← België

Arrest 184936 - Monumenten en Landschappen - 30/06/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 juni 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.184.936 Rolnummer: A. 116660/X-10818 Zaak: Arrest 184936 - Monumenten en Landschappen - 30/06/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-07-28 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-06-29 08:20 Fiche Arrest nr 184.936 van 30 juni 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Monumenten en Landschappen Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 184.936 van 30 juni 2008 in de zaak A. 116.660/X-10.

  1. In zake : de v.z.w. ZUSTERS VAN MARIA, die woonplaats kiest bij advocaat A. LUST, kantoor houdende te 8200 SINT-ANDRIES, Burggraaf de Nieulantlaan 14 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat B. STAELENS, kantoor houdende te 8000 BRUGGE, Gerard Davidstraat 46, bus
  2. D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de v.z.w. ZUSTERS VAN MARIA op 11 februari 2002 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 20 november 2001 van de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Ambtenarenzaken en Buitenlands Beleid inzoverre het klooster van de Zusters van Maria met inbegrip van de cultuurgoederen die er integrerend deel van uitmaken, inzonderheid de bijhorende uitbreiding, de decoratieve elementen en de voormalige molen met hostiebakkerij te Izegem, Gentsestraat 31, kadastraal bekend sectie A, nr. 237/v(deel) wordt beschermd als monument; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd P. DE WOLF; Gelet op de beschikking van 26 januari 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verwerende partij; X-10.818-1/10 Gelet op de beschikking van 8 mei 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 30 mei 2008; Gehoord het verslag van staatsraad P. LEFRANC; Gehoord de opmerkingen van advocaat Ch. BURM, die loco advocaat A. LUST verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat S. ISHAQUE, die loco advocaat B. STAELENS verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van adjunct-auditeur-generaal P. DE WOLF; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT : De feiten 1.
  3. De verzoekende partij is eigenares van een kloostercomplex met inboedel gelegen te Izegem, Gentsestraat
  4. 1.
  5. In een nota van 12 oktober 2000 stelt de afdeling monumenten en landschappen van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap voor om een aantal goederen gelegen te Izegem waaronder het klooster van de Zusters van Maria en de voormalige hostiebakkerij als monument te beschermen. 1.
  6. Op 1 december 2000 beslist de Vlaamse minister van Buitenlandse Aangelegenheden, Ambtenarenzaken en Sport om een aantal goederen gelegen te Izegem op een ontwerp van lijst van voor bescherming vatbare monumenten, stads- en dorpsgezichten te plaatsen. De bescherming van het klooster van de Zusters van Maria wordt als volgt gemotiveerd : “
  7. Omwille van het algemeen belang gevormd door zijn historische, in casu zijn architectuur-historische en socio-culturele waarde: X-10.818-2/10 - als monument : Het klooster van de Zusters van Maria en de voormalige molen met hostiebakkerij, gelegen te Izegem (Izegem), Gentsestraat 31; (...) De historische waarde, in casu architectuur-historische waarde, wordt als volgt omschreven : - als zijnde een fraai voorbeeld van een 19de-eeuwse kloosterschool opgetrokken in een laatclassicistische stijl, die eerder zeldzaam is voor de regio. Het interieur met ondermeer rijkelijk uitgewerkte kapellen en gaaf bewaard art-decosalon is van een hoogstaande kwaliteit. Uniek zijn tevens de behouden landkaarten van
  8. - als zijnde een belangrijk structuurbepalend en historisch element binnen het stedelijk weefsel. (...) De socio-culturele waarde: - als zijnde een belangrijke getuigenis van het belang dat priester J. de Pélichy speelde in de ontwikkeling van het onderwijs te Izegem. Door zijn mecenaat kon het klooster en de school zich in de tweede helft van de 19de eeuw ontwikkelen tot een belangrijke onderwijsinstelling, die tot op heden op het gebied van onderwijs een belangrijke rol is blijven spelen. - als zijnde een architecturale uitdrukking van het pedagogisch gedachtengoed over de opvoeding van meisjes in het begin van de 20ste eeuw”. Een afschrift van dit voorlopig beschermingsbesluit wordt bij aangetekende brief van 23 januari 2001 onder meer naar de verzoekende partij verstuurd. 1.
  9. Bij aangetekende brief van 21 februari 2001 dient de verzoekende partij een bezwaarschrift in tegen de voorgenomen bescherming. 1.
  10. De bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen brengt op 15 maart 2001 gunstig advies uit en geeft bij de beoogde bescherming van het klooster de volgende opmerking : “In de beschrijving van het klooster en de school werden verschillende roerende goederen opgenomen. In het Ministerieel Besluit houdende het ontwerp van lijst van voor bescherming vatbare monumenten, stads- en dorpsgezichten wordt niet verwezen naar deze roerende goederen. De bestendige deputatie wijst erop dat er dus niet duidelijk gesteld is dat deze roerende goederen mee beschermd worden. Het is daarom wenselijk dat de formulering ‘met inbegrip van de cultuurgoederen die er integrerend deel van uitmaken’ aan het besluit wordt toegevoegd. Dit kan verder verduidelijkt worden met een lijst van voorwerpen die ter plaatse bewaard moeten blijven”. 1.
  11. De bezwaren van de verzoekende partij worden door het bestuur Monumenten en Landschappen besproken in een verslag van 21 juni
  12. X-10.818-3/10 1.
  13. “Na kennisname van de opmerkingen en bezwaren, waarbij zij de bespreking ervan door de bestuursentiteit Monumenten en Landschappen tot de hare maakt” brengt de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen op 4 oktober 2001 een advies uit. 1.
  14. Op 20 november 2001 beslist de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Ambtenarenzaken en Buitenlands Beleid om onder meer “het klooster van de Zusters van Maria met inbegrip van de cultuurgoederen die er integrerend deel van uitmaken inzonderheid de bijhorende uitbreiding (lees : uitrusting) en de decoratieve elementen, en de voormalige molen met hostiebakkerij” te Izegem aan de Gentsestraat 31 als monument te beschermen. In het bestreden beschermingsbesluit wordt, wat betreft de bescherming van het klooster van de Zusters van Maria, het volgende bepaald : “Artikel
  15. Wordt beschermd, overeenkomstig de bepalingen van het decreet van 3 maart 1976, gewijzigd bij decreten van 22 februari 1995 en 8 december 1998: (...) De historische waarde, in casu architectuurhistorische waarde, wordt als volgt omschreven: - als zijnde een fraai voorbeeld van een 19de-eeuwse kloosterschool opgetrokken in een laatclassicistische stijl, die eerder zeldzaam is voor de regio. Het interieur met ondermeer rijkelijk uitgewerkte kapellen en gaaf bewaard art-decosalon (tafel, twaalf stoelen, 2 armstoelen, tapijt met geometrische motieven, piano met twee pianostoelen, luster) is van een hoogstaande kwaliteit. In het salon bevinden zich verschillende kunstwerken verwijzend naar de geschiedenis van het klooster (borstbeeld van J. de Pélichy op sokkel, schilderij (olie op doek) dat J. de Pélichy voorstelt, van 1859 van de hand van Charles Wallem (Gent), schilderij (olie op doek) van 1840 dat het klooster afbeeldt). Uniek zijn tevens de behouden landkaarten van
  16. - als zijnde een belangrijk structuurbepalend en historisch element binnen het stedelijk weefsel. (...) De socio-culturele waarde: - als zijnde een belangrijke getuigenis van het belang dat priester J. de Pélichy speelde in de ontwikkeling van het onderwijs te Izegem. Door zijn mecenaat kon het klooster en de school zich in de tweede helft van de 19de eeuw ontwikkelen tot een belangrijke onderwijsinstelling, die tot op heden op het gebied van onderwijs een belangrijke rol is blijven spelen. - als zijnde een architecturale uitdrukking van het pedagogisch gedachtengoed over de opvoeding van meisjes in het begin van de 20ste eeuw. (...)”. X-10.818-4/10 Een afschrift van het bestreden beschermingsbesluit wordt bij aangetekende brief van 14 december 2001 onder meer naar de verzoekende partij gestuurd. 1.
  17. Op 20 april 2004 beslist de Vlaamse minister van binnenlandse aangelegenheden, cultuur, jeugd en ambtenarenzaken om het bovenvermelde beschermingsbesluit van 20 november 2001 als volgt te wijzigen : “Enig artikel. In artikel 1, 3 van het ministerieel besluit van 20 november 2001 houdende bescherming als monument, stads- of dorpsgezicht te Izegem van het Klooster van de Zusters van Maria worden het tweede en het derde lid vervangen door wat volgt: ‘De historische waarde, in casu architectuurhistorische waarde wordt als volgt omschreven: 1/ Als zijnde een fraai voorbeeld van een 19de-eeuwse kloosterschool die opgetrokken is in een laatclassicistische stijl, die eerder zeldzaam is voor de regio. Het interieur van de twee rijkelijk uitgewerkte kapellen en van het gaaf bewaarde art-decosalon is van hoogstaande kwaliteit. De uitbreiding van de neobarokke gouden kapel is waardevol vanwege de gaaf bewaarde neogotische sjabloonschildering, het glas-in-lood, de deur met briefpanelen, de constructieve uitwerking van de ruimte met gietijzeren zuilen op de begane grond en ranke houten zuiltjes op de bovenverdieping, en de aanwezigheid van een biechtstoel, koorgestoelte en orgel. De voormalige zilveren huiskapel van priester J. de Pélichy valt op door het fraai beschilderd spiegelgewelf met beschilderde neoclassicistisch getinte cartouches en medaillons met teksten en scènes uit het leven van Maria. Het merkwaardige en rijkelijke hoofdaltaar -uitgewerkt in eclectisch-neobyzantijnse stijl getypeerd door het gebruik van cabochons van glas en halfedelstenen en vergulding- is voorzien van een tabernakel, bekroond met Mariabeeld. Het hoofdaltaar wordt geflankeerd door geschilderde trompe-l’oeilnissen waaronder twee consoletafeltjes in neo-Lodewijk XVI-stijl. Rijkelijke verlichtingsarmaturen (twee kleine kaarslusters en een centrale kroonluchter), zes koperen kandelaars op het hoofdaltaar en twee driearmige kandelaars op de consoletafels accentueren het altaarensemble. Het art-decosalon met decoratieve wandafwerking en bijpassende deuren vertoont een gaaf bewaard meubilair van hoogstaande kwaliteit (tafel, twaalf stoelen, twee armstoelen, tapijt met geometrische motieven, piano met twee pianostoelen en luchter). Dit meubilair is historisch en conceptueel verbonden met de art-deco-uitwerking van het salon. Uniek zijn tevens de landkaarten van 1844, geschilderd op de gangwand van de schoolvleugel. 2/ Als zijnde een belangrijk structuurbepalend en historisch element binnen het stedelijk weefsel”. De ontvankelijkheid 2.
  18. De verwerende partij betoogt in de memorie van antwoord dat de verzoekende partij “slechts belang (heeft) bij het aanvechten van een beschermingsbesluit dat haar eigendom betreft, in casu dus de bescherming als monument van het kloostercomplex”. X-10.818-5/10 2.
  19. De verzoekende partij beantwoordt deze exceptie niet. 2.
  20. Het beroep tot nietigverklaring van de verzoekende partij is beperkt tot de bescherming als monument van het klooster van de Zusters van Maria met inbegrip van de cultuurgoederen die er integrerend deel van uitmaken, inzonderheid de bijhorende uitrusting en de decoratieve elementen en de voormalige molen met hostiebakkerij aan de Gentsestraat 31 te Izegem. Het is niet betwist dat de verzoekende partij eigenares is van “het kloostercomplex met inboedel”. Het beroep is derhalve ontvankelijk. De gegrondheid 3.
  21. Het eerste onderdeel van het eerste middel is genomen uit de schending van artikel 69 van de bijzondere wet tot hervorming der instellingen van 8 augustus 1980 en van de artikelen 6,1/, 9, 1/ en 2/, 10,6/, 11,8/ en 15 § 2 van het besluit van de Vlaamse regering van 13 juli 2001 tot bepaling van de bevoegdheden van de leden van de Vlaamse regering. De verzoekende partij betoogt dat het bestreden besluit niet enkel het klooster maar eveneens “de cultuurgoederen die er integrerend deel van uitmaken, inzonderheid de bijhorende uitrusting en decoratieve elementen” beschermt en derhalve niet beperkt is “tot een uit zijn aard onroerend goed en/of tot roerende goederen die (...) onroerend zijn door bestemming” maar “eveneens (...) door hun aard roerende, en mitsdien verplaatsbare goederen” omvat die “tot het cultureel patrimonium, ander dan de monumenten en landschappen, (behoren) dat (...) een gemeenschapsbevoegdheid is gebleven”. Zij argumenteert voorts dat het bestreden besluit minstens door de minister bevoegd voor de monumenten en landschappen, de heer Paul Van Grembergen, en de minister bevoegd voor het cultureel patrimonium, de heer Bert Anciaux gezamenlijk had moeten genomen worden “daar waar het thans alleen genomen werd door de heer Van Grembergen”. 3.
  22. De verwerende partij repliceert “dat in de lijst van goederen opgenomen in de bijlage van het bestreden besluit slechts onroerende goederen door bestemming zijn opgenomen”, dat de verzoekende partij “enkel het tegendeel (stelt) zonder echter haar middel terzake te ontwikkelen”, dat “niet geëxpliciteerd (wordt) welke goederen van de lijst in bijlage niet onroerend zouden zijn door bestemming, X-10.818-6/10 noch waarom” en dat “deze vaststelling (...) voldoende (is) om het eerste middel als ongegrond af te wijzen”. 3.
  23. De verzoekende partij dupliceert “dat het aan de steller van de bestreden akte toekomt de wettigheid ervan aan te tonen zodat de minister niet kan volstaan op te werpen dat verzoekende partij het bewijs niet zou leveren dat sommige goederen niet onroerend door bestemming zijn”, dat “in de beschrijving van de goederen, eigendom van de verzoekende partij, helemaal geen verwijzing te lezen (is) naar enige toelichtende of beschrijvende bijlage”, dat “het besluit (...) zonder meer (zegt) dat het ‘de cultuurgoederen’ van het klooster onder bescherming brengt, zodat tot bewijs van het tegendeel moet aangenomen worden dat het gaat om goederen die, althans in de visie van de verwerende partij, geacht moeten worden tot het ‘cultureel patrimonium’ te behoren, andere dan monumenten en landschappen, waaromtrent mitsdien niet de ondertekenende minister bevoegd is en beleidsverantwoordelijkheid draagt”. 3.
  24. In de laatste memorie stelt de verwerende partij dat “‘de cultuurgoederen’ die integrerend deel uitmaken van het klooster (...) ‘onroerende goederen door bestemming’ (betreffen)” en dat “de verzoekende partij het tegendeel (stelt) zonder concreet aan te tonen welke van de beschermde cultuurgoederen van het klooster niet kunnen gekwalificeerd worden als ‘onroerend door bestemming’” waardoor zij “geen verweer (kan) voeren, tenzij ze zelf zou gaan speuren naar goederen, waarvan de verzoekende partij mogelijks de mening zou zijn toegedaan dat het roerende goederen betreffen”. Voorts wijst zij erop dat “verplaatsbare, uit hun aard roerende goederen (...) onroerend (kunnen) zijn door bestemming” zoals “duidelijk (blijkt) uit artikel 524 B.W.”. Zij argumenteert nog dat “cultuurgoederen in de zin van artikel 2 van het decreet van 3 maart 1976 monumenten zijn” en dus “buiten de toepassingssfeer” vallen van artikel 4,4/ van de voormelde bijzondere wet van 8 augustus 1980 “en dus buiten de bevoegdheidssfeer van de minister bevoegd voor culturele aangelegenheden”. Tot slot werpt zij op dat de gegrondheid van het eerste onderdeel van het eerste middel “slechts (kan) leiden tot de gedeeltelijke vernietiging van het bestreden besluit, nl. in zoverre de ‘cultuurgoederen’ van het klooster beschermd worden”. X-10.818-7/10 3.
  25. Het Vlaamse decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten verstaat onder monument “een onroerend goed (...) van algemeen belang (...) met inbegrip van de cultuurgoederen die er integrerend deel van uitmaken, inzonderheid de bijhorende uitrusting en de decoratieve elementen”. Het is niet het zakelijk karakter – al dan niet (on-)roerend (door bestemming)- van die cultuurgoederen dat van bepalend belang is om die goederen in de bescherming van het betrokken onroerend goed te kunnen opnemen, doch de vaststelling dat het uitrusting en/of decoratieve elementen van het onroerend goed zijn “die er integrerend deel van uitmaken”. 3.
  26. Het is niet betwist dat het besluit, in de mate dat het bestreden wordt, het klooster van de Zusters van Maria met inbegrip van de cultuurgoederen die er integrerend deel van uitmaken, inzonderheid de bijhorende uitrusting en de decoratieve elementen beschermt. Uit het bestreden besluit blijkt en de partijen betwisten niet dat de cultuurgoederen die integrerend deel uitmaken van het beschermde klooster meer bepaald “het interieur met ondermeer rijkelijk uitgewerkte kapellen en gaaf bewaard art-decosalon (tafel, twaalf stoelen, 2 armstoelen, tapijt met geometrische motieven, piano met twee pianostoelen, luster)”, de zich in het salon bevindende “kunstwerken verwijzend naar de geschiedenis van het klooster (borstbeeld van J. De Pélichy op sokkel, schilderij (olie op doek) dat J. De Pélichy voorstelt, van 1859 van de hand van Charles Wallem (Gent), schilderij (olie op doek) van 1840 dat het klooster afbeeldt)” en “de behouden landkaarten van 1844” zijn. 3.
  27. Artikel 69 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen bepaalt dat elke regering collegiaal beraadslaagt, onverminderd de door haar toegestane delegaties. Luidens artikel 6, § 1, I, 7/ van de voormelde bijzondere wet zijn de monumenten en landschappen een gewestaangelegenheid bedoeld in artikel 39 van de grondwet. Luidens artikel 4, 4/ van dezelfde bijzondere wet is “het cultureel patrimonium (...) met uitzondering van de monumenten en landschappen” een culturele aangelegenheid in de zin van artikel 127, 1/ van de grondwet. Overeenkomstig artikel 6, 1/ en artikel 11, 8/ van het besluit van 13 juli 2001 van de Vlaamse regering tot bepaling van de bevoegdheden van de leden van de Vlaamse regering, zoals zij van toepassing waren op het ogenblik van X-10.818-8/10 het nemen van het thans bestreden besluit, was respectievelijk de heer Bert Anciaux bevoegd voor “de culturele aangelegenheden, zoals vermeld in artikel 4, (...) 4/ (...) van de bijzondere wet” en de heer Paul Van Grembergen bevoegd voor “de monumenten en landschappen, zoals vermeld in artikel 6, § 1, I, 7/, van de bijzondere wet”. Op grond van artikelen 14 en 15 van dit besluit van de Vlaamse regering van 13 juli 2001 kon elk lid van de Vlaamse regering slechts de gedelegeerde beslissingsbevoegdheden uitoefenen in de aangelegenheden die hem of haar waren toegewezen krachtens dit besluit. De delegatie gold ook voor beslissingen die gezamenlijk moesten genomen worden door meerdere leden van de Vlaamse regering. 3.
  28. Uit het voorgaande volgt dat de Vlaamse Minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Ambtenarenzaken en Buitenlands Beleid, de heer Paul Van Grembergen, bevoegd voor de monumenten en landschappen, niet bevoegd was om het bestreden besluit alleen te nemen dat ook de voormelde cultuurgoederen in de bescherming heeft opgenomen en tot de bevoegdheid behoorde van de Vlaamse Minister van Cultuur, Jeugd, Sport, Brusselse Aangelegenheden en Ontwikkelingssamenwerking, de heer Bert Anciaux. Het eerste onderdeel van het eerste middel is gegrond. Het gegrond bevinden van dit middel leidt tot algehele nietigverklaring van het ministerieel besluit van 20 november 2001 in de mate dat het bestreden wordt, gelet op het feit dat de in de bescherming opgenomen cultuurgoederen geacht worden, als uitrusting en/of decoratieve elementen, integrerend deel uit te maken van het klooster van de Zusters van Maria. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  29. Vernietigd wordt het besluit van 20 november 2001 van de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Ambtenarenzaken en Buitenlands Beleid inzoverre het klooster van de Zusters van Maria met inbegrip van de cultuurgoederen die er integrerend deel van uitmaken, inzonderheid de X-10.818-9/10 bijhorende uitbreiding, de decoratieve elementen en de voormalige molen met hostiebakkerij te Izegem, Gentsestraat 31, kadastraal bekend sectie A, nr. 237/v(deel) wordt beschermd als monument. Artikel
  30. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertig juni 2008, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, J. BOVIN, staatsraad, P. LEFRANC, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. R. STEVENS. X-10.818-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.184.936 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.