← België

Arrest 184941 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 30/06/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 juni 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.184.941 Rolnummer: A. 152786/X-11931 Zaak: Arrest 184941 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 30/06/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-07-29 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-29 08:20 Fiche Arrest nr 184.941 van 30 juni 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 184.941 van 30 juni 2008 in de zaak A. 152.786/X-11.

  1. In zake :
  2. Stijn LE COUTER,
  3. Ivan WYLIN,
  4. Dirk DE BRABANDERE,
  5. Bert VAN WANSEELE, die woonplaats kiezen bij advocaat A. LUST, kantoor houdende te 8200 BRUGGE, Burggraaf de Nieulantlaan 14 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat Y. FRANCOIS, kantoor houdende te 8790 WAREGEM, Eertbruggestraat
  6. tussenkomende partij : de n.v. ASPIRAVI, die woonplaats kiest bij advocaat P. FLAMEY, kantoor houdende te 2018 ANTWERPEN, Jan Van Rijswijcklaan
  7. D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Stijn LE COUTER, Ivan WYLIN, Dirk DE BRABANDERE en Bert VAN WANSEELE op 15 juni 2004 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 15 april 2004 van de gewestelijk stedenbouwkundig ambtenaren waarbij aan de n.v. ELECTRAWINDS en de n.v. ASPIRAVI de stedenbouwkundige vergunning wordt verleend voor het oprichten van twee windturbines op een perceel gelegen aan de Szamotulystraat te Tielt, kadastraal bekend sectie E, nrs. 601/c (deel), 609 en 571/a (deel); Gelet op het arrest nr. 137.124 van 9 november 2004 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing wordt verworpen; X-11.931-1/13 Gezien het verzoekschrift tot voortzetting, op 14 december 2004 ingediend door de verzoekers; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst, op 18 januari 2005 ingediend door de n.v. ASPIRAVI; Gelet op de beschikking van 26 januari 2005 die de tussenkomst van de n.v. ASPIRAVI toelaat; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien de memorie van de tussenkomende partij; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur A. VAN MINGEROET; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien het verzoek tot voortzetting van de verzoekers en de laatste memorie van de tussenkomende partij; Gelet op de beschikking van 15 januari 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 8 februari 2008; Gehoord het verslag van kamervoorzitter R. STEVENS; Gehoord de opmerkingen van advocaat A. LUST, die verschijnt voor de verzoekers, van advocaat P. LOUAGE, die loco advocaat Y. FRANCOIS verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat P.-J. VERVOORT, die loco advocaat P. FLAMEY verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur A. VAN MINGEROET; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; X-11.931-2/13 OVERWEEGT WAT VOLGT :
  8. Feiten 1.
  9. Op 6 maart 2003 (datum van het bewijs van ontvangst van de aanvraag) werd door de n.v. ELECTRAWINDS en de n.v. ASPIRAVI een aanvraag ingediend tot het oprichten van 2 windturbines met elk een maximum vermogen van 2000 KW (elk met een bijhorende elektriciteitscabine) op een perceel gelegen te Tielt, Szamotulystraat, kadastraal bekend sectie E, nrs. 601/c (deel), 609 en 571/a (deel). 1.
  10. Bij besluit van 15 april 2004 werd de thans bestreden stedenbouwkundige vergunning verleend door de gewestelijk stedenbouwkundig ambtenaren. 1.
  11. Volgens het bij koninklijk besluit van 17 december 1979 vastgestelde gewestplan Roeselare-Tielt waren de terreinen waarop de inrichting wordt gevestigd gelegen in agrarisch gebied. Door besluiten van de Vlaamse regering van 23 november 1994 en 15 december 1998 wordt het betrokken gebied bestemd tot “regionaal bedrijventerrein met openbaar karakter”. Het besluit van de Vlaamse regering van 23 november 1994 voert in zijn bijlage 14 een aantal aanvullende stedenbouwkundige voorschriften in, onder meer met betrekking tot het “regionaal bedrijventerrein met openbaar karakter”.
  12. Ontvankelijkheid De tussenkomende partij werpt bij wege van exceptie op dat het beroep moest worden ingeleid door middel van afzonderlijke verzoekschriften. Zij gaat hierbij uit van de premisse dat de verschillende verzoekers een onderscheiden belang hebben. De verzoekers, die allemaal wonen of werken op hetzelfde bedrijventerrein, beroepen zich evenwel geenszins op uiteenlopende, laat staan tegenstrijdige, belangen bij het bestrijden van de kwestieuze vergunning. De exceptie gaat niet op. X-11.931-3/13
  13. Ten gronde 3.
  14. Standpunten van de partijen 3.1.
  15. In het eerste onderdeel van het eerste middel wordt onder meer de schending aangevoerd van de artikelen 3, § 1 en 84, eerste lid, 2/ van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, met toepassing van artikel 159 van de Grondwet. De verzoekers achten het besluit van de Vlaamse regering van 23 november 1994 tot wijziging van de gewestplanbestemming onwettig omdat op grond van artikel 3 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State het advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State niet werd gevraagd, omwille van dringende noodzakelijkheid, evenwel zonder dat deze hoogdringendheid werd gemotiveerd, hoewel voornoemd artikel 3 dit voorschrijft. Zij achten ook het besluit van 15 december 1998 onwettig omdat het advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State met toepassing van het toentertijd toepasselijke artikel 84, eerste lid, 2/ van de gecoördineerde wetten op de Raad van State gevraagd werd binnen een termijn van drie dagen, zonder evenwel het spoedeisend karakter van de adviesaanvraag afdoende te motiveren, zoals artikel 84 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State het voorschrijft. 3.1.
  16. De verwerende partij repliceert : “2.1 Verzoekende partijen zijn allen eigenaars van bedrijven die zich op grond van het gewestplan op het bedrijventerrein met openbaar karakter gevestigd hebben, minstens hebben zij financiële belangen in die bedrijven. Zij hebben indertijd geen annulatieverzoek bij de Raad van State ingediend, zodat zij geacht moeten worden in te stemmen met de doorgevoerde wijzigingen. Thans willen zij de gewestplanwijziging van 1994 op grond van art. 159 G.W. als onbestaande laten beschouwen bij gebrek aan voorafgaand advies van de Raad van State, afdeling wetgeving. De ingeroepen hoogdringendheid zou niet gemotiveerd zijn. Het is duidelijk dat verzoekende partijen daar geen (wettig) belang bij hebben. Zoals gezegd, moeten zij geacht worden in te stemmen met het vermeend onwettig besluit daar zij er binnen de termijn van 60 dagen geen actie tegen ondernomen hebben. Wie minstens impliciet doch zeker instemt met het besluit in kwestie, kan later niet met succes via het achterpoortje van art. 159 G.W. alsnog de nietigheid opwerpen. Hoe dan ook hebben zij geen wettig/beschermenswaardig belang. Bij de gewestplanwijziging hebben zij allen geprofiteerd van de nieuwe bestemming. Zonder die bestemmingswijziging zaten zij nu allemaal zonevreemd, of hadden ze hun bedrijf aldaar niet kunnen oprichten. X-11.931-4/13 Wie zelf bouwt op grond van een gewestplanbestemming, kan naderhand niet met succes datzelfde gewestplan buiten beschouwing laten verklaren voor een derde die niets anders vraagt dan zijzelf indertijd. (...) 2.3 De gewestplanwijziging van 1998 wordt eveneens aangeklaagd daar er thans wel een advies zou gevraagd zijn, maar niet op afdoende wijze zou gemotiveerd zijn waarom het binnen de 3 dagen moest gegeven zijn. De Vlaamse Regering zou door het niet vermelden van een termijnverlenging op onrechtmatige wijze toepassing van de spoedprocedure gemaakt hebben. Hier gelden dezelfde argumenten als onder punt 2.1 uiteengezet. Daarenboven zou in geval de normale adviesprocedure gevolgd werd, de termijn voor het nemen van het besluit verstreken zijn, ook in geval van verlenging. De gevolgde spoedprocedure voor advies was dus gerechtvaardigd”. 3.1.
  17. De tussenkomende partij doet in haar verzoekschrift tot tussenkomst gelden : “(...) In een eerste onderdeel voeren verzoekende partijen de onwettigheid aan van de gewestplanwijziging van 23 november 1994 resp. 15 december
  18. Volgens verzoekende partijen moeten de gewestplanwijzigingen daarom voor onbestaande gehouden worden waardoor de site voor recht nog steeds in agrarisch gebied zou zijn gelegen. Onmiddellijk dient hier opgemerkt te worden dat verzoekende partijen niet de schending aanvoeren van artikel 11, 4.1 van het Inrichtingsbesluit (agrarisch gebied), zodat men zich de vraag moet stellen waar verzoekende partijen heen willen met dit onderdeel. Verzoekende partijen voeren daarentegen in het eerste onderdeel van het middel enkel de artikelen aan dewelke beweerdelijk worden geschonden, niet door het thans bestreden besluit doch wel door de gewestplanwijzigingsbesluiten dewelke evenwel niet de thans bestreden beslissingen zijn. Uiteraard kunnen enkel grieven ten aanzien van de thans bestreden beslissing worden ingeroepen. Aangezien het eerste onderdeel van het eerste middel enkel betrekking heeft op grieven t.a.v. de gewestplanwijzigingen - dewelke thans niet (kunnen) worden aangevochten bij onderhavige vordering - en aangezien verzoekende partijen niet aanvoeren welke bepalingen door het thans bestreden besluit worden geschonden, dient het eerste onderdeel onontvankelijk te worden verklaard. Daarenboven is het eerste onderdeel van het eerste middel onontvankelijk omdat de verzoekende partijen geen wettig belang hebben bij dit middel. Wanneer de vergunningverlenende overheid beweerdelijk - op grond van artikel 159 van de Grondwet - diende rekening te houden met het feit dat de bedoelde gewestplanwijzigingen onwettig zouden zijn, impliceert dit a fortiori dat de Raad van State hiermee op éénzelfde wijze zou dienen rekening te houden bij de beoordeling van voorliggend verzoek tot vernietiging en dit niet enkel voor de beoordeling van het eerste middel, doch tevens bij de beoordeling van het belang van de verzoekende partijen. Welnu, alle verzoekers zijn eigenaars, exploitanten en/of bewoners van bedrijfsgebouwen en bedrijfswoningen. Wanneer de bedoelde gewestplanbestemmingswijzigingen van agrarisch gebied naar regionaal bedrijventerrein met openbaar karakter onwettig zouden zijn, wat verzoekers beweren in het eerste onderdeel van dit middel, impliceert X-11.931-5/13 zulks dat de verzoekers, in navolging van hun eigen logica, op onwettige wijze bedrijfsgebouwen exploiteren in ‘agrarisch gebied’, alsook op onwettige wijze bedrijfswoningen bewonen in ‘agrarisch gebied’. Aangezien de bedoelde garages geenszins als agrarisch of para-agrarisch(e) activiteiten kunnen beschouwd worden, betekent zulks dat verzoekers, in hun eigen logica, met voorliggende vordering enkel beogen vermeende onwettige belangen te vrijwaren, eens te meer de verzoekende partijen in hun verzoekschrift ‘zelf’ beweren dat industriële gebouwen en handelingen onverenigbaar zijn met de bestemming agrarisch gebied. Alleszins dient - in het geval per impossibile zou worden aangenomen dat het eerste onderdeel van het middel wel ontvankelijk is - vastgesteld te worden dat het eerste onderdeel ongegrond is. In essentie, zonder het met zoveel woorden te zeggen, lijken verzoekende partijen aan te voeren dat het bestreden besluit onwettig zou zijn omdat het zou rekening houden met een gewestplanbestemming (regionaal bedrijventerrein met openbaar karakter) die - met toepassing van artikel 159 Grondwet - onwettig zou zijn. Meer bepaald beweren de verzoekers dat de vergunningverlenende overheid bij de beoordeling van de aanvraag in kwestie - met toepassing van artikel 159 van de Grondwet - had moeten vaststellen dat de bestaande gewestplanbestemming, ingevolge de gewestplanwijzigingen d.d. 23 november 1994 en 15 december 1998, onwettig was en dat zodoende bij de beoordeling had moeten rekening gehouden worden met de oorspronkelijke gewestplanbestemming, met name agrarisch gebied. Welnu, volgens vaste rechtspraak van Uw Raad geldt artikel 159 van de Grondwet enkel en alleen voor de met rechtspraak belaste organen, en dus niet voor het actief bestuur (...). (...) Wat betreft de gewestplanwijziging dd. 23 november 1994 voeren verzoekende partijen aan dat deze onwettig zou zijn omdat er voorbij zou zijn gegaan aan de verplichting om advies te vragen aan de Raad van State. Wat betreft de gewestplanwijziging dd. 15 december 1998 zou er ten onrechte een spoedadvies (van drie dagen) gevraagd zijn. Verzoekende partijen tonen dit evenwel niet aan. In het kader van een kort geding kan dit dan ook niet aangenomen worden, te meer daar de desbetreffende overheid niet inzake is en er geen administratief dossier neerligt met betrekking tot die gewestplanwijzigingen. Ingaan op de vraag tot onderzoek zou manifest de rechten van verdediging schenden. Vruchteloos verwijzen verzoekende partijen naar ’s Raads arresten nr. 109.111 van 10 juli 2002 en nr. 109.467 van 18 juli 2002, aangezien voormelde arresten andere kaartbladen betreffen, zoals verzoekende partijen dit zelf erkennen in hun verzoekschrift. Er bestaat geenszins reden om de in voormelde arresten aangenomen stelling ‘onverkort’ over te nemen met betrekking tot het in casu betrokken kaartblad, zoals verzoekende partijen zomaar poneren: allereerst hebben verzoekende partijen het gewestplan Roeselare-Tielt na de relevante wijzigingen niet rechtstreeks aangevochten middels een annulatieberoep; de termijn is overigens al lang verstreken en verzoekende partijen kunnen hun inertie dienaangaande niet goedmaken door thans in een annulatieprocedure artikel 159 van de Grondwet in te roepen. Bovendien betreffen ’s Raads arresten nr. 109.111 en 109.467 enkel de gewestplanwijziging van 15 december 1998, zodat in elk geval de gewestplanwijziging van 23 november 1994 buiten schot is gebleven in voormelde arresten. (...)”. X-11.931-6/13 3.1.
  19. De verzoekers dupliceren : “
  20. Het onderzoek van de wettigheidsexceptie komt inderdaad niet toe aan de bestendige deputatie, orgaan van actief bestuur. Ze komt echter wel toe aan de Raad van State, orgaan bekleed met jurisdictionele bevoegdheid. (...) Bovendien snijdt de ganse stelling van de tussenkomende partij ook materieelrechtelijk geen hout. Sinds jaar en dag verwerpt Uw Raad de exceptie van gebrek aan belang gegrond op de aanvoering dat de verzoekende partij zelf niet over een wettige vergunning zou beschikken en/of zelf bestemmingsonconform zou zijn. (...) Verzoekende partijen zijn allen titularis van een individuele stedenbouwkundige vergunning die definitief is geworden en in hunnen hoofde onherroepelijke subjectieve rechten heeft doen ontstaan waaraan niet meer kan worden getornd. Zelfs wanneer het bestemmingsplan, op grond waarvan een individuele vergunning is verleend, naderhand wordt vernietigd, en derhalve uit het rechtsverkeer verdwijnt, blijft de bekomen individuele vergunning haar rechtskracht behouden. Des te meer wanneer er enkel sprake is van een onrechtstreekse toets via art. 159 van de grondwet, waarin enkel wordt vastgesteld dat het bestemmingsplan onwettig is, zonder het echter uit het rechtsverkeer te nemen. Het bestemmingsplan blijft voor het overige geheel bestaan. Zulk arrest raakt dus niet aan de rechtspositie van andere eerdere vergunninghouders. Een arrest dat bij toepassing van art. 159 van de grondwet tot de vaststelling komt dat een gewestplan onwettig is en mitsdien geen rechtsbasis kon zijn voor het alsnog verlenen van individuele vergunningen zolang aan die onwettigheid niet is verholpen, kan dus niet voor gevolg hebben dat de verzoekende partijen hun eerder vergunde woningen en bedrijfsgebouwen ‘op onwettige wijze (...) bewonen’, zoals de tussenkomende partij insinueert. Art. 146.6/ van het decreet van 18 mei 1999, zoals gewijzigd bij decreet van 21 november 2003 zegt letterlijk dat werken en handelingen die in strijd zijn met de plannen van aanleg niet strafbaar zijn ‘indien de uitgevoerde werken, handelingen of wijzigingen vergund zijn’. Die uitzondering klemt des te meer omdat de toepassing van art. 159 van de grondwet in een individueel geval nooit voor gevolg kan hebben dat de eerdere werken en de handelingen van de verzoeker, die om toepassing van die grondwetsbepaling vraagt, een inbreuk zouden gaan uitmaken op de plannen van aanleg, vermits het plan van aanleg nog steeds bestaat en zelfs niet eens voor wat die verzoeker en zijn eigendommen betreft, onwettig is bevonden. (...)
  21. Ten gronde moeten de verzoekende partijen vaststellen dat de illegaliteit van de beide gewestplannen niet ernstig weerlegd wordt (...)”. 3.1.
  22. In haar toelichtende memorie stelt de tussenkomende partij nog : “In eerste instantie menen de verzoekende partijen dat tussenkomende partij in het verzoekschrift tot tussenkomst ten onrechte zou stellen dat verzoekende partijen geen wettig belang hebben bij het eerste middel; Volgens de verzoekende partijen zouden zij hun bedrijfsgebouwen en bedrijfswoningen wettig kunnen bewonen en exploiteren om de enkele reden dat zij reeds vergund zouden zijn; Verzoekende partijen gaan evenwel volkomen voorbij aan het feit (dat) hun exploitatievergunningen beperkt zijn in de tijd, en zij in de toekomst nieuwe X-11.931-7/13 milieuvergunningen dienen aan te vragen voor de exploitatie van hun huidige en/of toekomstige activiteiten. Alsook nieuwe bouwvergunningen voor de eventuele uitbreiding of functiewijziging van hun bedrijfsgebouwen; Welnu, indien de bewering van verzoekende partijen juist zou zijn dan zullen zij daarvoor geen vergunning meer bekomen, gezien de wettelijke bestemming van het gebied zogezegd ‘agrarisch’ zou zijn. (...)”. 3.1.
  23. In haar laatste memorie voegt de tussenkomende partij aan haar argumentatie nog toe dat de verzoekers niet over het vereiste belang beschikken omdat de kwestieuze vergunning ook rechtsgeldig in een agrarisch gebied kan worden verleend. 3.
  24. Beoordeling 3.2.
  25. Het feit dat de verzoekers de in het middel onwettig geachte gewestplanwijzigingen niet met een annulatieberoep hebben bestreden, ontneemt hen niet de mogelijkheid thans de exceptie ex-artikel 159 GW tegen deze wijzigingen aan te voeren. 3.2.
  26. Het feit dat de verzoekers gebeurlijk zelf in de toekomst nadelige effecten zouden kunnen ondervinden van het gegrond bevinden van de voormelde exceptie ex-artikel 159 GW ontneemt hen niet het belang bij het aanvoeren van die exceptie. Het komt aan die partijen zelf toe te beoordelen of de voordelen van de op basis van die exceptie bekomen vernietiging van de bestreden vergunning opwegen tegen de gebeurlijke nadelen van het gegrond bevinden van de exceptie op hun eigen rechtstoestand. Dit gegrond bevinden doet in elk geval niet de vergunningen waarover zij thans beschikken teniet. Het actueel belang kan hen niet ontzegd worden op grond van de door de tussenkomende partij aangevoerde argumenten met betrekking tot het tijdelijk karakter van de thans geldende milieuvergunningen. 3.2.
  27. Waar de verwerende partij als orgaan van actief bestuur de betrokken gewestplanwijzigingen op grond van artikel 159 GW niet buiten toepassing mocht laten, dient de Raad van State, als rechtscollege, wel de wettigheid van die wijzigingen te toetsen en die desgevallend buiten toepassing te laten. 3.2.
  28. De verwerende en de tussenkomende partij betwisten niet dat het besluit van 23 november 1994, dat eigen verordenende stedenbouwkundige X-11.931-8/13 voorschriften bevat, voor advies moest worden voorgelegd aan de afdeling wetgeving van de Raad van State. In het besluit van de Vlaamse regering van 23 november 1994 wordt het volgende gesteld: “Overwegende dat dit plan, overeenkomstig de bepalingen van het decreet van 22 december 1993, onverwijld vastgesteld moet worden; Gelet op de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, inzonderheid op artikel 3, § 1, gewijzigd bij de wet van 4 juli 1989; Gelet op de dringende noodzakelijkheid”. Het te dezen toepasselijke artikel 3, § 1 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State luidt als volgt: “Buiten het met bijzondere redenen omklede geval van hoogdringendheid (...) onderwerpen (...) de leden van de gemeenschaps- of gewestregeringen (...), ieder wat hem betreft, aan het met redenen omkleed advies van de afdeling wetgeving de tekst van alle (...) ontwerpen van reglementaire besluiten (...)”. De beoordeling of deze substantiële verplichting werd nageleefd gebeurt derhalve op basis van hetgeen ter zake in de aanhef van het betrokken besluit wordt gesteld. In essentie kan uit de “motivering” die voorkomt in de aanhef van het besluit slechts worden afgeleid dat de noodzaak tot het onverwijld vaststellen van het plan haar oorsprong vindt in het decreet van 22 december 1993, doch er wordt geenszins verduidelijkt waarom dit zo zou zijn. De dringende noodzakelijkheid van het besluit van de Vlaamse regering van 23 november 1994 is aldus niet “met bijzondere redenen” omkleed. 3.2.
  29. Ook het besluit van 15 december 1998 bevat aanvullende stedenbouwkundige voorschriften, die voor advies aan de afdeling wetgeving van de Raad van State moesten worden voorgelegd. In dit geval werd een spoedadvies gevraagd aan de afdeling wetgeving. Het middelonderdeel voert aan dat niet afdoende is gemotiveerd waarom een beroep werd gedaan op de spoedprocedure. Te dezen wordt de hoogdringendheid gemotiveerd “door de termijnen die moeten gerespecteerd worden ingevolge het decreet van 22 december 1993 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting van 1994 (artikel 94 tot 105) waarbij de termijn tussen het begin van het openbaar onderzoek en de definitieve vaststelling wordt vastgesteld op 240 dagen; de vergadering van de Vlaamse regering voor het desbetreffend besluit inzake het gewestplan X-11.931-9/13 Roeselare-Tielt is voorzien op dinsdag 15 december 1998, de laatste dag van de vervaltermijn”. Het toepasselijke artikel 84, eerste lid van de gecoördineerde wetten op de Raad van State bepaalt dat het onderzoek van de zaken plaatsvindt in volgorde van inschrijving op de rol, uitgezonderd, onder meer “wanneer, in spoedeisende gevallen die in de aanvraag met bijzondere redenen worden omkleed, de overheid die de afdeling wetgeving adieert, vraagt dat het advies of het voorontwerp wordt meegedeeld binnen een termijn van ten hoogste drie dagen of binnen een termijn van ten hoogste acht dagen in het geval bedoeld in artikel 2, § 4”. In dit geval moet de motivering die in de aanvraag wordt opgegeven, worden overgenomen in de aanhef van de verordening. Het komt in de eerste plaats aan de afdeling wetgeving van de Raad van State toe te oordelen over de rechtmatigheid en de gegrondheid van de “bijzondere redenen” die in de bij haar ingediende adviesaanvraag worden uiteengezet ter verantwoording van het spoedeisend karakter ervan. Aangenomen mag worden dat als zij daaromtrent geen opmerkingen maakt, de afdeling wetgeving van oordeel is dat de gegeven verantwoording niet iedere overtuigingskracht ontbeert. De overheid die het advies heeft aangevraagd mag, met toepassing van meervermeld artikel 84, eerste lid, er in principe op vertrouwen dat zij aan de overgelegde tekst voortgang mag verlenen zonder op het rechtmatigheidsbezwaar van gebrek aan spoedeisendheid te stuiten. Dit principe is niet absoluut. De overheid kan er zich met name niet op beroepen wanneer blijkt dat zij de afdeling wetgeving onvolledig of verkeerd heeft voorgelicht omtrent de “bijzondere redenen” die haar tot haar verzoek om spoedbehandeling hebben gebracht. In dat geval kan de overheid immers niet staande houden dat haar vertrouwen werd beschaamd. De Raad van State, afdeling wetgeving, eerste kamer, werd op 9 december 1998 door de Vlaamse minister van Openbare Werken, Vervoer en Ruimtelijke Ordening verzocht hem, binnen een termijn van ten hoogste drie dagen, van advies te dienen over “een ontwerp van besluit van de Vlaamse regering houdende definitieve vaststelling van het plan tot gedeeltelijke wijziging van het gewestplan Roeselare-Tielt op het grondgebied van de gemeenten Ardooie, Dentergem, Hooglede, Ingelmunster, Izegem, Ledegem, Lichtervelde, Meulebeke, Moorslede, Oostrozebeke, Pittem, Roeselare, Ruiselede, Staden, Tielt, Wielsbeke, Wingene”. De Vlaamse regering, ter voldoening aan het vereiste in het toepasselijke artikel 84, eerste lid, 2/ van de gecoördineerde wetten op de Raad van State motiveert in de adviesaanvraag het spoedeisende karakter hiervan : X-11.931-10/13 “door de termijnen die moeten gerespecteerd worden ingevolge het decreet van 22.12.1993 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting van 1994 (art. 94 tot 105) waarbij de termijn tussen het begin van het openbaar onderzoek en de definitieve vaststelling door de Vlaamse regering wordt vastgesteld op 240 dagen. De vergadering van de Vlaamse regering voor het desbetreffende besluiten van Antwerpen is voorzien op dinsdag 15 december 1998, nl. tegelijk ook de vervaldag van het gewestplanprocedureperiode van 240 dagen’. De afdeling wetgeving heeft op 10 december 1998 advies uitgebracht. Het advies vermeldt : “Met toepassing van het bepaalde in artikel 84, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State heeft de afdeling wetgeving zich in hoofdzaak beperkt tot ‘het onderzoek van de rechtsgrond, van de bevoegdheid van de steller van de handeling, alsmede van de vraag of aan de voorgeschreven vormvereisten is voldaan’”. Het advies vermeldt tevens in de “Opmerkingen bij de tekst” in voetnoot 1 onder punt 1 : “

(1)Bij de overname van de hierboven aangehaalde motivering dient deze te worden verbeterd. Wellicht werd daarin immers, inzake een ontwerp dat het gewestplan Roeselare-Tielt betreft, niet bedoeld te verwijzen naar ‘besluiten van Antwerpen’”; De Vlaamse regering kan zich voor de verantwoording van het spoedeisend karakter van de adviesaanvraag bezwaarlijk beroepen op de artikelen 94, 95, 96 en 97 van het decreet van 22 december 1993 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1994, aangezien deze artikelen behoren tot het hoofdstuk XV - VZW Stichting voor de Vlaamse Pers, wat het artikel 94 betreft, en tot het hoofdstuk XVI - Welzijn, wat de overige vernoemde artikelen betreft. Voorts is geen van de opgegeven artikelen 98, 100, 101, 102, 103, 104 en 105 ter zake relevant. Enkel artikel 99 kan met de aangelegenheid uitstaans hebben en dan nog is de bedoelde bepaling overigens sedert 22 oktober 1996 opgenomen in het gecoördineerde decreet betreffende de ruimtelijke ordening, met name artikel 11, §
  1. Naar luid van dat artikel moet de Vlaamse regering op straffe van verval van het ontwerpgewestplan, het gewestplan vaststellen binnen een termijn van 180 dagen na het verstrijken van de termijn van 60 dagen gedurende welke het gewestplan ter inzage wordt gelegd van het publiek - of, anders berekend, binnen een termijn van 240 dagen te rekenen vanaf het begin van de termijn van 60 dagen van inzage door het publiek, en kan zij deze termijn van 180 dagen - of, anders berekend 240 dagen - met 60 dagen verlengen. De gegeven verantwoording steunt voorts op de dagorde van de Vlaamse regering op 15 december
  2. Derhalve is de verantwoording van het spoedeisend karakter gelegen in het verstrijken van de X-11.931-11/13 termijn van 180 (=240) dagen en het feit dat over het besluit op 15 december 1998 zou worden beslist. De verantwoording gewaagt niet van de mogelijkheid van verlenging van de vervaltermijn, noch van de redenen die een verlenging in de weg stonden; In een geval als het voorliggende, met name in het geval dat de regering expressis verbis verklaart aan een welbepaalde termijn te zijn gebonden en zij daarbij aangeeft dat die termijn zeer binnenkort verstrijkt, valt niet in te zien waarom de afdeling wetgeving hieraan diende te twijfelen. Het advies dat reeds daags na de aanvraag werd uitgebracht beperkt zich ter zake trouwens ertoe akte te nemen van de redenen van de spoed. Aangezien aan de afdeling wetgeving geen inzage wordt gegeven van de dossiers van het openbaar onderzoek en van de raadplegingen en haar evenmin mededeling wordt gedaan van de feitelijke gegevens waarop de versterkte verantwoording berust, hoeft zij, in de uiterst korte tijd die haar is toegemeten en die zij uiteraard en logischerwijze in de eerste plaats besteedt aan het onderzoek van de verordening die voorligt, niet na te gaan in het arsenaal van de vigerende teksten -ter zake in de adviesaanvraag niet eens correct geciteerd- of de vervaltermijn waaraan de regering naar eigen zeggen gebonden is, niet zou kunnen worden verlengd. Het kwam de Vlaamse regering -de allereerste beoordelaar van de spoed- toe in haar adviesaanvraag mededeling te doen van die mogelijkheid tot verlenging alsmede de met het spoedeisend karakter van het bestreden besluit verband houdende redenen uiteen te zetten waarom geen gebruik werd, of kon worden gemaakt van de mogelijkheid tot verlenging van de vervaltermijn. In de adviesaanvraag vermeldt de redengeving op dat stuk helemaal niets. De genoemde gewestplanwijzigingen moeten derhalve buiten toepassing worden gelaten. 3.2.
  3. De voor het eerst in de laatste memorie naar voren gebrachte argumentatie van de tussenkomende partij als zou het ontwerp ook passen in de tevoren geldende gewestplanbestemming agrarisch gebied en dat derhalve de verzoekers geen belang zouden hebben bij het middelonderdeel, is laattijdig geformuleerd en derhalve niet ontvankelijk. 3.2.
  4. Het middelonderdeel is gegrond. X-11.931-12/13 OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  5. Vernietigd wordt het besluit van 15 april 2004 van de gewestelijk stedenbouwkundig ambtenaren waarbij aan de n.v. ELECTRAWINDS en de n.v. ASPIRAVI de stedenbouwkundige vergunning wordt verleend voor het oprichten van twee windturbines op een perceel gelegen aan de Szamotulystraat te Tielt, kadastraal bekend sectie E, nrs. 601/c (deel), 609 en 571/a (deel). Artikel
  6. De kosten van de vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 1400 euro, komen ten laste van de verwerende partij. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertig juni 2008, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, J. BOVIN, staatsraad, P. LEFRANC, staatsraad, Mevr. G. SCHEVENEELS, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, G. SCHEVENEELS. R. STEVENS. X-11.931-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.184.941 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.137.124 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.