id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 juni 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.184.935 Rolnummer: A. 104900/X-10360 Zaak: Arrest 184935 - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen - 30/06/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-07-28 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-29 08:20 Fiche Arrest nr 184.935 van 30 juni 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 184.935 van 30 juni 2008 in de zaak A. 104.900/X-10.360. In zake : 1. Rudy VAN LABEKE, 2. Benedicte DE VOS, wonende te 9090 MELLE, Geraardsbergsesteenweg 121 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat P. AERTS, kantoor houdende te 9000 GENT, Coupure 5. D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Rudy VAN LABEKE en Benedicte DE VOS op 18 mei 2001 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 26 januari 2001 van de Vlaamse regering houdende de definitieve vaststelling van een gedeelte van het gewestplan Gentse- en Kanaalzone op het grondgebied van de gemeenten Assenede, De Pinte, Evergem, Gent, Melle, Merelbeke, Moerbeke, Oosterzele, Wachtebeke, Wetteren en Zelzate; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur P. BARRA; Gelet op de beschikking van 26 januari 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verzoekers; Gelet op de beschikking van 9 mei 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 13 juni 2008; X-10.360-1/12 Gehoord het verslag van staatsraad P. LEFRANC; Gehoord de opmerkingen van advocaat B. DE ZUTTER, die loco advocaat E. DE GROOTE verschijnt voor de verzoekende partijen, en van advocaat I. BOCKSTAELE, die loco advocaat P. AERTS verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur P. BARRA; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT : De feiten 1.1. Het is niet betwist dat de verzoekende partijen eigenaars zijn van percelen, met een oppervlakte van ongeveer 70.000 m², te Melle (Gontrode) tussen de Geraardbergsesteenweg, de Kalverhagestraat en de Vinkeslag. 1.2. Deze percelen werden door het bij koninklijk besluit van 14 september 1977 vastgestelde gewestplan Gentse en Kanaalzone opgenomen deels in agrarisch gebied en deels, langs de Geraardbergsesteenweg en de Kalverhagestraat, in een 50 m diep voorliggend woongebied met landelijk karakter. 1.3.1. De aanvraag van de verzoekende partijen van 8 september 1998 voor het verkavelen van de percelen nrs. 339/e en 340/a met een oppervlakte van 17.059 m² gelegen in het bedoelde woongebied met landelijk karakter tot 16 loten voor vrijstaande woningen, werd door het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Melle geweigerd bij besluit van 4 februari 1998. Het beroep van de verzoekende partijen tegen dit weigeringsbesluit werd door de bestendige deputatie van de provincieraad Oost-Vlaanderen verworpen bij besluit van 7 mei 1998. Het beroep van de verzoekende partijen tegen dit laatste besluit werd door de minister verworpen bij besluit van 25 september 1999. Ingevolge het beroep van de verzoekende partijen werd dit laatste besluit vernietigd bij ’s Raads arrest nr. 143.871 van 28 april 2005. X-10.360-2/12 1.3.2.1. De tweede verzoekster diende op 28 januari 1999 twee aanvragen in, de eerste, voor het verkavelen van de percelen nrs. 340/a, 339/b aan de Geraardbergsesteenweg tot 14 loten voor vrijstaande woningen, en de tweede, voor het verkavelen van het perceel nr. 340/a aan de Kalverhagestraat tot 2 loten voor vrijstaande woningen. 1.3.2.2. Het college van burgemeester en schepenen weigerde bij besluiten van 15 september 1999 de beide verkavelingsaanvragen. 1.3.2.3. De beroepen van de verzoekende partijen tegen beide weigeringsbesluiten werden door de bestendige deputatie verworpen bij de besluiten van 19 mei 2000 omdat de aanvragen strijdig zijn, eensdeels, met de bestemming landschappelijk waardevol agrarisch gebied in het ontwerpplan tot gedeeltelijke wijziging van het gewestplan Gentse en Kanaalzone op het grondgebied van onder meer de gemeente Melle, dat voorlopig werd vastgesteld bij besluit van de Vlaamse regering van 8 juni 1999 en, anderdeels, met het bij ministerieel besluit van 2 februari 2000 tot definitieve bescherming als landschap van een hoogstamboomgaard te Gontrode en een weideboomgaard met haag langsheen de Vinkeslag te Melle (Gontrode), aan de Geraardbergsesteenweg. 1.3.2.4. De beroepen van de verzoekende partijen werden door de minister bij de besluiten van 28 mei 2001 verworpen omdat “het ontwerp (...) in strijd is met de planologische bestemming van het terrein” meer bepaald landschappelijk waardevol agrarisch gebied. In bijkomende orde zijn de weigeringen gesteund op het voormelde ministerieel besluit van 2 februari 2000, het ongunstig advies van de cel monumenten en landschappen en de “veelvuldige” bezwaarschriften die werden ingediend in het kader van het openbaar onderzoek. De verzoekende partijen hebben tegen de beide ministeriële besluiten een beroep tot nietigverklaring ingesteld. 1.4.1. Op 17 december 1998 besliste de Vlaamse minister van Leefmilieu en Tewerkstelling tot voorlopige bescherming als landschap wegens zijn esthetische, historische en wetenschappelijke waarde, van de “hoogstamboomgaard te Gontrode, weideboomgaard met meidoornhaag langsheen Vinkeslag” op de voormelde percelen nrs. 339/e en 340/a. Bij ’s Raads arrest nr. 132.902 van 23 juni 2004 werd het beroep van de verzoekende partijen tegen dit besluit verworpen omdat het geen gevolgen meer sorteert of kan sorteren. X-10.360-3/12 1.4.2. Op 2 februari 2000 besliste de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegeheden, Ambtenarenzaken en Sport tot definitieve bescherming als landschap van een hoogstamboomgaard te Gontrode en een weideboomgaard met haag langsheen Vinkeslag te Melle (Gontrode), aan de Geraardbergsesteenweg op de voormelde percelen. Bij ’s Raads arrest nr. 132.901 werd dit ministerieel besluit vernietigd na toetsing aan het bestemmingsvoorschrift “woongebied met landelijk karakter”. 1.5.1. Bij besluit van de Vlaamse regering van 8 juni 1999 wordt het ontwerpplan tot gedeeltelijke wijziging van het gewestplan Gentse en Kanaalzone op het grondgebied van de gemeenten Assenede, De Pinte, Evergem, Gent, Melle, Merelbeke, Moerbeke, Oosterzele, Wachtebeke, Wetteren en Zelzate voorlopig vastgesteld. In het besluit wordt wat betreft de gewestplanherziening op het grondgebied van de gemeente Melle, onder meer overwogen wat volgt: “Overwegende dat het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen stelt dat de belangrijkste doelstellingen met betrekking tot de bosstructuur onder meer zijn: het tegengaan van versnippering, het verkrijgen van een hogere bebossingsindex en het voorzien van nieuwe bossen in bosarme streken; dat het daarom noodzakelijk is alle bestaande bossen te beschermen en bosuitbreiding, bij voorkeur aansluitend bij bestaand bos, te realiseren; (...) Overwegende dat de Vlaamse minister van Leefmilieu en Tewerkstelling op 17 december 1998 de voorlopige bescherming als landschap heeft vastgesteld van de ‘Hoogstamweideboomgaard Gontrode’ te Melle; dat artikel 8§1 van het decreet van 16 april 1996 houdende bescherming van landschappen bepaalt dat al de rechtsgevolgen van de bescherming voorlopig van toepassing zijn; dat deze boomgaard aldus ook een juridische bescherming behoeft via een gewestplanbestemming als landschappelijk waardevol agrarisch gebied; dat deze boomgaard in de voorbereidende documenten van het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan van Melle wordt gesitueerd in natuurverbindingsgebied waarvoor een beleid zal worden gevoerd dat er op gericht is deze kleine landschapselementen te behouden en te beheren”. De bestemming woongebied met landelijk karakter wordt voor de betrokken percelen gewijzigd in de bestemming landschappelijk waardevol agrarisch gebied. 1.5.2. Ter gelegenheid van het openbaar onderzoek dat wordt gevoerd van 18 april tot 16 juni 2000, dienen de verzoekende partijen een bezwaarschrift in. Zij betogen daarin dat de motivering voor de gewestplanwijziging feitelijk geen steek houdt, dat hun grond niet kan bestempeld worden als een “hoogstamweideboomgaard” en dan ook geen bescherming verdient als X-10.360-4/12 landschappelijk waardevol agrarisch gebied, dat een en ander blijkt uit het bijgevoegde verslag van de door hen aangestelde Dr. Ir. R. Veldeman, dat een gewestplanwijziging voor een beperkte oppervlakte van ongeveer 18.000 m² niet mogelijk is zonder machtsoverschrijding, en dat er sprake is van machtsafwending omdat het uitsluitende doel van de gewestplanwijziging het verhinderen van een verkaveling op hun percelen is. 1.5.3.De bestendige deputatie brengt op 10 augustus 2000 advies uit. Wat betreft de voormelde bestemmingswijziging overweegt de deputatie wat volgt: “Het betreft hier een strook woongebied met landelijk karakter van 50 m diepte langsheen de straat en achterliggend agrarisch gebied waarop hoogstamweideboomgaarden voorkomen. Dergelijke boomgaarden bestaan steeds minder in onze streken en verdienen bescherming. De hier betreffende boomgaarden zijn tevens zocht bepalend aan de rand van Gontrode. De boomgaarden zijn niet strijdig met de huidige bestemmingen van het gewestplan, doch ook niet beschermd. De voorgestelde bestemmingswijziging zal ook de juridische toestand van de percelen wijzigen, en is het gevolg van een nog lopende procedure tot klassering als landschap. Aldus komt het voor dat met de gewestplanwijziging vooruitgelopen wordt op een andere procedure en besluitvormingsproces. In het kader van behoorlijk bestuur en voor de rechtszekerheid van de eigenaars lijkt het aangewezen de procedures niet door mekaar maar na elkaar te laten verlopen. advies : gunstig, voor zover de percelen definitief als landschap geklasseerd werden”. 1.5.4. De streekcommissie brengt op 13 oktober 2000 advies uit. De bezwaren van de verzoekende partijen worden als volgt beantwoord: “b. bezwaren en opmerkingen : - de motivering voor de gewestplanwijziging houdt geen steek, de grond is niet te bestempelen als hoogstamweide-boomgaard zoals blijkt uit een studie; het gewestplan regelt de ordening van een groot gebied en niet van een beperkte oppervlakte, de gewestplanwijziging komt hier neer op machtsafwending. e. evaluatie met de opgegeven motivering in het besluit van de Vlaamse regering en in de toelichtingsnota kan ingestemd worden; het gaat hier om de bescherming van de eigen kwaliteiten van de betreffende site en ondersteuning van de klassering als landschap en van de opties in het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan. d. besluit : gunstig advies (10 stemmen voor, 10 onthouding)”. 1.5.5. Bij het bestreden besluit van de Vlaamse regering van 26 januari 2001 wordt de gedeeltelijke wijziging van het gewestplan Gentse en Kanaalzone op X-10.360-5/12 het grondgebied van de gemeenten Assenede, De Pinte, Evergem, Gent, Melle, Merelbeke, Moerbeke, Oosterzele, Wachtebeke, Wetteren en Zelzate definitief vastgesteld. Het bestreden besluit wordt samen met het advies van de streekcommissie bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 23 maart 2001. De gegrondheid 2.1.1. Het eerste middel is genomen uit “machtsafwending en/of afwezigheid van wettig motief en/of machtsoverschrijding”. De verzoekende partijen betogen wat betreft de ingeroepen machtsoverschrijding dat de verwerende partij “niet de bevoegdheid (heeft) om de geldende plannen van aanleg te wijzigen voor één welbepaald, beperkt stuk grond, zoals in casu voor wat betreft de gemeente Melle-Gontrode, uitsluitend met betrekking tot de gronden van de verzoekers met een totale oppervlakte van 70.000 m², waarvan 18.000 m² met bestemming woongebied met landelijk karakter”. Voorts argumenteren zij dat het “verhinderen dat de verzoekers de door hen beoogde verkavelingsvergunning zouden bekomen” het uitsluitende doel was van de bestemmingswijziging van hun gronden van woongebied met landelijk karakter naar landschappelijk waardevol agrarisch gebied in het bestreden besluit. Zulks blijkt uit de motieven van het bestreden besluit waarin “uitdrukkelijk (wordt) verwezen naar het Ministerieel besluit tot voorlopige bescherming als landschap van de ‘Hoogstamweideboomgaard Gontrode’ te Melle” dat op zijn beurt “enkel en alleen tot doel had de verkaveling te verhinderen” hetgeen “blijkt (...) uit de inhoud van de niet gedagtekende ‘inhoudelijke beschrijving en evaluatie’ opgesteld door (...) van de Cel monumenten en landschappen van ROHM Oost-Vlaanderen”. Zij besluiten dat het bestreden besluit “aldus gesteund (
- is)op juridisch onaanvaardbare motieven en (...) bijgevolg met machtsoverschrijding (
- is)genomen (...) dus ook niet door een wettig motief ingegeven (...) tevens genomen (
- is)met machtsafwending”. 2.1.2. De verwerende partij repliceert dat bestemmingsvoorschriften vastgelegd in een plan van aanleg steeds geheel of gedeeltelijk kunnen worden herzien, het gewestplan op zich een geheel gebied moet betreffen maar dat een gedeeltelijke wijziging kan slaan op een kleiner gebied, de wetgeving op de ruimtelijke ordening en de wetgeving op de bescherming van landschappen een verschillend doel nastreven hetgeen niet “belet (...) dat de regelingen die erop gebaseerd zijn, elkaar kunnen ondersteunen”. Zo kan een voorstel tot bescherming als landschap een element zijn in de rechtvaardiging van de bestemming tot X-10.360-6/12 landschappelijk waardevol agrarisch gebied in het (...) gewestplan”. Voorts betoogt zij dat “het (...) enkel de bedoeling (was) om het beschermde landschap, dorps- en stadsgezicht ook planologisch - juridisch te vertalen” en dat “van de opportuniteit van de gewestplanherziening (...) voor andere gebieden (...) dan ook gebruik (werd) gemaakt om de boomgaard, waarvoor nog maar een voorlopige bescherming gold, reeds planologisch - juridisch te bevestigen”. 2.1.3. De verzoekende partijen dupliceren dat de verwerende partij “ordeningsbevoegdheid op gewestelijk niveau” heeft “met andere woorden, voor een geografisch ruim territorium” en dat “het regelen van de ruimtelijke ordening van één welomschreven perceel grond (...) met een totale oppervlakte van 70.000m² waarvan 18.000 m² met bestemming woongebied met landelijk karakter, toebehorend aan de verzoekers, (...) in geen geval onder (...) ordeningsbevoegdheid van het Vlaams Gewest valt”. Voorts herhalen zij dat de verwerende partij van meetaf aan op de hoogte was van de verkavelingsaanvraag die zij hadden ingediend. 2.1.4. Artikel 41 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 (hierna Coördinatiedecreet) bepaalde, ten tijde van de voorlopige vaststelling van het ontwerpplan tot gedeeltelijke wijziging van het gewestplan, dat de Vlaamse regering bij een met redenen omkleed besluit kon beslissen dat een gewestplan geheel of gedeeltelijk wordt herzien. De vervanging van deze decretale bepaling door de thans geldende tekst bij artikel 56 van het decreet van 26 april 2000 houdende wijziging van het decreet van 18 mei 1999 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening (hierna Stedenbouwdecreet) en van het Coördinatiedecreet, doet te dezen aan de bevoegdheid van de Vlaamse regering tot gedeeltelijke herziening van het betrokken gewestplan, overigens op het grondgebied van verschillende steden en gemeenten, geen afbreuk. 2.1.5. Er is slechts sprake van machtsafwending wanneer een bestuursoverheid de haar door de wet met het oog op het bereiken van een bepaald oogmerk van algemeen belang gegeven bevoegdheid gebruikt om een ander doel na te streven en wanneer dat ongeoorloofd oogmerk het enige doel van de betrokken bestuurshandeling is. Uit het administratief dossier blijkt dat het bestreden besluit bestemmingswijzigingen doorvoert op het grondgebied van verschillende steden en gemeenten, dat de “juridische bescherming via een gewestplanbestemming als landschappelijk waardevol agrarisch gebied” van de kwestieuze boomgaard X-10.360-7/12 uitvoering geeft aan het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen met betrekking tot de bosstructuur en dat het besluit van de Vlaamse regering van 8 juni 1999 ter bijkomende verantwoording verwijst naar de voorbereidende documenten van het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan van Melle waarin de boomgaard gesitueerd wordt in “natuurverbindingsgebied waarvoor een beleid zal worden gevoerd dat er op gericht is deze kleine landschapselementen te behouden en te beheren”. Uit de verwijzing in het besluit van de Vlaamse regering van 8 juni 1999 naar het voormelde voorlopig beschermingsbesluit van 17 december 1998 kan in de gegeven omstandigheden niet worden afgeleid dat het bestreden besluit een ander doel heeft nagestreefd dan het doel van algemeen belang zoals vervat in - het bij artikel 171 van het Stedenbouwdecreet opgeheven - artikel 1 van het Coördinatiedecreet en nadien in artikel 4 van het Stedenbouwdecreet, waarvoor deze bevoegdheid aan de Vlaamse regering werd verleend. Het middel is in al zijn onderdelen ongegrond. 2.2.1. Het tweede middel is genomen uit machtsoverschrijding. De verzoekers betogen dat het bestreden besluit niet op juiste gegevens berust wanneer de door hen bestreden voorlopige en de definitieve bescherming als landschap worden vernietigd door de Raad van State. Voorts laten zij gelden dat de voormelde beschermingsbesluiten “gebaseerd (zijn) op een tendentieus verslag en op een totaal verkeerde voorstelling van de feitelijke situatie”, meer bepaald “op de zogenaamde historische, esthetische en sociaal-culturele waarde van de ‘Hoogstamboomgaard’ (...) gehaald uit een studie door (...) De Haeck (...) in opdracht en voor rekening van (...) de gemeente Melle (...) die volkomen eenzijdig en buiten aanwezigheid van de verzoekers om werd uitgevoerd” teneinde “argumenten te zoeken om te verhelpen aan de dreiging van de door de verzoekers beoogde verkavelingsvergunning”. De verzoekers argumenteren voorts dat het verslag dat de “enige grondslag van de beschermingsbesluiten (vormt) die op hun beurt de grondslag vormen van het (...)bestreden besluit (...) tal van feitelijke onjuistheden en/of onvolkomenheden” bevat, onder meer over de gemiddelde stamomvang van de bomen die niet 2 à 2,5 m maar 1,5 à 1,75 m bedraagt, de afzoming ter hoogte van de Vinkenslag met een meidoornhaag in plaats van een ligusterhaag, de aanwezigheid van steen- en pitvruchtbomen terwijl er “slechts drie Noorse kriekenbomen (...) één pruimenboom en één pechenboom” voorkomen, het niet vermelden van het feit dat er van de circa 850 bomen er nog slechts 289 overblijven waarvan “het overgrote deel (...) in de stam rot zijn” en van het feit “dat de boomgaard (...) sinds meer dan 20 jaar geen enkele economische functie meer vervult”. Het verslag van de “expert van hun X-10.360-8/12 keuze, Dr. Ir. R. Veldeman (...) heeft alleen maar de bevestiging gebracht van de hierboven bedoelde vaststellingen door de verzoekers zelf”. 2.2.2. De verwerende partij repliceert dat los van de bescherming van de boomgaard “ook vanuit het ruimtelijk beleid argumenten (worden) geformuleerd voor de bestemmingswijziging”, met name “de aanwezigheid van dergelijke open ruimte met onbetwistbare cultuur-historische waarde in de onmiddellijke nabijheid van de dorpskern van Gontrode, het vermijden van het verder aaneengroeien van woonlinten en het behoud van kleine natuurelementen als ecologische infrastructuur”, en dat “in de motivering eveneens verwezen (wordt) naar het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan van Melle, waarin deze boomgaard wordt gesitueerd in een natuurverbindingsgebied waarvoor een beleid zal worden gevoerd dat erop gericht is deze kleine landschapselementen te behouden en te beheren”. 2.2.3. De verzoekende partijen dupliceren dat “aan dezelfde Geraardbergsesteenweg, met name enkele honderden meter verder richting Melle (...) de bestaande open ruimte wél is opgeheven (...) blijkbaar ten voordele van andere eigenaars (N.V. Veneco)” waar “men (...) recentelijk een zeer groot stuk open ruimte (
- is)beginnen verkavelen en bebouwen”. Het afwijken daar “van het gehuldigde principe van het behoud van de open ruimte en vermijden van woonlinten (...) toont (...) aan dat de door de verwerende partij gegeven motivering een volkomen drogreden is”. In de laatste memorie wijzen de verzoekende partijen erop dat “deze open ruimte (...) volgens de gewestplanbestemming gelegen (
- is)in woonuitbreidingsgebied. 2.2.4. Uit het dossier blijkt dat de bescherming tot landschap gesteund werd op diverse adviezen en studies. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag. De latere vernietiging van het voormelde ministerieel besluit van 2 februari 2000 bij voormeld arrest van 23 juni 2004 tast het bestreden besluit niet aan gelet op de motieven, vermeld in randnummer 2.1.5., waarop het is gesteund. De verzoekende partijen betwisten niet dat de open ruimte op enkele honderden meters van hun gronden volgens het gewestplan gelegen is in woonuitbreidingsgebied tussen woongebied en gebied voor kleine en middelgrote ondernemingen. In die omstandigheden maken de verzoekende partijen niet aannemelijk dat zij zonder gerechtvaardigde verantwoording anders zouden zijn behandeld dan andere personen die zich in dezelfde of in gelijkaardige omstandigheden zouden bevinden. Het middel is in al zijn onderdelen ongegrond. X-10.360-9/12 2.3.1. Het derde middel is genomen uit de schending van het gelijkheidsbeginsel. De verzoekers betogen dat “de overheid, met het terzake bestreden besluit (...) haar opvatting duidelijk drastisch (heeft) gewijzigd, zonder dat ook maar iets blijkt of kan blijken dat die nieuwe opvatting is ingegeven door één of ander nieuw feitelijk element, meer bepaald door op grond van een bestemmingswijziging tot landschappelijk waardevol gebied, eigendoms- beperkingen op (
- te)leggen met het oog op het behoud van de hoogstamfruitbomen, terwijl indertijd zelfs rooipremies werden toegekend om de hoogstamfruitbomen te doen verdwijnen”. 2.3.2. De verwerende partij repliceert dat dit middel “eerder (slaat) op de rangschikkingsbesluiten dan op het thans bestreden besluit” dat “de bedoeling (heeft) aanvullend te werken op het beschermingsbesluit, maar (...) daarenboven ook verantwoord (wordt) door een specifiek en eigen doel” meer bepaald “het overheidsstreven naar ruimtelijke kwaliteit, rekening houdend met de ruimtelijke draagkracht”. 2.3.3. In zoverre het middel de schending van gelijkheidsbeginsel aanvoert wordt het afgewezen om de redenen vermeld in randnummer 2.2.4. Voor het overige wordt het middel omwille van zijn vaagheid verworpen nu de verwerende partij er terecht op wijst dat het doel van het bestreden besluit “specifiek en eigen” is en derhalve onderscheiden moet worden van het doel dat werd nagestreefd door deze of gene overheid bij het verstrekken van rooipremies. Dat onderscheid laat niet toe zonder meer te poneren, zoals de verzoekende partijen doen, dat “de overheid (...) haar opvatting duidelijk (drastisch) heeft gewijzigd”. 2.4.1 Het vierde middel is genomen uit de “afwezigheid van een wettig motief voor de huidige begrenzing van de gewestplanwijziging”. De verzoekers betogen dat “op het gedeelte van het perceel (...) nr. 339 E (...) aan de Geraardsesteenweg (...) tussen de reeds aanwezige bebouwing (...) zich geen hoogstamfruitbomen (bevinden) zodat dit gedeelte ook geen deel uitmaakt van de ‘hoogstamboomgaard’”, dat “voor dat gedeelte (...) een verkavelingsvergunning (werd) verleend op 30.6.1965” voor 5 loten “waarvan inmiddels 4 loten werden bebouwd” en dat de cel Monumenten en Landschappen in de beschermingsprocedure adviseerde dat “op het perceel 339E enkel nog één woning (kan) getolereerd worden tussen perceel 339D en 339C”. Voorts argumenteren zij dat ook “het gedeelte van het perceel (...) nr. 340A (...) aan de Kalverhagestraat (...) X-10.360-10/12 geen deel uitmaakt van de ‘hoogstamboomgaard’ maar akkerland” is en dat de cel Monumenten en Landschappen in de beschermingsprocedure adviseerde dat “het perceel 340A (...) van één woning (kan) voorzien worden in het niet beboomde gedeelte aan de Kalverhagestraat”. 2.4.2. De verwerende partij repliceert dat “niet alleen de voorlopige bescherming van de boomgaard als landschap de aanleiding of verantwoording vormde voor de herziening van het gewestplan, doch ook het behoud van een dergelijke open ruimte met onbetwistbare cultuur-historische waarde in de onmiddellijke nabijheid van de dorpskern van Gontrode en het vermijden van het verder aaneengroeien van woonlinten en het behoud van kleine natuurelementen als ecologische infrastructuur” en dat “de vaststelling dat deze percelen ‘geen deel uitmaken van de hoogstamboomgaard’ (...) dan ook in deze niet relevant (is), minstens niet uitsluitend van belang”. Voorts werpt zij op dat de verzoekende partijen “in gebreke (blijven) aan te tonen dat de verkavelingsvergunning van 30 juni 1965 (...) nog niet vervallen is en dat “de rechten van de verkavelingsvergunning, indien deze nog rechtsgeldig zou bestaan, niet noodzakelijkerwijze aangetast (worden) door een latere gewestplanwijziging”. 2.4.3. De verzoekende partijen dupliceren dat zij “overeenkomstig art. 192 van het Decreet Ruimtelijke Ordening melding (hebben) gedaan van de onbebouwde percelen in een verkaveling van vóór 22.12.1970”. 2.4.4. De verzoekende partijen leggen niet het bewijs voor van enige melding bij het college van burgemeester en schepenen zoals bedoeld in artikel 192 van het Stedenbouwdecreet. Het vermoeden van verval van de verkavelingsvergunning is derhalve definitief geworden. Uit het administratief dossier kan worden afgeleid en de verzoekende partijen betwisten niet dat de bestreden herziening van het gewestplan verantwoord wordt door het behoud van de open ruimte. De verzoekende partijen tonen niet aan dat de bepaling van de grenzen van de bestreden bestemmingswijziging waarin de niet beboomde aanliggende en de boomgaard verder ontsluitende percelen zijn begrepen, kennelijk onredelijk is. Het bestreden besluit wordt op dat punt gedragen door een wettig motief. Het middel is ongegrond. X-10.360-11/12 OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 347,06 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, ieder voor de helft. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertig juni 2008, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, J. BOVIN, staatsraad, P. LEFRANC, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. R. STEVENS. X-10.360-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.184.935 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div