← België

Arrest 184916 - Tucht (openbaar ambt) - 27/06/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 27 juni 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.184.916 Rolnummer: A. 105455/IX-2882 Zaak: Arrest 184916 - Tucht (openbaar ambt) - 27/06/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-07-29 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-06-29 08:19 Fiche Arrest nr 184.916 van 27 juni 2008 Openbaar ambt - Tucht (openbaar ambt) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 184.916 van 27 juni 2008 in de zaak A. 105.455/IX-

  1. In zake : Karla HOUDART, die woonplaats kiest bij advocaat A. COOLSAET, kantoor houdende te ANTWERPEN, Arthur Goemaerelei 69 tegen : de Vlaamse Gemeenschap, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, die woonplaats kiest bij advocaat B. STAELENS, kantoor houdende te BRUGGE, Stockhouderskasteel, Gerard Davidstraat 46, bus
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Karla HOUDART op 1 juni 2001 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van: - de beslissing van de directeur-generaal van de administratie gezondheidszorg van 8 februari 2001 houdende de uitspraak van de tuchtstraf “afzetting” ten aanzien van de verzoekster; - de beslissing van de secretaris-generaal van het departement welzijn, volksgezondheid en cultuur van 20 april 2001 houdende het definitief opleggen van de tuchtstraf “afzetting” aan de verzoekster; Gelet op het arrest nr. 101.163 van 26 november 2001 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen; Gezien het verzoek tot voortzetting van de rechtspleging ingediend op 20 december 2001 door de verzoekster; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; IX-2882-1/29 Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op de beschikking van 25 oktober 2002 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 5 juni 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 23 juni 2008; Gehoord het verslag van kamervoorzitter P. LEMMENS; Gehoord de opmerkingen van advocaat A. COOLSAET die verschijnt voor de verzoekster en van advocaat B. STAELENS die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelings- hoofd W. VAN NOTEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : Over de gegevens van de zaak 1.
  3. Op het ogenblik van de bestreden beslissing was de verzoekster vastbenoemd ambtenaar met de graad van arts bij de afdeling Verzorgingsvoorzie- ningen van de administratie Gezondheidszorg van het departement Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur. Zij was belast met inspectietaken in de ziekenhuissector, de behandeling van aanvragen tot planningsvergunning, tot erkenning, tot goedkeuring van zorgstrategische plannen en tot bouwsubsidies. IX-2882-2/29 1.
  4. Op 12 december 2000 formuleert het afdelingshoofd van de afdeling Verzorgingsvoorzieningen een voorstel om aan de verzoekster de tuchtstraf “inhouding van salaris ten belope van één vijfde van de nettobezoldiging gedurende drie maanden” op te leggen. Aan de verzoekster wordt ten laste gelegd dat zij blijk heeft gegeven van “manifeste onwil en bewuste deloyaliteit”, omdat zij in het dossier radiotherapie van het Limburgs Oncologisch Centrum voor de Vlaamse adviesraad voor de erkenning van verzorgingsvoorzieningen niet het standpunt van de administratie en van de bevoegde Vlaamse minister, maar haar eigen standpunt wou verdedigen. In het strafvoorstel wordt voorts uiteengezet dat over haar een aantal nota’s werden opgesteld “omtrent deloyaal gedrag, gebrek aan collegialiteit en solidariteit, problemen van productiviteit”, dat zij op geen enkele nota heeft gereageerd, noch schriftelijk, noch mondeling, dat herhaalde vragen en uit- nodigingen tot gesprek zonder meer werden afgewezen, dat zij het planningsgesprek voor de doelstellingen 2000 niet heeft willen voeren en dat zij een efficiënte werking van de afdeling bemoeilijkt en hypothekeert. 1.
  5. Op 30 januari 2001 wordt de verzoekster door de directeur- generaal van de administratie Gezondheidszorg gehoord. Zij dient een verweer- schrift in. 1.
  6. Bij besluit van 8 februari 2001 van de directeur-generaal van de administratie Gezondheidszorg wordt haar vervolgens de tuchtstraf “afzetting” opgelegd. Dat besluit stelt onder meer : “(...) Overwegende dat uit de globaliteit van de ten laste gelegde feiten en de attitude van manifeste onwil van mevrouw Karla HOUDART om zich te schikken naar elementaire regels die een organisatie leefbaar en performant moeten maken blijkt dat de betrokken arts, ondanks de herhaalde formele gedocumenteerde en informele uitnodigingen, aanmaningen en verwittigingen hardnekkig blijft weigeren zich te houden aan te statutaire en deontologische bepalingen die vervat liggen in deel III van het [...] besluit van de Vlaamse regering van 24 november 1993, meer bepaald in artikel III 1, en toegelicht worden in de omzendbrief nr. AZ/MIN/98/4 van 1 september 1998 betreffende de deontologische code voor de personeelsleden van de diensten van de Vlaamse regering; dat voor een goede werking van de dienst het gedrag van de IX-2882-3/29 betrokkene, zeker als ambtenaar van niveau A met een voorbeeldfunctie, niet langer getolereerd kan worden; dat, gelet op de volgehouden manifeste onwil om instructies van de hiërarchie te volgen, ondanks herhaalde aanmaningen, de tuchtstraf 'afzetting', bedoeld in artikel IX 2, 5/, van voormeld besluit van de Vlaamse regering van 24 november 1993, derhalve gerechtvaardigd is; dat na de feiten die zich op 31 oktober 2000 hebben voorgedaan niet in redelijkheid kan worden verwacht dat een lichtere tuchtstraf mevrouw Karla HOUDART tot beterschap zal aanzetten.” Dit is de eerste bestreden beslissing. 1.
  7. Op 23 februari 2001 stelt de verzoekster beroep in bij de raad van beroep. 1.
  8. Bij brief van 5 april 2001 deelt de griffier van de eerste kamer van de raad van beroep aan de secretaris-generaal van het departement Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur mede dat, aangezien die kamer wegens ziekte van de voorzitter en de ondervoorzitter in de onmogelijkheid verkeerde om te beraadslagen binnen de termijn, vastgesteld in het eerste lid van artikel IX 18 van het besluit van de Vlaamse regering van 24 november 1993, het tweede lid van dat artikel moet worden toegepast (stilzwijgend gunstig advies). 1.
  9. Bij brieven van 26 en 29 maart 2001 vraagt de verzoekster om, niettegenstaande het stilzwijgend gunstig advies van de raad van beroep, door de secretaris-generaal van het departement Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur te worden gehoord. Zij dient eveneens een verweernota in en wordt op 18 april 2001 door de secretaris-generaal van het departement Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur gehoord. 1.
  10. Bij besluit van de secretaris-generaal van het departement Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur van 20 april 2001 wordt aan de verzoekster de tuchtstraf “afzetting” definitief opgelegd. Dat besluit luidt als volgt : “De secretaris-generaal van het departement Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur, Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 24 november 1993 houdende organisatie van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap en de regeling van de rechtspositie van het personeel, inzonderheid op deel IX, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse regering van 12 juni 1995 en 14 april 2000; IX-2882-4/29 Gelet op het voorstel van tuchtsanctie van 12 december 2000 waarbij door het afdelingshoofd van de afdeling Verzorgingsvoorzieningen, wordt voorge- steld gedurende drie maanden een gedeelte van het salaris van mevrouw Karla HOUDART, arts, in te houden ten belope van één vijfde van de nettobezoldiging; Gelet op de uitnodiging van 22 december 2000 aan mevrouw Karla HOUDART vanwege de directeur-generaal van de administratie Gezondheids- zorg, om gehoord te worden in haar verdediging, conform artikel IX 13 van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 november 1993 houdende organisatie van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap en de regeling van de rechtspositie van het personeel; Gelet op het verslag van de hoorzitting van 30 januari 2001, het verweer- schrift van mevrouw Karla HOUDART van 30 januari 2001 en haar nota met opmerkingen bij voormeld verslag van 1 februari 2001; Gelet op het besluit van de directeur-generaal van de administratie Gezond- heidszorg van 8 februari 2001 waarbij in eerste aanleg de tuchtstraf 'afzetting' wordt opgelegd aan mevrouw Karla HOUDART en op de kennisgeving van dat besluit bij aangetekende brief van dezelfde datum; Gelet op het beroep dat mevrouw Karla HOUDART op 23 februari 2001 heeft ingesteld tegen voormeld besluit van de directeur-generaal van de administratie Gezondheidszorg; Gelet op de brief van de griffier van de eerste kamer van de raad van beroep van 5 april 2001, gericht aan de secretaris-generaal van het departement Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur, waarin wordt meegedeeld dat, aangezien die kamer wegens ziekte van de voorzitter en de ondervoorzitter in de onmogelijkheid verkeerde om te beraadslagen binnen de termijn, vastgesteld in artikel IX 18, eerste lid, van voornoemd besluit van de Vlaamse regering van 24 november 1993, artikel IX 18, tweede lid, van dat besluit moet worden ingeroepen (stilzwijgend gunstig advies); Gelet op de brieven van 26 en 29 maart 2001 waarin meesters Ingrid OPDEBEEK en Ann COOLSAET, raadslieden van mevrouw Karla HOUDART, verzoeken om, niettegenstaande het stilzwijgend gunstig advies van de eerste kamer van de raad van beroep, te worden gehoord; Gelet op de verweernota van 28 maart 2001, die voornoemde raadslieden van mevrouw Karla HOUDART hebben neergelegd; Gelet op de aangetekende brieven van de secretaris-generaal van het departement Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur van 10 april 2001 waarbij mevrouw Karla HOUDART en haar raadslieden worden opgeroepen om te worden gehoord; Gelet op het verslag d.d. 19 april 2001 van de hoorzitting van 18 april 2001; Overwegende dat mevrouw Karla HOUDART in haar beroepschrift van 23 februari 2001 tegen het besluit van de directeur-generaal van de administratie Gezondheidszorg van 8 februari 2001 aanvoert: - dat de haar ten laste gelegde feiten werden uitgebreid in vergelijking met de feiten die haar in het voorstel tot tuchtstraf werden ten laste gelegd; IX-2882-5/29 - dat de strafmaat niet hoger kan zijn dan de oorspronkelijk voorgestelde strafmaat; - dat slechts marginaal is ingegaan op de bezwaren die zij had geformuleerd toen zij op 30 januari 2001 werd gehoord; - dat bij de beoordeling van de strafmaat blijkbaar rekening is gehouden met vermeldingen die niet in het persoonlijk dossier zijn opgetekend; - dat zij het dossier van het Limburgs Oncologisch Centrum heeft afge- handeld met inachtneming van de geldende regelgeving en de gangbare praktijk; dat zij zich in dit dossier loyaal heeft gedragen ten aanzien van de Vlaamse regering en daarin geen deontologische fout heeft begaan; - dat zij niet elke schriftelijke en mondelinge communicatie heeft afge- wezen; - dat zij niet heeft geweigerd instructies te aanvaarden van het afdelings- hoofd en dat zij de haar toevertrouwde opdrachten heeft uitgevoerd conform de instructies en gemaakte afspraken; - dat zij niet heeft geweigerd de werklast van een collega met zwangerschapsverlof over te nemen; - dat zij artsen met minder ervaring en niet-artsen niet het recht ontzegt om hun mening te geven over de uitvoering van het gezondheidsbeleid in concrete dossiers; - dat zij reeds dertien jaar voor het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap werkt, nooit eerder het voorwerp was van een tuchtsanctie en een onberispelijke staat van dienst heeft; - dat zij het slachtoffer is van het pestgedrag van het afdelingshoofd; Overwegende dat, luidens artikel IX 18, tweede lid, van voornoemd besluit van de Vlaamse regering van 24 november 1993, het door mevrouw Karla HOUDART ingestelde beroep geacht wordt gunstig geadviseerd te zijn door de eerste kamer van de raad van beroep; Overwegende evenwel dat in het dossier van het Limburgs Oncologisch Centrum, dat de directe aanleiding was voor het voorstel tot tuchtsanctie en voor de in eerste aanleg genomen beslissing tot afzetting, mevrouw Karla HOUDART zich uiterst deloyaal heeft gedragen zowel ten aanzien van de Vlaamse administratie als ten aanzien van de Vlaamse minister van Welzijn, Gezondheid en Gelijke Kansen; dat de Vlaamse minister op advies van de administratie op 7 augustus 2000 een voornemen tot weigering van erkenning heeft ondertekend, waartegen de betrokken ziekenhuizen bezwaar hebben ingediend bij de Vlaamse Adviesraad voor Verzorgingsvoorzieningen; dat op de zitting van die Adviesraad de ambtenaar, die het dossier toelicht, geacht wordt het standpunt van de minister te verdedigen; dat mevrouw Karla HOUDART in haar nota d.d. 30 oktober 2000 ter voorbereiding van de zitting van de Adviesraad van 31 oktober 2000, waarop voornoemd dossier zou worden behandeld, integendeel lijnrecht is ingegaan tegen de visie en het standpunt van de minister en de administratie; dat zij die schriftelijke nota heeft neergelegd op het secretariaat van de Adviesraad; dat zij zodoende de duidelijke instructies heeft genegeerd, die het afdelingshoofd haar ter zake had gegeven bij e-mail bericht van 19 september 2000 en eveneens met een aangetekende brief van 20 september 2000 en waarbij ze, nadat het afdelings- hoofd had vernomen dat ze zich niet achter het standpunt van de minister zou scharen, voor de keuze werd gesteld ofwel het standpunt van de minister te verdedigen ofwel het dossier te bezorgen aan een collega die het standpunt van de minister zou verdedigen; dat slechts door een alert optreden van het afdelingshoofd kon worden voorkomen dat mevrouw Karla HOUDART ter zitting van de Adviesraad niet het standpunt van de administratie en van de minister, maar haar eigen standpunt zou verdedigen, waarbij ze dan nog IX-2882-6/29 expliciet wou wijzen op een procedurefout die de administratie volgens haar zou hebben gemaakt, ook al hadden de betrokken ziekenhuizen geen dergelijke fout ingeroepen in hun bezwaarschrift; Overwegende dat, ook al week het standpunt van de administratie en van de minister af van het standpunt dat mevrouw Karla HOUDART had ingenomen, dit mevrouw Karla HOUDART niet mocht beletten zich nadien loyaal op te stellen ten aanzien van het door de administratie en de minister ingenomen standpunt; dat overigens, indien mevrouw Karla HOUDART zich niet in staat achtte het standpunt van de minister voor de Adviesraad te verdedigen, zij door haar hiërarchische meerderen geenszins verplicht werd naar die zitting te gaan; dat, hoewel normaal het standpunt van de minister ter zitting van de Adviesraad wordt verdedigd door de inspecteur-arts die het dossier tot dan toe heeft behandeld, het afdelingshoofd mevrouw Karla HOUDART bij mailbericht van 19 september 2000 de mogelijkheid had geboden om, indien zij zich niet kon scharen achter het standpunt van de minister, de verdediging van dat standpunt ter zitting van de Adviesraad toe te vertrouwen aan een collega; dat mevrouw Karla HOUDART niettemin halsstarrig heeft gepoogd haar eigen afwijkend standpunt voor de Adviesraad te verdedigen en daarbij de administratie en de minister voor schut te zetten; Overwegende dat, aangezien mevrouw Karla HOUDART reeds vele jaren als ambtenaar is tewerkgesteld bij het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, zij kon en moest weten dat dergelijke handelwijze totaal onverantwoord was; Overwegende dat, in tegenstelling tot wat mevrouw Karla HOUDART beweert, die handelwijze wel degelijk een ernstige inbreuk vormt op de deontologische plichten van een ambtenaar, die een tuchtprocedure recht- vaardigt krachtens artikel IX 1 van het besluit van de Vlaamse regering van 24 november 1993; dat luidens artikel III 1, § 1, eerste lid, van hetzelfde besluit een ambtenaar zijn ambt op een loyale en correcte wijze moet uitoefenen onder het gezag van zijn hiërarchische meerderen; dat in de deontologische code, bedoeld in artikel 6, § 1, van hetzelfde besluit, wordt gepreciseerd op het vlak van loyaliteit 'Ook met uw chef werkt u loyaal, open en constructief samen. Zodra een beslissing is genomen, schaart u zich erachter en voert u die snel en efficiënt uit' en 'Zodra de Vlaamse regering een beslissing genomen heeft, schaart u zich erachter en voert u die snel, efficiënt en plichtbewust uit, met inachtname van de geldende regelgeving'; dat in dezelfde code inzake het spreekrecht en de spreekplicht wordt vermeld 'Genomen beslissingen dient u loyaal uit te voeren, ook al stroken ze niet met uw standpunt'; dat uit voormelde teksten duidelijk blijkt dat een ambtenaar loyaal de beslissingen van zijn meerderen, van de bevoegde minister of van de Vlaamse regering dient uit te voeren, ook al gaat hij zelf niet akkoord met die beslissing; dat de hier bedoelde 'beslissing' niet noodzakelijk een eindbeslissing is; dat ook een voorlopige beslissing of een voornemen tot beslissing een 'beslissing' - d.w.z. een standpuntbepaling - van de daartoe bevoegde overheid veronderstelt; dat een ambtenaar zich dus ook achter een voorlopige beslissing of een voornemen tot beslissing van zijn meerderen, van de bevoegde minister of van de Vlaamse regering loyaal dient op te stellen; Overwegende dat mevrouw Karla HOUDART de feiten die haar met betrekking tot het dossier van het Limburgs Oncologisch Centrum worden ten laste gelegd, niet betwist maar ze in haar verweerschrift, neergelegd bij de hoorzitting van 30 januari 2001, integendeel bevestigt; dat mevrouw Karla HOUDART in dat verweerschrift wel duidelijk laat blijken dat ze niet akkoord kan gaan met de in het dossier van het Limburgs Oncologisch Centrum IX-2882-7/29 gevolgde werkwijze en met het door de minister geuite voornemen tot weigering; dat, wat dit laatste betreft, zij meent haar gelijk te kunnen aantonen - en dus haar houding te kunnen wettigen - door te verwijzen naar het advies van de Adviesraad; dat de uitkomst van het dossier in casu irrelevant is, nu de tuchtprocedure geen verband houdt met de inhoudelijke afhandeling van het dossier door mevrouw Karla HOUDART, maar wel met de deloyaliteit die zij ten aanzien van haar meerderen en de bevoegde minister heeft betoond met betrekking tot de verdediging voor de Adviesraad van het door hen ingenomen standpunt; Overwegende dat deze deloyale houding die er duidelijk op gericht was de administratie en de minister voor schut te zetten ter zitting van de Adviesraad, op zich reeds een zware tuchtstraf rechtvaardigt; Overwegende dat voor het bepalen van de strafmaat die - in tegenstelling tot wat mevrouw Karla HOUDART beweert - wel hoger kan zijn dan de oor- spronkelijk voorgestelde strafmaat (zie artikel IX 23 van het besluit van de Vlaamse regering van 24 november 1993 en het commentaar bij artikel IX 11 van hetzelfde besluit), het aangewezen is ook rekening te houden met andere elementen dan de hierboven aangehaalde feiten die aanleiding hebben gegeven tot het opstarten van de tuchtprocedure; dat die feiten immers niet als op zichzelf staande feiten mogen worden beschouwd, maar dat ze moeten worden gekaderd binnen de algemene houding van mevrouw Karla HOUDART ten aanzien van haar meerderen en collega’s; Overwegende dat in het dossier van het Limburgs Oncologisch Centrum mevrouw Karla HOUDART dus de instructies van haar afdelingshoofd, die vervat lagen in een mailbericht en in een aangetekende brief, niet heeft nageleefd; dat na de zitting van de Adviesraad van 31 oktober 2000, waarop dat dossier werd behandeld, de uitnodiging door het afdelingshoofd voor een gesprek over de feiten door mevrouw Karla HOUDART werd afgewezen; dat tijdens de hoorzitting van 30 januari 2001 mevrouw Karla HOUDART heeft meegedeeld dat zij geen elektronische berichten leest van het afdelingshoofd en dat zij dus ook niet op de hoogte is van de instructies die haar op die wijze gegeven worden; dat zij bovendien tijdens dezelfde zitting heeft bevestigd dat een aangetekend schrijven, waarop zij het handschrift van het afdelingshoofd heeft herkend, ongeopend is gebleven; dat zij, aangezien zij ook niet met het afdelingshoofd wil praten, elke communicatie met het afdelingshoofd onmogelijk maakt; dat het afwijzen van elke communicatie met het afdelings- hoofd wordt bevestigd in de verweernota van 28 maart 2001; Overwegende dat het afwijzen door mevrouw Karla HOUDART van elke mondelinge en schriftelijke communicatie met het afdelingshoofd een systematische en volgehouden houding is die ze reeds een jaar aanneemt, zowel als het om een informeel gesprek gaat als om een statutair voorzien gesprek (planningsgesprek, functioneringsgesprek, opvolgings- of evaluatiegesprek), schriftelijke communicatie of elektronische communicatie omtrent afspraken binnen de afdeling, instructies van de directeur-generaal via het afdelingshoofd of concrete opdrachten inzake timing van bepaalde dossiers; dat deze systematische en volgehouden weigering van communicatie van mevrouw Karla HOUDART in het afgelopen jaar en ten opzichte van haar afdelingshoofd extreme vormen heeft aangenomen, zoals uit het bovenstaande blijkt; Overwegende dat mevrouw Karla HOUDART de weigering van elke mondelinge en schriftelijke communicatie met het afdelingshoofd wijt aan pesterijen vanwege het afdelingshoofd dat zij om die pesterijen te staven, ook IX-2882-8/29 verwijst naar de aan haar gerichte nota’s van het afdelingshoofd; dat echter noch uit de nota*s noch uit de kopies van door het afdelingshoofd aan mevrouw Karla HOUDART gerichte mailberichten, die zich in het tuchtdossier bevinden, enig pestend karakter blijkt; dat integendeel uit het dossier blijkt dat in haar briefwisseling naar mevrouw Karla HOUDART toe het afdelingshoofd zich neutraal opstelt en daarbij steeds, altijd maar weer, inspanningen en suggesties doet om de communicatie met mevrouw Karla HOUDART te verbeteren en afspraken te maken; dat het feit dat mevrouw Karla HOUDART in een aantal van die nota’s in gebreke werd gesteld, nog niet betekent dat ze een pestende inhoud hebben; dat, mocht mevrouw Karla HOUDART het optreden van het afdelingshoofd inderdaad als pesterij ervaren, het verbazing wekt dat zij die toestand niet vroeger heeft aangeklaagd bij de daarvoor geëigende instanties zoals ondermeer de departementale opdrachthouder HRM; dat zij geen enkel stuk voorlegt waaruit kan blijken dat ze vóór aanvang van de tuchtprocedure die toestand heeft aangeklaagd; dat zij er nergens in slaagt om te bewijzen dat er effectief sprake is van pesterijen; dat mevrouw HOUDART zich blijkbaar ten onrechte probeert te manoeuvreren in een slachtofferrol; Overwegende dat mevrouw Karla HOUDART dus haar houding ten aanzien van het afdelingshoofd tracht te rechtvaardigen vanuit de persoon van het afdelingshoofd; dat zij laat uitschijnen dat de problemen ontstaan zijn na de aanstelling van het huidige afdelingshoofd; dat deze voorstelling van zaken de waarheid echter geweld aandoet, aangezien zij in het verleden ten opzichte van het vroegere afdelingshoofd, de heer J.V.H., weliswaar minder systematisch maar niet minder expliciet evenzeer geweigerd heeft afspraken te maken of na te komen; Overwegende dat mevrouw Karla HOUDART aanvoert dat in het dossier van het Limburgs Oncologisch Centrum de minister door de administratie verkeerd zou geadviseerd zijn, niettegenstaande dat advies toch werd genomen in een vergadering waaraan alle op dat ogenblik aanwezige artsen van de afdeling Verzorgingsvoorzieningen hebben deelgenomen; dat mevrouw Karla HOUDART in haar stelling niet alleen de deskundigheid betwist van elke ambtenaar die geen arts is of als arts onvoldoende jaren ervaring heeft maar bovendien haar hiërarchische meerderen en daarna de minister het recht ontzegt om in een juridisch-technisch dossier, dat besproken is op een vergadering van alle aanwezige artsen en deskundige dossierbehandelaars van de afdeling Verzorgingsvoorzieningen, een ander advies te formuleren of tot een andere conclusie te komen dan deze die mevrouw Karla HOUDART had geformuleerd; dat het nochtans niet aan mevrouw Karla HOUDART toekomt om de deskundigheid van haar collega’s en haar meerderen te beoordelen, maar dat zij zich, zoals hierboven gesteld, loyaal dient op te stellen ten aanzien van een beslissing die door haar hiërarchische meerdere of door de minister is genomen, zelfs op voorstel van een collega wiens deskundigheid zijzelf niet hoog inschat; Overwegende dat mede uit haar houding in het dossier betreffende het Limburgs Oncologisch Centrum overduidelijk blijkt dat mevrouw Karla HOUDART vanuit haar deskundigheid als geneesheer alleen aan collega’s artsen met jarenlange ervaring het recht toekent hun mening te geven over de uitvoering van het gezondheidsbeleid in concrete dossiers; dat deze uitgesproken houding artsen met minder jaren dienst en administratieve medewerkers, soms met jarenlange ervaring, tegen de borst stoot en demotiveert; IX-2882-9/29 Overwegende dat mevrouw Karla HOUDART heeft geweigerd om in solidariteit met haar collega’s artsen een deel van de werklast van een collega in zwangerschapsverlof over te nemen of alleszins, in weerwil van de opdracht die het afdelingshoofd had gegeven, geen enkel dossier van betrokken collega heeft behandeld; Overwegende dat het vanuit het oogpunt van de werking van de administra- tie onmogelijk kan aanvaard worden dat een ambtenaar de beslissing van een meerdere naast zich neerlegt om de eenvoudige reden dat deze ambtenaar een andere interpretatie van de regelgeving of van de feiten voorstaat; dat, mocht elke ambtenaar zo reageren en handelen, de werking van de administratie totaal onmogelijk zou worden en zou leiden tot willekeurige en tegenstrijdige beslissingen, wat door de burgers - voor wie de administratie uiteindelijk werkt - onmogelijk zou kunnen worden geaccepteerd; dat éénmaal door de meerdere een beslissing is genomen, alle ambtenaren van zijn dienst die beslissing loyaal moeten uitvoeren; dat een ambtenaar niet kan eisen dat bepaalde dossiers enkel door hem of haar mogen worden behandeld; dat een ambtenaar werkt binnen een administratie waarbij - zoals in elke organisatie - regels en hiërarchie dienen te worden gerespecteerd; Overwegende dat door haar eigenzinnige, totaal onaanvaardbare handelwijze in het dossier van het Limburgs Oncologisch Centrum mevrouw Karla HOUDART de vertrouwensrelatie tussen de Vlaamse overheid en haarzelf helemaal heeft opgeblazen; dat de werking van de Vlaamse overheid immers wordt gehypothekeerd, wanneer haar ambtenaren eigen standpunten naar buiten brengen die indruisen tegen de genomen overheidsbeslissingen; dat daardoor de geloofwaardigheid van de Vlaamse overheid ernstig zou worden geschaad; Overwegende dat met inachtneming van de ruimere context van onwil in hoofde van Karla HOUDART, waarbinnen die handelwijze dient te worden gesitueerd en waarbinnen ook gesprekken met het afdelingshoofd die statutair zijn opgelegd, door mevrouw Karla HOUDART geweigerd worden (onder andere blijkt uit het ploeg-planningsdocument dat zelfs het planningsgesprek geweigerd wordt), duidelijk geen heil te verwachten is van een lichtere tuchtstraf; dat de positie van mevrouw Karla HOUDART binnen de organisatie definitief onmogelijk geworden is; dat er anders over oordelen, niet vol te houden is ten opzichte van de overige personeelsleden van de Vlaamse administratie en de hele werking van de Vlaamse administratie zou onder- mijnen; Overwegende dat mevrouw Karla HOUDART als ambtenaar van niveau A, die boogt op een jarenlange ervaring, een voorbeeldfunctie zou moeten vervullen ten opzichte van de andere ambtenaren; dat mevrouw Karla HOUDART, ondanks haar grote deskundigheid die trouwens door niemand wordt betwist, door haar handelwijze en gedragingen het door de Vlaamse overheid in haar gestelde vertrouwen derwijze heeft beschaamd dat de tuchtstraf 'afzetting', bedoeld in artikel IX 2, 5/ van voormeld besluit van de Vlaamse regering van 24 november 1993, voor de hand ligt; Overwegende dat het dan ook past de tuchtstraf 'afzetting' definitief uit te spreken; Overwegende dat er in deze tuchtprocedure geen sprake is van de schending van de artikelen IX 7, IX 8, IX 9 en IX 23, tweede lid, van het besluit van de Vlaamse regering van 24 november 1993, van de rechten van verdediging en de hoorplicht, van artikel IX 15, tweede lid, van het besluit van de Vlaamse IX-2882-10/29 regering van 24 november 1993 en van de formele motiveringsplicht (artikelen 2 en 3 van de Wet Motivering Bestuurshandelingen) dat in het voorstel tot tuchtsanctie trouwens door het afdelingshoofd wordt gesteld dat mevrouw Karla HOUDART heeft verklaard dat zij in principe brieven van het afdelings- hoofd niet wil openen en geen gesprek wil voeren met het afdelingshoofd; dat in het voorstel tot tuchtsanctie tevens sprake is van deloyaal gedrag, gebrek aan solidariteit en collegialiteit, problemen van productiviteit; dat bovendien uit het dossier blijkt dat de tuchtprocedure zoals omschreven in het Vlaams Personeelsstatuut strikt werd gevolgd; dat bovendien door de hoorzitting van 18 april 2001 aan mevrouw Karla HOUDART nog een bijkomende kans werd geboden om haar standpunt te verdedigen; Overwegende dat er evenmin sprake is van een schending van artikel IX 25 van het besluit van de Vlaamse regering van 24 november 1993; dat in het kader van het planningsgesprek ploeg 2000 een aangetekende brief werd gestuurd op 18 mei 2000 aan mevrouw Karla HOUDART, dit omwille van het feit dat, ondanks verschillende pogingen van het afdelingshoofd, een plannings- gesprek werd geweigerd door mevrouw Karla HOUDART; dat daarbij in bijlage de nota werd gevoegd die aan mevrouw Karla HOUDART was overhandigd op 12 april 2000, met bijlagen (zie het planningsdocument 'ploeg'- planning); dat bij het voorstel tot tuchtsanctie onder andere de brief van 20 september 2000 was gevoegd waarbij aan mevrouw Karla HOUDART een gedocumenteerde nota was gevoegd in het kader van de evaluatie ploeg 2000, BESLUIT Artikel
  11. Aan mevrouw Karla HOUDART, stamnummer 5806540/23, arts, bij de afdeling Verzorgingsvoorzieningen van de administratie Gezondheids- zorg, wordt de tuchtstraf 'afzetting' definitief opgelegd. Art.
  12. Het besluit van de directeur-generaal van de administratie Gezondheidszorg van 8 februari 2001, waarbij aan mevrouw Karla HOUDART de tuchtstraf 'afzetting' wordt opgelegd, wordt opgeheven. Art.
  13. Dit besluit treedt in werking de dag nadat het per aangetekende brief aan mevrouw Karla HOUDART is meegedeeld. Art.
  14. Een kopie van dit besluit zal worden meegedeeld aan het Rekenhof en aan de griffier van de raad van beroep.” Dit is de tweede bestreden beslissing. Over de ontvankelijkheid van het beroep 2.
  15. In haar memorie van antwoord werpt de verwerende partij een exceptie van onontvankelijkheid van het beroep op, in zoverre het gericht is tegen de beslissing van de directeur-generaal van de administratie Gezondheidszorg. Zij voert aan dat de bestreden beslissing van de secretaris-generaal van 20 april 2001 in de plaats is gekomen van de beslissing van de directeur-generaal van 8 februari 2001 en dat de verzoekster bijgevolg alleen beroep kan instellen tegen de beslissing IX-2882-11/29 van de secretaris-generaal. De middelen kunnen volgens de verwerende partij dan ook enkel onderzocht worden in zoverre ze betrekking hebben op het besluit van de secretaris-generaal. 2.
  16. In geval van een georganiseerd administratief beroep kan alleen tegen de in laatste aanleg genomen beslissing een vernietigingsberoep worden ingesteld. Te dezen heeft de verzoekster overeenkomstig artikel IX 17 van het besluit van de Vlaamse regering van 24 november 1993 houdende organisatie van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap en de regeling van de rechtspositie van het personeel (hierna : “Vlaams personeelsstatuut”) tegen het besluit van de directeur-generaal van de administratie Gezondheidszorg van 8 februari 2001 beroep ingesteld bij de raad van beroep. Artikel IX 15, derde lid, van het Vlaams personeelsstatuut, zoals gewijzigd bij besluit van de Vlaamse regering van 14 april 2000, bepaalt dat dit beroep de uitwerking van de tuchtstraf opschort. Ingevolge het devolutief karakter van het administratief beroep is het besluit van de secretaris-generaal van het departementWelzijn, Volksgezond- heid en Cultuur van 20 april 2001, waarbij aan de verzoekster definitief de tuchtstraf “afzetting” wordt opgelegd, in de plaats gekomen van het besluit van de directeur- generaal van 8 februari
  17. Dit laatste besluit is derhalve niet voor vernietiging vatbaar. De door de verzoekster tot staving van haar beroep aangevoerde middelen moeten derhalve alleen onderzocht worden in zoverre zij op het besluit van de secretaris-generaal van 20 april 2001 betrekking hebben. Over de gegrondheid van het beroep 3.
  18. De verzoekster roept een eerste middel in, afgeleid uit de schending van de artikelen IX 7, IX 8, IX 9 en IX 23, tweede lid, van het Vlaams personeelsstatuut, van de rechten van verdediging en de hoorplicht, van artikel IX 15, tweede lid, van het Vlaams personeelsstatuut en van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshande- IX-2882-12/29 lingen, doordat “de ten laste gelegde feiten zowel in de beslissing van de directeur- generaal van de administratie gezondheidszorg, als in de beslissing van de secretaris- generaal van het departement Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur, werden uitgebreid in vergelijking met de tenlastelegging geformuleerd in het strafvoorstel en de oproepingsbrief, zonder dat verzoekster zich hiertegen kon verweren en zonder dat dit afdoende werd gemotiveerd”. In een eerste onderdeel zet de verzoekster uiteen dat de artikelen IX 7, IX 8 en IX 9 van het Vlaams personeelsstatuut een duidelijk onderscheid maken tussen de overheid die de tuchtstraf voorstelt en de overheid die de tuchtstraf uitspreekt. Dit onderscheid wordt evenwel genegeerd wanneer de overheid die de tuchtstraf uitspreekt zelf feiten aan de tenlastelegging toevoegt, hetgeen in de bestreden beslissing is gebeurd. Ook artikel IX 23, dat bepaalt dat enkel feiten die de tuchtprocedure hebben gerechtvaardigd in aanmerking mogen worden genomen, is geschonden, nu ten onrechte bijkomende feiten in aanmerking werden genomen. In een tweede onderdeel laat de verzoekster gelden dat zij zich door voormelde uitbreiding van de tenlastelegging niet heeft kunnen verdedigen. Hierdoor werden haar rechten van verdediging en de hoorplicht geschonden. In een derde onderdeel stelt zij dat de formele motiveringsplicht geschonden is, omdat niet werd gemotiveerd waarom de tuchtoverheid van oordeel was dat de tenlastelegging in de beslissing mocht worden uitgebreid. 3.
  19. De verwerende partij betwist dat de tenlastelegging werd uitgebreid. Zij argumenteert dat in het tuchtvoorstel in verband met de strafmaat uitdrukkelijk wordt verwezen naar de negatieve nota’s in het kader van de evaluatie. Aldus was door het afdelingshoofd van meet af aan uitdrukkelijk aangegeven dat de sanctie moest gemotiveerd worden vanuit andere feitelijkheden waarin de tuchtfeiten kaderden. Voorts wijst de verwerende partij er nog op dat de verzoekster in haar verweer eveneens op de voorgeschiedenis van de zaak is ingegaan. 3.
  20. De verzoekster repliceert hierop in haar memorie van wederant- woord dat men zich bij het onderzoek van het middel moet plaatsen op het ogenblik dat de verzoekster zich moest verweren en dat bij de aanvang van de procedure nooit werd gesteld dat de algemene houding en het gedrag van de verzoekster of andere feiten het voorwerp waren van de tuchtprocedure. Zowel in het voorstel tot tuchtsanctie van het afdelingshoofd als in de uitnodiging voor de hoorzitting bij de IX-2882-13/29 directeur-generaal wordt enkel het dossier radiotherapie van het Limburgs Oncologisch Centrum als reden voor de tuchtprocedure vermeld. Een vage verwijzing in het voorstel tot tuchtsanctie naar zogenaamde negatieve nota’s volstaat niet en is geen concrete tenlastelegging. In de oproep voor de hoorzitting werd enkel het concrete dossier radiotherapie vermeld, zodat de verzoekster zich alleen tegen deze tenlastelegging kon verdedigen. 3.
  21. In haar laatste memorie dupliceert de verzoekster haar stelling dat de ten laste gelegde feiten zowel in de beslissing van de directeur-generaal van de administratie Gezondheidszorg, als in de beslissing van de secretaris-generaal van het departement Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur, werden uitgebreid in vergelijking met de tenlastelegging geformuleerd in het strafvoorstel en de oproepingsbrief. De verzoekster kon zich bijgevolg hiertegen niet verweren. Evenmin werd dit afdoende gemotiveerd. Zij herhaalt dat bij de aanvang van de tuchtprocedure door de tuchtoverheid nooit uitdrukkelijk is gesteld dat haar algemene houding en het algemene gedrag of andere feiten het eigenlijke voorwerp waren van de tuchtprocedure en dat dit uiteindelijk zou kunnen leiden tot afzetting. Zowel in het voorstel tot tuchtsanctie van het afdelingshoofd, als in de uitnodiging voor de hoorzitting van de directeur-generaal, werd enkel het concrete dossier radiotherapie van het Limburgs Oncologisch Centrum als reden voor de tuchtproce- dure vermeld. In het voorstel tot tuchtsanctie van het afdelingshoofd werd maar één paragraaf besteed aan de algemene houding en gedrag van de verzoekster en dan nog slechts in zeer vage en algemene bewoordingen. Een dergelijke vage verwijzing in het voorstel tot tuchtsanctie naar zogenaamde negatieve nota’s volstaat niet en is geen concrete tenlastelegging. De verzoekster stelt dat het niet aan haar is om uit te zoeken waartegen zij zich moet verdedigen maar dat dit duidelijk geformuleerd moet zijn in het voorstel tot tuchtsanctie en in de oproeping tot het verhoor. Ook tijdens de hoorzitting zelf is door de tuchtoverheid niet de indruk gewekt dat het om iets anders ging dan om het dossier radiotherapie. De verzoekster stelt dat in de beslissingen van de directeur-generaal en de secretaris-generaal de zaken echter volledig worden omgedraaid. Er wordt gesteld dat het concrete dossier radiotherapie van het Limburgs Oncologisch Centrum slechts een aanleiding was tot een tuchtprocedure en dat het in feite gaat om verzoeksters gedrag en attitude in het algemeen. De verzoekster beklemtoont nogmaals dat bijkomende feiten ten laste werden gelegd. 3.5.
  22. De verzoekster betoogt in essentie dat de haar ten laste gelegde feiten in de door haar bestreden beslissingen werden uitgebreid in vergelijking met IX-2882-14/29 de tenlastelegging geformuleerd in het strafvoorstel en de oproepingsbrief. De verzoekster stelt dat zij zich daartegen onvoldoende heeft kunnen verweren en dat de uitbreiding evenmin afdoende gemotiveerd werd. De eerste vraag die omtrent verzoeksters stelling rijst is of de tuchtoverheid daadwerkelijk nieuwe feiten aan de tenlastelegging heeft toegevoegd. Pas wanneer dit het geval is moet worden onderzocht of hierdoor verzoeksters rechten van verdediging en/of de motiveringplicht geschonden zijn. 3.5.
  23. Artikel IX 23, tweede lid, van het Vlaams personeelsstatuut bepaalt in dat verband dat de tuchtoverheid slechts feiten mag in aanmerking nemen die de tuchtprocedure gerechtvaardigd hebben. Er mogen met andere woorden geen nieuwe feiten aan de tenlastelegging worden toegevoegd. In het tuchtvoorstel van het afdelingshoofd wordt aan de verzoekster een deloyale houding bij de behandeling van het dossier radiotherapie van het Limburgs Oncologisch Centrum ten laste gelegd. Hierbij wordt “een ernstige tuchtsanctie” voorgesteld “te meer daar ten aanzien van betrokkene een aantal negatieve nota’s in het kader van PLOEG (evaluatiesysteem) zijn opgesteld, aan haar meegedeeld en in haar persoonlijk evaluatiedossier gestoken”. Er wordt meer bepaald het volgende vermeld: “Deze nota’s bevatten feiten, gestaafd met documenten, omtrent deloyaal gedrag, gebrek aan collegialiteit en solidariteit, problemen van productiviteit. Te noteren valt dat de laatste, haar aangetekend verzonden nota van 20.9.2000, in bijlage ook een kopie bevat van de verwittiging per mail in dossier LOC Limburg. Betrokkene kan dus niet beweren dat zij niet op de hoogte was. Zij heeft op geen enkele nota gereageerd, noch schriftelijk, noch mondeling. Herhaalde vragen en uitnodigingen tot gesprek werden zonder meer afgewezen. Zelfs het planningsgesprek voor de doelstellingen 2000 heeft zij niet willen voeren; de documenten werden haar aangetekend opgestuurd. Zij bemoeilijkt en hypothe- keert een efficiënte werking van de afdeling.” De ten laste gelegde feiten werden derhalve reeds in het tuchtvoorstel niet beschouwd als een eenmalig, op zichzelf staand incident, maar integendeel gesitueerd in een ruimere context van deloyaal gedrag, gebrek aan collegialiteit en solidariteit, en problemen van productiviteit. In het besluit van 20 april 2001 van de secretaris-generaal van het departement Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur wordt, in dezelfde zin, IX-2882-15/29 overwogen “dat het voor het bepalen van de strafmaat (...) aangewezen is ook rekening te houden met andere elementen dan de hierboven aangehaalde feiten die aanleiding hebben gegeven tot het opstarten van de tuchtprocedure; dat die feiten immers niet als op zichzelf staande feiten mogen worden beschouwd, maar dat ze moeten worden gekaderd binnen de algemene houding van mevrouw Karla Houdart ten aanzien van haar meerderen en collega’s”. In dat verband wordt uiteengezet dat de verzoekster “elke communicatie met het afdelingshoofd onmogelijk maakt”, dat die houding van de verzoekster niet vanuit de persoon van het afdelingshoofd kan gerechtvaardigd worden, aangezien zij ook reeds ten opzichte van het vroegere afdelingshoofd “systematisch maar niet minder expliciet evenzeer geweigerd heeft afspraken te maken of na te komen”, en dat zij “heeft geweigerd om in solidariteit met haar collega’s artsen een deel van de werklast van een collega in zwanger- schapsverlof over te nemen of alleszins, in weerwil van de opdracht die het afdelingshoofd had gegeven, geen enkel dossier van betrokken collega heeft behandeld”. Er kan derhalve worden vastgesteld dat het aan de verzoekster ten laste gelegd tuchtfeit, met name haar deloyale houding bij de behandeling van het dossier radiotherapie van het Limburgs Oncologisch Centrum, zowel in het strafvoorstel van het afdelingshoofd als in het besluit van de secretaris-generaal niet als een geïsoleerd incident werd gezien, maar als een uiting van de algemene houding van de verzoekster, die gekenmerkt wordt door deloyaal en niet collegiaal gedrag. Aldus blijkt dat de oorspronkelijke tenlastelegging niet werd uitgebreid. Het middel mist dan ook feitelijke grondslag. 4.
  24. De verzoekster roept een tweede middel in, afgeleid uit de schending van de artikelen IX 7, IX 8, IX 9 en IX 15, eerste lid, van het Vlaams personeelsstatuut, van de rechten van verdediging en de hoorplicht, van het redelijkheids- en het evenredigheidsbeginsel, van artikel IX 15, tweede lid, van het Vlaams personeelsstatuut en de formele motiveringsplicht en van de materiële motiveringsplicht, doordat in de bestreden beslissing de strafmaat werd verhoogd van de op één na laagste tuchtstraf “inhouding van salaris” naar de zwaarste tuchtstraf “afzetting”, zonder dat hiertoe aanleiding bestond of zonder dat dit afdoende formeel werd gemotiveerd. IX-2882-16/29 In een eerste onderdeel stelt de verzoekster dat het bepalen van de strafmaat aan het afdelingshoofd toekomt, en niet aan de directeur-generaal of de secretaris-generaal. De tuchtoverheid heeft deze bepalingen geschonden door het strafvoorstel van het afdelingshoofd zonder meer te negeren en een veel zwaardere tuchtstraf op te leggen. In een tweede onderdeel laat de verzoekster gelden dat de verhoging van de strafmaat voor gevolg heeft dat zij zich omtrent die strafmaat niet heeft kunnen verdedigen. In een derde onderdeel betoogt zij dat de straf niet in een redelijke verhouding staat tot de ten laste gelegde feiten, te meer daar de voorgestelde straf veel lichter was en zij een onberispelijke staat van dienst heeft met een blanco tuchtverleden. In een vierde onderdeel zet de verzoekster uiteen dat de tuchtoverheid niet op een afdoende wijze heeft gemotiveerd waarom de voorgestelde strafmaat niet kon volstaan. De stijlformule dat geen beterschap verwacht moet worden schiet ruimschoots te kort als motivering. Hetzelfde geldt voor de boude bewering dat de positie van de verzoekster binnen de organisatie definitief onmogelijk is geworden. 4.
  25. In verband met het eerste onderdeel antwoordt de verwerende partij, samengevat, dat de beslissing om een zwaardere tuchtstraf op te leggen dan werd voorgesteld, geen inbreuk vormt op de bevoegdheid van de overheid die het strafvoorstel formuleert. Inzake het tweede onderdeel argumenteert de verwerende partij dat de verzoekster zich wat de strafmaat betreft heeft kunnen verdedigen, doordat zij tegen de beslissing van de directeur-generaal een administratief beroep heeft kunnen instellen. Inzake het derde onderdeel stelt de verwerende partij dat het feit dat een zwaardere straf wordt opgelegd dan werd voorgesteld als zodanig niet onredelijk of onevenredig is. Inzake het vierde onderdeel is de verwerende partij van oordeel dat de vaststelling dat er wat de verzoekster betreft geen beterschap verwacht mag IX-2882-17/29 worden geen stijlformule is, maar een pertinente motivering om tot de zwaarste tuchtstraf te beslissen. 4.
  26. In haar memorie van wederantwoord stelt de verzoekster vooreerst dat de tuchtprocedure bij de aanvang werd voorgesteld als zijnde een tuchtzaak waarbij het ging om “inhouding van wedde” en zij niet werd geconfronteerd met het feit dat het zou gaan om een “afzetting”, zodat haar recht van verdediging werd geschonden. Bovendien werd haar zaak niet door de raad van beroep onderzocht en gaat de verwerende partij eraan voorbij dat in dat geval het advies van de raad van beroep geacht wordt gunstig te zijn. De verzoekster zet vervolgens uiteen dat door de tuchtoverheid een onjuiste en onvolledige voorstelling van zaken wordt gegeven, aangezien geen rekening wordt gehouden met haar gunstige evaluatieverslagen. De tuchtoverheid is bijgevolg onzorgvuldig te werk gegaan. Tenslotte argumenteert de verzoekster dat de tuchtoverheid niet kon oordelen dat een lichtere tuchtstraf haar niet tot beterschap zou aanzetten, aangezien zij in het verleden nooit een tuchtstraf heeft opgelopen en uit haar evaluatiedossier integendeel blijkt dat zij de doelstellingen jaar na jaar realiseert en zij haar werk plichtsbewust uitvoert. 4.
  27. In haar laatste memorie volhardt de verzoekster in haar middel. Waar in het auditoraatsverslag verwezen wordt naar het administratief beroep dat zij heeft ingesteld, repliceert de verzoekster dat de raad van beroep niet eens is bijeengekomen om haar dossier te onderzoeken. De verzoekster stelt dan ook dat zij zich niet zinvol heeft kunnen verdedigen ten aanzien van de strafmaat. Waar het auditoraatsverslag overwegingen uit de bestreden beslissing aanhaalt om te concluderen dat de strafmaat afdoende is gemotiveerd terwijl niet de vraag gesteld wordt naar de correctheid van de geciteerde motieven, stelt de verzoekster dat zij in de voorgaande procedurestukken omstandig de correctheid betwist en weerlegd heeft. 4.5.
  28. Wat betreft het eerste onderdeel, dient uitgegaan te worden van artikel IX 11 van het Vlaams personeelsstatuut, gewijzigd bij besluit van de Vlaamse regering van 14 april
  29. Dat artikel bepaalt onder meer dat het tuchtvoorstel uitdrukkelijk de tuchtstraf vermeldt die wordt voorgesteld. IX-2882-18/29 Geen enkele bepaling van het Vlaams personeelsstatuut verbiedt de tuchtoverheid een zwaardere tuchtstraf op te leggen dan die welke initieel werd voorgesteld. Wel bepaalt artikel IX 23 van het Vlaams personeelsstatuut dat de tuchtoverheid geen zwaardere tuchtstraf kan uitspreken dan de straf die uitgesproken is vóór beroep. Die bepaling waarborgt dat het instellen van beroep niet tot een strafverzwaring kan leiden en dat de betrokkene zich steeds nuttig kan verdedigen, zelfs indien door de tuchtoverheid in eerste aanleg een zwaardere tuchtstraf wordt uitgesproken dan initieel is voorgesteld. Het eerste onderdeel faalt naar recht. 4.5.
  30. Met betrekking tot het tweede onderdeel moet worden vastgesteld dat de afzetting de tuchtstraf is die door de directeur-generaal is opgelegd, en dat de verzoekster daartegen een administratief beroep heeft ingesteld. Het kwam daardoor aan de secretaris-generaal toe om definitief uitspraak te doen. De omstandigheid dat de raad van beroep te dezen geen hoorzitting heeft gehouden en geen advies heeft gegeven, neemt niet weg dat de verzoekster zich schriftelijk en mondeling voor de secretaris-generaal zelf heeft verdedigd. Zij kan dan ook niet gevolgd worden waar zij beweert dat zij zich, in het bijzonder ten aanzien van de strafmaat, niet nuttig heeft kunnen verdedigen. Het enkele feit dat een zwaardere tuchtstraf werd uitgesproken dan door het afdelingshoofd werd voorgesteld, heeft dienvolgens het recht van verdediging niet aangetast. Het tweede onderdeel kan niet aangenomen worden. 4.5.
  31. Wat betreft het derde onderdeel, dient eraan herinnerd te worden dat er slechts sprake is van een schending van het redelijkheidsbeginsel wanneer het bestuur op evidente wijze een onredelijk gebruik gemaakt heeft van zijn bevoegd- heid, met andere woorden wanneer het niet denkbaar is dat enige naar redelijkheid beslissende overheid de beslissing zou kunnen nemen. In tuchtzaken beschikt de overheid bij het bepalen van de strafmaat over een bijzonder ruime appreciatiebevoegdheid en kan de Raad van State enkel een kennelijk volkomen in wanverhouding tot de fout staande straf als IX-2882-19/29 onwettig beschouwen, dit wil zeggen een straf waarvan het in redelijkheid ondenkbaar is dat enige overheid ze voor die fout zou opleggen. Te dezen tonen de gegevens van het dossier aan dat de deloyale houding van de verzoekster bij de behandeling van het dossier radiotherapie van het Limburgs Oncologisch Centrum geen eenmalig, geïsoleerd incident was, maar integendeel het culminatiepunt vormt van een voortdurende negatieve houding van verzoekster ten opzichte van haar meerderen en collega’s, waardoor zij de behoorlijke werking van de dienst in het gedrang bracht. In die omstandigheden kan de keuze van de zwaarste tuchtstraf, die de definitieve verwijdering van de verzoekster uit de organisatie tot gevolg heeft, niet als kennelijk onredelijk worden aangemerkt. De omstandigheid dat door het afdelingshoofd een lichtere tuchtstraf werd voorgesteld en aan de verzoekster niet eerder een tuchtstraf werd opgelegd, doet hieraan geen afbreuk. Het derde onderdeel kan niet aangenomen worden. 4.5.
  32. Wat betreft het vierde onderdeel, moet verwezen worden naar de volgende overwegingen in verband met de op te leggen strafmaat, vervat in het bestreden besluit van de secretaris-generaal: - “dat door haar eigenzinnige, totaal onaanvaardbare handelwijze in het dossier van het Limburgs Oncologisch Centrum mevrouw Karla Houdart de vertrouwensrela- tie tussen de Vlaamse overheid en haarzelf helemaal heeft opgeblazen”; - “dat met inachtneming van de ruimere context van onwil in hoofde van Karla Houdart, waarbinnen die handelwijze dient te worden gesitueerd en waarbinnen ook gesprekken met het afdelingshoofd die statutair zijn opgelegd, door mevrouw Karla Houdart geweigerd worden (...), duidelijk geen heil te verwachten is van een lichtere tuchtstraf; dat de positie van mevrouw Karla Houdart binnen de organisatie definitief onmogelijk geworden is; dat er anders over oordelen, niet vol te houden is ten opzichte van de overige personeelsleden van de Vlaamse administratie en de hele werking van de Vlaamse administratie zou ondermijnen”; - “dat mevrouw Karla Houdart als ambtenaar van niveau A, die boogt op een jarenlange ervaring, een voorbeeldfunctie zou moeten vervullen ten opzichte van de andere ambtenaren; dat mevrouw Karla Houdart, ondanks haar grote deskundigheid die trouwens door niemand wordt betwist, door haar handelwijze IX-2882-20/29 en gedragingen het door de Vlaamse overheid in haar gestelde vertrouwen derwijze heeft beschaamd dat de tuchtstraf “afzetting”, bedoeld in artikel IX 2, 5/, van voormeld besluit van de Vlaamse regering van 24 november 1993, voor de hand ligt”. Met die overwegingen wordt in het besluit van de secretaris- generaal op afdoende wijze gemotiveerd waarom aan de verzoekster, in afwijking van het voorstel van het afdelingshoofd, de zwaarste straf wordt opgelegd. Het vierde onderdeel mist feitelijke grondslag. 5.
  33. De verzoekster roept een derde middel in, afgeleid uit de schending van artikel IX 25 van het Vlaams personeelsstatuut. Zij zet uiteen dat de bestreden tuchtstraf gebaseerd is op een aantal verjaarde feiten, waaronder: het afwijzen van communicatie gedurende het jaar 2000, de weigering om afspraken te maken met het vorige afdelingshoofd en de weigering om deze afspraken na te komen, de weigering instructies te aanvaarden, het laattijdig uitvoeren van opdrachten en de weigering om dossiers van een collega met zwangerschapsverlof over te nemen. Voorts stelt de verzoekster dat ook geen rekening gehouden mocht worden met de feiten die enkel vermeld werden in de nota’s van 12 april 2000 en 20 september 2000, aangezien die nota’s niet bij haar persoonlijk dossier werden gevoegd. 5.
  34. De verwerende partij antwoordt hierop, samengevat, dat de tuchtoverheid naar feiten van meer dan zes maanden vóór het instellen van de tuchtvervolging kon verwijzen om de voorgeschiedenis van de zaak te situeren en op de verweermiddelen van de verzoekster te antwoorden. De verwerende partij betwist dat de nota’s van 12 april 2000 en 20 september 2000 niet bij het persoonlijk dossier van verzoekster werden gevoegd. De verzoekster erkent trouwens de nota van 12 april 2000 te hebben ontvangen. De nota van 20 september 2000 werd aan de verzoekster met een aangetekend schrijven toegestuurd. Beide nota’s mochten derhalve in het kader van de tuchtprocedure in aanmerking worden genomen. IX-2882-21/29 5.
  35. De verzoekster repliceert dat artikel IX 25 van het Vlaams personeelsstatuut niet voorziet in afwijkingen of uitzonderingen op de regel dat feiten die zich situeren buiten de termijn van zes maanden enkel in rekening mogen worden gebracht voor de bepaling van de strafmaat voor zover zij als relevante bemerking zijn opgenomen in het persoonlijk dossier. Tevens houdt zij staande dat de nota’s van 12 april 2000 en 20 september 2000 zich niet in haar persoonlijk dossier bevinden. 5.
  36. In haar laatste memorie herhaalt de verzoekster dat de twee nota’s van het afdelingshoofd niet in haar persoonlijk dossier zitten en dat een aantal in aanmerking genomen feiten van veel vroeger dateren dan de verjaringstermijn van zes maanden. Waar in het auditoraatsverslag gesteld wordt dat het eerder gaat om een opeenvolging van feiten of een voortdurende gedraging die wordt bestraft, stelt de verzoekster dat dit in strijd is met artikel IX 25 van het Vlaamse personeelssta- tuut. Volgens deze bepaling kan enkel met verjaarde feiten rekening worden gehouden om de strafmaat te bepalen, doch niet om de tenlastelegging uit te breiden of te herkwalificeren. 5.5.
  37. Artikel IX 25, eerste en tweede lid, van het Vlaams personeelssta- tuut luidt als volgt : “De tuchtvordering mag alleen betrekking hebben op feiten die werden vastgesteld binnen een termijn van zes maanden voorafgaande aan de datum waarop de vordering wordt ingesteld. Bij de beoordeling van de strafmaat mogen evenwel relevante vermeldingen die in het persoonlijk dossier opgetekend werden, in aanmerking genomen worden.” Uit het tweede lid volgt dat de tuchtoverheid, onder de in het lid bepaalde voorwaarden, bij het bepalen van de strafmaat rekening kan houden met feiten die zich situeren buiten de termijn van zes maanden voorafgaand aan de datum van het instellen van de tuchtvordering. Daar komt bij dat wanneer de tuchtoverheid niet zozeer geïsoleer- de feiten, maar veeleer de houding van de betrokkene of een opeenvolging van feiten, als de uiting van een voortdurende laakbare gedraging, wil bestraffen, het laatste feit als aanvang van de verjaringstermijn geldt. Om de deloyale en oncollegiale houding van de verzoekster ten opzichte van haar meerderen en collega’s te illustreren, kon de tuchtoverheid IX-2882-22/29 derhalve feiten aanhalen die zich meer dan zes maanden vóór het instellen van de tuchtvordering hebben voorgedaan. 5.5.
  38. Wat betreft de bewering dat de nota’s van 12 april 2000 en 20 september 2000 niet in het persoonlijk dossier van verzoekster werden gevoegd, dient te worden opgemerkt dat de nota van 12 april 2000 dezelfde dag aan de verzoekster werd overhandigd en de nota van 20 september 2000 haar aangetekend werd opgestuurd. Beide nota’s werden bovendien gevoegd bij het tuchtdossier. Er valt bijgevolg niet in te zien hoe het eventueel ontbreken van die stukken in het persoonlijk dossier van de verzoekster haar zou hebben kunnen schaden. 5.5.
  39. Het middel kan niet aangenomen worden 6.
  40. De verzoekster roept een vierde middel in, afgeleid uit de schending van artikel IX 15, tweede lid, van het Vlaams personeelsstatuut, van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en van de materiële motiveringsplicht. Zij stelt dat de argumenten en middelen vervat in haar verweer- schrift “slechts in algemene bewoordingen en vage volzinnen (worden) ontmoet”, dat “op een aantal pertinente opmerkingen inzake de gevolgde procedure en de grond van de zaak (...) eenvoudig niet geantwoord (wordt)”, dat het ten laste gelegde feit in het dossier radiotherapie van het Limburgs Oncologisch Centrum niet afdoende bewezen is, dat “alle andere bijkomende ten laste gelegde feiten (...) loutere beweringen (zijn)”, dat de tuchtoverheid niet afdoende motiveert waarom het dossier radiotherapie van het Limburg Oncologisch Centrum een tuchtfeit is, en dat de strafmaat niet afdoende gemotiveerd wordt. 6.
  41. De verwerende partij erkent dat zij de plicht heeft om haar beslissing formeel te motiveren, maar stelt dat zij als orgaan van actief bestuur niet op alle verweermiddelen van de verzoekster moet antwoorden. Het volstaat dat de verweermiddelen door de overheid werden onderzocht. Voorts stelt de verwerende partij dat duidelijk is aangegeven dat de feiten als zodanig niet betwist worden en dat die feiten een uiterst ernstige inbreuk op de loyauteitsplicht uitmaken. De feiten die werden aangevoerd om de strafmaat te verantwoorden blijken uit het tuchtdossier en uit het persoonlijk dossier van de verzoekster. In het bestreden besluit wordt uitdrukkelijk uiteengezet dat het bestuur niet kan functioneren als elke ambtenaar IX-2882-23/29 enkel het eigen standpunt en het eigen gelijk wil verdedigen tegen het door de hiërarchie ingenomen standpunt in. 6.
  42. In haar memorie van wederantwoord zet de verzoekster uiteen dat zij het dossier radiotherapie van het Limburgs Oncologisch Centrum correct behandeld heeft. De vermelding dat zij geacht moet worden het standpunt van de administratie en de minister te verdedigen bij de Vlaamse adviesraad voor verzorgingsvoorzieningen en dat zij de instructies van het afdelingshoofd heeft genegeerd, zijn onvoldoende als motivering. De verzoekster heeft er immers in haar verweer uitdrukkelijk op gewezen dat zij geen inbreuk op de deontologische code heeft gepleegd en zich loyaal heeft gedragen, aangezien zij in de uitoefening van haar ambt de wetten en reglementen dient na te leven en zij geen instructies heeft genegeerd. 6.4.
  43. De formele motiveringsplicht moet het de betrokkene mogelijk maken de concrete redenen te achterhalen die het bestuur tot zijn beslissing hebben gebracht. In tuchtzaken betekent zulks dat de motivering de betrokkene moet duidelijk maken welke feiten de overheid in aanmerking heeft genomen, waarom die feiten, wanneer zulks niet duidelijk is, een inbreuk op de tucht uitmaken, en waarom zij de uiteindelijke tuchtstraf verantwoorden. Uit de lezing zelf van het bestreden besluit blijkt dat aan deze vereisten is voldaan. 6.4.
  44. De verzoekende partij stelt dat de argumenten en middelen vervat in haar verweerschrift “slechts in algemene bewoordingen en vage volzinnen (worden) ontmoet” en dat “op een aantal pertinente opmerkingen inzake de gevolgde procedure en de grond van de zaak (...) eenvoudig niet geantwoord (wordt)”. De formele motiveringsplicht houdt voor de overheid echter geen verplichting in om te antwoorden op elk van de argumenten die de betrokkene te harer verdediging aanvoert. Het volstaat dat uit de motivering van de bestreden beslissing impliciet of expliciet blijkt dat deze argumenten in de besluitvorming werden betrokken en dat hieruit afgeleid kan worden waarom de argumenten niet werden aangenomen. IX-2882-24/29 Te dezen blijkt dat in het bestreden besluit expliciet en in duidelijke bewoordingen op de essentiële argumenten uit het verweerschrift van de verzoekster wordt geantwoord. De kritiek die de verzoekster ter zake in het middel, overigens in zeer algemene bewoordingen, op het bestreden besluit uitoefent, mist dan ook elke grond. 6.4.
  45. De verzoekster stelt voorts dat de ten laste gelegde feiten niet afdoende bewezen zijn. De verzoekster ontkent nochtans niet dat zij in het dossier radiotherapie van het Limburgs Oncologisch Centrum voor de Vlaamse adviesraad voor de erkenning van verzorgingsvoorzieningen niet het standpunt van de administratie en van de bevoegde Vlaamse minister, maar haar persoonlijk standpunt wou verdedigen. Zij betwist weliswaar dat dit een tuchtfeit zou zijn, maar zij negeert aldus het feit dat in het bestreden besluit zeer omstandig en op afdoende wijze is uiteengezet, dat haar handelwijze in dit dossier een manifeste inbreuk op de loyauteitsverplichting vormt. 6.4.
  46. De verzoekster stelt voorts dat “alle andere bijkomende ten laste gelegde feiten (...) loutere beweringen (zijn)”. Wanneer de feiten in een tuchtzaak betwist worden, dient de Raad van State niet als rechter in hoger beroep uit te maken wat naar zijn oordeel als de juiste toedracht van de aan de tuchtsanctie ten grondslag liggende feiten moet beschouwd worden, maar dient hij alleen na te gaan of de overheid naar recht en redelijkheid tot haar voorstelling van de feiten is gekomen. Te dezen laat de verzoekster na te verduidelijken waarom de tuchtoverheid, steunend op de talrijke dossierstukken die het voortdurend gedrag van de verzoekster illustreren, niet naar recht en redelijkheid tot haar voorstelling van de feiten is kunnen komen. 6.4.
  47. Tenslotte houdt de verzoekster staande dat de strafmaat niet afdoende is gemotiveerd. IX-2882-25/29 Zoals bij de bespreking van het vierde onderdeel van het tweede middel is gesteld, is in het bestreden besluit op afdoende wijze gemotiveerd waarom aan de verzoekster de zwaarste tuchtstraf wordt opgelegd. 6.4.
  48. Het middel kan niet aangenomen worden. 7.
  49. De verzoekster roept tenslotte een vijfde middel in, afgeleid uit de schending van “de materiële motiveringsplicht als algemeen rechtsbeginsel en de artikelen 2 en 3 van de Wet Motivering Bestuurshandelingen”. Zij stelt dat de tuchtstraf werd opgelegd voor feiten die geen tuchtfeiten zijn en dat de verwerende partij in gebreke blijft afdoende te motiveren waarom de feiten die haar ten laste worden gelegd tuchtfeiten zijn. In de toelichting bij het middel zet zij uiteen dat de tuchtprocedure moet gezien worden in de context van “een voortdurend pestgedrag door het afdelingshoofd”, dat haar bij de behandeling van het dossier Limburgs Oncologisch Centrum geen gebrek aan loyaliteit kan worden verweten en dat ook de andere in de bestreden beslissing geformuleerde tuchtbetichtingen niet bewezen zijn. Wat dit laatste betreft betwist zij dat zij elke schriftelijke en mondelinge communicatie zou hebben afgewezen, dat zij geweigerd zou hebben instructies van het afdelingshoofd te aanvaarden en opdrachten van de directeur-generaal en de secretaris-generaal niet uitvoert, dat zij geweigerd zou hebben de werklast van een collega in zwanger- schapsverlof over te nemen en dat zij alleen artsen met jarenlange ervaring het recht zou hebben toegekend hun mening te geven over de uitvoering van het gezondheids- beleid in concrete dossiers. 7.
  50. De verwerende partij antwoordt hierop, samengevat, dat uit de uiteenzetting van het middel blijkt dat de verzoekster weet waarom zij werd afgezet. Haar verwijten tegenover het afdelingshoofd houden, aldus de verwerende partij geen steek. Het afdelingshoofd heeft zich integendeel zeer geduldig en tactvol opgesteld. Voor de verwerende partij is het overduidelijk dat de verzoekster bij de behandeling van het dossier van het Limburgs Oncologisch Centrum niet loyaal gehandeld heeft, niet loyaal wenste te handelen en zelfs vanuit haar onaanvaardbare vooringenomenheid niet wil begrijpen wat loyaliteit betekent. Tenslotte stelt de verwerende partij dat de feiten die worden vermeld tot motivering van de zwaarte van de straf en ter weerlegging van de door de verzoekster ingeroepen argumenten afdoende bewezen zijn door de stukken van het dossier. IX-2882-26/29 7.
  51. In haar repliek stelt de verzoekster dat uit de door het afdelings- hoofd opgestelde nota’s blijkt dat haar houding allesbehalve neutraal was en een pestend karakter had. Er wordt geen enkel positief feit vermeld, situaties worden negatief uitvergroot of verkeerd voorgesteld, en alles wat de verzoekster doet en zegt wordt bekritiseerd. Door deze houding was een normaal gesprek met het afdelings- hoofd niet meer mogelijk. 7.4.
  52. Aangaande het door de verzoekster aan het afdelingshoofd verweten “pestgedrag” wordt in het bestreden besluit overwogen : “dat [...] noch uit de nota’s noch uit de kopies van door het afdelingshoofd aan mevrouw Karla Houdart gerichte mailberichten, die zich in het tuchtdossier bevinden, enig pestend karakter blijkt; dat integendeel uit het dossier blijkt dat in haar briefwisseling naar mevrouw Karla Houdart toe het afdelingshoofd zich neutraal opstelt en daarbij steeds, altijd maar weer, inspanningen en suggesties doet om de communicatie met mevrouw Karla Houdart te verbeteren en afspraken te maken; dat het feit dat mevrouw Karla Houdart in een aantal van die nota’s in gebreke werd gesteld, nog niet betekent dat ze een pestende inhoud hebben; dat, mocht mevrouw Karla Houdart het optreden van het afdelings- hoofd als pesterij ervaren, het verbazing wekt dat zij die toestand niet vroeger heeft aangeklaagd bij de daarvoor geëigende instanties zoals ondermeer de departementale opdrachthouder HRM; dat zij geen enkel stuk voorlegt waaruit kan blijken dat ze vóór aanvang van de tuchtprocedure die toestand heeft aangeklaagd; dat zij er nergens in slaagt om te bewijzen dat er effectief sprake is van pesterijen; dat mevrouw Houdart zich blijkbaar ten onrechte probeert te manoeuvreren in een slachtofferrol.” Uit de dossierstukken kan in redelijkheid afgeleid worden dat het afdelingshoofd tegenover de verzoekster blijk heeft gegeven van veel geduld en een blijvende bereidheid om met de verzoekster tot een normale arbeidsrelatie te komen. De beweringen van de verzoekster in verband met een zogenaamd “pestgedrag” vanwege het afdelingshoofd vinden daarentegen geen steun in het dossier. 7.4.
  53. Het staat buiten kijf dat de verzoekster bij de behandeling van het dossier radiotherapie van het Limburgs Oncologisch Centrum, tegen de uitdrukkelij- ke instructie van haar afdelingshoofd in, voor de Vlaamse adviesraad voor de erkenning van verzorgingsvoorzieningen niet het standpunt van de administratie en van de bevoegde Vlaamse minister, maar haar persoonlijk standpunt wou verdedi- gen. Slechts door het optreden van het afdelingshoofd kon verhinderd worden dat dit standpunt in de adviesraad werd medegedeeld en dat de verzoekster het woord kreeg. IX-2882-27/29 De inbreuk op de loyaliteitsverplichting is dan ook, zoals in het bestreden besluit in niet mis te verstane bewoordingen wordt uiteengezet, manifest. De verwerende partij kon in redelijkheid van oordeel zijn dat de verzoekster zich als ambtenaar moest houden aan het standpunt dat door de administratie en de bevoegde Vlaamse minister was ingenomen. De argumentatie van de verzoekster waarbij haar standpunt in dit dossier als het enig juiste wordt voorgesteld en waarbij wordt voorgehouden dat het standpunt van de bevoegde Vlaamse minister gebaseerd is op onvolledige en foutieve informatie, is ter zake dan ook niet relevant. 7.4.
  54. Zoals in het bestreden besluit wordt vastgesteld heeft de verzoekster tijdens de hoorzitting van 30 januari 2001 erkend dat zij geen elektronische berichten leest van het afdelingshoofd en dat zij dus niet op de hoogte is van de instructies die haar op die wijze gegeven worden, en dat zij bovendien een aangetekend schrijven, waarop zij het handschrift van het afdelingshoofd heeft herkend, ongeopend heeft gelaten. De dossierstukken tonen voorts afdoende aan dat de verzoekster ook andere communicatie heeft geweigerd en zelfs de statutair voorziene functionerings- en planningsgesprekken heeft geweigerd. Ook de andere feiten die tegen de verzoekster werden aangevoerd konden door de tuchtoverheid op grond van de dossierstukken naar recht en redelijkheid als bewezen worden beschouwd. Zo kan, wat betreft de weigering om opdrachten uit te voeren en de weigering om de werklast van een collega in zwangerschapsverlof over te nemen, verwezen worden naar de nota van 12 april 2000, waarop door de verzoekster nooit werd gereageerd. 7.4.
  55. Het middel mist feitelijke grondslag. IX-2882-28/29 OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  56. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  57. De kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 347,06 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 27 juni 2008, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, D. MOONS, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. P. LEMMENS. IX-2882-29/29 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.184.916 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2001:ARR.101.163 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.