id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 juni 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.184.954 Rolnummer: A. 188656/XII-5474 Zaak: Arrest 184954 - O.C.M.W. - 30/06/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-07-02 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-06-29 08:20 Fiche Arrest nr 184.954 van 30 juni 2008 Sociale zaken en volksgezondheid - O.C.M.W. Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 184.954 van 30 juni 2008 in de zaak A. 188.656/XII-5474. In zake : Dirk PERREMAN, die woonplaats kiest bij advocaten T. Arts en I. Dedecker, kantoor houdende te Genk, Stoffelsbergstraat 4 tegen : het VIRGA JESSE ZIEKENHUIS, dat woonplaats kiest bij advocaat B. Knaeps, kantoor houdende te Hasselt, Willekensmolenstraat 72/1. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Dirk Perreman op 20 juni 2008 heeft ingediend waarin bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing wordt gevorderd van de tenuitvoerlegging van het besluit van 2 juni 2008 van de raad van bestuur van het Virga Jesseziekenhuis A.V., waarbij wordt beslist zijn negatieve evaluatie te handhaven; Gezien de nota van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 23 juni 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 30 juni 2008, om 10.00 uur; Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; Gehoord de opmerkingen van advocaat B. Speleers, die loco advocaat B. Knaeps verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur B. Thys; XII-5474-1\7 Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, OVERWEEGT WAT VOLGT : De feitelijke gegevens van de zaak 1. Verzoeker is sedert 2004 hoofdverpleegkundige van de dienst dialyse van het Virga Jesseziekenhuis A.V., een vereniging zoals bedoeld in hoofdstuk XII van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn. Op 30 juli 2007 wordt het functioneren van verzoeker door het evaluatiecomité ongunstig geëvalueerd. Hij krijgt de beoordeling D (“Minder goed: De scores op enkele resultaatsgebieden zijn voor verbetering vatbaar. De prestaties zijn minder goed te noemen en voldoen niet volledig aan de normen”). 1.2. Na een verkorte evaluatietermijn van zes maanden, overhandigt Lieve Haumont op 11 februari 2008 aan verzoeker een nieuw evaluatieformulier, dat wederom de ongunstige eindbeoordeling D vermeldt. Op het ogenblik van de overhandiging zijn op het evaluatieformulier twee handtekeningen aangebracht, respectievelijk gevolgd door de data “29/1/08” en “31/1/08”. De eerste handtekening is van Ludo Meyers, de tweede -volgens verzoeker, die daarin niet wordt tegengesproken door de verwerende partij- van dokter Keuleers. De twee andere leden van het evaluatiecomité, Lieve Haumont en Jean-Louis Coenegrachts, hebben het evaluatieformulier klaarblijkelijk niet ondertekend. Op 4 maart 2008 wordt aan verzoeker, naar eigen zeggen, gevraagd het evaluatieformulier terug in te leveren. Op die datum ondertekent hij ook het evaluatieformulier voor “gelezen”. 1.3. Met een aangetekende brief van 12 maart 2008 vraagt verzoeker aan de raad van bestuur van het Virga Jesseziekenhuis A.V. om zijn tweede negatieve evaluatie te herzien. XII-5474-2\7 Bij inzage van het evaluatiedossier op 4 april 2008 stelt verzoeker vast dat het evaluatieformulier nu ook is ondertekend door Lieve Haumont en Jean Louis Coenegrachts. Achter de handtekening van eerstgenoemde is de datum “31/01/2008” vermeld. Op 10 april 2008 worden verzoeker, bijgestaan door zijn raadsman, en de leden van het evaluatiecomité door een interne adviescommissie gehoord. De adviescommissie oordeelt dat verzoeker zijn vraag tot herziening niet binnen de door artikel 10, g, van het administratief statuut voorgeschreven termijn van tien dagen na de kennisgeving van de ongunstige evaluatie heeft ingediend. Zij besluit daaruit dat “de beroepsprocedure niet verdergezet kan worden”. Met een aangetekende brief van 5 mei 2008 deelt verzoeker niettemin aan de raad van bestuur mede dat hij de herzieningsprocedure wenst verder te zetten. 1.4. Op 2 juni 2008 wordt verzoeker, bijgestaan door zijn raadsman, door de raad van bestuur gehoord. De raad van bestuur neemt tijdens dezelfde zitting de thans bestreden beslissing om de negatieve evaluatie van verzoeker te handhaven. Deze beslissing steunt op de volgende motieven : “1. De heer Perreman stelde geen beroep in binnen de 10 dagen nadat hem kennis gegeven werd van de negatieve evaluatie op 11/02/2008. De termijn liep af op 21/02/2008. 2. De termijn van 10 dagen zoals gesteld in art. 10
- g)van het administratief statuut is een vervaltermijn. Enkel binnen deze termijn kan het bezwaar van het personeelslid ingesteld. Eens deze termijn overschreven wordt de evaluatie definitief. 3. De evaluatie die overhandigd werd aan de heer Perreman was wel degelijk een geldige evaluatie. 4. Ook indien de evaluatie niet de handtekeningen droeg van alle evaluatoren, werd aan de heer Perreman duidelijk gemaakt door mevr. Haumont, die hem het document overhandigde, dat ondertekend was door de Heer Meyers, dat dit document via deze overhandiging de kennisgeving inhield van zijn evaluatie. 5. Uit de verklaringen van de heer Perreman omtrent de kennisgeving door mevr. Haumont van het document en het gesprek naar aanleiding hiervan, blijkt dat de heer Perreman absoluut niet kon twijfelen en ook niet twijfelde dat de overhandiging van dit document de officiële kennisgeving inhield van zijn evaluatie. 6. Zelfs indien voor de vormelijkheid bepaalde elementen van het document zouden hebben ontbroken, dan kwam het niettemin aan de heer Perreman toe, deze vormgebreken aan te voeren, binnen de termijn, voorzien voor het instellen van zijn bezwaar. Immers, de procedure van bezwaar kan zowel slaan op de formele als op de inhoudelijke argumenten van de evaluatie”. XII-5474-3\7 Met een aangetekende brief van 11 juni 2008 stellen de voorzitter en de algemeen directeur van het Virga Jesseziekenhuis verzoeker van deze beslissing in kennis. De vereiste aanwezigheid op de terechtzitting 2. Verzoeker, alhoewel behoorlijk opgeroepen, is ter terechtzitting niet verschenen, noch was hij er vertegenwoordigd. Blijkens artikel 4, derde lid, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State wordt de vordering tot toekenning van de schorsing in dergelijk geval afgewezen. Slechts ten overvloede merkt de Raad van State nog op wat volgt. De schorsingsvoorwaarden 3. Luidens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. Beoordeling van de eerste schorsingsvoorwaarde 4. De toepassing van de schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid verstoort het normale verloop van de rechtspleging voor de Raad van State op ernstige wijze, beperkt de mogelijkheden tot onderzoek van de zaak tot een strikt minimum en brengt de uitoefening van de rechten van de verdediging van de verwerende en eventueel tussenkomende partij aanzienlijk in het gedrang. De aanwending van die procedure moet dan ook zeer uitzonderlijk blijven, in die zin dat ze slechts mag worden aangewend in die enkele gevallen dat het uiterst dringende karakter van de zaak meteen voor iedereen zonder meer duidelijk is, ofwel door verzoeker op duidelijke en onomstootbare wijze wordt aangetoond. Dit laatste impliceert dat verzoeker aan de hand van precieze, pertinente en concrete gegevens aantoont dat de schorsing van de tenuitvoerlegging, indien zij pas na het XII-5474-4\7 afwikkelen van de gewone schorsingsprocedure van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State zou worden uitgesproken, onherroepelijk te laat zou komen om het gevreesde ernstig nadeel op te vangen, omdat het zich op dat ogenblik zal hebben gerealiseerd en niet of nog slechts zeer moeilijk zal kunnen worden hersteld. 5. In de voorliggende zaak voert verzoeker ter verantwoording van de uiterst dringende noodzakelijkheid van zijn vordering aan dat, gelet op de normale behandelingstermijn van een gewone vordering tot schorsing, een zeer reëel risico bestaat dat de tweede verkorte evaluatietermijn van zes maanden die krachtens artikel 10, b, van het administratief statuut op de tweede negatieve evaluatie volgt, reeds verstreken zal zijn en tot een derde negatieve evaluatie zal hebben geleid die dan op haar beurt zijn afdanking zal hebben teweeggebracht, vooraleer de Raad van State over een gewone vordering tot schorsing van de tweede negatieve evaluatie uitspraak zal hebben gedaan. 6. Dit argument kan niet overtuigen. Immers, de tweede verkorte evaluatietermijn die kan leiden tot een derde opeenvolgende ongunstige evaluatie van het functioneren van verzoeker, kan krachtens artikel 10, b, van het administratief statuut ten vroegste aanvangen na een nieuw functioneringsgesprek dat slechts lijkt te kunnen plaatshebben na de kennisgeving van de eindbeslissing over de eerste verkorte evaluatietermijn bij aangetekende brief van 11 juni 2008 aan verzoeker. Zelfs indien de termijn van orde van 45 dagen waarbinnen de Raad van State krachtens artikel 17, § 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State uitspraak moet doen over een gewone vordering tot schorsing, ingevolge de toevloed van zaken bij de Raad van State, niet zou kunnen worden gerespecteerd, dan is er alleszins geen reden om aan te nemen dat die uitspraak er niet zou zijn vóór het verstrijken van de tweede verkorte evaluatietermijn. Ten overvloede kan er nog worden op gewezen dat verzoekers argumentatie hypothetisch is voor zover ze ervan uitgaat dat de tweede verkorte evaluatietermijn in een derde opeenvolgende ongunstige evaluatie zal resulteren. Overigens zouden ook een derde ongunstige evaluatie en een eventueel daaropvolgend ontslag van verzoeker wegens beroepsongeschiktheid door betrokkene bij de Raad van State kunnen worden bestreden. XII-5474-5\7 Verzoeker toont ook helemaal niet aan dat het nadeel dat hij ingevolge de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing meent te kunnen lijden, daargelaten of hij het terecht ernstig noemt, van zulke aard is dat het zich onherroepelijk zal hebben voltrokken en niet meer of nog slechts zeer moeilijk zal kunnen worden hersteld wanneer de schorsing van de bestreden beslissing zou worden bevolen na een gewone vordering tot schorsing. Het uiteindelijke leed dat verzoeker beoogt te weren is zijn gevreesde afdanking. Zelfs in het geval van een derde negatieve evaluatie en bij daaropvolgend ontslag zal verzoeker blijkens het administratief statuut nog een opzegtermijn van drie maanden worden toegekend. 7. Verzoeker voert ook aan een moreel nadeel te ondergaan, nu hij zeer sterk lijdt onder de situatie, wat volgens hem gemakkelijk te verklaren valt, rekening houdend met de wijze waarop de evaluatie in casu is gebeurd en de houding die de verwerende partij te dezen heeft aangenomen. Ter adstructie zet verzoeker uiteen dat hij wordt geconfronteerd met een zeer negatieve evaluatie die niet gesteund is op enig concreet voorbeeld, noch op enige persoonlijke nota die tijdens de evaluatieperiode werd opgesteld. Het negatieve gevoelen dat daaruit voortkomt, wordt volgens verzoeker nog versterkt, doordat de verwerende partij nu reeds handelt alsof hij al ontslagen is. Verzoeker stelt dat de negatieve evaluatie psychisch zwaar om te dragen is en hij momenteel ziekteverlof heeft wegens overspanning en depressie. Hij wijst ook op de ongunstige weerslag van zijn negatieve evaluatie op zijn verhouding met ondergeschikten en collega-diensthoofden. Hij vreest dat indien de verwerende partij niet onmiddellijk wordt gewezen op het manifest onwettige karakter van haar handelen, zij de evaluatieprocedure zal verderzetten op de foutieve wijze waarop zij dat nu reeds doet. Hij benadrukt te dezen dat de verwerende partij tot nu toe de door haarzelf opgestelde procedure totaal niet heeft gerespecteerd. 8. Verzoeker maakt echter niet aannemelijk dat het aldus aangevoerde morele nadeel, aangenomen dat het moeilijk te herstellen en ernstig is, ook niet door een gewone vordering tot schorsing zou kunnen worden verholpen. 9. Verzoeker slaagt er dus niet in de uiterst dringende noodzakelijkheid van zijn vordering aan te tonen. Ook deze vaststelling noopt er toe om tot de verwerping van de vordering te besluiten. XII-5474-6\7 OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel 1. De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, bepaald op 175 euro, komen ten laste van verzoeker. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertig juni 2008, door : de H. G. VAN HAEGENDOREN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. G. VAN HAEGENDOREN. XII-5474-7\7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.184.954 Gerelateerde publicatie(
- s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.187.732 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div