id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 juni 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.184.933 Rolnummer: A. 185558/X-13498 Zaak: Arrest 184933 - Plannen van aanleg - 30/06/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-07-14 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-29 08:20 Fiche Arrest nr 184.933 van 30 juni 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Plannen van aanleg Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 184.933 van 30 juni 2008 in de zaak A. 185.558/X-13.498. In zake : 1. Kris FIERENS, 2. Kristof VAN BRUSSEL, 3. Rita VAN PELT, 4. Sebastiaan BOUMANS, 5. de Feitelijke Vereniging Buurtcomité Internationaal Zeemanshuis, die woonplaats kiezen bij advocaat F. DE CLIPPELE, kantoor houdende te 2000 ANTWERPEN, Karel Rogierstraat 3 tegen : 1. de stad ANTWERPEN, die woonplaats kiest bij advocaten R. POCKELE-DILLES en F. EMMERECHTS, kantoor houdende te 2000 ANTWERPEN, Stoopstraat 1, 2. het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat J. CLAES, kantoor houdende te 2550 KONTICH, Mechelsesteenweg 160. DE VOORZITTER VAN DE Xe KAMER, Gezien het enig verzoekschrift dat Kris FIERENS, Kristof VAN BRUSSEL, Rita VAN PELT, Sebastiaan BOUMANS en de Feitelijke Vereniging Buurtcomité Internationaal Zeemanshuis op 17 oktober 2007 hebben ingediend en waarin zij de schorsing van de tenuitvoerlegging vorderen van het besluit van 29 mei 2007 van de gemeenteraad van de stad Antwerpen houdende de definitieve vaststelling van de gedeeltelijke herziening van het bijzonder plan van aanleg “Binnenstad - stadsproject Falconplein-Zeemanshuis”, goedgekeurd bij besluit van 18 september 2007 van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening; Gezien de nota’s van de verwerende partijen; X-13.498-1/16 Gezien het verslag opgemaakt door auditeur A. EYLENBOSCH; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 23 januari 2008 waarbij de terecht- zitting bepaald wordt op 15 februari 2008; Gehoord het verslag van kamervoorzitter R. STEVENS; Gehoord de opmerkingen van advocaat F. DE CLIPPELE, die verschijnt voor de verzoekende partijen, van advocaat F. EMMERECHTS, die verschijnt voor de eerste verwerende partij, en van advocaat J. CLAES, die verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur A. EYLENBOSCH; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT : 1. Rechtspleging. De verzoekende partijen en de eerste verwerende partij hebben een aanvullende nota ingediend. Daar dergelijke nota door de rechtspleging niet is gekend, worden de beide bedoelde stukken uit de debatten geweerd. 2. Feiten 2.1. Het plangebied bevindt zich in het Schipperskwartier, in het noorden van de Antwerpse binnenstad. Het betreft het bouwblok tussen het Falconplein, de Falconrui, de Generaal Belliardstraat en de Oude Leeuwenrui. In het bouwblok bevindt zich het Zeemanshuis. De eerste tot en met de vierde verzoekende partijen verklaren eigenaar en bewoner te zijn van woningen gelegen aan de Generaal Belliardstraat in de onmiddellijke nabijheid van het Zeemanshuis. X-13.498-2/16 2.2. Via een open oproep van de Vlaamse Bouwmeester wordt een wedstrijd voor het ontwerpen van een masterplan georganiseerd. Het ontwerp van het bureau RAPP+RAPP, dat opteert voor een radicale renovatie met integratie van wonen, werken en recreëren, met afbraak van het Zeemanshuis wordt verkozen. Het plangebied maakt deel uit van het bij koninklijk besluit van 3 oktober 1979 vastgestelde gewestplan Antwerpen en is volledig gelegen in woongebied met cultureel, historische en/of esthetische waarde. Het maakt tevens deel uit van het gebied beheerst door het bijzonder plan van aanleg Antwerpen Binnenstad, goedgekeurd bij ministerieel besluit van 20 april 2001. 2.3. Omdat de doelstellingen van het masterplan “Stadsontwerp Falconplein-Zeemanshuis” niet binnen de bepalingen van laatstbedoeld bijzonder plan van aanleg kunnen worden gerealiseerd, wordt in zitting van 20 november 2006 door de gemeenteraad van Antwerpen het ontwerp van gedeeltelijke herziening van het bijzonder plan van aanleg “Binnenstad - stadsproject Falconplein-Zeemanshuis” voorlopig vastgesteld. 2.4. Ter gelegenheid van het openbaar onderzoek, georganiseerd van 15 december 2006 tot 15 januari 2007 dienen onder meer de verzoekende partijen bezwaar in. In zittingen van 1 februari 2007, 1 maart 2007 en 29 maart 2007 adviseert de GECORO de ingediende bezwaren niet te weerhouden. 2.5. In zitting van 29 mei 2007 stelt de gemeenteraad van Antwerpen het ontwerp gedeeltelijke herziening van het bijzonder plan van aanleg “Binnenstad - Stadsproject Falconplein-Zeemanshuis”, bestaande uit een plan van de bestaande juridische toestand, een plan van de bestaande feitelijke toestand, een bestemmings- plan en stedenbouwkundige voorschriften, definitief vast. Dit is het bestreden besluit. 2.6. Bij besluit van 18 september 2007, gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 12 oktober 2007, wordt het bijzonder plan van aanleg, gedeeltelijke herziening bijzonder plan van aanleg “Binnenstad - Stadsproject Falconplein- Zeemanshuis” genaamd, van de stad Antwerpen, bestaande uit een plan van de bestaande juridische toestand, een plan van de bestaande feitelijke toestand, een X-13.498-3/16 bestemmingsplan en stedenbouwkundige voorschriften, door de Vlaamse minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening goedgekeurd. 3. Ontvankelijkheid De verwerende partijen betwisten de ontvankelijkheid van de vordering. Er bestaat vooralsnog geen noodzaak om over de opgeworpen excepties uitspraak te doen. Een onderzoek van en een uitspraak over deze excepties dringt zich immers slechts op indien zou blijken dat de grondvoorwaarden voor schorsing vervuld zijn, hetgeen te dezen, zoals hierna zal blijken, niet het geval is. 4. Grondvoorwaarden tot schorsing Krachtens artikel 17, § 2 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 5. De middelen 5.1. Algemene opmerking Vermits de middelen vrij onduidelijk en nauwelijks gestructureerd zijn geformuleerd, worden ze, waar nodig, behandeld in de lezing zoals begrepen door de verwerende partijen, en zoals samengevat in het auditoraatsverslag, welke samenvatting door de verzoekende partijen niet wordt betwist. 5.2. Het eerste middel 5.2.1.1. Het eerste onderdeel van het eerste middel is in het verzoekschrift als volgt geformuleerd : “3.1. Aangezien het bestreden bijzonder plan van aanleg de voorzieningen en bepalingen in het gewestplan schendt. Dat artikel 16, vierde lid van de wet van 29 maart 1962 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening en van de Stedenbouw bepaalt: X-13.498-4/16 ‘Wanneer een streek-, gewest of algemeen plan bestaat, richt het bijzonder plan zich naar de aanwijzingen en bepalingen ervan, en vult ze aan. Het kan er desnoods van afwijken’. Dat het gewestplan blijft gelden tot het wordt vervangen na een herziening en het bijzonder plan van aanleg zich richt naar de bepalingen ervan. De uitdrukking dat het bijzonder plan van aanleg ervan ‘desnoods kan afwijken’ wijst op het uitzonderlijk karakter van het procédé in de tijd en omvang. Dat het bestreden bijzonder plan van aanleg dan ook werd vastgesteld met schending van artikel 16, vierde lid van de Stedenbouwwet. Dat de ontwikkeling van 12.500 m² oppervlakte kantoorruimtes, dominant op de totaal beschikbare oppervlakte en met de afbraak van het modernistische gebouw uit de jaren 1950, niet beantwoordt aan de bestemming in het gewestplan: woongebied met culturele, historische of esthetische waarde. Dat immers in dergelijke gebieden een wijziging onderworpen is aan bijzondere voorwaarden met onderliggende voorrang van de wenselijkheid van behoud. Dat de schending van artikel 16, vierde lid van de wet van 29 maart 1962 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening en van de Stedenbouw de vordering van nietigverklaring verantwoordt”. 5.2.1.2. Het middel moet worden geacht te zijn afgeleid uit de schending van artikel 14, vierde lid van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 (hierna : “het Coördinatiedecreet”). Artikel 14, vierde lid van dit decreet luidt als volgt: “Wanneer een streek-, gewest- of algemeen plan van aanleg bestaat, richt het bijzonder plan van aanleg zich naar de aanwijzingen en bepalingen ervan, en vult ze aan. Het kan er desnoods van afwijken”. Het plangebied is volgens het gewestplan Antwerpen gelegen in woongebied met culturele, historische en/of esthetische waarde. Luidens artikel 6, 1.2.3. van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerpgewestplannen en gewestplannen (hierna : “het Inrichtingsbesluit”) wordt in dergelijk gebied de wijziging van de bestaande toestand onderworpen aan bijzondere voorwaarden, gegrond op de wenselijkheid van het behoud. De summiere ontwikkeling van het middel affirmeert in wezen enkel dat in het betrokken gebied een wijziging van de bestaande toestand “onderworpen is aan bijzondere voorwaarden met onderliggende voorrang van de wenselijkheid van behoud”. Deze loutere herhaling van de inderdaad toepasselijke bepaling van het Inrichtingsbesluit lijkt geenszins aan te tonen dat in casu deze bepaling is geschonden. X-13.498-5/16 Het komt niet aan de Raad van State toe ambtshalve te onderzoeken of aan de desbetreffende voorwaarden om de toestand te wijzigen, door het bestreden besluit is voldaan. Het middelonderdeel is niet ernstig. 5.2.2.1. Het tweede onderdeel van het eerste middel luidt als volgt : “3.2. Aangezien overeenkomstig de IAO Conventie nr. 163 zoals bedongen te Genève op 8 oktober 1987 (‘ILO Convention nr. 163 concerning Seafarer’s Welfare at Sea and in Port’), in het bijzonder artikel 3 elke lidstaat ertoe gehouden is om in een havenstad te voorzien in opvang en welzijn van de zeelieden ongeacht de nationaliteit. Dat door de afbraak van het Internationaal Zeemanshuis, (
- de)Belgische Staat deze internationale verplichting niet nakomt. Dat de wijziging van het BPA dan ook een internationaal verdrag schendt”. 5.2.2.2. Het middel maakt in geen enkel opzicht aannemelijk dat de ingeroepen bepaling, zelfs gelezen zoals door de verzoekende partijen, en in de veronderstelling dat ze in de Belgische rechtsorde bindend zou zijn, het verbod inhoudt het Zeemanshuis af te breken. De verzoekende partijen doen zelfs geen poging om aan te tonen dat en in welk opzicht door die afbraak de opvang en het welzijn van de zeelieden onmogelijk wordt gemaakt. Het middelonderdeel is niet ernstig. 5.2.3.1. Het derde onderdeel is als volgt geformuleerd : “3.3. Aangezien de wijziging van het BPA waarvan de uitvoering de realisatie betreft van het stadsvernieuwend project Falconplein-Zeemanshuis, gekoppeld is aan de toekenning van een subsidie van de Vlaamse overheid in de aangelegenheid (Publiek-Private Samenwerking PPS) geregeld bij decreet van 18 juli 2003 (BS 19 september 2003). Dat de hoedanigheid van de private partner bij de PPS essentieel is voor de toekenning van de subsidie, en voorwaarde vormt voor de stopzetting dan wel terugvordering van de financiële steun. Dat de privé-partner in de Publiek-private samenwerking (PPS), SD Worx het aandeel reeds zou hebben overgedragen aan een derde partij. Dat de subsidie ‘intuitu personae’ toegekend, kan worden teruggevorderd. Dat het onderdeel financieel plan van het bestreden BPA en motivering desbetreffend dan ook gebrekkig zijn en de wet op de PPS schendt”. 5.2.3.2. Dit middelonderdeel is niet ontvankelijk, vermits het niet op begrijpelijke, laat staan duidelijke, wijze aangeeft welke rechtsregel wordt X-13.498-6/16 geschonden, en in welk opzicht dit het geval zou zijn, door “het onderdeel financieel plan van het bestreden BPA en motivering”. 5.3. Het tweede middel 5.3.1.1. In een eerste onderdeel van het tweede middel stellen de verzoekende partijen dat de bestreden beslissing een inbreuk uitmaakt op niet nader genoemde formele vereisten, aangezien zij is genomen zonder inspraak of werkelijke consultatie ten aanzien van de afbraak van het Zeemanshuis en geen gewag maakt van hun bezwaarschrift, noch van de petitie van de buurtbewoners. 5.3.1.2. Uit de evaluatie van een gelijkaardig bezwaar van de verzoekende partijen dienaangaande, in bijlage gehecht aan het definitief vaststellingsbesluit, lijkt te volgen dat de eerste bewering van die partijen geen steun vindt in de feiten en dat de overheid zowel in de procedure voorafgaand aan de herziening van het bijzonder plan van aanleg als tijdens de herzieningsprocedure van het bijzonder plan van aanleg zelf, op voldoende wijze heeft gecommuniceerd naar de omwonenden toe, ook wat de afbraak van het Zeemanshuis betreft, en dat zij de ter gelegenheid van het openbaar onderzoek geformuleerde bezwaren wel degelijk heeft beantwoord. De verzoekende partijen maken op het eerste gezicht niet aannemelijk dat tot de afbraak van het Zeemanshuis is beslist zonder hen daarover te horen. Minstens tonen zij niet aan welke van hun argumenten niet of onvoldoende onbeantwoord zijn gebleven. Het recht om bezwaar in te dienen brengt voor de overheid tot wie deze bezwaren zijn gericht, weliswaar de verplichting met zich de regelmatigheid en de gegrondheid van de ingediende bezwaren te onderzoeken en te evalueren, doch niet om deze noodzakelijkerwijze ook in te willigen. Het eerste onderdeel is niet ernstig. 5.3.2.1. In een tweede onderdeel roepen de verzoekende partijen de schending in van de motiveringsverplichting. Deze schending leiden zij af uit “de wettelijke formele en materiële motiveringsplicht, artikelen 108 en 129 Grondwet en artikelen 20 en 23 van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw ; artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen”. In essentie voeren zij aan dat de sloping van het Zeemanshuis niet of gebrekkig wordt gemotiveerd. X-13.498-7/16 5.3.2.2. Geen van de door de verzoekende partijen ingeroepen grondwets- artikelen lijkt dienstig te kunnen worden betrokken bij het middel. Het onderdeel is in zoverre niet ontvankelijk. In zoverre het onderdeel is gesteund op de inmiddels door het Coördinatiedecreet opgeheven bepalingen van de artikelen 20 en 23 van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw, mist het juridische grondslag. Minstens valt niet in te zien op welke wijze deze bepalingen dienstig kunnen worden ingeroepen. Het onderdeel is ook in zoverre niet ontvankelijk. Tot slot dient te worden vastgesteld dat de bestreden akte een bijzonder plan van aanleg betreft. Een plan van aanleg is geen akte met een individuele strekking, maar heeft een verordenend karakter. Een plan van aanleg lijkt derhalve niet onder de toepassing van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, die betrekking heeft op individuele rechtshandelingen, te vallen. Evenwel is het zo dat een plan van aanleg, zoals elke bestuurs- handeling, is onderworpen aan de materiële motiveringsverplichting, hetgeen inhoudt dat het moet worden gedragen door rechtens verantwoorde motieven die kunnen blijken, hetzij uit het aannemingsbesluit zelf, hetzij uit de stukken van het dossier. Uit het gunningsverslag bij de open oproep tot kandidatuur- stelling, goedgekeurd bij collegebesluit van 4 februari 2005, blijkt dat de selectiecommissie uit de vijf ontwerpteams het team RAPP+RAPP -het enige team dat opteert voor de afbraak van het Zeemanshuis- heeft geselecteerd op volgende gronden: “BESCHRIJVING EN EVALUATIE VAN DE STEDENBOUWKUNDIGE, ARCHITECTURALE EN LANDSCHAPPELIJKE KWALITEITEN (...) 5. RAPP+RAPP en WEST 8 Het ontwerpteam grijpt voor de ontwikkeling van zijn stedenbouwkundig concept terug naar de historische stedenbouwkundige context van het bouwblok (zie overzicht van verschuiving stadswal in de 15e eeuw, naar bouw klooster in de 16e, naar bebouwing met kazerne in 19e eeuw tot huidige bebouwing met zeemanshuis). In functie van hun planvorming stellen zij voor om een aantal gebouwen in het binnengebied en aan de rand van het bouwblok te slopen. Het belangrijkste te slopen pand is bijgevolg het Zeemanshuis. Als voornaamste argument haalt Rapp+Rapp het herstellen van het stadsweefsel aan. Door het afbreken van het Zeemanshuis verandert de maat terug naar de schaal van het bouwblok. Zonder het verwijderen van het Zeemanshuis is stadsherstel zeer moeilijk en dit is nu net een onderdeel van de opdracht (hoe stadsweefsel en verdichting bevorderen). Toegangen en tuinen rond het gebouw zouden restruimte blijven zonder aanknopingspunt in de omgeving. Om een X-13.498-8/16 kwalitatieve verdere planvorming in de hand te werken is het onvermijdelijk om uit te gaan van de volledige sloop van het gebouw. Vanuit een herstel van het weefsel dat vertrekt van de te handhaven randen van het Falconplein, een stukje van de Belliardstraat en de Ouden Leeuwenrui en met inbegrip van de oude kloostermuur wordt het bouwblok afgebouwd met het profiel dat bestaat. De maat van de randbebouwing wordt afgestemd op de maat van de bestaande bebouwing. Sommige percelen worden hierdoor grootschaliger (Oude Leeuwenrui) gemaakt dan andere (Falconplein, Falconrui, Belliardstraat). De maat van het binnengebied is groot en biedt de mogelijkheid van een grootschalig element. Voor de invulling van het binnengebied grijpt het ontwerpteam terug naar de traditie van hoven en pleinen om aldus een stedelijk interieur te creëren. Vanuit deze traditie kan op een eigentijdse wijze het binnengebied opgedeeld worden in een aantal hoven die als publieke ruimte kunnen functioneren. In de nieuwe architecturale volumes van het binnengebied kunnen de kantoor- en hotelfunctie ingepast worden. Op de plaats waar bestaande woningen met hun achterzijde zouden grenzen aan de nieuwe open ruimte worden deze achterkanten afgewerkt ‘aangeheeld’ met nieuwe woningen. Op die wijze blijven de privacy aan de achtergevels, koeren en tuinen gewaarborgd en wordt de open ruimte afgezoomd met voorgevels. De inrichting van de hoven wil het ontwerpteam laten aansluiten op de materialen van de bestaande stadsinrichting. Elke hof krijgt door middel van toevoeging van natuurlijke elementen een eigen karakter (boomgaard naast muur, kersenbomen, grote kastanjebomen en water). Voor het Falconplein komt de karakteristieke middeleeuwse vorm meer tot zijn recht door het creëren van een middenvak. Op dit middenvak wordt een nieuwe kiosk ingeplant waarin de bestaande frituur kan opgenomen worden. Het Falconplein wordt qua materialisatie geïntegreerd in de voetgangsas naar het MAS. RAPP+RAPP is het enige bureau dat resoluut kiest voor de afbraak van het bestaande zeemanshuis. Het weglaten van het zeemanshuis maakt ineens een ogenschijnlijk zeer eenvoudige stedenbouwkundige oplossing mogelijk op schaal van het omliggende stedelijk weefsel. Het studiewerk toont een vorm van stedenbouw die sterk geënt is op de historische stad. Het ontwerp refereert naar historische Vlaamse binnenhoven, maar ook naar 19e eeuwse en 20e eeuwse voorbeelden van stedelijke bouwblokken. Anders dan bij bestaande voorbeelden bestaat de bouwblok- structuur wel niet uit gesloten percelen, maar is een volledige doordring- baarheid gegarandeerd door de aaneensluitende hoven en zonder één enkele straat te trekken. De zeer formele publieke ruimten krijgen door het gepresenteerde schaalmodel en de voorstelling van de architectuur een zeer streng karakter. De selectiecommissie is overtuigd dat dit ontwerp en dergelijke buitenruimten werken, maar vreest dat ze nog weinig toegankelijk zijn en eerder aan de nieuwe omwonenden te lijken toebehoren dan dat ze een buurtpark zijn voor de hele wijk. Door de eerste ruimte (achter de Falconpoort) meer als een publieke en informele ruimte uit te werken moet het mogelijk zijn toch tegemoet te komen aan de wensen van de bewoners en een evenwicht te vinden tussen de goede sociale controle en de openheid en toegankelijkheid van de publieke ruimten in het binnengebied. De selectiecommissie koppelt de keuze voor dit studiewerk aan een beslissing van het college om het gebouw af te breken binnen een redelijke termijn. Hoewel het studiewerk een fasering opgeeft waarin het zeemanshuis nog enige tijd in zijn huidige vorm kan blijven staan mag het ontwerp niet blijven steken in fase 3. Indien niet wordt doorgegaan met de afbraak van het gebouw wordt op zich geen meerwaarde geleverd op de situatie van vandaag. (...) EVALUATIE VAN DE HAALBAARHEID EN PROCESBEREIDHEID X-13.498-9/16 De commissie staat tevens stil bij de financiële haalbaarheid van de verschillende voorstellen, specifiek de problematiek omtrent al dan niet behoud van het Zeemanshuis. (...) Ook wat de financiële haalbaarheid betreft onderscheiden de verschillende voorstellen zich niet sterk. Vier van de vijf teams gaan uit van een renovatie en integratie van het zeemanshuis om tot een Maritiem hotel te komen (het concept Maritiem hotel werd principieel beslist bij collegebesluit van 19 maart 2004). Een grondige financiële afweging tussen ‘integratie en renovatie’ enerzijds en ‘sloop en nieuwbouw’ anderzijds, kan vandaag echter niet gemaakt worden gelet op het precaire karakter van de ramingen. Evenwel dient gesteld dat om tot een integratie en renovatie te komen dit ettelijke miljoenen euro’s zal kosten. Eén van de bureaus liet een raming opmaken die zo’n 9,3 mio EUR bedraagt. Zonder hierop te fixeren kan dit als richtcijfer aangewend worden. De raming voor een nieuwbouw ‘Maritiem hotel’ is waarschijnlijk nog aanzienlijker. Een ander bureau geeft bovendien aan dat nieuwbouw zo’n 0,8 à 1,4 mio EUR duurder geraamd kan worden dan integratie en renovatie. Tegenover een iets duurdere nieuwbouw staan de meeropbrengsten (ongeveer 1 mio EUR) uit de grondexploitatie vermits méér m² wonen kan gerealiseerd worden in het nieuwbouwscenario. De stad heeft dit bedrag niet zelf ter beschikking en zal in beide gevallen een samenwerking met een private partij dienen aan te gaan. De keuze tussen behoud en renovatie of sloop en nieuwe ontwikkeling leveren echter duidelijk onderscheiden mogelijkheden op qua ontwikkeling in het verdere proces. Indien bij behoud en renovatie geen partij gevonden wordt voor de realisatie van het Maritiem hotel, dan blijft het zeemanshuis in huidige vorm staan. Door de beperkte mogelijkheden tot functieomschakeling hypothekeert het dan de stedenbouwkundige ontwikkelingen van het volledige bouwblok. Ook naar exploitatie zal het zeemanshuis in dit scenario verlieslatend blijven. De optie voor ‘sloop en nieuwbouw’ laat wel wat meer mogelijkheden open. Indien geen private partner gevonden wordt voor het Maritiem hotel, lijken andere functies in de nieuwe gebouwen wel gemakkelijk invulbaar. Er kunnen dan samenwerkingsverbanden aangegaan worden voor opvang van de zeelieden, ofwel kan enkel een sociaal zeemanshuis (met beperkt aantal kamers) gebouwd worden. (..) Besluit De voorkeur gaat unaniem uit naar Rapp+Rapp. De selectiecommissie is van oordeel met het studiewerk van Rapp+Rapp een goede basis te hebben voor de uitwerking van een definitief stedenbouwkundig plan voor het bouwblok. Rapp+Rapp heeft een zeer duidelijk, ogenschijnlijk eenvoudig concept gebracht maar dat zich stedenbouwkundig perfect in het bouwblok inpast. Het voorstel gaat tevens uit van historisch correcte uitgangspunten. Het voorstel beschikt over sterk afgebakende openbare ruimten die zich perfect verhouden tot de bebouwde ruimte en de invulling van de verschillende functies. Ook de logische faseerbaarheid en de haalbaarheid zijn troeven in dit project. De selectiecommissie beveelt aan om bij de keuze voor het masterplan van Rapp+Rapp voor het volledige plan te opteren. Een gedeeltelijke uitvoering waarbij de fase met de afbraak van het Zeemanshuis zou achterwege blijven, lijkt geen goede optie voor het herstel van dit bouwblok en de stads- vernieuwing”. X-13.498-10/16 Uit wat voorafgaat blijkt dat de selectiecommissie haar keuze voor het ontwerpteam RAPP+RAPP dat de afbraak van het Zeemanshuis vooropstelt, verantwoordt aan de hand van architecturale en historische argumenten (herstel van het middeleeuwse stadsweefsel gekenmerkt door een terugkeer naar de schaal van het bouwblok, gekoppeld aan een traditie van hoven en pleinen) en financiële argumenten (duurdere raming van nieuwbouw in vergelijking met renovatie wordt gecompenseerd door meeropbrengsten uit grondexploitatie en gemakkelijke invulbaarheid van verschillende functies). Specifiek met betrekking tot het constructief al dan niet gezond zijn van het Zeemanshuis valt in de evaluatie van een gelijkaardig bezwaar van verzoekers te lezen wat volgt: “4.4 Evaluatie bezwaar in verband met constructie van het gebouw De stad liet in de aanloop van de Open Oproep een bouwtechnisch onderzoek uitvoeren door Arcade NV met als opdracht een haalbaarheids- onderzoek en kostenraming van de mogelijkheid om bepaalde delen van het gebouw af te breken/te strippen en andere delen te renoveren. Het onderzoek wijst uit dat de constructie van het gebouw van die aard is dat vergaande architecturale aanpassingen mogelijk zijn. Dit opent volgens het studiebureau perspectieven naar de integratie van het gebouw binnen een groter geheel. Op basis van een 1e raming van 5 000 000 euro wordt renovatie en integratie dan ook als de goedkoopste oplossing naar voren geschoven. Een aantal negatieve effecten van het gebouw op de nieuwe ontwikkeling (schaduwwerking, verblijfswaarde publiek ruimte, ...) zijn echter moeilijk in geldelijk verlies uit te drukken. Met een rudimentaire raming van 7 500 000 euro is nieuwbouw op het eerste gezicht een veel duurdere oplossing dan integratie en renovatie. Maar, men beschikt dan wel over een volledig nieuwe functie in een hedendaags gebouw en de raming zal accurater zijn dan het op dat ogenblik nog moeilijk te ramen renovatieconcept. (De studie werd voorafgaand aan de open oproep gedaan, dus er waren nog geen concrete vergelijkingen te maken van ontwerpen met behoud en afbraak). Bijkomend voordeel is dat een nieuwbouw op eenvoudige en kwalitatieve manier in het totaalproject kan worden geïntegreerd en negatieve neveneffecten kunnen worden vermeden. Op basis van deze studie besluit het college het behoud van het gebouw in de projectdefinitie mee te geven als uitgangspunt. Maar wordt eveneens een opening gelaten waarbij de inschrijver kan opteren voor sloop en nieuwbouw mits afdoende motivering en aantoonbare (financiële) meerwaarde voor het project. De inzending van de 4 kandidaten in de Open Oproep die het gebouw laten staan, bevestigen dat vergaande aanpassingen aan het bestaande gebouw noodzakelijk zijn om het op een kwalitatieve manier in een nieuw project in te passen. Zo wordt een volledig nieuwe achterbouw voorzien in het voorstel van Maccreanor Lavinton architects. TNT Technum, DMT en Johan van Reeth strippen het gebouw in meer of mindere mate en kiezen voor verschillende soorten aan- en opbouw. Zelfs in het stadsontwerp van Macreanor waarbij het bestaande gebouw zoveel mogelijk wordt bewaard geeft het team in hun eerste raming zelf aan dat een investering van 9 382 374 euro noodzakelijk zal zijn. X-13.498-11/16 Vergelijkingen met de andere teams wijzen dus uit dat het financieel verschil tussen behoud/renovatie/integratie en sloop/nieuwbouw van het zeemanshuis zeer klein is. Terwijl de stedenbouwkundige meerwaarde van het stadsontwerp waarin een nieuw zeemanshuis wordt voorzien en het bouwblok wordt herstel door de selectiecommissie en het stadsbestuur zeer hoog wordt ingeschat(...)”. De verzoekende partijen tonen niet aan dat de uitgangspunten van het plan feitelijk incorrect zijn. Ook de studies van Arcade NV en DOCOMOMO, waarnaar die partijen in het verzoekschrift verwijzen, spreken op het eerste gezicht de vaststellingen in het dossier aangaande de constructieve gezondheid van het Zeemanshuis en de financiële implicaties van renovatie/behoud versus sloop/nieuwbouw, niet tegen. De verzoekende partijen tonen dus op het eerste gezicht niet aan dat het bestreden plan geen, dan wel gebrekkige motieven bevat met betrekking tot de afbraak van het Zeemanshuis. Het tweede onderdeel van het tweede middel is evenmin ernstig. 5.4. Het derde middel 5.4.1. Een eerste onderdeel kan worden ontwaard in een vermeende schending van artikel 14 van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw. Bedoeld artikel luidde, vóór zijn opheffing, als volgt: “Elke gemeente van het Koninkrijk neemt, hetzij uit eigen beweging, hetzij binnen de door de Koning gestelde termijn, een algemeen plan en bijzondere plannen van aanleg aan. De Koning kan elke gemeente met minder dan duizend inwoners, op verzoek van de gemeenteraad, geheel of gedeeltelijk ontheffen van die verplichting. In dat geval blijft de gemeente evenwel aan de overige bepalingen van deze wet onderworpen. De gemeenteraad kan met goedkeuring van de Koning beslissen dat hij betreffende het algemeen plan van aanleg genoegen neemt met de voorschriften van een reeds bestaand gewestplan. De Koning kan verscheidene gemeenten machtigen om zich overeenkomstig de wet van 1 maart 1922 te verenigen voor het opmaken van een gemeenschappelijk algemeen plan. Voor zover het grondgebied van die gemeenten niet ligt binnen de grenzen van een gewestplan dat reeds is vastgesteld door de Koning, kan deze tegelijk met de goedkeuring van het gemeenschappelijk algemeen plan beslissen dat dit plan ten aanzien van die gemeenten de waarde zal hebben die bij deze wet wordt toegekend aan de gewestplannen”. Met de verwerende partijen moet worden geconcludeerd tot het niet ernstig zijn van het onderdeel om reden, eensdeels, dat de desbetreffende bepaling is opgeheven door het Coördinatiedecreet en, anderdeels, omdat het streven X-13.498-12/16 naar “het behoud van waardevolle gebouwen en sites ongeschonden te bewaren” niet lijkt te zijn ingebed in de door de geciteerde bepaling voorziene opmaak van gemeentelijke plannen van aanleg. Het eerste onderdeel is niet ernstig. 5.4.2. In een tweede onderdeel klagen de verzoekende partijen aan dat de stad Antwerpen haar eigen beleidslijnen schendt in verband met de afbraak van het Zeemanshuis en de toegankelijkheid van de groene ruimtes. Die stelling lijkt op het eerste gezicht niet te kunnen worden gevolgd. Het collegebesluit van 19 maart 2004 waarop de verzoekende partijen steunen, bepaalt in zijn artikel 4 wat volgt: “... het college beslist het behoud van het Zeemanshuis als uitgangspunt mee te geven in de projectdefinitie. Er wordt echter een opening gelaten waarbij de inschrijver kan opteren voor sloop en nieuwbouw mits afdoende motivering en aantoonbare financiële, stedenbouwkundige en architecturale meerwaarde voor het project ...”. Hieruit volgt dat de beleidsrichtlijn van eerste verwerende partij afbraak en nieuwbouw niet heeft uitgesloten. Voorts voorziet de projectdefinitie op pagina 12 ervan inderdaad dat het ontwerp zo moet worden opgevat dat de groene ruimte 24 u op 24 u voor het publiek toegankelijk moet zijn. Het bestreden plan voorziet vier binnenhoven die worden vastgelegd in een zone voor binnenhof en die artikel 4.01 van de stedenbouwkundige voorschriften de bestemming geeft van publiek park of plein. Weliswaar voorziet de toelichtingsnota op pagina 26 en 35 dat de binnenhoven naar analogie met parken na een bepaald uur kunnen worden afgesloten, doch deze mogelijkheid lijkt geen vertaling te hebben gevonden in de stedenbouwkundige voorschriften. Daarentegen worden in de stedenbouwkundige voorschriften van de zone voor multifunctionele gebouwen publieke en levendige functies verplichtend opgelegd teneinde de publieke functie van de hoven te versterken en moeten doorgangen die een direct visuele relatie tussen het openbaar domein en de binnenhoven leggen, de toegankelijkheid verhogen. Ook op dit punt lijkt een afwijking door het plan van beleidsrichtlijnen dus op het eerste gezicht niet voor te liggen. De omstandigheid dat gelijkaardige projecten met binnenplein hebben aangetoond dat deze niet voor het publiek toegankelijk zijn, doet daaraan geen afbreuk. Het tweede onderdeel is niet ernstig. X-13.498-13/16 5.4.3. Een derde onderdeel lijkt te moeten worden gekoppeld aan een door de verzoekende partijen ingeroepen inbreuk op de transparantie, in de eerste plaats ten aanzien van de private partners in de P.P.S. en aan machtsafwending. De verwerende partijen stellen in hoofdorde terecht dat dit onderdeel van het middel moet worden afgewezen wegens “onvoldoende gestoffeerd”. Inderdaad, wil een verzoekende partij in de fase van het kort geding “ernstige” middelen aanvoeren, dit wil zeggen middelen die op het eerste gezicht, bij een eerste lezing, ontvankelijk en gegrond zijn, zodat de vernietiging quasi onafwendbaar is, dan moet zij, op straffe van de middelen als niet ernstig verworpen te zien, bij het formuleren van haar middelen zeer nauwkeurig aanvoeren welke precieze rechtsregel zij geschonden acht en al even nauwkeurig waarin de schending precies bestaat. De kritiek van de verzoekende partijen voldoet hoegenaamd niet aan het voornoemde zodat alleen daarom al dit onderdeel van het middel niet ernstig is. Hetzelfde lot lijkt om dezelfde redenen de door de verzoekende partijen ingeroepen machtsafwending te moeten worden toegedicht. Machtsafwending is de onwettigheid waarbij een bestuursorgaan de bevoegdheid welke hem bij de wet tot het bereiken van een bepaald oogmerk van algemeen belang is gegeven, gebruikt tot het nastreven van een ander doel. Verzoekers brengen geen andere argumenten bij ter adstructie van de beweerde machtsafwending dan dat het project wordt gerealiseerd in een P.P.S., die zij niet transparant achten. De minimale concrete gegevens liggen niet voor om het onderdeel op zijn merites te kunnen toetsen. Het onderdeel is niet ernstig. 5.4.4. Een vierde onderdeel kan worden gevonden in de schending van artikel 14, 2/ en 4/ van het Coördinatiedecreet. Artikel 14 van dit decreet luidt als volgt: “Het bijzonder plan van aanleg geeft voor het deel van het gemeentelijk grondgebied aan: 1/ de bestaande toestand; 2/ de gedetailleerde bestemming van de in sub 2/ van artikel 13 bedoelde gebiedsdelen; 3/ het tracé van alle in het bestaande verkeerswegennet te brengen wijzigingen; 4/ de voorschriften betreffende de plaatsing, de grootte en de welstand van de gebouwen en afsluitingen, alsmede die betreffende de binnenplaatsen en tuinen (...)”. X-13.498-14/16 Uit voormelde bepaling volgt dat een bijzonder plan van aanleg ertoe strekt voor het ganse beheersingsgebied ervan een gedetailleerde bestemming vast te leggen, met inbegrip van de voorschriften betreffende de plaatsing, de grootte en de welstand van de gebouwen en afsluitingen, de binnenplaatsen en tuinen. Uit de toelichting bij het onderdeel blijkt dat verzoekers kritiek hebben op de stedenbouwkundige voorschriften horende bij de zone voor binnenhoven. Bedoelde stedenbouwkundige voorschriften luiden als volgt: “Art 4.01 Bestemming Publiek park of plein Art 4.01 Aanleg en inrichting • de binnenhoven zijn niet bebouwbaar • de binnenhoven worden op een kwalitatieve manier aangelegd met een groen, waterdoorlatend deel en verhardingen die worden vormgegeven in een strakke rechthoekige omlijsting. De verharde delen bevinden zich aan de rand van de bestemmingszone; de niet verharde, waterdoorlatende delen bevinden zich in het midden van de bestemmingszone. In geval van ondergrondse bebouwing in binnenhof II en III dient de regenafvoer van de niet-verharde delen op het gescheiden rioleringsstelsel aangesloten te worden • waterpartijen, straatmeubilair, verlichting, speeltuigen e.d. worden toegelaten • de bestaande kloostermuur in binnenhof I dient behouden te blijven en geïntegreerd te worden in het ontwerp van het binnenhof • lichtgaten in functie van eventuele ondergrondse bebouwing zijn mogelijk in hof II • in hof I en hof III dienen de afmetingen van de verharde oppervlakken voldoende breed te zijn om hulpdiensten door te laten”. Onder de bespreking van het tweede onderdeel is al gewezen op andere hiermee samen te lezen stedenbouwkundige voorschriften. Zo worden in de zone voor multifunctionele gebouwen publieke en levendige functies verplichtend opgelegd teneinde de publieke functie van de hoven te versterken en moeten doorgangen die een direct visuele relatie tussen het openbaar domein en de binnenhoven leggen, de toegankelijkheid verhogen. Met de geciteerde voorschriften lijkt het bestreden plan voor het betrokken gebiedsdeel tegemoet te komen aan de voorschriften van artikel 14 van het Coördinatiedecreet. De omstandigheid dat de toelichtingsnota bij het plan de opening laat de binnenhoven naar analogie met parken na een bepaald uur af te sluiten, doet hieraan op het eerste gezicht geen afbreuk. Het vierde onderdeel is niet ernstig. X-13.498-15/16 5.4.5. Een vijfde en laatste onderdeel lijkt te worden geput uit een gebrek aan transparantie en een schending van het onpartijdigheidsbeginsel en het objectiviteitsbeginsel. Het volstaat evenwel niet vage en theoretische beschouwingen aan te brengen om te concluderen tot de aanwezigheid van een rechtstreeks belang en partijdigheid. Nog daargelaten de vraag welk adviesorgaan de verzoekende partijen precies viseren, brengen zij geen concrete elementen bij die toelaten hun stelling te onderschrijven. Het betoog van de verzoekende partijen dat “geen transparantie (bestaat ten aanzien van de advies- en beslissingsorganen)” doet op het eerste gezicht niet anders poneren. De kritiek mist ook hier de vereiste minimale concrete invulling ervan om op zijn pertinentie te worden getoetst en kan alleen al om die reden niet worden weerhouden. Het onderdeel is niet ernstig. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel 1. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel 2. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertig juni 2008, door : de H. R. STEVENS, kamervoorzitter, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. R. STEVENS. X-13.498-16/16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.184.933 Gerelateerde publicatie(
- s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.209.057 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div