id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 27 juni 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.184.917 Rolnummer: A. 131112/IX-3645 Zaak: Arrest 184917 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 27/06/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-07-29 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-06-29 08:19 Fiche Arrest nr 184.917 van 27 juni 2008 Openbaar ambt - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 184.917 van 27 juni 2008 in de zaak A. 131.112/IX-
- In zake : Luc BAUWENS, die woonplaats kiest bij advocaten W. VAN DER GUCHT en F. DIEU, kantoor houdende te GENT, Sint-Denijslaan
- tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door
- de minister van Justitie, die woonplaats kiest bij advocaat P. LUYPAERS, kantoor houdende te HEVERLEE, Industrieweg 4, bus
- de minister van Werkgelegenheid, thans de minister van Werk. tussenkomende partij : Ginette WILDERO, die woonplaats kiest bij advocaat P. DEVERS, kantoor houdende te GENT, Kouter 71-
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Luc BAUWENS op 27 december 2002 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het koninklijk besluit van 17 oktober 2002 waarbij Ginette WILDERO wordt benoemd tot hoofdgriffier van de arbeidsrechtbank te GENT; Gelet op het arrest nr. 119.545 van 19 mei 2003 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen; Gezien het verzoek tot voortzetting van de rechtspleging ingediend op 10 juli 2003 door de verzoekende partij; IX-3645-1/17 Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst van Ginette WILDE- RO; Gelet op de beschikking van 20 augustus 2003 die de tussenkomst van Ginette WILDERO toelaat; Gezien de memorie van antwoord van de eerste verwerende partij en de memorie van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op de beschikking van 20 oktober 2004 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories van de verzoekende en de tussenkomende partij; Gelet op de beschikking van 3 juni 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 23 juni 2008; Gehoord het verslag van kamervoorzitter P. LEMMENS; Gehoord de opmerkingen van advocaat F. DIEU die verschijnt voor de verzoeker, van advocaat H.-K. CARÊME, die loco advocaat P. LUYPAERS verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat P. WAEGEMANS, die loco advocaat P. DEVERS verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelings- hoofd W. VAN NOTEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : Over de gegevens van de zaak IX-3645-2/17 1.
- Op het ogenblik van de bestreden beslissing is de verzoeker griffier-hoofd van dienst bij de Arbeidsrechtbank te Gent. Sinds 31 maart 2002 is hij aangesteld als waarnemend hoofdgriffier, dit ten gevolge van de pensionering van de hoofdgriffier. 1.
- Het ambt van hoofdgriffier van de Arbeidsrechtbank te Gent was inmiddels in het Belgisch Staatsblad van 8 februari 2002 vacant verklaard. Er zijn zeven kandidaten voor de functie, onder wie de verzoeker en de tussenkomende partij. Laatstgenoemde is griffier-hoofd van dienst bij de Arbeidsrecht- bank te Brugge. Beide genoemde kandidaten krijgen het advies “zeer geschikt” van de voorzitter van de Arbeidsrechtbank te Gent en van de arbeidsauditeur bij die rechtbank. Op 18 april 2002 dient de verzoeker tegen het advies van de voorzitter van de arbeidsrechtbank beroep in bij de Raad van Beroep van het rechtsgebied van het Hof van Beroep te Gent. Hij vraagt een aantal overwegingen van het advies te wijzigen en het advies “zeer geschikt” te wijzigen in “meest geschikt”. Ter zitting van de raad van beroep verklaart hij een wijziging te vragen in “bijzonder geschikt”. In zijn advies van 15 mei 2002 oordeelt de raad van beroep “dat er geen bijkomende parameters kunnen aangewend worden”, en dat hij enkel de wettelijke beoordelingen “ongunstig”, “gunstig” of “zeer geschikt” kan toekennen. Hij bevestigt het door de voorzitter van de arbeidsrechtbank verleende advies “zeer geschikt” . Bij koninklijk besluit van 17 oktober 2002 wordt de tussenkomende partij benoemd. Dit besluit bevat onder meer de volgende overwegingen: “Overwegende dat de heer Bauwens Luc thans waarnemend hoofdgriffier is op de plaats van de vacature en over de ganse lijn zeer gunstig wordt beoordeeld; dat de voorzitter echter opmerkt dat zijn beleidsplan een opsomming is van goede bedoelingen en communicatie; dat anderzijds zijn IX-3645-3/17 beleidsplan een geïntegreerde visie mist van een justitie in volle beweging en de echte problemen die er thans zijn niet aangeraakt worden nl. de verdeling van de werklast van de griffiers en de wijze waarop ze hun opdrachten vervullen en de motivering van het griffiepersoneel; dat ook geen melding gemaakt wordt van de verhouding met het arbeidsauditoraat dat nochtans een toezichthoudende rol te vervullen heeft en dat echte objectieven en doelstellingen niet nadrukkelijk aanwezig zijn; Overwegende dat de voorzitter verder stelt dat het mogelijk is dat de kandidaat, zoals hijzelf voorhoudt, tijdens zijn huidig mandaat van hoofd van dienst niet de vereiste begeleiding en vrijheid van handelen kreeg van de voormalige hoofdgriffier en daardoor niet echt heeft kunnen bewijzen dat hij in staat was op een volwaardige manier leiding te geven; dat wel zeker is dat (hij) zijn ervaring, kennis van de rechtbank en vooral zijn goede wil en loyauteit ter beschikking zal stellen zodat hij perfect zou passen in de piramidale structuur van een organisatie: vlak onder de hoogste leiding en als onmisbare tussen- persoon tussen deze top en het personeel; dat hem dan ook [het] voordeel van de twijfel kan worden gegeven en het niet uitgesloten lijkt dat hij, eenmaal aan het hoofd van de griffie, zijn verantwoordelijkheid ten volle opneemt en uiteindelijk, met de steun van de korpschef doelstellingen uittekent en realiseert die wijzen in de richting van een moderne justitie; dat de adviesverlener en de arbeidsauditeur zeer gunstig besluit; Overwegende dat de heer Luc Bauwens een verzoek bij de Raad van beroep indiende teneinde zijn advies om te zetten in 'meest geschikt'; dat hij zijn doelstelling op de zitting echter wijzigde in 'bijzonder geschikt' en dat bij proces-verbaal van 15 mei 2002 zijn advies echter ongewijzigd blijft; [...] Overwegende dat Wildero Ginette thans griffier-hoofd van dienst is bij de arbeidsrechtbank te Brugge en dat zij over de ganse lijn zeer gunstig beoordeeld wordt; Overwegende dat deze kandidate in dienst trad op 1 juni 1972 als beambte bij het arbeidsauditoraat te Gent; dat zij benoemd werd in 1981 tot klerk-griffier bij de arbeidsrechtbank te Brugge; dat zij er onafgebroken tewerkgesteld bleef tot op heden en dat zij, er sedert het jaar 2000, griffier-hoofd van dienst en secretaris van de voorzitter is; Overwegende dat betrokkene gans haar -inmiddels lange- professionele carrière gewijd heeft aan arbeids- en sociale zekerheidsrecht, eerst als medewerker bij het arbeidsauditoraat te Gent, nadien als klerk-griffier, griffier en thans hoofd van dienst bij de arbeidsrechtbank te Brugge; Overwegende dat haar verdiensten en kwaliteiten uitzonderlijk zijn en unaniem worden geprezen door de voorzitter, de arbeidsauditeur en de hoofdgriffier van de arbeidsrechtbank te Brugge; dat de voorzitter -adviesverlener- zich met volle overtuiging daarbij aansluit, steunend op zijn eigen ervaring en op de voortreffelijke samenwerking die hij met haar heeft gekend, als gewezen magistraat bij de arbeidsrechtbank te Brugge; Overwegende dat zij alle facetten van de werking van een arbeidsrechtbank zowel op het vlak van de procedure als op het vlak van de bevoegdheden kent; Overwegende dat zij verantwoordelijk is voor de dagstellingen van alle zaken, in samenspraak met alle magistraten; dat zij het secretariaat van de voorzitter verzorgt waarbij zij getuigt van een grote vorm van discretie; dat zij de rechterhand is van de hoofdgriffier en hem perfect vervangt bij zijn afwezigheid; dat zij thans een gewaardeerd hoofd van dienst is die met zin voor luisterbereidheid en empathie haar collega's en personeel leidt en begeleidt; Overwegende dat zij daarnaast nieuwe initiatieven ontplooit en er niet voor terugschrikt om zich ook in haar vrije uren ter beschikking te stellen; IX-3645-4/17 Overwegende dat haar houding met publiek en advocaten correct en beslist is en dat zij een bijzondere aandacht heeft voor de sociaal zwakkeren die zij steeds met grote welwillendheid begeleidt in de voor hen soms moeilijke weg van de gerechtelijke procedure; Overwegende dat zij de persoon van het overleg is, hetzij individueel hetzij in groepen; dat zij een bijzonder motiverende invloed heeft op haar medewerkers en allen rondom haar; Overwegende dat zij inmiddels de managementsopleiding bij het Instituut voor de Overheid met goed gevolg heeft beëindigd en dat zij ook haar eindwerk 'Informatisering van de griffie van de arbeidsrechtbank te Brugge' in de praktijk heeft gerealiseerd en dat deze door haar doorgevoerde informatisering thans model staat voor vele andere rechtbanken; Overwegende dat haar beleidsplan mogelijk geen onmiddellijk bruikbaar en concreet werkinstrument is, gericht op de arbeidsrechtbank te Gent, doch dit het gevolg is [van het feit] dat zij de specifieke Gentse situatie niet kent, reden waarom zij zichzelf een inloopperiode toebedeelt om zich eigen te maken aan de nieuwe omgeving en dat binnen dit beleidsplan evenwel bijzondere aandacht besteed wordt aan overleg waarbij haar luisterbereidheid centraal staat; Overwegende dat, zoals aangeduid door de voorzitter, de auditeur en de hoofdgriffier van de arbeidsrechtbank te Brugge, de kandidaat dermate hoge kwaliteiten verzamelt, zowel op professioneel als op menselijk vlak, dat haar aanstelling tot hoofdgriffier ongetwijfeld een aanzienlijke meerwaarde zou betekenen voor de arbeidsrechtbank te Gent; Overwegende dat het advies van de arbeidsauditeur 'zeer geschikt' is; Overwegende dat betrokkene de meest geschikte kandidate is voor het te begeven ambt; Overwegende dat betrokkene de wettelijke benoemingsvoorwaarden vervult.” Het koninklijk besluit van 17 oktober 2002 wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 31 oktober
- Het vormt het voorwerp van het voorliggende beroep. Over de gegrondheid van het beroep 2.
- De verzoeker roept een eerste middel in, afgeleid uit de schending van artikel 287bis van het Gerechtelijk Wetboek. Hij voert aan dat in het advies van de voorzitter van de arbeidsrechtbank de vorming van de verzoeker slechts uiterst summier wordt toegelicht en er geen gewag gemaakt wordt van de diverse opleidingen, zowel die inzake leiding geven en informatica als de specifieke opleidingen van het ministerie van Justitie die hij gevolgd heeft. Evenmin wordt verwezen naar verzoekers beoordelingsstaat en naar de notities en eindvermelding die in zijn beoordelingsstaat zijn opgenomen. Bovendien, zo stelt de verzoeker, heeft de voorzitter van de IX-3645-5/17 arbeidsrechtbank, door de kandidaten te verzoeken een beleidsplan in te dienen, een selectiecriterium opgelegd dat niet door de wet is voorgeschreven, en blijkt uit de motivering van het bestreden besluit, waarin de adviezen van de voorzitter zijn overgenomen, dat bij de beoordeling van de kandidaten niet op dezelfde wijze met het beleidsplan rekening werd gehouden. Waar de voorzitter stelt dat het beleidsplan van de tussenkomende partij onbruikbaar is, maar hij hier verder geen belang aan hecht omdat zij de Gentse situatie niet kent, grijpt hij het beleidsplan van de verzoeker aan om een aantal bedenkingen te formuleren bij diens geschiktheid om het vacante ambt uit te oefenen. 2.
- De verwerende partij merkt in haar memorie van antwoord vooreerst op dat het middel feitelijke grondslag mist, omdat daarin uitsluitend het advies van de voorzitter van de arbeidsrechtbank wordt bekritiseerd, terwijl het advies van de raad van beroep in de plaats gekomen is van het advies van de voorzitter. Subsidiair betoogt zij dat het advies van de voorzitter van de arbeidsrechtbank wel degelijk de vorming, de ervaring en de bekwaamheid van de verzoeker belicht en, naast een opsomming van zijn diploma’s en titels, vermeldt dat hij met vrucht in de managementopleiding voor hoofdgriffier geslaagd is en zeer beslagen is in informatica. Voorts merkt de verwerende partij op dat het beleidsplan dat op verzoek van de voorzitter van de arbeidsrechtbank werd opgesteld, geen benoemingsvereiste is, maar een houvast voor de adviesverlenende instanties bij de beoordeling van de bekwaamheid van de kandidaten. De verzoeker werd hierbij niet benadeeld, want zowel voor hem als voor de benoemde kandidaat werd uitdrukkelijk gemotiveerd waarom de gebreken in het beleidsplan konden worden gerechtvaardigd. 2.
- In zijn memorie van wederantwoord stelt de verzoeker dat het argument dat het advies van de raad van beroep in de plaats gekomen is van het advies van de voorzitter van de arbeidsrechtbank, voorbijgaat aan het feit dat het advies van de voorzitter in het bestreden besluit wordt overgenomen. Ten gronde herhaalt hij dat zijn vorming slechts summier wordt toegelicht en er niet verwezen wordt naar zijn beoordelingsstaat. IX-3645-6/17 Tevens dupliceert hij zijn stelling dat de kandidaten, wat het opmaken van het beleidsplan betreft, op ongelijke wijze beoordeeld werden. 2.
- De tussenkomende partij stelt in haar memorie dat het advies van de voorzitter van de arbeidsrechtbank wel degelijk voldoet aan alle vereisten van artikel 287bis van het Gerechtelijk Wetboek. 2.
- Waar in het auditoraatsverslag wordt gesteld dat de verzoeker niet benadeeld zou zijn door het niet vermelden van zijn beoordeling “zeer goed”, omdat hij door de voorzitter in zijn advies als “zeer geschikt” werd beoordeeld, repliceert de verzoeker in zijn laatste memorie dat in het advies van de voorzitter twee kandidaten “zeer geschikt” werden bevonden en dat dus andere elementen de benoemende overheid hebben geleid in het maken van een keuze tussen de kandidaten. De verzoeker meent dat het absoluut niet zeker is dat de vermelding van zijn beoordelingsstaat geen enkele invloed gehad zou kunnen hebben. Tevens blijft de verzoeker bij zijn stelling dat de gehanteerde beoordelingscriteria niet voor iedere kandidaat dezelfde waren en dat die criteria niet op eenzelfde objectieve wijze op de kandidaten werden toegepast. Waar de auditeur-verslaggever in zijn verslag stelt dat bij de objectieve beoordeling van het beleidsplan, dat de kandidaten op verzoek van de voorzitter hebben ingediend, rekening gehouden kon worden met de voorkennis van de kandidaten of het gebrek aan voorkennis in verband met specifieke problemen eigen aan de rechtbank, repliceert de verzoeker dat dergelijke werkwijze de kandidaat die een gebrek aan voorkennis heeft bevoordeelt, nu diens eventuele tekorten of onvolkomenheden in het beleidsplan automatisch vergoelijkt worden door dat gebrek aan voorkennis. De verzoeker meent dat op die wijze geen objectieve vergelijking mogelijk is. Als de voorzitter van de arbeidsrechtbank stelt dat het door de tussenkomende partij opgestelde document door het gebrek aan voorkennis onbruikbaar is, met als gevolg dat daarmee in de beoordeling weinig rekening wordt gehouden, terwijl de verzoeker in het advies juist zwaar wordt afgerekend op het IX-3645-7/17 door hem ingediende beleidsplan, dan stelt de verzoeker dat hij beoordeeld wordt op een criterium waarop de tussenkomende partij niet beoordeeld is. 2.
- In haar laatste memorie schrijft de tussenkomende partij dat de verzoeker in vergelijking met haar geen kennelijk grotere aanspraken heeft. Ook de door de verzoeker aangehaalde gegevens die door de verwerende partij zouden zijn veronachtzaamd kunnen niets aan deze situatie veranderen. Zij houdt vol dat de beoordeling van de kandidaten redelijk en objectief is gebeurd. 2.7.
- Overeenkomstig artikel 287bis van het Gerechtelijk Wetboek dient de minister van Justitie bij de benoeming van een hoofdgriffier van een arbeidsrechtbank het advies in te winnen van de voorzitter van de arbeidsrechtbank en van de arbeidsauditeur bij die rechtbank. Artikel 287bis, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt in verband met de te verlenen adviezen hetgeen volgt: “§
- Het advies wordt gemotiveerd. Het belicht de vorming, de ervaring, de kwaliteiten van de kandidaat en zijn bekwaamheid om het vacante ambt uit te oefenen; het wordt, in voorkomend geval, gestaafd door de notities en de eindvermelding opgenomen in zijn beoordelingsstaat.” 2.7.
- In zoverre de verwerende partij stelt dat het advies van de raad van beroep in de plaats zou zijn gekomen van het door de verzoeker bekritiseerde advies van de voorzitter van de arbeidsrechtbank, moet worden opgemerkt dat het advies van de voorzitter door de raad van beroep bevestigd werd en dat de inhoud ervan in het bestreden besluit wordt overgenomen. Er is dan ook geen reden om het middel “feitelijke grondslag” te ontzeggen op grond dat het advies van de raad van beroep het advies van de arbeidsrechtbank vervangen zou hebben. 2.7.
- De verzoeker is van oordeel dat het advies van de voorzitter van de arbeidsrechtbank niet aan artikel 287bis van het Gerechtelijk Wetboek beantwoordt, in de eerste plaats omdat zijn vorming daarin slechts “uiterst summier” zou zijn toegelicht. Het advies van de voorzitter vermeldt desbetreffend: “[De verzoeker] deed ook bijzondere pogingen om zich bij te scholen en volgde zowat alle opleidingen die voor hem openstonden. Zijn eindwerk in het kader van de managementopleiding voor de Nederlandstalige hoofdgriffier sluit aan bij zijn sterk punt: de griffie en de dagdagelijkse werking en problemen ervan. De titel: “de griffie : een klantvriendelijke motor van de rechtbank” is hem op het lijf geschreven. IX-3645-8/17 Ook de informatica heeft voor hem geen geheimen meer. Hij deed bijzondere inspanningen om zich daarin bij te scholen en stelt deze kennis graag ten dienste van iedereen.” Het advies van de voorzitter bevat derhalve een voldoende duidelijke beoordeling van de vorming die de verzoeker genoten heeft. De verplichting om “de vorming” van de kandidaten te belichten, houdt niet in dat het advies een volledige opsomming dient te bevatten van alle opleidingen die de betrokkene gevolgd heeft. 2.7.
- De verzoeker stelt voorts dat in het advies niet naar zijn beoordelingsstaat wordt verwezen. De verzoeker werd evenwel in het advies van de voorzitter van de arbeidsrechtbank als “zeer geschikt” beoordeeld. Er valt dan ook niet in te zien wat de expliciete vermelding van zijn beoordeling “zeer goed” daaraan had kunnen toevoegen of verbeteren. Het ontbreken van een verwijzing naar verzoekers beoordelingsstaat heeft hem dan ook geen nadeel toegebracht. 2.7.
- De verzoeker betoogt tenslotte dat in de adviezen niet op dezelfde wijze rekening werd gehouden met het door de kandidaten ingediende beleidsplan. Het beleidsplan dat van de kandidaten gevraagd werd, had tot doel de voorzitter in staat te stellen het door artikel 287bis van het Gerechtelijk Wetboek voorgeschreven advies uit te brengen. In het advies van de voorzitter van de arbeidsrechtbank over de tussenkomende partij wordt in verband met haar beleidsplan gesteld dat dit “mogelijk geen onmiddellijk bruikbaar en concreet werkinstrument is, gericht op de arbeidsrechtbank te Gent, doch dit het gevolg is [van het feit] dat zij de specifieke Gentse situatie niet kent, reden waarom zij zichzelf een inloopperiode toebedeelt om zich eigen te maken aan de nieuwe omgeving”. Er wordt aan toegevoegd dat “binnen dit beleidsplan evenwel bijzondere aandacht besteed wordt aan overleg waarbij haar luisterbereidheid centraal staat”. In het advies over de kandidatuur van de verzoeker wordt over diens beleidsplan het volgende gesteld : IX-3645-9/17 “Zijn beleidsplan is een opsomming van goede bedoelingen en communicatie. Anderzijds mist het een geïntegreerde visie op een justitie in volle beweging en worden de echte problemen die er thans zijn niet aangeraakt: de verdeling van de werklast van de griffiers en de wijze waarop ze hun opdracht vervullen en de motivering van het griffiepersoneel. Ook wordt geen melding gemaakt van de verhouding met het arbeidsauditoraat dat nochtans een toezichthoudende rol te vervullen heeft. Echte objectieven en doelstellingen zijn niet nadrukkelijk aanwezig.” Een objectieve beoordeling van het beleidsplan van de kandidaten sluit niet uit dat de voorzitter van de arbeidsrechtbank rekening kon houden met de voorkennis van de kandidaten -of het gebrek aan voorkennis- in verband met specifieke problemen, eigen aan de rechtbank. Van een kandidaat die niet in de betrokken arbeidsrechtbank werkzaam is, kan immers niet verwacht worden dat hij in zijn beleidsplan op dergelijke specifieke problemen zou ingaan, terwijl zulks wel mag verwacht worden van een kandidaat die bij die rechtbank werkzaam is en dus de specifieke problemen van de rechtbank kent. De voorzitter van de arbeidsrechtbank kon dan ook terecht rekening houden met het feit dat de tussenkomende partij de “specifieke Gentse situatie” niet kende, terwijl hij over de verzoeker kon opmerken dat “de echte problemen die er thans zijn niet [worden] aangeraakt”. Dergelijke vaststellingen zijn niet onverenigbaar met de verplichting om het beleidsplan van de kandidaten objectief te beoordelen. Het middel kan niet aangenomen worden. 3.
- De verzoeker roept een tweede middel in, afgeleid uit de schending van het gelijkheidsbeginsel en van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. Hij laat gelden dat “uit [de] motivering [van het bestreden besluit] niet blijkt of de overheid wel een grondige en objectieve vergelijking heeft gemaakt van de titels en verdiensten van respectievelijk verzoeker en [de tussenkomende partij]”, en dat “meer bepaald [...] uit de motivering van het bestreden besluit niet [blijkt] op grond van welke motieven de benoemende overheid de voorkeur heeft gegeven aan de kandidatuur van [de tussenkomende partij] en welke van de verschillende beoordelingscriteria voor de benoemende overheid doorslaggevend zijn geweest bij het maken van haar keuze”. IX-3645-10/17 3.
- De verwerende partij antwoordt dat inzake benoemingen een positieve motivering volstaat en dat de benoemende overheid derhalve moet vermelden waarom een bepaalde kandidaat benoemd werd, maar niet waarom een andere kandidaat niet benoemd werd. De positieve motivering van de bestreden beslissing kan getoetst worden aan het administratief dossier, waaruit blijkt dat er wel degelijk een vergelijking van titels en verdiensten heeft plaatsgevonden. Hoewel beide kandidaten evenwaardig werden beoordeeld door de adviesverlenende instanties, heeft de benoemende overheid op objectieve wijze vastgesteld dat de benoemde kandidaat een hogere dienstanciënniteit heeft. Voorts stelt de verwerende partij dat de verzoeker geen kennelijk grotere aanspraken heeft. Zij verwijst naar het arrest nr. 119.545 van 19 mei 2003 over de vordering tot schorsing, waarin de Raad van State overwogen heeft “dat de tussenkomende partij, bij een andere arbeidsrechtbank, dezelfde graad bekleedde als verzoeker en niet als kennelijk minder geschikt kon worden beschouwd”. 3.
- De verzoeker repliceert in zijn memorie van wederantwoord dat in de motivering van het bestreden besluit als dusdanig niet naar een hogere dienstanciënniteit van de benoemde kandidate verwezen wordt om de keuze van de benoemende overheid, na de vergelijking van de titels en verdiensten van de kandidaten, te verantwoorden. Deze verantwoording kan, volgens de verzoeker, niet achteraf gegeven worden maar dient uit het bestreden besluit zelf te blijken. Uit de motivering van het benoemingsbesluit blijkt, nog volgens de verzoeker, geenszins dat de benoemende overheid de verzoeker en de benoemde kandidaat evenwaardig achtte en dat de dienstanciënniteit uiteindelijk de doorslag zou hebben gegeven. 3.
- De tussenkomende partij stelt in haar memorie dat de motivering van het bestreden besluit het mogelijk maakt vast te stellen dat de vergelijking van titels en verdiensten heeft plaatsgevonden, welke de criteria waren die werden gehanteerd en welke de concrete redenen zijn waarom aan de tussenkomende partij de voorkeur werd gegeven. De tussenkomende partij bekleedde bij een andere arbeidsrechtbank dezelfde graad als de verzoeker en kan niet als kennelijk minder geschikt worden beschouwd. IX-3645-11/17 De grotere anciënniteit van de tussenkomende partij, gekoppeld aan de voormelde criteria, heeft geleid tot de benoeming van de tussenkomende partij. 3.
- In zijn laatste memorie stelt de verzoeker vast dat de verwerende partij aanvoert dat de dienstanciënniteit de doorslag gaf om de kandidaten van elkaar te onderscheiden, terwijl de auditeur-verslaggever in zijn verslag stelt dat het advies van de voorzitter van de arbeidsrechtbank gunstiger was in hoofde van de tussenkomende partij zodat de benoemende overheid op basis daarvan wettig kon oordelen dat de tussenkomende partij de meest geschikte kandidaat was voor het te begeven ambt. Aldus is de motiveringsplicht duidelijk geschonden aangezien de benoemende overheid en de verslaggever beiden een andere reden menen te vinden in de bestreden beslissing waarom aan de tussenkomende partij de voorkeur werd gegeven. De verzoeker wijst er nogmaals op dat de motivering uit de bestreden beslissing dient te blijken en niet achteraf gegeven kan worden. Dit geldt a fortiori nu de verslaggever in het bestreden besluit nog een andere motivering meent te kunnen vinden dan die welke door de benoemende overheid in het bestreden besluit zelf werd gelezen. De verzoeker besluit dat de motivering op zijn minst niet afdoende was omdat zij niet gelijkluidend wordt geïnterpreteerd. 3.
- De tussenkomende partij dupliceert in haar laatste memorie dat noch het gelijkheidsbeginsel, noch de formele motiveringsplicht geschonden zijn. Zij stelt aanvullend dat de door de verwerende partij aangehaalde redenen volstaan om de beslissing te dragen en dat uit het verweer van de verzoeker duidelijk blijkt dat de aangevochten beslissing in concreto voor hem zeer begrijpelijk was. 3.7.
- De verzoeker stelt in essentie dat uit de motivering van het bestreden besluit niet blijkt dat de overheid een grondige en objectieve vergelijking heeft gemaakt van de titels en verdiensten van de kandidaten en dat meer bepaald niet blijkt op grond van welke motieven aan de tussenkomende partij de voorkeur wordt gegeven. De verzoeker meent dat het gelijkheidsbeginsel en de formele motiveringsplicht geschonden zijn. 3.7.
- De artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen verplichten de overheid in de akte de juridische en feitelijke overwegingen op te nemen die aan de beslissing ten grondslag liggen, en dat op een “afdoende” wijze. IX-3645-12/17 De belangrijkste bestaansreden van de motiveringsplicht, zoals die wordt opgelegd door de voormelde wet van 29 juli 1991, bestaat erin dat de betrokkene in de hem aanbelangende beslissing zelf de motieven moet kunnen aantreffen op grond waarvan ze werd genomen, derwijze dat blijkt, of minstens kan worden nagegaan of de overheid is uitgegaan van gegevens die in rechte en in feite juist zijn, of zij die gegevens correct heeft beoordeeld, en of zij op grond daarvan in redelijkheid tot haar beslissing is kunnen komen, opdat de betrokkene met kennis van zaken zou kunnen uitmaken of het aangewezen is de beslissing met een annulatieberoep te bestrijden. Het afdoende karakter van de motivering betekent dat de motivering pertinent moet zijn, dit wil zeggen dat ze duidelijk met de beslissing te maken moet hebben, en dat ze draagkrachtig moet zijn, dit wil zeggen dat de aangehaalde redenen moeten volstaan om de beslissing te dragen. 3.7.
- Te dezen blijkt dat de motivering van het bestreden benoemingsbesluit grotendeels ontleend is aan de adviezen die de voorzitter van de Arbeidsrechtbank te Gent over de kandidaten heeft uitgebracht. Die motivering wordt besloten met de overweging dat de tussenkomende partij “de meest geschikte kandidate is voor het te begeven ambt”. Alhoewel zowel de verzoeker als de tussenkomende partij van de voorzitter van de arbeidsrechtbank de eindbeoordeling “zeer geschikt” kregen, blijkt uit de desbetreffende adviezen dat de voorzitter toch een onderscheid heeft gemaakt tussen de kandidaten. Het advies over de tussenkomende partij besluit dat “de kandidaat dermate hoge kwaliteiten [verzamelt], zowel op professioneel als op menselijk vlak, dat haar aanstelling tot hoofdgriffier ongetwijfeld een aanzienlijke meerwaarde zou betekenen voor de arbeidsrechtbank te Gent”. Het advies over de verzoeker besluit als volgt: “Hem kan dan ook [het] voordeel van de twijfel worden gegeven: het lijkt niet uitgesloten dat hij, eenmaal aan het hoofd van de griffie, zijn verantwoordelijkheid ten volle opneemt en uiteindelijk, met de steun van de korpschef doelstellingen uittekent en realiseert die wijzen in de richting van een moderne justitie.” IX-3645-13/17 Over de tussenkomende partij wordt met andere woorden zonder enig voorbehoud gezegd dat haar benoeming voor de arbeidsrechtbank een “aanzienlijke meerwaarde” zou betekenen, terwijl de verzoeker “het voordeel van de twijfel” krijgt. Uit de motieven van het bestreden besluit blijkt aldus dat een deugdelijke vergelijking van de titels en verdiensten van de kandidaten wel degelijk heeft plaatsgevonden. Bovendien blijkt hieruit ook welke de motieven zijn op grond waarvan de benoemende overheid de voorkeur heeft gegeven aan de tussenkomende partij. Deze motivering volstaat om de bestreden beslissing te dragen. Het middel mist feitelijke grondslag. 4.
- De verzoeker voert een derde middel aan, afgeleid uit de schending van het redelijkheidsbeginsel. Hij betoogt dat hij sinds 1977 werkzaam is op de griffie van de Arbeidsrechtbank te Gent, dat hij sinds april 1994 griffier-hoofd van dienst is en dat hij, in afwachting van de benoeming van een hoofdgriffier, werd aangesteld als waarnemend hoofdgriffier. Hij stelt dat het “in strijd [is] met iedere redelijkheid dat [hij] thans gepasseerd wordt door [de tussenkomende partij] die geen enkele ervaring heeft op de griffie van de Arbeidsrechtbank te Gent en bovendien veel minder ervaring heeft als leidinggevende aangezien zij blijkbaar pas sinds 2000 griffier- hoofd van dienst is te Brugge”. Volgens de verzoeker is de onredelijkheid des te groter, daar de tussenkomende partij geen zichtbaar grotere aanspraken en verdiensten kan laten gelden dan de verzoeker. 4.
- De verwerende partij antwoordt hierop dat de benoemde kandidaat een dienstanciënniteit kan doen gelden vanaf 1972, terwijl de verzoeker slechts een dienstanciënniteit heeft vanaf
- De benoemde kandidaat is in 1981 tot klerk- griffier benoemd, terwijl de verzoeker slechts sinds 1984 klerk-griffier is. Er kan niet worden aangenomen dat de verzoeker kennelijk meer aanspraken heeft. In het advies van de raad van beroep werd immers overwogen dat “de kandidaat wat te weinig blijk geeft van doordachte visie nopens de wijze waarop de problemen dienen te worden aangepakt en weggewerkt. Ook bestaat de vrees dat IX-3645-14/17 de kandidaat, waar nodig, niet steeds de soms drastische beleidsbeslissingen zal durven nemen”. 4.
- De verzoeker repliceert hierop in zijn memorie van wederantwoord dat het onredelijk is dat tussen twee evenwaardige kandidaten een verschil wordt gemaakt op basis van dienstanciënniteit, terwijl rekening kon en moest worden gehouden met de specifieke ervaring opgedaan bij de arbeidsrechtbank waar de benoeming moest gebeuren. De verzoeker is sedert 1994 griffier-hoofd van dienst bij de betrokken arbeidsrechtbank, de benoemde kandidaat is eerst sedert 2000 griffier-hoofd van dienst, dan nog binnen een andere arbeidsrechtbank. Zelfs als de opgedane ervaring bij een andere arbeidsrechtbank even nuttig zou zijn als deze bij de Arbeidsrechtbank te Gent, dan nog had de verzoeker zes jaar meer ervaring als griffier-hoofd van dienst, en werd hij bovendien aangeduid als waarnemend hoofdgriffier in afwachting van een nieuwe hoofdgriffier. 4.
- De tussenkomende partij stelt in haar memorie, onder verwijzing naar het genoemde arrest nr. 119.545 van 19 mei 2003, dat zij bij een andere arbeidsrechtbank dezelfde graad bekleedde en niet als kennelijk minder geschikt kan worden beschouwd. Zij wijst erop dat zij bovendien vijf jaar meer dienstanciënniteit heeft. 4.5.
- In de uitoefening van het hem opgedragen wettigheidstoezicht kan de Raad van State zijn beoordeling van de titels en verdiensten van de kandidaten niet in de plaats stellen van die van de bevoegde administratieve overheid. De Raad van State is slechts bevoegd om na te gaan of de benoemende overheid de haar terzake toegekende appreciatiebevoegdheid naar behoren heeft uitgeoefend, met name of zij is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij deze correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan in redelijkheid tot haar besluit is kunnen komen. 4.5.
- Zoals bij de bespreking van het tweede middel is opgemerkt, blijkt uit de adviezen van de voorzitter van de arbeidsrechtbank dat de benoemde kandidaat over “dermate hoge kwaliteiten” bezit, welke nader in het advies worden beschreven, dat zij “ongetwijfeld een aanzienlijke meerwaarde zou betekenen voor de arbeidsrechtbank te Gent”, terwijl de verzoeker, die in zijn beleidsplan de “echte problemen” binnen de griffie niet aanraakt, slechts het “voordeel van de twijfel” krijgt. IX-3645-15/17 In het licht van die beoordelingen, welke steunen op feiten die in het middel niet bestreden worden, en welke in de motieven van het bestreden besluit zijn overgenomen, kon de verwerende partij in redelijkheid tot het besluit komen dat de tussenkomende partij “de meest geschikte kandidate is voor het te begeven ambt”. Aan de redelijkheid van dat besluit, dat steunt op het actuele functioneren van de twee kandidaten, wordt geen afbreuk gedaan door het feit dat de verzoeker sinds 1977 werkzaam is op de griffie van de Arbeidsrechtbank te Gent waar de betrekking te begeven was, dat hij sinds 1994 griffier-hoofd van dienst is en dat hij na de pensionering van de vorige hoofdgriffier werd aangesteld als waarnemend hoofdgriffier. Overigens merken de verwerende partij en de tussenkomende partij terecht op dat, zo deze laatste een geringere anciënniteit heeft dan de verzoeker als griffier-hoofd van dienst en zij geen ervaring heeft als waarnemend hoofdgriffier, zij wel een ruimere dienstanciënniteit heeft dan de verzoeker. Het middel kan niet aangenomen worden. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verzoeker. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 250 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. IX-3645-16/17 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 27 juni 2008, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, D. MOONS, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. P. LEMMENS. IX-3645-17/17 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.184.917 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2003:ARR.119.545 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.