← België

Arrest 184947 - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen - 30/06/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 juni 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.184.947 Rolnummer: A. 66369/X-10120 Zaak: Arrest 184947 - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen - 30/06/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-07-28 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-29 08:20 Fiche Arrest nr 184.947 van 30 juni 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 184.947 van 30 juni 2008 in de zaak A. 66.369/X-10.120. In zake : Frans JORISSEN, die woonplaats kiest bij advocaat L. LINDERS, kantoor houdende te 3500 HASSELT, Gouverneur Roppesingel 131 tegen : 1. het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat M. van DIEVOET, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, Boomstraat 14, 2. de stad HASSELT. D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Frans JORISSEN op 13 november 1995 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van: “1. De beslissingen van de Gemeenteraad van de Stad Hasselt dd. 27 oktober 1992 en 28 september 1993 waarbij het wijzigingsplan nr. 15 ‘Casterwijk (sexto)’ als wijzigend bijzonder plan van aanleg wordt aangenomen. 2. Het ministerieel besluit van de Vlaamse Minister van Openbare Werken, Ruimtelijke ordening en Binnenlandse Aangelegenheden van 22 juni 1994 houdende goedkeuring van dit wijzigingsplan”; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd F. DE BUEL; Gelet op de beschikking van 7 februari 2001 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verzoeker en van de tweede verwerende partij; X-10.120-1/10 Gelet op de beschikking van 20 november 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 30 november 2007, datum waarop de zaak wordt uitgesteld tot de terechtzitting van 11 januari 2008; Gehoord het verslag van staatsraad J. BOVIN; Gehoord de opmerkingen van advocaat E. LONCKE, die loco advocaat L. LINDERS verschijnt voor de verzoeker, en van advocaat F. van DIEVOET, die loco advocaat M. van DIEVOET verschijnt voor de eerste verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd F. DE BUEL; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT : 1. De feiten De verzoeker is eigenaar van een appartement in de Residentie “De Langeman”, gelegen te 3500 Hasselt, St. Katerinaplein nr. 3-7. Op 17 december 1991 beslist de gemeenteraad van de stad Hasselt het “B.P.A. nr. 15 sexto”, zoals opgesteld door de Stedelijke Technische Dienst, bestaande uit bestemmings- en onteigeningsplan, voorlopig vast te stellen en “de Hogere Overheid (te verzoeken) de bijzondere onteigeningsprocedure bij hoogdringende omstandigheden zoals voorzien bij de wet van 26 juli 1962, gewijzigd bij de wet van 7 juli 1978, toepasselijk te maken voor de onteigeningen voorzien op de hierbij gevoegde onteigeningsplannen en deze onteigeningen voor openbaar nut te verklaren”. Volgens het bestemmingsplan bij voormeld ontwerp B.P.A. wordt de grond behorend bij en gelegen achter voormeld appartementsgebouw bestemd voor “openbaar groen”. Die grond komt tevens, volgens het voornoemd onteigeningsplan, in aanmerking voor “onteigening voor openbaar nut”. X-10.120-2/10 Op 4 mei 1992 wordt de verzoeker persoonlijk en schriftelijk in kennis gesteld dat het ontwerp B.P.A. nr. 15 sexto, zoals voorlopig vastgesteld in de gemeenteraadszitting van 17 december 1991, in het gemeentehuis ter inzage ligt. Na de tijdens het openbaar onderzoek ingediende bezwaren te hebben onderzocht en weerlegd beslist de gemeenteraad op 27 oktober 1992 en 28 september 1993 het B.P.A. nr. 15 sexto “Casterwijk”, bestaande uit een onteigenings- en bestemmingsplan, definitief vast te stellen. Op 22 juni 1994 keurt de Vlaamse minister van Openbare Werken, Ruimtelijke ordening en Binnenlandse Aangelegenheden voornoemd B.P.A. goed en beslist dat “het algemeen nut de onteigening van de percelen, aangegeven op het onteigeningsplan vordert”, doch niet volgens de door de gemeenteraad gevraagde rechtspleging bij dringende omstandigheden. Voornoemd besluit wordt op 19 oktober 1994 bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. Op 12 september 1995 wordt de verzoeker een afschrift betekend van meergenoemd besluit alsmede van een kopie van de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad. Tevens wordt medegedeeld dat het desbetreffend bundel van 21 september 1995 tot 5 oktober 1995 in het gemeentehuis ter inzage wordt gelegd. 2. Ten gronde 2.1. Enig middel - standpunt van de partijen 2.1.1. In een enig middel voert de vezoeker aan wat volgt: “Het enige middel dat verzoekende partij opwerpt is gebaseerd op de schending van art. 16 van de Grondwet en van de artikelen 2 en van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen. Doordat, eerste onderdeel, het vastgesteld onteigeningsplan voor het perceel sectie D nr. 129T niet uitgaat van een openbaar nut en doordat, tweede onderdeel, in het bestreden besluit dit openbaar nut niet wordt aangeduid. Terwijl art. 16 van de Grondwet uitdrukkelijk stelt dat niemand van zijn eigendom kan ontzet worden dan ten algemenen nutte en terwijl art. 2 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen vereist dat de bestuurshandelingen uitdrukkelijk moeten worden gemotiveerd en art. 3 hieraan toevoegt dat deze motivering de juridische feitelijke overwegingen moet vermelden die aan de grondslag van de beslissing ligt en die afdoende moet zijn. 4.2. Toelichting bij het middel. Grondwettelijk is een onteigening enkel mogelijk indien deze gebeurt ten algemene nutte. Zoals art. 25 van de Stedebouwwet verduidelijkt dient een onteigeningsplan, dat de uitvoering van een plan van aanleg moet mogelijk maken eveneens ingegeven zijn door redenen van openbaar nut. X-10.120-3/10 Niet alleen dient een onteigeningsplan de geplande onteigeningen te baseren op het openbaar nut, de verplichting tot motivering van de bestuurshandelingen vereist bovendien dat deze redenen van openbaar nut uit het besluit zelf blijken en dat ze relevant en afdoende zijn om het besluit te verrechtvaardigen. In casu is aan geen van deze vereisten voldaan. Naar het oordeel van verzoekende partij kan de voorziene onteigening onmogelijk ingegeven zijn door redenen van openbaar nut. Het bestemmingsplan dat tegelijkertijd door de bestreden besluiten voor deze buurt werd goedgekeurd geeft aan dat de Stad Hasselt geen enkele realisatie voorziet op het te onteigenen perceel; nog minder wordt een realisatie van openbaar nut aangeduid in het bestemmingsplan. In het bestemmingsplan, ter uitvoering waarvan het onteigeningsplan is vastgesteld, wordt het perceel opgenomen in een groene zone. Van deze zone wordt evenmin aangeduid hoe ze (voor) het openbaar nut zal gebruikt worden; nog minder wordt aangegeven waarom de vastgelegde bestemming van groene zone ook niet zonder onteigening kan gerealiseerd worden. Ter realisatie van een bestemming van een B.P.A. is immers niet altijd een onteigening nodig. Derhalve is er thans geen enkel element voorhanden waaruit het algemeen nut van de voorgenomen onteigening kan worden afgelijnd, zodat de aangevochten besluiten aangetast zijn door nietigheid. Minstens dient te worden vastgesteld dat deze nietigheid er in bestaat dat de aangevochten besluiten dit openbaar nut van de voorgenomen onteigening niet motiveren”. 2.1.2. De eerste verwerende partij beantwoordt dit middel als volgt: “Verzoeker baseert zijn vordering tot nietigverklaring op één middel, nl. het gebrek aan motivering van het openbaar nut, waarop het onteigeningsplan gebaseerd is. 1. Het onteigeningsplan, dat het voorwerp van het verzoek tot nietigverklaring uitmaakt, is een deel van het gewijzigd B.P.A. nr. 15 ‘Casterwijk’ (sexto). Een B.P.A. heeft verordende kracht (art. 2 § 1 van de stedebouwwet van 29.3.1962). Welnu, verordeningen zijn uitgesloten uit het toepassingsgebied van de Wet van 29.7.1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van sommige bestuurshandelingen (zie o.m. P. VAN ORSHOVEN, De uitdrukkelijke motivering van administratieve rechtshandelingen, R.W. 1991-1992, nr. 15, 488 env. met verwijzing naar de voorbereidende werken! Het weze overigens opgemerkt dat de Minister - als toezichthoudende overheid - t.a.v. de eerste beslissing dd. 27.10.1992, alleen een uitdrukkelijke motivering betreffende het beroep op de onteigeningsprocedure bij hoogdringendheid (art. 3 van de kwestieuze beslissing) eiste en zich voor het B.P.A. als zodanig tevreden stelde met een toelichtingsnota. Deze toelichtingsnota werd gevoegd bij het dossier dat ter goedkeuring van de tweede beslissing dd. 28.9.1993 werd overgemaakt en maakt aldus deel uit van het administratieve dossier en is ter inzage van elke rechtszoekende. Deze toelichtingsnota bevat een uitvoerige motivering betreffende het openbaar nut, zodat - bij gebreke van een formele motiveringsplicht van het besluit zelf, ut supra - voldaan is aan de algemene onderliggende motiveringsplicht die op elke overheidshandeling rust. T.a.v. het voorwerp van de vordering - de onteigening van een perceel grasveld achter de Residentie ‘De Langeman’ - werd de bedoeling immers als volgt toegelicht: ‘in de omgeving van de vroegere, nu af te schaffen Leonard Lessiusstraat is een speelplein (± 1,5

  1. ha)gewijzigd in een zone voor openbaar nut (± 0,25
  2. ha)en in een zone voor openbaar groen (+ 1,25ha). De bewoners X-10.120-4/10 van de omgeving hebben daarvoor meer zekerheid dat rondom het ontmoetingscentrum geen overlast ontstaat door een groter parking. De recreatieve functie van het openbaar nut blijft behouden’. Een en ander wordt ten overvloede gestaafd door de plannen als zodanig en de feitelijke omstandigheden:
  3. a)in het onteigeningsplan is het perceel in kwestie blauw ingekleurd als te onteigenen voor openbaar nut.
  4. b)in het bestemmingsplan is het groen ingekleurd als zone voor openbaar groen. Verzoekers stelling: ‘het bestemmingsplan ... geen enkele realisatie voorziet op het te onteigenen perceel; nog minder wordt een realisatie van openbaar nut aangeduid in het bestemmingsplan’ is dus formeel onjuist! - er is een bestemming toegewezen; - en niet zo maar een groenzone-bestemming; - maar uitdrukkelijk een openbare groenzone. Welnu: openbaar groen is per definitie openbaar nut.
  5. c)openbaar groen is op zijn beurt maar echt te realiseren door een openbaar bestuur. Het gaat immers niet meer om een privé-tuin of aangrenzende meerdere privé-tuinen, maar om een voor iedereen toegankelijk geheel, als centrale groene long in een druk bebouwd gebied - zie ook de dubbele ontsluiting die langs de Casterstraat en de Peter Benoitstraat gecreëerd wordt.
  6. d)Volledigheidshalve wordt aangehaald dat de zone in kwestie op vraag van de omwoners bestemd werd tot zone voor openbaar groen! Ter zijde: verzoeker heeft ook geen bezwaarschrift ingediend bij het openbaar onderzoek. Het dossier doorstond dan ook de legaliteitscontrole van de toeziende overheid en mondde uit in het goedkeuringsbesluit van 22.6.1994. Alleen de gevraagde rechtsplegingsprocedure bij hoogdringendheid in onteigeningszaken werd niet toegestaan omwille van het gebrek aan een ‘duidelijke opgave van de redenen ... om de procedure tot hoogdringende onteigening te verrechtvaardigen...’ ‘... zoals bepaald volgens de wet van 29 juli 1991 ...’. De rest van het gemeenteraadsbesluit - wijziging B.P.A. met bestemmings- en onteigeningsplan - werd niet in verband gebracht met deze wet, hetgeen er eveneens op wijst dat ze op dat stuk niet van toepassing is. 2. Ondergeschikt: zelfs zo het aangevochten besluit zou dienen getoetst te worden aan de formele (juridisch en feitelijk) en afdoende uitdrukkelijke motiveringsplicht van de Wet van 29.7.1991 - quod non, ut supra - dan nog blijkt dat hieraan in casu voldaan werd: - het aangevochten besluit bestaat immers niet alleen uit een uitgeschreven tekst, maar tevens uit de beide plannen (bestemmings- en onteigeningsplan), die er onlosmakelijk één geheel mee vormen. - samenlezing van de geschreven en de grafische documenten (inclusief de legenden en de beschrijvende delen van de plannen) laten dan aan duidelijkheid niet te wensen. Het enig aangevoerde middel mist dan ook elke grond”. 2.1.3. De tweede verwerende partij antwoordt: “1. Verzoeker stelt dat het vastgesteld onteigeningsplan niet uitgaat van een openbaar nut en dat in het bestreden besluit dit openbaar nut niet wordt aangeduid; Dat zulks geenszins het geval is; X-10.120-5/10 Overeenkomstig artikel 16 van de Gecoördineerde Grondwet kan niemand van zijn eigendom worden ontzet dan ten algemenen nutte, in de gevallen en op de wijze bij de wet bepaald en tegen billijke en voorafgaande schadeloosstelling; In artikel 2 van het bestreden besluit wordt gesteld dat het algemeen nut de onteigening van de percelen aangegeven op het onteigeningsplan vordert; Zowel uit het advies van de commissie van advies voor de ruimtelijke ordening als uit de gemeenteraadsbestissingen, waarnaar de bestreden beslissing uitdrukkelijk verwijst, blijkt dat wijzigingen aan het oorspronkelijke B.P.A. (waaronder het onteigeningsplan) noodzakelijk waren gezien de verschillende stedebouwkundige evoluties die zich aftekenden; Dat dit op zich reeds duidt op een algemeen nut; Er is bijgevolg, in tegenstelling tot hetgeen de verzoeker beweert, wel degelijk sprake van een onteigening ten algemene nutte; 2. Verzoeker stelt ten onrechte dat de bestreden beslissing niet afdoende gemotiveerd is en bijgevolg de wet van 29 juli 1991 schendt; Het bestreden besluit verwijst naar het ministerieel besluit van 29 december 1989 houdende beslissing tot herziening van het bijzonder plan van aanleg nr. 15 en verwijst naar de beslissingen van de gemeenteraad dd. 27 oktober 1992 en 28 september 1993; Verder verwijst de bestreden beslissing naar het gunstig advies van de commissie van advies voor de ruimtelijke ordening van de stad Hasselt, naar het advies van de Bestendige Deputatie dd. 17 maart 1993 en naar het advies van de commissie van deskundigen dd. 7 juli 1993; Tevens wordt duidelijk gemotiveerd waarom het met een blauwe rand omzoomde deel van het bestemmingsplan en van de teksten van de stedebouwkundige voorschriften niet werden goedgekeurd; Uit het voorgaande volgt dat er geen sprake kan zijn van enige schending van de wet van 29 juli 1991”. 2.1.4. De verzoeker dupliceert in zijn memorie van wederantwoord: “Grondwettelijk is een onteigening enkel mogelijk indien deze gebeurt ten algemene nutte. Art. 25 voegt er aan toe dat de verkrijging van onroerende goederen, die vereist zijn voor de uitvoering van de voorschriften van plannen van aanleg, kan plaatshebben door onteigening ten algemene nutte. Niet alleen dienen de geplande onteigeningen gebaseerd te zijn op het openbaar nut; de motiveringsverplichting vereist dat de redenen van openbaar nut uit het besluit zelf blijken en dat ze relevant en afdoende zijn om het besluit te verrechtvaardigen. Naar het oordeel van de verzoekende partij kan het aangevochten besluit onmogelijk ingegeven-zijn door redenen van openbaar nut. Zoals de eerste verwerende partij vermeldt in haar memorie van antwoord, werd het bewuste te onteigenen perceel in het bestemmingsplan aangeduid als groene zone en maakt aldus deel uit van een grotere groene zone. Op het verwijt van verzoekende partij als zou er geen bestemming van openbaar nut gegeven worden aan het te onteigenen perceel meent de verwerende partij te kunnen volstaan met het antwoord dat het perceel bestemd is als een deel van een zone voor openbaar groen en dat openbaar groen per definitie van openbaar nut is. Verzoekende partij is van oordeel dat de verwerende partij daarmee een kringredenering opzet. Om het openbaar nut van een onteigening te verantwoorden verwijst men naar de bestemming als openbaar groen dat per definitie van openbaar nut zou zijn. X-10.120-6/10 Verzoekende partij moet vaststellen dat er geen concrete aanduiding wordt gegeven van het gebruik van het perceel eens dit onteigend is. Inzoverre de bestemming van het perceel er in gelegen is om de bewoners van het appartementsgebouw zekerheid te verschaffen dat er rondom het ontmoetingscentrum (dat in de onmiddellijke buurt aan de achterzijde van het appartementsgebouw ligt) is er geen enkele nood aan onteigening. Zolang de bewoners van het appartementsgebouw medeéigenaars zijn van het perceel, zullen deze het perceel nooit beschikbaar stellen voor gebruik door of verkoop aan het ontmoetingscentrum, aangezien het hun enige bescherming is tegen de overlast van dit centrum. Het is verzoeker evenmin duidelijk waarom het betreffende perceel dient onteigend te worden om de aangegeven bestemming te realiseren. Het betreffende perceel is reeds tientallen jaren onbebouwd groen terrein. De bestemming van het B.P.A. werd in de jaren dat het eigendom is van de medeëigenaars in het verleden reeds in realiteit gerealiseerd, hetgeen aantoont dat de onteigening ervan overbodig is. Derhalve is er geen enkel element voorhanden waaruit het algemeen nut van de voorgenomen onteigening kan worden afgeleid, zodat de aangevochten besluiten aangetast zijn door nietigheid”. 2.1.5. In zijn laatste memorie laat de verzoeker nog gelden wat volgt: “In zijn verslag stelt de Heer auditeur dat ‘een zone voor openbaar groen’, als het ware per definitie van ‘openbaar nut’ is, vermits die zone bedoeld is om ten dienste te staan van de gemeenschap. De Heer auditeur stelt dat art. 25 van de Stedebouwwet als het ware een vermoeden van algemeen nut instelt voor elke onteigening ter uitvoering van de voorschriften van een plan van aanleg zodat zodra een plan van aanleg voorhanden is, het openbaar nut niet kan worden betwist. Indien dergelijke redenering zou opgaan, zou dit inhouden dat zodra een plan van aanleg wordt aangenomen, om het even welke onteigening zou kunnen plaatsvinden zonder enige motivering. Dit kan uiteraard niet want dit zou tot gevolg hebben dat zelfs geen controle meer zou mogelijk zijn op bijvoorbeeld het bestaan van machtsafwending. Bovendien is het vaststaande rechtspraak van uw Raad dat wanneer door het Gewestplan aan gronden een bestemming wordt gegeven die van nature uit of bij bepaling een nadere ordering vereist wat het grondgebruik betreft dat concreet aan het gebied zal worden gegeven, het gewestplan op zich onvoldoende rechtgrond is om te onteigenen”. In de laatste memorie werpt de verzoekende partij op dat de zone voor openbaar groen in het plan van aanleg niet nader wordt omschreven op een wijze die toelaat om onmiskenbaar te bepalen wat in dergelijk bestemmingsgebied kan en wat niet kan, zodat een nadere ordening vereist zal zijn, temeer daar het niet denkbeeldig is dat de realisatie van ‘zone voor openbaar groen’ mogelijk is zodra er een welbepaald percentage van het perceel uit groen bestaat, met als gevolg dat het bestemmingsvoorschrift op zich een onvoldoende grond is om te onteigenen. X-10.120-7/10 2.1.6. In haar laatste memorie stelt de tweede verwerende partij nog: “Verzoeker blijft ten onrechte het begrip ‘openbaar groen’ in het BPA sexto in twijfel trekken; Dienaangaande volstaat het de heer Auditeur te citeren: ‘Vermits het evenwel om een ‘bestemmingsplan’ gaat, m.a.w. om de toekomstige ordening van een bepaald gebied, kan dan ook niet worden ingezien waarom in of op dit plan reeds precies zou moeten worden aangegeven wat men, in concreto, zal gaan realiseren op de, met een bepaalde bestemming, aangeduide percelen. Anders dan verzoeker aanvoert, dient het bestemmingsplan derhalve niet aan te geven hoe ‘een zone van openbaar groen’ ‘zal gebruikt worden’. Zelfs al lijkt het ‘een kringredenering’, zoals verzoeker in zijn memorie van wederantwoord opwerpt, dient, met de eerste verwerende partij, vastgesteld dat een ‘zone voor openbaar groen’ als het ware, per definitie, van ‘openbaar nut’ is, vermits die zone bedoeld is om ten dienste te staan van de gemeenschap’. en verder ‘... kan ... niet worden ingezien ... waarom het eveneens bij het voornoemd BPA behorend onteigeningsplan onwettig zou zijn omdat het zgn. niet uitgaat van een openbaar nut’. Volledigheidshalve wordt voor zoveel als nodig nogmaals op het volgende gewezen: - in het BPA 15 quatro was de zone nog ingekleurd als speelplein en ontmoetingsruimte - op vraag van de omwonenden werd de bestemming in het BPA sexto gewijzigd in openbaar groen: een begrip dat ondubbelzinnig verwijst enerzijds naar het openbaar karakter, anderzijds naar het groene karakter en dit voor het geheel van de zone; een andere bestemming is uitgesloten - zoals ook uit de beschrijving van de zone voor openbaar groen langsheen de spoorwegberm blijkt, zijn secundair alleen nutsvoorzieningen die deze groenbestemming ondersteunen toegelaten, bijvoorbeeld een wandelpad, zitbanken ... De contouren van de bestemming ‘openbaar groen’ zijn dan ook ondubbelzinnig vastgelegd en daarmee ook het voor een onteigening vereiste openbaar nut”. 2.2. Onderzoek van het middel 2.2.1. Het auditoraatsverslag komt tot de bevinding dat het enig middel niet opgaat om de volgende redenen: “Vooraf is het niet onbelangrijk aan te merken dat verzoeker, in zijn annulatieberoep, met zoveel woorden stelt dat hij ‘zijn verzoek beperkt tot het vastgestelde onteigeningsplan, dat ondermeer voorziet in de onteigening van het perceel grasveld gelegen achter de residentie ‘de Langeman’ en op het plan aangeduid als te onteigenen perceel nummer 4’. Die beperking wordt door verzoeker, in de zelfde bewoordingen, herhaald in zijn memorie van wederantwoord. Daaruit volgt dat het bij het B.P.A. nr. 15 horend bestemmingsplan door verzoeker niet in vraag wordt gesteld, ook niet de, in dit plan, aan voormeld perceel gegeven bestemming, m.n. ‘zone voor openbaar groen’. X-10.120-8/10 Wel stelt verzoeker dat voornoemd bestemmingsplan ‘aangeeft dat de stad Hasselt geen enkele realisatie voorziet op het te onteigenen perceel; nog minder wordt een realisatie van openbaar nut aangeduid in het bestemmingsplan’ en dat voor de zone voor openbaar groen ‘evenmin wordt aangegeven hoe ze (voor) het openbaar nut zal gebruikt worden’. Vermits het evenwel om een ‘bestemmingsplan’ gaat, m.a.w. om de toekomstige ordening van een bepaald gebied, kan dan ook niet worden ingezien waarom in of op dit plan reeds precies zou moeten worden aangegeven wat men, in concreto, zal gaan realiseren op de, met een bepaalde bestemming, aangeduide percelen. Anders dan verzoeker aanvoert dient het bestemmingsplan derhalve niet aan te geven hoe ‘een zone voor openbaar groen’, ‘zal gebruikt worden’. Zelfs al lijkt het ‘een kringredenering’, zoals verzoeker in zijn memorie van wederantwoord opwerpt, dient, met de eerste verwerende partij, vastgesteld dat een ‘zone voor openbaar groen’, als het ware, per definitie, van ‘openbaar nut’, is, vermits die zone bedoeld is om ten dienste te staan van de gemeenschap. De reden, door verzoeker overigens niet in vraag gesteld, waarom aan die zone die bestemming werd gegeven wordt uiteengezet in de ‘toelichtingsnota bij de wijzigingen van het B.P.A. 15 sexto Casterwijk’ van 4 november 1993. Vraag blijft niettemin of, ter uitvoering van het door verzoeker, uitdrukkelijk, niet betwist bestemmingsplan, een onteigening van voornoemde zone noodzakelijk is, meer bepaald of, wat verzoeker betwist, zo'n onteigening wel kan worden aangemerkt als ‘ten algemenen nutte’ . Aangenomen wordt dat artikel 25 van de toentertijde geldende Stedenbouwwet, -bepaling waarnaar verzoeker trouwens in zijn enig middel verwijst-, als het ware een vermoeden van algemeen nut instelt voor elke onteigening ter uitvoering van de voorschriften van een plan van aanleg en dat derhalve, van het ogenblik dat er zo'n plan voorhanden is, het nut van de geplande onteigening ter uitvoering van (een deel van) dit plan, in principe, niet kan worden betwist. Vermits, zoals reeds meermaals aangegeven verzoeker geenszins het bij het betwist B.P.A. horend bestemmingsplan in vraag stelt, kan, in de gegeven omstandigheden, dan ook niet worden ingezien, en zeker niet op grond van wat verzoeker in zijn enig middel aanvoert, waarom het eveneens bij voornoemd B.P.A. horend onteigeningsplan onwettig zou zijn omdat het zgn. ‘niet uitgaat van een openbaar nut”. 2.2.2. In casu gaat het om een bijzonder plan van aanleg, waarvan de bestemming “zone voor openbaar groen” een voldoende gedetailleerd voorschrift is dat geen verdere nadere ordening behoeft wat het grondgebruik betreft dat concreet aan deze zone zal worden gegeven. Om de in het auditoraatsverslag uiteengezette redenen, welke de Raad van State tot de zijne maakt, dient te worden besloten dat het middel niet gegrond is. X-10.120-9/10 OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 99,16 euro, komen ten laste van de verzoeker. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertig juni 2008, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, J. BOVIN, staatsraad, D. MOONS, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. R. STEVENS. X-10.120-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.184.947 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.