hetgeen blijkt uit de zinsnede dat de richtlijn “(i)n het bijzonder tracht (...) de menselijke waardigheid, het recht op asiel van asielzoekers en hun begeleidende familieleden en de bescherming bij verwijdering, uitzetting en uitlevering op grond van de artikelen 1, 18 en 19 van het Handvest ten volle te eerbiedigen”; dat, wat betreft de ingeroepen schending van artikel 6 van het E.V.R.M. en de daarop gebaseerde argumenten, betwistingen in verband met de toegang, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen en de erkenning van hun asielrecht buiten de toepassings- sfeer van artikel 6 van het E.V.R.M. vallen omdat de desbetreffende regels een publiekrech- telijk karakter hebben; dat voormeld artikel in deze niet toepasselijk is omdat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen noch over burgerlijke rechten noch over de gegrondheid van een strafvervolging uitspraak doet; dat hij er door de wet mee belast is na te gaan of de betrokkene beantwoordt aan de definitie van vluchteling zoals bepaald in het Internationaal Verdrag betreffende de status van Vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951, goedgekeurd bij de wet van 26 juni 1953; dat nu het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie geen directe werking heeft in de Belgische rechtsorde, tevergeefs de schending van artikel 6 van het E.V.R.M. wordt ingeroepen; dat verzoekster er zich onder punt 3.2 op pagina 9 van het verzoekschrift overigens toe beperkt op algemene wijze te stellen dat artikel 47 van voormeld Handvest de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de plicht oplegt “te motiveren waarom de argumentatie van verzoekster zoals gesteld in haar verzoekschrift en mondeling gesteld tijdens de zitting niet gevolgd dient te worden” en dat “(h)et louter citeren van de repliek van het Commissariaat-Generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen (niet) volstaat in alle redelijkheid (...)”, doch nalaat toe te lichten welk verweermiddel precies door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen is genegeerd; dat bij ontstentenis van deze toelichting dit onderdeel van het middel niet in aanmerking kan worden genomen.; dat, gelet op hetgeen voorafgaat en op het feit dat de ontwikkelde uiteenzetting in het middel volledig is afgeleid uit artikel 6 van het E.V.R.M., dat in deze niet toepasselijk is, dan ook niet dient te worden ingegaan op de vraag om een prejudiciële vraag te stellen aan het Europees Hof van Justitie; dat het tweede middel niet ontvankelijk is, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. XIV-29.792-18/19 Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zevenen- twintig juni tweeduizend en acht, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-29.792-19/19 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.184.888 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div