id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 juni 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.184.964 Rolnummer: A. 158069/V-1705 Zaak: Arrêt / Arrest 184964 - Divers (fonction publique) / Varia (openbaar ambt) - 30/06/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-07-11 Raadplegingen: 79 - laatst gezien 2026-06-29 08:20 Versie(s): Versie FR Fiche Arrest nr 184.964 van 30 juni 2008 Openbaar ambt - Varia (openbaar ambt) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK.nr. 184.964 van 30 juni 2008 A. 158.069/V-1705 In zake: DRICOT Yves, die woonplaats kiest bij Mr. Jean LAURENT, advocaat, Defacqzstraat 78 1060 Brussel, tegen: de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Buitenlandse Zaken, die woonplaats kiest bij Mr. Nicole CAHEN en Mr. David D'HOOGHE, advocaten, Central Plaza Loksumstraat 6 1000 Brussel. Tussenkomende partij: BUYS Marc, die woonplaats kiest bij Mr. Vincent DE WOLF, advocaat, Gulden Vlieslaan 68/9 1060 Brussel. ----------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE RAAD VAN STATE, Ve KAMER, Gezien het op 3 december 2004 ingediende verzoekschrift, waarbij Yves DRICOT de nietigverklaring vordert van het koninklijk besluit van 10 augustus 2004 waarmee de heer Marc BUYS bevorderd wordt tot adviseur-generaal bij de directie Sensibiliseringsprogramma's (D5) van de Federale Overheidsdienst Buitenlandse Zaken, alsook van de impliciete beslissing om verzoeker niet in dat ambt te bevorderen. Gezien het op 22 maart 2005 ingediende verzoekschrift, waarbij Marc BUYS vraagt als tussenkomende partij te mogen optreden; V - 1705 - 1/12 Gelet op de beschikking van 12 juli 2007 waarbij die tussenkomst wordt toegestaan; Gezien de regelmatig uitgewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien de memorie van tussenkomst; Gezien het verslag van Mevr. BEECKMAN de CRAYLOO, eerste auditeur bij de Raad van State, opgemaakt op basis van artikel 12 van de algemene procedureregeling; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 21 mei 2008, waarvan aan de partijen kennis is gegeven en waarbij wordt bepaald dat de zaak voorkomt op de terechtzitting van 24 juni 2008 om 10 uur; Gehoord het verslag van Mevr. GEHLEN, staatsraad; Gehoord de opmerkingen van Mr. J. LAURENT, advocaat, die voor verzoeker verschijnt, van Mr. P.-O. de BROUX, loco Mr. N. CAHEN, advocaat, die voor de verwerende partij verschijnt, en van Mr. Th. VANTOMME, loco Mr. V. DE WOLF, advocaat, die voor de tussenkomende partij verschijnt; Gehoord het eensluidend advies van Mevr. BEECKMAN de CRAYLOO, eerste auditeur; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de volgende gegevens nuttig zijn voor het onderzoek van het beroep:
- In het Belgisch Staatsblad van 13 februari 2004 is een oproep tot gegadigden bekendgemaakt voor een betrekking van adviseur-generaal (rang 15), die vacant is bij het hoofdbestuur van de Federale Overheidsdienst Buitenlandse Zaken, Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, directie-generaal V - 1705 - 2/12 Ontwikkelingssamenwerking (DGD) directie Sensibiliseringsprogramma's; in deze oproep worden de inhoud van de functie en de specifieke taken die er verband mee houden aangegeven.
- Tijdens zijn vergadering van 5 maart 2004 heeft het directiecomité van de FOD Buitenlandse Zaken, Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking de sollicitaties onderzocht die voor de zes vacante betrekkingen van adviseur-generaal waren binnengekomen. In de notulen van de voormelde vergadering staat inzonderheid: " (...) De Voorzitter meldt dat de kandidaten geëvalueerd zullen worden op basis van drie generieke criteria: - dossierkennis - beschikbaarheid (dit zowel in termen van tijd als in termen van beschikbaarheid naar collega's en medewerkers toe) - aanleg voor leidinggeven en kennis van de directie. Voor enkele oproepen werden een aantal bijkomende vaardigheden gevraagd, zij zullen uiteengezet worden tijdens de discussies over de desbetreffende functie. (...) De leden van het Directiecomité hebben kennis genomen van de kandidaturen en CV's van de geïnteresseerden. Deze documenten, die integrerend deel uitmaken van het verslag, worden in bijlage toegevoegd. De leden hielden ook rekening met datgene wat in voorgaande vergaderingen van het Directiecomité (en Directieraad) over deze kandidaten werd gezegd. (...) Marc BUYS Marc BUYS werkt al heel lang voor DGOS; een harde werker; heel nauwgezet en heeft een grote beschikbaarheid. Hij kent de administratie goed (en dit zowel op het niveau van de administratieve procedures als op het vlak van begrotingsbeheer), kan een team leiden en motiveren. Een schitterend kandidaat. Minister VERWILGHEN is heel tevreden over het werk van Marc BUYS (Hij bereidde de missies van de minister naar Vietnam en Latijns-Amerika heel goed voor, en dit terwijl het hier een regio betreft die hij minder goed kent, hetgeen toch wel wijst op een groot aanpassingsvermogen). Het is iemand van heel grote waarde: geen tafelspringer maar een harde werker, kan zijn mensen motiveren. Het is iemand die ook kan groeien in moeilijkere dossiers. Hij postuleert o.a. voor de dienst Sensibilisering. Hij heeft een goede visie omtrent deze materie, zo heeft hij bijvoorbeeld een belangrijke actieve rol gehad bij het communicatieplan van dhr. minister VERWILGHEN. (...) Yves DRICOT V - 1705 - 3/12 Dhr. DRICOT leidt D5 (informeert landgenoten omtrent ontwikkelingssamenwerking en subsidieert culturele activiteiten); kent goed zijn dossiers en beschikt over een goede administratieve kennis. Deed de laatste tijd veel moeite om zijn dienst te organiseren en activiteiten te plannen. Op het vlak van HRM deed hij veel inspanningen; de relaties binnen zijn dienst zijn vaak gespannen, maar deze zijn niet noodzakelijk te wijten aan dhr. DRICOT. Heeft ervaring op het vlak van communicatie binnen de ontwikkelingssamenwerking. (...) ONDERZOEK EN VERGELIJKING VAN DE KANDIDATEN PER VACANTE BETREKKING. (...) Betrekking van adviseur-generaal voor de Directie Sensibiliseringsprogramma's, Directie-generaal Ontwikkelingssamenwerking Functiebeschrijving: cfr. Belgisch Staatsblad, 13 februari 2004, p. 8925-
- Stellen zich kandidaat voor deze functie: P. AVONTROODT, C. BOIS d'ENGHIEN, M. BUYS, Y. DRICOT, B. HAUWEN, P. JALET, H. ROLOUX, E. SQUILBIN, L. STORME, G. VAN HULLE, F. VANNEROM, T. VUYLSTEKE, L. VERRYKEN. Zowel op het vlak van de drie generieke competenties als op het gebied van creativiteit en begrotingsbeheer, kan dhr. BUYS als de beste kandidaat beschouwd worden. Dhr. AVONTROODT heeft ook kennis van dit domein, maar beschikt voor deze functie, zeker in vergelijking met dhr. BUYS, niet over de nodige communicatievaardigheden en creativiteit. Dhr. DRICOT bewees reeds in het verleden dat hij een dienst kan leiden. Wel is zijn interne communicatie niet altijd optimaal, hetgeen voor deze directie toch een conditio sine qua non is. Dhr. VERRYKEN zou - rekening houdend met zijn kennis over ontwikkelingssamenwerking - een geschikte kandidaat zijn, maar heeft in dit specifieke domein minder ervaring. Dhr. JALET is omwille van kennis over ontwikkelingssamenwerking en zijn communicatievaardigheden eveneens een valabele kandidaat, maar heeft minder kennis over deze specifieke materie. Dhr. SQUILBIN heeft een goede dossierkennis over ontwikkelingssamenwerking, zijn beschikbaarheid is goed. Maar hij is niet de meest geschikte kandidaat om deze directie te herdynamiseren. De minister van ontwikkelingssamenwerking schenkt veel aandacht aan sensibilisering. Dhr. DRICOT nam reeds een aantal initiatieven, maar naar de toekomst toe is nieuw bloed welkom. Als we naar de kandidaten kijken, en letten op dossierkennis, disponibiliteit en beheerscapaciteit, dan komt dhr. BUYS naar voren als de meest geschikte kandidaat. De stemming vindt plaats zoals beschreven in artikel 16 § 3 van het Huishoudelijk reglement van het Directiecomité (Belgisch Staatsblad van 25/09/2003). Elf stembiljetten worden verzameld: de kandidaten zullen - onder voorbehoud van eventuele bezwaren - in deze volgorde worden voorgedragen aan de Minister: naam resultaat stemming V - 1705 - 4/12
- BUYS Marc 11
- DRICOT Yves 35
- JALET Philippe 36
- VERRYKEN Luc 51
- AVONTROODT Paul 54
- SQUILBIN Etienne 59
- ROLOUX Herman 92
- BOIS D'ENGHIEN Charles 104
- HAUWEN Bernard 105
- STORME Luc 107
- VUYLSTEKE Thierry 111
- VAN HULLE Gino 112
- VANNEROM Francis 124 ".
- Bij een brief van 29 april 2004 is van het uittreksel uit de notulen van de vergadering van het directiecomité van 5 maart 2004 betreffende het onderzoek van de sollicitaties kennis gegeven aan verzoeker, met vermelding van de mogelijkheid om binnen tien dagen een bezwaarschrift in te dienen en om, in voorkomend geval, te vragen door het directiecomité te worden gehoord.
- Op 7 mei 2004 heeft verzoeker een bezwaarschrift ingediend en heeft hij gevraagd om gehoord te worden.
- De bezwaarschriften tegen de rangschikking van de gegadigden voor een bevordering tot rang 15 zijn door het directiecomité onderzocht tijdens zijn vergaderingen van 4 en 11 juni
- In de notulen van die vergaderingen staat inzonderheid het volgende te lezen: " (...) De heer DRICOT die op reglementaire wijze uitgenodigd werd, wordt gehoord. De uiteenzetting van dhr. DRICOT kan als volgt worden samengevat: «De heer DRICOT is van oordeel dat er een gebrek is aan communicatie vóór en na de beslissing. Hij wenst dan ook dat de leden van het Comité hem beter zouden leren kennen. Hij geeft een overzicht van hetgeen verwezenlijkt werd door de Voorlichtingsdienst vanaf het ogenblik waarop hij, nu zeven jaar geleden, aan het hoofd van deze dienst is gekomen. De problemen waarop V - 1705 - 5/12 gewezen wordt in de notulen van 5 maart 2004 vinden hun oorsprong in de talrijke veranderingen waaraan de dienst het hoofd heeft moeten bieden in het jaar
- Deze veranderingen werden slecht beleefd door sommige personeelsleden hetgeen de oorzaak was van enige spanning binnen de dienst. Indien het Directiecomité oordeelt dat de rangschikking niet te zijnen gunste dient gewijzigd te worden, vraagt dhr. DRICOT een nieuwe aanstelling in een andere dienst». Nadat hij kennis had kunnen nemen van de notulen van de vergadering van 5 maart 2004, is dhr. DRICOT, op zijn aanvraag, door meerdere leden van het Directiecomité ontvangen. Hij heeft dus de mogelijkheid gehad zich beter te doen kennen door deze leden vóór het onderzoek van de bezwaarschriften. De leden van het Comité zijn van mening dat de gebeurtenissen van het jaar 2003 aan het licht hebben gebracht dat dhr. DRICOT niet bij machte is geweest om de verandering te beheren, noch om deze verandering door zijn personeel te doen aanvaarden. In zijn bezwaarschrift maakt dhr. DRICOT gewag van een bepaalde medewerker maar de spanningen met andere personeelsleden zijn ook gekend. Dat de eerste gerangschikte kandidaat een grotere niveau-anciënniteit zou hebben dan dhr. DRICOT belet de komst niet van «nieuw bloed», te weten een nieuwe benadering, nieuwe ideeën, nieuwe concepten, ... daar de anciënniteit geen invloed heeft op deze bekwaamheid. In een meer globaal kader, gaat het tenslotte om een betrekking van rang 15 bij de Directie van de sensibiliseringsprogramma's (D5), betrekking die competenties op een hoger niveau dan dat van adviseur vereist. De evaluatie van de kandidaten is gebeurd in functie van de criteria die voor deze graad vastgesteld werden. Uit het feit een dienst of een directie bij afwezigheid van een vaste verantwoordelijke de facto te leiden kan niet noodzakelijk worden afgeleid dat de interimaris de bekwaamheid zou hebben om deze hogere functie als titularis uit te oefenen. Er bestaat geen enkel automatisme dat vereist dat de interimaris de voorgestelde persoon zou zijn wanneer de betrekking vacant wordt verklaard. Dit principe is natuurlijk van toepassing op elke bevorderingsprocedure. (...) Nadat de 4 bezwaarschriften onderzocht werden, wordt er op 11 juni 2004 overgegaan tot de geheime stemming teneinde de rangschikking van 5 maart 2004 al dan niet te bevestigen. 9 stembriefjes worden opgehaald: resultaat : rangschikking bevestigd: 9 stemmen rangschikking niet bevestigd: 0 stemmen".
- Met een nota van 23 juli 2004 heeft het directiecomité met toepassing van artikel 20sexies van het koninklijk besluit van 7 augustus 1939 betreffende de evaluatie en de loopbaan van het Rijkspersoneel aan de Minister de vijf volgende kandidaten voorgedragen voor de betrekking bij de directie-generaal Ontwikkelingssamenwerking - directie Sensibiliseringsprogramma's:
- Marc BUYS (N), met eenparigheid van stemmen
- Yves DRICOT (F)
- Philippe JALET (F)
- Ludo VERRYKEN (N)
- Paul AVONDROODT (N). V - 1705 - 6/12
- Bij een koninklijk besluit van 10 augustus 2004 is de heer Marc BUYS in de voormelde betrekking benoemd. Dat besluit is als volgt gemotiveerd: " (...) Gelet op het feit dat de betrekking van adviseur-generaal bij de Directie Sensibiliseringsprogramma's van de Directie-generaal Ontwikkelingssamenwerking vacant werd verklaard door publicatie in het Belgisch Staatsblad van 13 februari 2004; Gelet op het gemotiveerde advies van het Directiecomité van het Hoofdbestuur van de Federale Overheidsdienst Buitenlandse Zaken, Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking; Overwegende dat uit het onderzoek van de titels en verdiensten van de kandidaten en na vergelijking van hun bekwaamheid blijkt dat de heer Marc BUYS door zijn ervaring, zijn grote werkkracht, nauwgezetheid en uitstekende beschikbaarheid, zijn bekwaamheid om een team te leiden en mensen te motiveren en zijn communicatievaardigheid volledig beantwoordt aan de gestelde criteria om tot adviseur-generaal te worden benoemd; Overwegende dat de heer Marc BUYS, door zijn kennis van de administratieve procedures en begrotingsbeheer, zijn groot aanpassingsvermogen, zijn visie omtrent sensibilisering, de meest geschikte kandidaat werd bevonden en derhalve door het Directiecomité als eerste kandidaat werd voorgedragen voor de betrekking van adviseur-generaal bij de Directie Sensibiliseringsprogramma's van de Directie-generaal Ontwikkelingssamenwerking; Op de voordracht van Onze Minister van Buitenlandse Zaken (...)". Dat is het bestreden koninklijk besluit; Overwegende dat er ambtshalve op dient te worden gewezen dat verzoeker over geen enkele voorrang beschikt en geen enkel recht heeft om in de geambieerde betrekking te worden bevorderd; dat het beroep niet-ontvankelijk is in zoverre het betrekking heeft op de impliciete beslissing om verzoeker niet te bevorderen; Overwegende dat de verwerende partij en de tussenkomende partij betogen dat het beroep te laat ingesteld is omdat het niet ingediend is binnen zestig dagen na het verschijnen van dienstnota nr. 11/2004 van 2 september 2004 en dat uit verscheidene mails zou blijken dat verzoeker van de bestreden handeling op de hoogte was sedert de bekendmaking van deze nota; Overwegende dat het bestreden koninklijk besluit bij vermelding is bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 7 oktober 2004; dat wanneer de V - 1705 - 7/12 administratieve overheid benoemingsakten bij vermelding in het Belgisch Staatsblad bekendmaakt, zij erkent dat deze bekendmaking van openbaar nut is en bijgevolg verplicht; dat het in zulke gevallen de bekendmaking is die de beroepstermijn doet ingaan, zelfs als de gegadigde die niet voor de omstreden bevordering in aanmerking is genomen, voordien van het bestaan van die handeling op de hoogte was via een andere weg; dat het verzoekschrift op 3 december 2004 is ingediend, dit is binnen zestig dagen na de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad; dat de exceptie niet wordt aangenomen; Overwegende dat een eerste middel, met als opschrift "geen dienstige vergelijking van de aanspraken en verdiensten", ontleend wordt aan schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, van het statuut van het rijkspersoneel, van de algemene rechtsbeginselen dienstige vergelijking van de aanspraken en verdiensten en behoorlijk bestuur, het algemene rechtsbeginsel gelijkheid en non- discriminatie, alsook aan kennelijke dwaling omtrent de beoordeling; dat verzoeker de verwerende partij verwijt Marc BUYS te hebben bevorderd tot adviseur-generaal bij de directie Sensibileringsprogramma's van de directie-generaal Ontwikkelingssamenwerking, hoewel hijzelf van april tot juli 2003 de functie van hoofd van de directie Informatie, Sensibilisering en Educatie van de DGIS heeft uitgeoefend en sedert juli 2003 de functie van hoofd van de directie Sensibiliseringsprogramma's (D5) van de DGOS; dat hij wijst op een tegenstelling tussen voorgaande adviezen van het directiecomité en het advies dat over zijn sollicitatie voor het omstreden ambt is uitgebracht en hieruit afleidt dat het comité zich niet heeft gehouden aan de regel die het zichzelf had opgelegd, namelijk "rekening houden met hetgeen over de gegadigden gezegd is tijdens vorige vergaderingen (...)"; dat hij in dit opzicht meer bepaald kritiek levert op de meningen die geuit zijn omtrent de interne communicatie waarin hij soms te kort zou schieten, daar voordien tweemaal vastgesteld is dat hij zijn personeel motiveerde, beschikbaar was en een grote ervaring had met communicatiegerelateerde activiteiten, zowel intern als extern; dat hij voorts onderstreept dat ervaring op communicatiegebied essentieel was om de omstreden betrekking te bekleden en dat, volgens hem, Marc BUYS van die ervaring geen blijk geeft; dat hij in zijn memorie van wederantwoord op dit punt preciseert dat geen enkel gegeven van het administratief dossier aantoont dat Marc BUYS op communicatiegebied bekwaam is en dat diens curriculum vitae niet de bewering van het directiecomité wettigt dat "hij een goede visie heeft omtrent deze materie; (...) bijvoorbeeld een belangrijke actieve rol heeft gehad bij het communicatieplan van dhr. minister VERWILGHEN"; dat hij het directiecomité verwijt te hebben gesteund op gegevens die niet terug te vinden zijn in het persoonsdossier van Marc BUYS, V - 1705 - 8/12 die hij niet ter sprake heeft gebracht en die niet kunnen worden getoetst, noch door hemzelf, noch door de Raad van State; dat hij van oordeel is dat niet aangetoond is dat zijn concurrent zich heeft beziggehouden met het communicatieplan van de Minister en dat deze heel tevreden zou zijn over diens werk; dat hij in zijn laatste memorie zijn standpunt handhaaft, zonder er een nieuw gegeven in op te nemen; Overwegende dat, in tegenstelling tot wat de verwerende partij betoogt, het verzoekschrift genoegzaam uiteenzet in welk opzicht de regels en beginselen waarnaar het verwijst zouden zijn geschonden, behalve wat betreft het statuut van het rijkspersoneel, waarnaar het verwijst zonder aan te geven welke bepalingen zogenaamd geschonden zijn; dat het middel ontvankelijk is, behalve in zoverre het naar schending van het statuut van het Rijkspersoneel verwijst; Overwegende, ten aanzien van de beweerde tegenstelling tussen voorgaande adviezen van de raad of van het directiecomité en het advies dat naar aanleiding van de omstreden bevordering is uitgebracht, erop gewezen dient te worden dat de notulen van de vergaderingen van 4 en 11 juni 2004 het volgende aangeven: "De leden van het Comité zijn van mening dat de gebeurtenissen van het jaar 2003 aan het licht hebben gebracht dat dhr. DRICOT niet bij machte is geweest om de verandering te beheren, noch om deze verandering door zijn personeel te doen aanvaarden. In zijn bezwaarschrift maakt dhr. DRICOT gewag van een bepaalde medewerker maar de spanningen met andere personeelsleden zijn ook gekend"; dat deze beschouwingen de verandering van beoordeling kunnen uitleggen en niet betekenen dat het directiecomité een regel zou hebben geschonden die het zichzelf heeft opgelegd; Overwegende dat het directiecomité de aanspraken en verdiensten van de gegadigden heeft vergeleken en verzoeker talrijke kwaliteiten toegekend; dat het hem trouwens in zijn voordracht als tweede heeft gerangschikt; dat derhalve niet kan worden betoogd dat zijn aanspraken en verdiensten niet in aanmerking zouden zijn genomen; dan men niet uit het oog mag verliezen dat de door verzoeker geambieerde betrekking verschillende kwaliteiten vergt en dat het directiecomité redelijkerwijs de voorkeur heeft kunnen geven aan de aan Marc BUYS toegeschreven kwaliteiten; dat op basis van de gegevens van het dossier niet kan worden vastgesteld dat het directiecomité of de overheid die bevoegd is om te benoemen een kennelijke dwaling omtrent de beoordeling zou hebben begaan; dat op het niveau van verzoeker en zijn concurrenten, het gewoon is dat de leden van het directiecomité de gegadigden persoonlijk kennen; dat het hun niet verboden is gewag te maken van gegevens waarop de gegadigden zelf in hun sollicitatie niet V - 1705 - 9/12 hebben gewezen; dat in casu Marc BUYS in zijn curriculum vitae en in zijn sollicitatie stellig gewag heeft gemaakt van zijn detachering bij de strategische cel van Minister VERWILGHEN; dat niet vaststaat dat Marc BUYS geen actieve rol zou hebben gespeeld in het kader van het communicatieplan van de toenmalige minister en dat laatstgenoemde niet over zijn werk tevreden zou zijn geweest; dat zulke gegevens in aanmerking konden komen bij de beoordeling van deze kandidaat en dat de Raad van State zijn beoordeling niet in de plaats mag stellen van die van de administratieve overheid; dat het middel niet gegrond is; Overwegende dat verzoeker een tweede middel ontleent aan schending van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het rijkspersoneel, van de artikelen 20bis tot 20quinquies van het koninklijk besluit van 7 augustus 1937 (lees: 1939) betreffende de evaluatie en de loopbaan van het rijkspersoneel en van het algemene motiveringsbeginsel, alsook aan dwaling omtrent de reden of motieven; dat hij het directiecomité verwijt dertien kandidaten te hebben voorgedragen, terwijl er ten hoogste vijf per betrekking mochten worden voorgedragen; dat hij zich erover beklaagt geen afschrift te hebben ontvangen van de notulen van de vergadering tijdens welke het directiecomité zijn bezwaarschrift heeft onderzocht en van oordeel is dat de motivering van de bestreden handeling ontoereikend is in zoverre daarin verwezen wordt naar een niet- medegedeeld advies; dat hij betoogt dat hij door het louter lezen van de bestreden handeling niet de redenen voor de gemaakte keuze kan begrijpen, aangezien daarin alleen de kwaliteiten van Marc BUYS worden vermeld; dat hij naar het eerste middel verwijst wat betreft het, volgens hem, onjuist of onvolledig zijn van het advies van het directiecomité; dat hij de bewering dat de komst van Marc BUYS nieuw bloed zou betekenen voor de dienst die hij leidt zo goed als onverstaanbaar, en zelfs tergend, acht; dat hij diezelfde bewering als onjuist en irrelevant bestempelt daar, volgens hem, zijn concurrent geen kennis van communicatie heeft, en er een kennelijke dwaling omtrent de beoordeling zou zijn begaan; dat hij in dit verband de nadruk legt op zijn eigen kennis en zijn ervaring in deze aangelegenheid; Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord een onderscheid maakt tussen de voordracht van het directiecomité en de op 23 juli 2004 aan de Minister gerichte nota; dat hij van oordeel is dat een overheid die een eenparig gemaakte rangschikking goedkeurt, automatisch en onherroepelijk verwijst naar de inhoud van de uitgebrachte adviezen, doordat zij haar keuze niet in het bijzonder hoeft te motiveren; dat, volgens hem, de minister die de rangschikking volgt impliciet naar de uitgebrachte adviezen verwijst; dat hij herhaalt dat V - 1705 - 10/12 motivering door verwijzing in casu niet kan worden aanvaard, aangezien de gegadigden geen kennis hebben kunnen nemen van de notulen van de vergadering van het directiecomité; dat hij blijft stellen dat de bestreden handeling het hem niet mogelijk maakt de redenen van de gemaakte keuze te begrijpen en de bezwaren herhaalt die in zijn inleidend verzoekschrift geuit zijn; dat hij in dezelfde zin argumenteert in zijn laatste memorie; Overwegende dat verzoeker, die door het directiecomité als tweede is gerangschikt, geen belang heeft bij het eerste bezwaar dat hij formuleert; dat de bestreden handeling verwijst naar de voordracht van de gegadigden die het directiecomité heeft gedaan, na vergelijking van de sollicitaties en de aan de tussenkomende partij toegeschreven kwaliteiten vermeldt; dat in de bestreden handeling, om te voldoen aan het bepaalde in de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, geen gewag hoefde te worden gemaakt van het bezwaarschrift van verzoeker en van de redenen voor de afwijzing ervan; dat voor het overige het onderzoek van het eerste middel heeft aangetoond dat de aan de tussenkomende partij toegeschreven kwaliteiten en bekwaamheden niet het gevolg waren van een kennelijke dwaling omtrent de beoordeling; dat bijgevolg de motivering die deze kwaliteiten en bekwaamheden opsomt noch onjuist, noch onredelijk is; dat zij deugdelijk is, doordat zij steunt op gegevens die beantwoorden aan de criteria die voor de uitoefening van het ambt zijn vastgelegd; dat het middel niet gegrond is, BESLUIT: Artikel
- Het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen. Artikel
- De kosten, bepaald op 300 euro, komen ten laste van verzoeker. Aldus uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van de Ve kamer, op dertig juni tweeduizend acht, door: de HH. R. ANDERSEN, eerste voorzitter van de Raad van State, L. HELLIN, kamervoorzitter, Mevr. S. GEHLEN, staatsraad, V - 1705 - 11/12 Mevr. M.-Chr. MALCORPS, griffier. De Griffier, De Eerste Voorzitter van de Raad van State, M.-Chr. MALCORPS. R. ANDERSEN. V - 1705 - 12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.184.964 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div