id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 27 juni 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.184.894 Rolnummer: A. 186076/VII-37608 Zaak: Arrest 184894 - Monumenten en Landschappen - 27/06/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-07-22 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-06-29 08:19 Fiche Arrest nr 184.894 van 27 juni 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Monumenten en Landschappen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 184.894 van 27 juni 2008 in de zaak A. 186.076/X-13.
- In zake : de v.z.w. Katholiek Secundair Onderwijs Sint-Willibrord (WICO), die woonplaats kiest bij advocaat I. DEDECKER, kantoor houdende te 3600 GENK, Sint-Martensbergstraat 9 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat O. ONGHENA, kantoor houdende te 2000 ANTWERPEN, Tavernierkaai
- DE VOORZITTER VAN DE Xe KAMER, Gezien het enig verzoekschrift dat de v.z.w. Katholiek Secundair Onderwijs Sint-Willibrord (WICO) op 29 november 2007 heeft ingediend, en waarin zij de schorsing van de tenuitvoerlegging vordert van het besluit van de Vlaamse minister van Financiën, Begroting en Ruimtelijke Ordening van 7 september 2007 tot vaststelling van een ontwerp van lijst van voor bescherming vatbare monumenten, stads- en dorpsgezichten inzoverre het de lagere school, naaischool, school voor secundair onderwijs, boerderij van het ursulineklooster, H. Hartkapel, Calvarieberg en beelden in de tuin te Overpelt, Kloosterstraat 11, 13, 15 en 17 als dorpsgezicht beschermt; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur A. VAN MINGEROET; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 23 januari 2008 waarbij de terecht- zitting bepaald wordt op 15 februari 2008; X-13.553-1/4 Gehoord het verslag van kamervoorzitter R. STEVENS; Gehoord de opmerkingen van advocaat I. DEDECKER, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat F. JUDO, die loco advocaat O. ONGHENA verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur A. VAN MINGEROET; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT : De verwerende partij betwist de ontvankelijkheid van de vordering. Er bestaat vooralsnog geen noodzaak om over de opgeworpen exceptie uitspraak te doen. Een onderzoek van en een uitspraak over deze exceptie dringt zich immers slechts op indien zou blijken dat de grondvoorwaarden voor schorsing vervuld zijn, hetgeen te dezen, zoals hierna zal blijken, niet het geval is. Krachtens artikel 17, § 2 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 3.
- Met betrekking tot de tweede schorsingsvoorwaarde stelt de verzoekende partij : “
- Het moeilijk te herstellen ernstig nadeel Het nadeel dat de verzoekende partij dreigt te lijden is een moeilijk ter herstellen ernstig nadeel. De verzoekende partij gebruikt een groot deel van de gronden die binnen de perimeter van het dorpsgezicht vallen, in het kader van haar onderwijs- activiteiten. Binnen de perimeter van het dorpsgezicht zijn onder meer de schoolgebouwen, de speelplaats, het sportterrein, de fietsenrekken e.d.m. gelegen. De algemene beschermingsvoorschriften zoals voorzien in het besluit van de Vlaamse Regering van 17 november 1993 tot bepaling van de algemene voorschriften inzake instandhouding en onderhoud van monumenten, stads- en X-13.553-2/4 dorpsgezichten zijn reeds van toepassing ingevolge de voorlopige bescherming. (hierna genoemd ‘Besluit van 17 november 1993’) In art. 2 van het Besluit van 17 november 1993 wordt een zware en zeer gedetailleerde instandhoudingsplicht omschreven. Art. 3 e.v. van het Besluit van 17 november 1993 bevatten een aantal verbodsbepalingen, behoudens indien men (...) daarvoor een schriftelijke vergunning bekomt van de Vlaamse Regering of haar gemachtigde. Voor minimale werken dient de verzoekende partij reeds een vergunning te vragen. Verzoekende partij geeft een aantal voorbeelden: % Het beschilderen van ongeschilderde elementen, of schilderen in andere kleuren of kleurschakeringen of met een andere verfsoort dan de aanwezige. (cf. art. 3.1/ van het Besluit van 17 november 1993) % Het bepleisteren van niet bepleisterde elementen of bepleisteren met een andere samenstelling of textuur, alsook het ontpleisteren van bepleisterde elementen. (cf. art. 3.2/ van het Besluit van 17 november 1993) % Alle activiteiten die de verdwijning van bomen en struiken tot gevolg hebben, met uitzondering van normale, oordeelkundig uitgevoerde onderhoudswerken, zoals het kappen en snoeien van opgaande bomen, hakhout, knotbomen, leibomen en gekandelaarde bomen, en het scheren en snoeien van hagen en andere geschoren vormen. (cf. art. 5.1/ van het Besluit van 17 november 1993) Dergelijk streng regime is nauwelijks werkbaar voor een onderwijsinstelling die over beperkte financiële middelen beschikt en zich flexibel moet kunnen opstellen, om zich snel te kunnen aanpassen aan de wijzigende noden en omstandigheden. Daarbij komt nog dat de ernst en de moeilijke herstelbaarheid van het nadeel ook bepaald wordt door de aard van de onwettigheden die begaan werden bij het nemen van de beslissing tot voorlopige bescherming. De onwettigheden zijn in casu zeer duidelijk. De verzoekende partij is er zich ter dege van bewust dat de effecten van een voorlopige bescherming tijdelijk zijn. Evenwel moet zij deze effecten, hoe kort ze ook in duur zijn, ten volle ondergaan. Bovendien heeft Uw Raad reeds meermaals geoordeeld dat uit het stilzitten naar aanleiding van een voorlopige bescherming, moet afgeleid worden dat de verzoekende partij de nadelen, die dezelfde zijn bij een voorlopige als bij een definitieve bescherming, niet als voldoende ernstig beschouwt. Indien zij deze wel als ernstig en moeilijk te herstellen zou beschouwen, zou zij de voorlopige bescherming immers eveneens aangevochten hebben. (...) Alleen al om haar kansen in geval van een procedure tot schorsing van de tenuitvoerlegging in geval van definitieve bescherming te behouden, is zij ook verplicht om tegen de voorlopige bescherming reeds stappen te ondernemen. Het nadeel is des te ernstiger omdat weliswaar de beschermingsprocedure op gang werd gebracht, maar er nog geen zekerheid is of er ook definitief beschermd zal worden. De voorlopige bescherming heeft echter wel dezelfde gevolgen als de definitieve bescherming. De wetgever heeft om die reden aan de voorlopige bescherming de periode van onzekerheid beperkt tot één jaar, eventueel verlengd met zes maanden”. X-13.553-3/4 3.
- De verwerende partij doet op goede gronden gelden dat de verzoekende partij aldus niet concreet aannemelijk maakt dat het moeten ondergaan van de essentieel kortdurende -in principe een termijn van één jaar, eventueel te verlengen met zes maanden- en provisoire effecten van de bestreden voorlopige bescherming de verzoekende partij een moeilijk te herstellen ernstig nadeel dreigt te berokkenen. De verzoekende partij ziet dit trouwens blijkbaar in waar zij -verkeerdelijk- aanvoert dat zij verplicht is de voorliggende vordering in te stellen “om haar kansen in geval van een procedure tot schorsing van de tenuitvoerlegging in geval van definitieve bescherming te behouden”. De desbetreffende schorsingsvoorwaarde is niet vervuld. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zevenentwintig juni 2008, door : de H. R. STEVENS, kamervoorzitter, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. R. STEVENS. X-13.553-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.184.894 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.200.224 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div