← België

Arrest 184976 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 30/06/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 juni 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.184.976 Rolnummer: A. 185251/XIV-29789 Zaak: Arrest 184976 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 30/06/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-07-17 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-29 08:20 Fiche Arrest nr 184.976 van 30 juni 2008 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 184.976 van 30 juni 2008 in de zaak A. 185.251/XIV-29.789. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat R. JESPERS, kantoor houdende te 2018 ANTWERPEN, Broederminstraat 38 tegen : de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Iraanse nationaliteit, op 24 september 2007 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het arrest nr. 1330 van 23 augustus 2007 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; Gelet op de beschikking nr. 1348 van 9 oktober 2007 waarbij het cassatieberoep toelaatbaar wordt verklaard; Gelet op artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur M. VAN LIMBERGEN, op grond van artikel 16 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 6 maart 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 9 april 2008; Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; XIV-29.789-1/17 Gehoord de opmerkingen van de verzoekende partij, bijgestaan door advocaat J. DE LIEN, die loco advocaat R. JESPERS verschijnt en van attaché S. DUPONT, die verschijnt voor de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; Gehoord het eensluidend advies van auditeur M. VAN LIMBERGEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 2.1. Overwegende dat de verzoekende partij een eerste middel aanvoert, dat luidt als volgt: “Schending van het artikel 39/56 van de Vreemdelingenwet. Schending van het artikel 39/59 van de Vreemdelingenwet. Schending van het artikel 3 van het Koninklijk besluit houdende de rechtspleging voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Art. 39/56 van de Vreemdelingenwet luidt als volgt: "Art. 39/56. De beroepen bedoeld in artikel 39/2 kunnen voor de Raad worden gebracht door de vreemdeling die doet blijken van een benadeling of van een belang. De Minister of diens gemachtigde kan een beroep instellen tegen een beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, die hij strijdig acht met de wet of met de koninklijke besluiten die ermee in verband staan. De partijen mogen zich laten vertegenwoordigen of bijstaan door advocaten die ingeschreven zijn op de tabel van de Orde der Advocaten of op de lijst van de stagiairs, alsook, volgens de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek, door de onderdanen van een lidstaat van de Europese Unie die gerechtigd zijn om het beroep van advocaat uit te oefenen. Onverminderd deze mogelijkheid, wordt bij een beroep tegen een beslissing van de Commissaris-Generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen, deze partij vertegenwoordigd door de Commissa- ris-Generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen, door een van de adjuncten of door een door de Commissaris-Generaal aangewezen gemachtigde." Op de zitting d.d. 10.08.2007 was de Commissaris-Generaal voor de Vluchtelingen en Staatlozen in casu beweerdelijk vertegenwoordigd door attaché XXX. Uit geen enkel stuk uit het administratief dossier blijkt dat XXX een aangewezen gemachtigde van de Commissaris-Generaal voor de Vluchtelingen en Staatlozen zou zijn. De raadsman van verzoeker heeft tijdens de zitting van 10.08.2007 uitdrukkelijk gesteld dat het Commissariaat-Generaal voor de Vluchtelingen en Staatlozen niet geldig vertegenwoordigd was en heeft de voorzitter uitdrukkelijk verzocht de machtiging van de vertegenwoordiger te onderzoeken. De beweerde gemachtigde repliceerde dat er een brief zou zijn van de Commissaris Generaal waaruit zijn machtiging zou blijken. Hij was echter niet in het bezit van deze brief en wist zelfs niet wanneer deze brief zou zijn verstuurd. Verzoeker is van mening dat elkeen die beweert gemachtigd te zijn door de Commissaris Generaal voor de Vluchtelingen en verschijnt voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen hiervan bewijs dient te leveren op de zitting zelf Ondergeschikt meent verzoekster dat een dergelijke machtiging een procedurestuk betreft dat in elk dossier dient te worden bijgevoegd zodat het controleerbaar is. De verwijzing in het bestreden arrest naar een brief van 31.05.2007 van de Commissaris Generaal is nutteloos. De raadsman van verzoeker heeft immers geen kennis kunnen krijgen van deze brief voor de zitting, noch op de zitting van 10.08.2007. Het stuk had derhalve uit de debatten geweerd moeten worden. XIV-29.789-2/17 De raadsman van verzoeker heeft de brief van 31.05.2007 nadien ingezien, en het blijkt dat het stuk niet per aangetekend schrijven werd verstuurd. Eveneens om deze reden had het stuk uit de debatten moeten worden geweerd. Het K.B. Procedurereglement (art. 3 van het Koninklijk Besluit houdende de rechtspleging voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen) stelt immers duidelijk dat alle procedurestukken per aangetekend schrijven verstuurd moeten worden aan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Dit blijkt niet uit de brief van 31.05.2007, minstens ligt hiervan geen enkel bewijs voor in het dossier. Voor de volledigheid benadrukt verzoeker opnieuw dat dit stuk niet aan hem werd medegedeeld, laat staan overgemaakt, en dat het stuk geen vaste datum kreeg op een andere wijze. Er kan zelfs niet worden nagegaan of het stuk zich op de griffie bevond op de datum van de zitting. Derhalve kan geen machtiging worden aangetoond. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen had dan ook toepassing moeten maken van het artikel 39/59 § 2 van de Vreemdelingenwet. Dit artikel 39/59 §2 luidt als volgt: "§ 2. Alle partijen verschijnen ter terechtzitting of zijn er vertegenwoordigd. Wanneer de verzoekende partij noch verschijnt noch vertegenwoordigd is, wordt het beroep verworpen. De andere partijen die niet zijn verschenen of niet vertegenwoordigd zijn, worden geacht in te stemmen met de vordering of het beroep. In elke kennisgeving van een beschikking tot vaststelling van de rechtsdag wordt melding gemaakt van deze paragraaf." De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen had dus moeten vaststellen dat de Commissaris Generaal voor de Vluchtelingen en Staatlozen niet geldig was vertegenwoordigd en dat het artikel 39/59 volle uitwerking diende te krijgen, met name dat er ingestemd werd met de vordering. Dit middel zou moeten leiden tot cassatie van de bestreden beslissing.”; 2.2. Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord het volgende stelt: “In een eerste middel beroept verzoeker zich op een schending van de artikelen 3W56 en 39159 van de Vreemdelingenwet en van artikel 3 van het Koninklijk Besluit houdende de rechtspleging voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. - In casu werpt verzoeker in zijn verzoekschrift op dat uit geen enkel stuk uit het administratief dossier blijkt dat attaché XXX, die de Commissaris-generaal op de zitting van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen vertegenwoordigde, een aangewezen gemachtigde van de Commissaris-generaal is en dat deze beweerde gemachtigde ook op de zitting zelf hiervan geen bewijs kon leveren. De verwijzing in het bestreden arrest naar een brief van 31 mei 2007 van de Commissaris-generaal is volgens verzoeker nutteloos aangezien hij voor de zitting geen kennis heeft gekregen van deze brief, noch op de zitting van 10 augustus 2007. Bovendien blijkt dat dit procedurestuk niet per aangetekend schrijven verstuurd werd. Verweerder stelt samen met de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen vooreerst vast dat de naam van de heer XXX, die ter terechtzitting voor de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen is verschenen, voorkomt op de lijst die de Commissaris-generaal bij brief van 31 mei 2007 heeft overgemaakt aan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen en waarbij hij de namen vermeldt van de attachés die door hem gemachtigd werden om hem te vertegenwoordigen bij de Raad. Hierbij aansluitend verwijst verweerder naar rechtspraak van de Raad van State waarin gesteld wordt dat verzoeker aanvoert dat de "gemachtigde ambtenaar' op geen enkel ogenblik in de procedure van zijn zogeheten 'volmacht' heeft doen blijken, dat verzoeker echter niet aantoont dat de betrokken gemachtigde ambtenaar niet over de vereiste volmacht beschikt en dat de loutere bewering niet volstaat (Raad van State, X, 19 maart 2004, nr. 129.464 en 129.470). In casu stelt verwerende partij eveneens vast dat verzoeker helemaal niet heeft aangetoond dat voornoemde attaché geen volmacht heeft om de Commissaris-generaal te XIV-29.789-3/17 vertegenwoordigen voor de Raad en uit voornoemde brief blijkt duidelijk dat verzoekster dit ook niet zal kunnen aantonen, wel integendeel. Het eerste middel is niet gegrond.”; 2.3. Overwegende dat de verzoekende partij in de memorie van wederant- woord niets wezenlijks toevoegt; 2.4. Overwegende dat “de lijst die de Commissaris-generaal bij brief van 31 mei 2007 heeft overgezonden aan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen (...) waarbij hij de namen vermeldt van de attachés die door hem gemachtigd werden om (...) (hem) te vertegenwoordigen bij de Raad”, na telefonisch verzoek, bij brief van 27 december 2007 door de hoofdgriffier van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen wordt overgemaakt aan het auditoraat; dat uit deze lijst blijkt dat XXX gemachtigd is de commissaris-generaal te vertegenwoordigen voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; dat de verzoekende partij ter terechtzitting volhardt doch de vaststellingen uit het auditoraatsverslag niet weerlegt; dat het eerste middel ongegrond is; 3.1. Overwegende dat de verzoekende partij een tweede middel aanvoert, dat luidt als volgt: “Schending van artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Schending van de principes van het E.U.-procesrecht. Verzoeker betoogt dat het beroep bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen geenszins voldoet aan de waarborgen zoals vastgesteld in bovenvermelde rechten. Verzoeker meent dat hij recht heeft op een beroep met volle rechtsmacht tegen een beslissing van het Commissariaat-Generaal voor de Vluchtelingen en Staatlozen. Verzoeker meent dat hij conform bovenvermelde principes recht heeft op een onderzoek van de feiten door het jurisdictioneel orgaan dat zijn beroep behandelt en dit omwille van het feit dat de natuur van een asielaanvraag een actuele beoordeling dient in te houden van zijn asielaanvraag op het moment van de finale beslissing. Dit recht wordt beperkt aangezien verzoeker na het indienen van het desbetreffende beroep geen nieuwe stukken kan aanbrengen en geen geactualiseerde memorie/conclusie kan bijbrengen. Er kan momenteel geenszins sprake zijn van een jurisdictioneel orgaan dat volle rechtsmacht heeft. Verzoeker zal aantonen dat de principes van het artikel 6 E.V.R.M. thans direct van toepassing zijn. Verzoeker zal verder aantonen dat ook het artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie van toepassing is. Verzoeker zal aantonen dat het begrip "volle rechtsmacht" een bijzondere betekenis heeft en dat de betekenis varieert van materie tot materie. Verzoeker zal tenslotte aantonen dat de waarborgen van het Europees procesrecht thans volledig afwezig zijn en dit ondanks het feit dat de ganse materie van asiel thans onder het Europees recht ressorteert. 1. Wat betreft de toepassing van het artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Zowel de Kwalificatierichtlijn (2004/83) als de Procedurerichtlijn verwijzen direct naar het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en dus ook naar het artikel 47 van het Handvest. XIV-29.789-4/17 In juni 2006 citeerde het Europees Hof van Justitie het Charter derwijze dat het zijn rechtstreekse werking bevestigde. Het stelde dat de vermelding in de preambule in de Richtlijn voldoende was om het Charter van toepassing te maken'. Een Advocaat-Generaal van het Europees Hof van Justitie stelde dat het Handvest de uitdrukking is van het hoogste niveau, van een democratisch gevestigde politiek consensus welke thans beschouwd moet worden als een catalogus van fundamentele rechten gewaarborgd in het Gemeenschapsrecht. Het Handvest wordt geciteerd en toegepast in diverse materie zowel bij het Europees Hof van Justitie als bij nationale rechters. Ook het UNHCR is deze visie toegedaan. Verzoeker verwijst naar "The European asylum procedures directive in Legal context." Research Paper No. 134. p. 20 ev. (www.unhcr.org) De toepassing van het artikel 47 van het Handvest dient dan ook gewaarborgd te worden in alle zaken die de Europese Unie regelt waaronder het asielrecht. Het artikel 47 luidt als volgt: "Recht op een doeltreffende voorziening in rechte en op een onpartijdig gerecht 1 Zaak C-540/03/ European Parliament v. Council, 27 juni 2006 Eenieder wiens door het recht van de Unie gewaarborgde rechten en vrijheden zijn geschonden, heeft recht op een doeltreffende voorziening in rechte, met inachtneming van de in dit artikel gestelde voorwaarden. Eenieder heeft recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. Eenieder heeft de mogelijkheid zich te laten adviseren, verdedigen en vertegenwoordigen. Rechtsbijstand wordt verleend aan diegenen die niet over toereikende financiële middelen beschikken, voorzover die bijstand noodzakelijk is om de daadwerkelijke toegang tot de rechter te waarborgen." De invulling van het artikel 47 is gelijklopend met de invulling van het artikel 6 E.V.R.M., met dit verschil dat het toepassingsgebied zich uitstrekt niet alleen over burgerlijke en strafrechtelijke materies maar over ALLE materies die het Europees recht regelt waaronder dus ook het asielrecht. De tekst incorporeert zowel het artikel 13 E.V.R.M. als het artikel 6 E.V.R.M. De rechtspraak i.v.m. het artikel 6 E.V.R.M. is dan ook relevant ter beoordeling van de vraag of het beroep voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen voldoet aan de voorwaarde zoals gesteld in het Europees Handvest. Evenwel stelt het artikel 47 van het Handvest geen vereiste van burgerlijke of politieke rechten. 2. Begrip "volle rechtsmacht” Verzoeker stelt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen volle rechtsmacht dient te hebben en thans niet voldoet aan deze vereiste. Verzoeker betoogt dat het principe dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen geen eigen onderzoek kan stellen in strijd is met het begrip 'full jurisdiction', volle rechtmacht zoals vastgelegd in het EVRM en dus indirect van toepassing via het artikel 47 van het Handvest (zie hierboven). 'Full jurisdiction' Van belang is om te beginnen dat het artikel 6 lid 1 E.V.R.M. niet alleen toegang tot een rechter garandeert maar ook eisen stelt aan de rechterlijke toetsing van overheidsoptreden. In het kader van een procedure moet op grond van vaste jurisprudentie ten minste één rechterlijke instantie met volledige rechtsmacht ('full jurisdiction') de betreffende besluiten kunnen controleren'. De eis van 'full jurisdiction' houdt in dat de betreffende rechter de bevoegdheid moet hebben: 'to examine all questions of fact and law relevant to the dispute befóre it. ~3 : de rechter moet op grond van artikel 6 lid 1 EVRM dus alle voor het betreffende geschil relevante vragen van juridische en feitelijke aard kunnen onderzoeken. Het is belangrijk om expliciet te constateren dat er geen onderscheid wordt gemaakt tussen rechtsvragen en feitelijke vragen4 Uit het voorgaande volgt dat de rechter, om te voldoen aan de eisen van het artikel 6 E.V.R.M., dus ook moet kunnen oordelen over de vaststelling van de feiten als deze relevant zijn in het XIV-29.789-5/17 geschil. Daarmee is van belang wat wordt bedoeld met 'facts relevant to the dispute'. Immers, alleen met betrekking tot deze feiten geldt het vereiste van 'full jurisdiction'. Daarmee is de vraag aan de orde hoe intensief de rechter terzake moet kunnen toetsen. Het uitgangspunt van de jurisprudentie van het E.H.R.M. lijkt te zijn dat de rechter een eigen oordeel over de feiten moet geven hetgeen impliceert dat hij de bestuurlijke feitenvaststelling vol moet kunnen toetsen. Gewezen kan hier worden op de uitspraak van het E.H.R.M. in de zaak Terra Woningen t. Nederland. Daarin werd een schending van het artikel 6 lid 1 E.V.R.M. aangenomen omdat de kantonrechter bij het vaststellen van een huurprijs niet zelfstandig wilde onderzoeken of er sprake was van bodemverontreiniging (een factor bij het bepalen van de huurprijs) en het standpunt van Gedeputeerde Staten daarover zonder meer overnam. Dit ondanks het feit dat de partijen van mening verschilden over de vraag of er inderdaad sprake was van bodemverontreiniging. Uit het voorgaande zou kunnen worden afgeleid dat een meer terughoudende - marginale -toetsing van de feitenvaststelling nooit door de beugel zou kunnen, maar uit de zaak Bryan t. Verenigd Koninkrijk blijkt dat het E.H.R.M. onder bepaalde omstandigheden daarmee wel genoegen neemt . Deze zaak betrof een handhavingsbesluit op grond waarvan de heer Bryan twee huizen moest slopen en bouwmateriaal moest verwijderen. Daartegen kwam hij vergeefs op bij het bestuursorgaan dat het besluit nam, waarna er beroep werd ingesteld bij de rechter. Daar kon echter de juistheid van de vastgestelde feiten die de basis vormden van het besluit niet meer direct worden betwist. De rechter was alleen bevoegd ten aanzien van rechtsvragen en kon geen nader bewijs ontvangen. Wel had de rechter de bevoegdheid om te beoordelen of de procedure waarin de feiten waren vastgesteld rechtmatig was en of de feitenvaststelling 'perverse or irrational’ was. Beperkingen van rechterlijke controle op de bestuurlijke feitenvaststelling bevinden zich dus 'in de gevarenzone van het artikel 6 E.V.R.M.', maar zijn gelet op de zaak Bryan niet zonder meer ongeoorloofd. Voor dergelijke beperkingen moet wel een overtuigende rechtvaardigings- grond bestaan, zoals de aard van het materiële rechtsgebied en de daaraan verbonden bestuurlijke vrijheid en het gespecialiseerde karakter van de feitenvaststelling. Daarbij is van belang dat de bestuurlijke feitenvaststelling in een met voldoende waarborgen omklede - quasirechterlijke -gespecialiseerde administratieve voorprocedure heeft plaatsgevonden. Hieruit lijkt voort te vloeien dat het in dergelijke gevallen in het licht van het artikel 6 E.V.R.M. ook mogelijk is grenzen te stellen aan het inbrengen van bepaald nieuw bewijsmateriaal in de rechterlijke procedure. Bepaald bewijsmateriaal vergt immers een geheel nieuwe beoordeling door de rechter, iets waartoe hij echter juist niet in staat is gelet op, bijvoorbeeld, de daartoe vereiste specialisatie. De beperkingen van de rechterlijke controle op de bestuurlijke feitenvaststelling mogen in ieder geval nooit zo ver gaan dat de rechter zich geheel verlaat op het oordeel van het bestuur. Dat zou immers feitelijk betekenen dat de betrokkene opdat punt geen toegang heeft tot de rechter. Er moet in het kader van de rechterlijke procedure een debat kunnen worden gevoerd over de juistheid van het bestuurlijke feitenoordeel en de wijze waarop dat tot stand is gekomen. Het geheel uitsluiten daarvan kan blijkens de jurisprudentie van het E.H.R.M. niet door de beugel. Gewezen kan worden op de al genoemde zaak Terra Woningen t. Nederland en op de meer recente zaak Chevrol t. Frankrijk. Deze laatste zaak werd aan het E.H.R.M. voorgelegd nadat de Franse Raad van State (Conseil d’Etat) het beroep van verzoekster tegen de weigering haar Algerijnse artsexamen te erkennen had afgewezen. Daarbij heeft de Raad van State zijn eigen jurisprudentie gevolgd, waarbij hij, bij de beantwoording van de vraag of de betreffende verdragen toepasselijk waren, zich geheel heeft verlaten op het oordeel van een bestuursorgaan, ook waar dat de feitenvaststelling betrof. Het E.H.R.M. is daarover kritisch: ook al lijkt raadpleging van de minister door de Raad van State over de beoordeling van de voorwaarde van wederkerigheid bij de erkenning van diploma's noodzakelijk, door deze wijze van werken verplicht de Raad van State zich het oordeel te volgen van de minister, dat wil zeggen van een buiten de Raad staande en tot de uitvoerende macht behorende autoriteit, zonder het oordeel van die autoriteit aan kritiek of aan een contradictoir debat te onderwerpen. Het Hof is verder van oordeel dat met betrekking tot het inwinnen van het oordeel van de minister, dat bepalend zou zijn voor hetgeen in het geschil ter beslissing stond, voor appellante geen enkele voorziening openstond. Zij heeft geen enkele gelegenheid gekregen zich uit te spreken over het gebruik van XIV-29.789-6/17 het ministerieel oordeel, of over de formulering van de aan de minister gestelde vraag, of over de elementen van de beantwoording van die vraag. Appellante heeft aan de Raad van State verscheidene stukken overgelegd om aan te tonen dat de Algerijnse overheid de betreffende regelingen feitelijk wel degelijk toepaste. Deze stukken zijn zelfs niet onderzocht door de Raad, die derhalve niet heeft willen onderzoeken of zij een goede grondslag voor het betoog van appellante vormden. Aldus heeft de Raad zich gebonden geacht aan het oordeel van de minister, en zichzelf de bevoegdheid ontzegd om feitelijke gegevens die beslissend konden zijn voor het aan hem voorgelegde geschil in zijn beoordelingen te betrekken. Onder deze omstandigheden kan volgens het E.H.R.M. niet worden gezegd dat appellante toegang heeft gehad tot een rechterlijke instantie die een toereikende bevoegdheid had, dan wel erkende dat zij een dergelijke bevoegdheid had, om zich te buigen over alle feitelijke en juridische kwesties die relevant waren om het geschil te beoordelen. Toegepast op de beroepsprocedure bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen meent verzoeker dat deze procedure geenszins voldoet. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen diende ambtshalve over te gaan tot een onderzoek van alle feiten relevant voor deze zaak. Meer bepaald diende zij zich ervan te vergewissen dat verzoeker geen enkel risico op een mensonterende behandeling zou lopen bij een eventuele terugkeer naar Iran. Dit is in casu onvoldoende gebeurd. 3. Schendingen van art. 47 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie 3.1 Prejudiciële vraag Verzoeker vroeg de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen een prejudiciële vraag te stellen aan het Europees Hof van Justitie die als volgt luidde: "Dienen de lidstaten te voorzien in een beroep bij een administratief rechtscollege inzake de materie van de Kwalificatierichtlijn 2004/83 en houdt art. 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie in dat deze administratieve rechtscolleges kennis dienen te nemen van conclusies en feiten tot op de dag van dat de debatten worden gesloten". De Raad antwoordde hierop dat na de omzetting van een richtlijn in het interne recht, deze niet meer rechtstreeks kan ingeroepen worden tenzij om aan te voeren dat de omzetting niet correct gebeurde. Verder wordt gesteld dat de Raad in het kader van de uitoefening van de volle rechtsmacht, "een annulatiebevoegdheid (heeft) met terugwijzing en dit op twee limitatief bepaalde gronden: - omdat aan de bestreden beslissing een substantiële onregelmatigheid kleeft die door de Raad niet kan worden hersteld - omdat essentiële elementen ontbreken die inhouden dat de Raad niet kan komen tot een bevestiging of hervorming zonder aanvullende onderzoeksmaatregelen hiertoe te moeten bevelen." De bestreden beslissing concludeert dat deze mogelijkheid voor de Raad voor Vreemdeling- enbetwistingen niet tekort komt aan de eis van volle rechtsmacht. Verzoeker kan zich hiermee echter niet akkoord verklaren en verwijst naar de volgende tekst van het Hof van Justitie zelf i.v.m. prejudiciële vragen: "De verwijzing met het oog op uitlegging 11. Elke rechterlijke instantie is bevoegd om het Hof een prejudiciële vraag te stellen over de uitlegging van een regel van gemeenschapsrecht, wanneer zij dat noodzakelijk acht ter beslechting van een bij haar aanhangig geschil. 12. Een rechterlijke instantie waarvan de beslissingen volgens het nationale recht niet vatbaar zijn voor hoger beroep, is in beginsel echter verplicht een dergelijke vraag te verwijzen, tenzij er terzake al rechtspraak is en eventuele nieuwe regelgeving geen echte twijfel doet rijzen over de mogelijkheid om die toe te passen, of de juiste uitlegging van het gemeen- schapsrecht evident is. 13. Een rechter wiens beslissingen nog vatbaar zijn voor hoger beroep kan derhalve, met name wanneer hij zich door de rechtspraak van het Hof voldoende ingelicht acht, zelf beslissen wat de juiste uitlegging van het gemeenschapsrecht is en hoe het moet worden toegepast op de feiten die hij vaststelt. Een prejudiciële verwijzing kan in het passende stadium van de procedure echter bijzonder nuttig blijken wanneer het een nipuwe uitleggingsvraag betreft XIV-29.789-7/17 die van belang is voor de uniforme toepassing van het gemeenschapsrecht in de Unie, of wanneer de bestaande rechtspraak niet lijkt te kunnen worden toegepast op nieuwe feiten. 14. De nationale rechter dient uiteen te zetten waarom de verlangde uitlegging noodzakelijk is voor het wijzen van zijn vonnis. De verwijzing ter beoordeling van de geldigheid 15. Een nationale rechterlijke instantie kan voor haar voorgedragen middelen van ongeldigheid verwerpen, maar enkel het Hof kan een gerneenschapshandeling ongeldig verklaren. 16. Elke nationale rechterlijke instantie moet het Hof dus een vraag stellen wanneer zij betwijfelt of een gemeenschapshandeling geldig is. Zij moet daarbij vermelden waarom de gemeenschapshandeling volgens haar ongeldig kan zijn. 17. Wanneer hij ernstige twijfels heeft over de geldigheid van een handeling van de Gemeen- schap waarop een interne handeling is gebaseerd, kan de nationale rechter evenwel in bijzondere gevallen de toepassing van die handeling voorlopig opschorten of elke andere voorlopige maatregel te dien aanzien gelasten. Hij moet het Hof van Justitie dan de vraag betreffende de geldigheid voorleggen, met opgave van de redenen waarom hij de gemeenschapshandeling ongeldig acht." (Hof van Justitie, "Wenken voor de indiening van prejudiciële verzoeker door de nationale rechters", Publicatieblad van de Europese Unie, 11.06.2005, 2005/C 143/0 L) De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft het verzoek om een prejudiciële vraag te stellen ten onrechte afgewezen. Verzoeker vraagt de Raad van State dan ook de volgende prejudiciële vraag te stellen aan het Europees Hof van Justitie: "Dienen de lidstaten te voorzien in een beroep bij een administratief rechtscollege met voller echtsmacht inzake de materie van de Kwalificatierichtlijn 2004/83 en volstaat een mogelijkheid tot terugwijzing naar de initiële administratieve overheid om te kunnen spreken van volle rechtsmacht, of dienen deze administratieve rechtscolleges over een eigen onderzoeksbevoegdheid te beschikken die hen toelaat tot op de dag van de eindbeslissing onderzoek te verrichten naar alle relevante feiten die nuttig zijn om de zaak te beoordelen?" Deze vraag is relevant in die zin dat, indien beide onderdelen bevestigend beantwoord worden, de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen ambtshalve diende over te gaan tot een onderzoek van alle aspecten van de asielaanvraag, ook andere feiten die vermeld worden buiten het administratief dossier, en vergelijkbaar met de onderzoeksbevoegdheid van de Vaste Beroepscommissie voor Vluchtelingen. Deze onderzoeksbevoegdheid laat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen toe om verzoeker opnieuw te ondervragen en te komen tot een tegensprekelijke feitenvinding. 3.2. Motivering van de bestreden beslissing Verzoeker is van mening dat het artikel 47 van het Handvest de Raad voor Vreemdelingen- betwistingen de plicht oplegt te motiveren waarom de argumentatie van verzoeker zoals gesteld in zijn verzoekschrift en mondeling uiteengezet tijdens de zitting niet gevolgd dient te worden. Het louter citeren van de repliek van het Commissariaat-Generaal voor de Vluchtelingen en Staatlozen volstaat in alle redelijkheid niet. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen weigert verzoeker o,m. asiel te geven "omdat hij enerzijds zijn recent verblijf in Iran niet bewijst en omdat zijn verklaringen betreffende zijn politieke activiteiten in Iran niet overeenstemmen met de informatie, gevoegd bij het administratief dossier. Het bewijs van identiteit, nationaliteit en herkomst is een essentieel element in iedere procedure. Verzoeker is niet in het bezit van identiteitsdocumenten die zijn recent verblijf in Iran kan (sic) staven. De Raad stelt vast dat verzoeker ter staving van zijn identiteit enkel een rijbewijs neerlegt. Een rijbewijs kan een begin van bewijs van identiteit uitmaken doch het kan evenwel niet aanvaard worden als een officieel identiteitsbewijs. Uit de informatie waarover de Commissaris-generaal beschikt en waarvan kopie aan het administratief dossier werd gevoegd, blijkt tevens dat het rijbewijs ook in Iran geen officieel identiteitsbewijs is. Het feit dat het mogelijk is dat het tonen ervan kan geaccepteerd worden als bewijs van identiteit verandert hieraan niets.". Verzoeker wenst in verband met zijn recente verblijf in Iran en zijn identiteit te verwijzen naar de bewijsregels die gevolgd dienen te worden in de context van de Conventie van Genève. In 1998 publiceerde het UNHCR een nota genaamd "Note on Burden and Standard of Proof XIV-29.789-8/17 in Refugee Claims" ("Nota over de bewijslast en de bewijsstandaard in asielaanvragen"), die het probleem van de bewijslast en de graad van het vereiste bewijs behandelde. (OFFICE OF THE UNITED NATIONS HIGH COMMISSIONER FOR REFUGEES GENEVA, Note on Burden and Standard of Proof in Refugee Claims, 16 December 1998) Verzoeker erkent dat de bewijslast voor zijn asielaanvraag bij hem ligt doch dat, gezien de uitzonderlijke omstandigheden van een asielaanvraag en de beperkingen die inherent zijn aan de asielaanvraag zelf, deze bewijslast genuanceerd dient te worden. Verzoeker verwijst hiervoor naar de inhoud van de voormelde nota van het UNHCR: "Facts in support of refugee claims are established by adducing proof or evidence of the alleged facts. Evidence may be oral or documentary. The duty to produce evidence in order affirmatively to prove such alleged facts, is termed "burden of proof'. According to general legal principles of the few of evidence, the burden of proof lies on the person who makes the assertion. Thus, in refugee claims, it is the applicant who has the burden of establishing the veracity of his/her allegations and the accuracy of the facts on which the refugee claim is based. The burden of proof is discharged by the applicant rendering a truthful account of facts relevant to the claim so that, based on the facts, a proper decision may be reached. In view of the particularities of a refugee's situation, the adjudicator shares the duty to ascertain and evaluate all the relevant facts. This is achieved, to a large extent, by the adjudicator being familiar with the objective situation in the country of origin concerned, being aware of relevant matters of common knowledge, guiding the applicant in providing the relevant information and adequately verifying facts alleged which can be substantiated." Vrij vertaald (eigen onderlijning): "Feiten die de asielaanvraag ondersteunen worden bewezen door bewijs van de beweerde feiten aan te dragen. Dit bewijs mag mondeling of schriftelijk zijn. De taak om bewijs aan te brengen om beweerde feiten te bewijzen wordt bewijslast genoemd. Volgens algemene rechtsbeginselen in verband met het bewijs ligt de bewijslast bij de persoon die de bewering maakt. Voor asielaanvragen is het dus de aanvrager die de taak heeft de waarachtigheid van zijn of haar beweringen aan te tonen en de correctheid van de feiten waarop de aanvraag is gebaseerd. De bewijslast vervalt voor een aanvrager die een waarheidsgetrouw feitenrelaas geeft over de aanvraag zodat er een op de feiten gebaseerde beslissing genomen kan worden. Gezien de bijzondere omstandigheden bij een asielaanvraag deelt degene die de aanvraag beoordeelt de taak om de relevante feiten te verifiëren en te evalueren. Dit kan grotendeels gebeuren doordat degene die de aanvraag beoordeelt vertrouwd is met de objectieve situatie van het betrokken land van herkomst, door op de hoogte te zijn van relevante algemeen geweten zaken en door de aanvrager te begeleiden om de relevante informatie te geven en door op een gepaste manier de beweerde feiten te verifiëren die bevestigd kunnen worden." De afwezigheid van identiteitsdocumenten mag dus geenszins een reden zijn voor een weigering van een asielaanvraag en zelfs geen 'negatieve indicatie' aangezien de bewijslast vervalt voor de aanvrager wanneer deze een waarheidsgetrouw feitenrelaas geeft. De bestreden beslissing weerlegt allerminst het relaas van verzoeker zodat dit wel degelijk als waarheidsgetrouw moet aanzien worden. Verder in de bestreden beslissing wordt de manifestatie van 08.03.2005 besproken. Verzoeker had in verband hiermee een artikel voorgelegd, gepubliceerd door de website 'Iran Focus'. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen sluit zich in de bestreden beslissing zonder meer aan bij het Commissariaat-Generaal voor de Vluchtelingen en Staatlozen, dat verwijst naar een antwoorddocument d.d. 03.07.2007 van hun studiedienst CEDOCA, waarin vermeld wordt dat de website onbetrouwbaar zou zijn en dat er in de andere geraadpleegde bronnen niet gerapporteerd wordt over de bewuste manifestatie. Verzoeker stelt echter vast dat er slechts enkele bronnen geraadpleegd werden en dat er blijkbaar niet gezocht werd naar bronnen die het verhaal van verzoeker zouden bevestigen, maar enkel naar bronnen die dit niet doen. Er is in het dossier inderdaad ook een ander antwoorddocument terug te vinden, d.d. 15.03.2007, waarin, met vermelding van slechts twee bronnen zeer kort gesteld wordt dat er geen publieke manifestaties hebben plaatsgevonden in Teheran op 08.03.2005. Het is pas toen verzoeker een artikel voorlegde waarin wel bericht werd over de betrokken manifestatie, dat CEDOCA verdere opzoekingen heeft gedaan. Verzoeker legt vandaag opnieuw een artikel met foto's voor, XIV-29.789-9/17 dit keer van het Iranees Studenten Nieuws Agentschap (ISNA) en een artikel van BBC Persian.com, die aantonen dat er wel degelijk een manifestatie heeft plaatsgevonden zoals hij het eerder vertelde. Bovendien is het, algemeen gesteld, werkelijk te eenvoudig om te stellen dat er geen manifestatie heeft plaatsgevonden omdat er niet meteen rapporten over terug te vinden zijn. Verzoeker verwijst ook hieromtrent naar het Handboek van de Verenigde Naties en het bovenvermelde citaat. Ditzelfde geldt voor de bijeenkomst die op de Universiteit van Teheran heeft plaatsgevon- den op 01.05.2005. Verzoeker verwees in verband hiermee naar verschillende weblinks. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen stelt in de bestreden beslissing dat zij hiermee geen rekening dient te houden. Dit gaat echter in tegen de rechten van verdediging. In verband met de bijeenkomst in het Azadi-stadium ter gelegenheid van 1 mei blijft verzoeker bij zijn stelling dat hij deze viering wel terloops vermeld heeft bij de tolk maar erbij zei dat hij dit niet echt een 1-mei-manifestatie was omdat ze georganiseerd was door de overheid, en dat zijn woorden waarschijnlijk daarom niet letterlijk vertaald werden. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen gaat eraan voorbij dat dit een logische verklaring is en "stelt vast dat verzoeker zich op dit punt beperkt tot loutere beweringen, die geen steun vinden ‘in het administratief dossier’. Het is echter duidelijk dat hier een onmogelijk bewijs wordt vereist. Verder neemt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de motivering van de beslissing van het Commissariaat-Generaal voor de Vluchtelingen en Staatlozen over en stelt dat verzoeker "(

  1. i)geen bewijs aanbrengt van zijn politieke activiteiten in Iran en de daaruit voortvloeiende vervolgingsfeiten (
  2. ii)niet eens bij benadering kan zeggen hoeveel aanhangers de groepering Bazr heeft in Iran (iii) niet weet wat er met de twee medewerkers is gebeurd die in zijn appartement zouden zijn opgepakt (
  3. iv)niet weet of er in Iran een gerechtelijke procedure tegen hem werd gestart en of hij eventueel reeds veroordeeld werd." Verzoeker stelt dat de Vluchtelingenconventie noch de vreemdelingenwet vereisen dat bewijsmateriaal aangewend in een asielprocedure van een objectieve en onafhankelijke bron moet afkomstig zijn. Waar de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen ermee akkoord gaat dat de bronnen niet onafhankelijk moeten zijn wordt wel gesteld dat zij objectief moeten zijn, en dat dit in casu niet het geval zou zijn. Verzoeker ziet echter niet in wat in deze situatie het verschil tussen beide begrippen is. Overigens is al het bewijsmateriaal (de aanwezige informatie in het administratief dossier) van het Commissariaat-Generaal voor de Vluchtelingen en Staatlozen, bezwaarlijk onafhankelijk en objectief te noemen. Het Commissariaat-Generaal voor de Vluchtelingen en Staatlozen en de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen stellen bijkomende voorwaarden qua bewijs die de wet niet voorziet. Er werd zelfs geen rekening gehouden met de genoemde attesten. Verzoeker stelt verder dat de genoemde motieven, te weten het niet kunnen voorleggen van de veroordelingen, het niet weten dat er gerechtelijke vervolging werd ingesteld en het niet weten hoeveel medewerkers Bazr telt bezwaarlijk kunnen aanzien worden als elementen die de geloofwaardigheid van verzoeker ondermijnen. Iemand die de situatie in Iran min of meer kent, begrijpt dat ondergrondse bewegingen als Bazr werken in aparte cellen die los van elkaar opereren en zo weinig mogelijk van elkaars samenstelling en activiteiten op de hoogte te zijn, om de kans op verklikking zo klein mogelijk te houden. Wat betreft het niet willen vernoemen van bepaalde namen stelt verzoeker dat hij deze niet wilde vernoemen zonder toestemming van de betrokkenen omwille van veiligheidsredenen, wat toch te begrijpen is in het geval van vluchtelingen uit Iran. Waar de bestreden beslissing in 3.12 stelt dat verzoeker een 'plicht tot medewerking' heeft en in het kader hiervan coherente, gedetailleerde en volledige verklaringen dient af te leggen wijst verzoeker erop dat zijn verklaringen ook zonder deze namen coherent, gedetailleerd en volledig zijn. Bovendien blijkt de relevantie en de noodzaak van het noemen van de namen nergens uit de bestreden beslissing. Verzoeker verwijst ook naar de voormelde nota van het UNHCR en meer bepaald naar het volgende onderdeel: "In view of the particularities of a refugee's situation, the adjudicator shares the duty to ascertain and evaluate all the relevant facts. This is achieved, to a large extent, by the adjudicator being familiar with the objective situation in the country of origin concerned, being XIV-29.789-10/17 aware of relevant matters of common knowledge, guiding the applicant in providing the relevant information and adequately verif~ing facts alleged which cai~ . be substantiated." Vrij vertaald (eigen onderlijning): "Gezien de bijzondere omstandigheden bij een asielaanvraag deelt degene die de aanvraag beoordeelt de taak om de relevante feiten te verifiëren en te evalueren. Dit kan grotendeels gebeuren doordat degene die de aanvraag beoordeelt vertrouwd is met de objectieve situatie van het betrokken land van herkomst, door op de hoogte te zijn van relevante algemeen geweten zaken en door de aanvrager te begeleiden om de relevante informatie te geven en door op een gepaste manier de beweerde feiten te verifiëren die bevestigd kunnen worden." Klaarblijkelijk was dit niet het geval. Inzake punt (iii) kan verzoekster mededelen dat hij intussen heeft vernomen dat verschillende leden van haar familie en schoonfamilie opgepakt en gemarteld werden om informatie los te krijgen over verzoeker en zijn echtgenote. Ook werden hun identiteitsdocu- menten in beslag genomen zodat ze telkens ze buiten de stad willen gaan, toelating moeten vragen.”; 3.2. Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord het volgende stelt: “In een tweede middel beroept verzoeker zich op een schending van artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en van de principes van het EU procesrecht. Verweerder stelt vast dat artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie stelt dat eenieder recht heeft op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. Eenieder heeft de mogelijkheid zich te laten adviseren, verdedigen en vertegen- woordigen. Vooreerst is verweerder van mening dat het Handvest geen enkele wettelijke status heeft zodat artikel 47 van dit Handvest dan ook niet dienend kan worden aangevoerd. Hoe dan ook meent verweerder dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen aan deze waarborgen voldoet. Verzoeker geeft in zijn verzoekschrift slechts een algemene theoretische uiteenzetting over de toepassing van de waarborgen voorzien in artikel 47 van voornoemd Handvast in het kader van het asielrecht, maar hij toont nergens concreet aan dat de Raad één van deze waarborgen zou hebben geschonden. Voorts stelt verzoekster dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen volle rechtsmacht dient te hebben maar thans niet aan deze vereiste voldoet aangezien de Raad geen eigen onderzoeksbevoegdheid heeft. Verzoeker geeft hierbij een uiteenzetting over het begrip "volle rechtsmacht" en ondersteunt zijn betoog onder meer met rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens omtrent de toepassing van artikel 6 lid 1van het E.V.R.M. Hij merkt ook op dat zowel de Kwalificatierichtlijn (2004/83) als de Procedurerichtlijn direct verwijzen naar het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en dus ook naar artikel 47 van het Handvest, dat dit artikel gelijklopend is met de invulling van artikel 6 lid 1 van het E.V.R.M. met dit verschil dat het toepassingsgebied zich uitstrekt niet alleen over burgerlijke en strafrechtelijke materies maar naar alle materies die het Europees recht regelt waaronder dus ook het asielrecht, en dat de tekst van artikel 47 van het Handvest de artikelen 6 en 13 incorporeert. Ten slotte vraagt verzoeker de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen een prejudiciële vraag te stellen aan het Europees Hof van Justitie die als volgt luidt: 'Dienen de lidstaten te voorzien in een beroep bij een administratief rechtscollege inzake de materie van de Kwalificatierichtlijn 2004/83 en volstaat de mogelijkheid tot terugwijzing naar de initiële administratieve overheid om te kunnen spreken van volle rechtsmacht of dienen deze administratieve rechtscolleges over een eigen onderzoeksbevoegdheid te beschikken die hen toelaat tot op de dag van de eindbeslissing onderzoek te verrichten naar alle relevante feiten die nuttig zijn om de zaak te beoordelen". XIV-29.789-11/17 Met betrekking tot de prejudiciële vraag dient vooreerst te worden opgemerkt dat wanneer een richtlijn is omgezet in het interne recht zij niet meer rechtstreeks kan worden ingeroepen, behalve om aan te voeren dat de omzetting niet correct zou zijn gebeurd (zie in dezelfde zin R.vSt. arrest nr. 117.877 van 2 april 2003 inzake la s.a. SOCATRA). Verweerder stelt vast dat dit in casu echter niet wordt aangevoerd. Zelfs indien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie regelmatig wordt vermeld tijdens de beraadslagingen van de advoca- ten-generaal en invloed heeft gehad op de conclusies van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, dient er evenwel op gewezen te worden dat het Handvest nog steeds geen bindende kracht heeft. Overigens blijkt ook dat het Handvest geen wettelijke status heeft maar eerder een politieke verklaring is. Verzoekers verzoek tot het stellen van een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie dient volgens verwerende partij dan ook om voornoemde redenen te worden verworpen. Aangaande het begrip "volle rechtsmacht" verwijst verweerder naar de klassieke definitie gegeven in het handboek van A. MAST (A. Mast, J. Dujardin, M. Van Damme en J. Vande Lanotte, Overzicht van het Belgisch administratief recht, Mechelen, Kluwer, 2006, p. 1055, randnr. 1021) waarin vermeld staat dat "volheid van rechtsmacht", luidens de memorie van toelichting (Wetsontwerp tot hervorming van de Raad van State en tot oprichting van een Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, Memorie van toelichting, Parl. St. Kamer 2005-2006, nr. 2479/001, 95) betekent dat de Raad het geschil, in zijn geheel, aan een nieuw onderzoek onderwerpt en als administratieve rechter, in laatste aanleg, uitspraak doet over de grond van het geschil, waarbij hij de bevoegdheid heeft tot hervorming of tot bevestiging van de door de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen genomen beslissingen ongeacht het motief waarop de Commissaris-generaal de bestreden beslissing heeft gesteund. In het kader van de uitoefening van deze volle rechtsmacht heeft de Raad een annulatiebevoegdheid met terugwijzing en dit op twee limitatief bepaalde gronden (art. 39/2, § 1, tweede lid, 2, Vreemdelingenwet), met name indien aan de bestreden beslissing een substantiële onregelma- tigheid kleeft die door de Raad niet kan worden hersteld, of als er essentiële elementen ontbreken die inhouden dat de Raad niet kan komen tot een bevestiging of hervorming zonder aanvullende onderzoeksmaatregelen hiertoe te moeten bevelen. Het feit dat de Raad bij een vastgestelde substantiële onregelmatigheid of het ontbreken van essentiële elementen waardoor hij zijn volle rechtsmacht niet kan uitoefenen, de bestreden beslissing vernietigt en terugstuurt naar de Commissaris-generaal en niet zelf een beslissing in de plaats stelt, doet volgens verweerder geenszins afbreuk aan de eis van "volle rechtsmacht". (zie ook R.v.St., nr. 160.759 van 29 juni 2006 ; R.v.St., nr. 160.761 van 29 juni 2006 ; R.v.St., nr. 160.760 van 29 juni 2006) Verder betwist verweerder met klem verzoekers stelling dat de principes van artikel 6.van het E.V.R.M. thans direct van toepassing zijn. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen doet immers noch over burgerlijke rechten noch over de gegrondheid van een strafvervolging uitspraak. Hij is er door de wet mee belast na te gaan of de betrokkene beantwoordt aan de definitie van vluchteling zoals bepaald in voornoemd Vluchtelingenverdrag. In dit verband wenst verweerder ook te verwijzen naar rechtspraak van de Raad van State die stelt dat artikel 6 E.V.R.M. niet van toepassing is op geschillen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf en de verwijdering van vreemdelingen. Dit onderdeel van het middel is dan ook niet ontvankelijk. (R.v.St., 13 maart 2007, nr. 181.070 en R.v.St., 6 juni 2007, nr. 182.901). - Verzoeker betwist de motivering van de bestreden beslissing. Verzoeker werpt op dat het louter citeren van de repliek van het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en Staatlozen op de argumentatie van verzoeker zoals gesteld in zijn verzoekschrift en mondeling uiteengezet tijdens de zitting in alle redelijkheid niet volstaat. Verweerder antwoordt dat de bestreden beslissing een duidelijke weergave bevat van de in acht genomen feiten en de gemaakte overwegingen om te besluiten dat de door verzoeker aangebrachte feiten die aan de grondslag liggen van zijn asielrelaas ongeloofwaardig zijn. Verweerder verwijst naar de omstandige en duidelijke motivering terzake in de bestreden beslissing. Verweerder benadrukt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen haar beslissing dan ook naar behoren gemotiveerd heeft. Waar verzoeker verwijst naar de bewijsregels die gevolgd dienen te worden in de context van de Conventie van Genève en naar een nota van het UINIHCR genaamd "Note on Burden and Standard of Proof in Refugee Claims", antwoordt verweerder dat de bewijslast in beginsel XIV-29.789-12/17 berust bij de kandidaat-vluchteling die in de mate van het mogelijke elementen dient aan te brengen ter staving van zijn relaas; dat hij bij het ontbreken van dergelijke elementen een aannemelijke verklaring dient te geven; dat het voordeel van de twijfel slechts kan worden verleend indien alle elementen werden onderzocht en men overtuigd is van de geloofwaardig- heid van de afgelegde verklaringen (UNHCR, Guide des procédures et critères á appliquer pour déterminer le statut de réfugié, Genève, 1992, 54) (VBV, nr. 05-5689/W 11958 van 9 oktober 2006). In casu oordeelde de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen op goede gronden dat de door verzoeker aangebrachte feiten die aan de grondslag liggen van zijn asielrelaas ongeloofwaardig zijn. Volledigheidshalve benadrukt verweerder dat de bestreden beslissing moet worden gelezen als geheel en niet als van elkaar losstaande zinnen. Het is het geheel van de in de bestreden beslissing opgesomde motieven die de Raad voor Vreemdelingenbetwisting- en hebben doen besluiten tot de ongeloofwaardigheid van verzoekers asielrelaas. Waar verzoeker kritiek geeft op de verschillende onderdelen van de motivering in de bestreden beslissing, waaronder kritiek op de antwoorddocumenten van Cedoca, antwoordt verweerder dat in de bestreden beslissing de middelen van verzoeker uitgebreid worden weergegeven, waarna deze telkens, steunend op het administratief dossier, worden weerlegd zodat wordt besloten tot de weigering van de vluchtelingenstatus en de subsidiaire bescher- mingsstatus aan verzoeker. Verweerder beklemtoont dat de door verzoeker gegeven inhoudelijke kritiek op de motivering niet gelijkstaat met een gebrekkige motivering of de schending van de rechten van de verdediging of van het recht op een eerlijk proces. Dat het tweede middel, zoals door verzoeker geadstrueerd, in wezen neerkomt op een verzoek om de asielaanvraag opnieuw te onderzoeken, dat de Raad van State als administratieve cassatierech- ter enkel de wettigheid van het hem voorgelegde arrest van de Raad voor Vreemdelingenbe- twistingen mag nagaan ; dat luidens artikel 14 § 2 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State de afdeling bestuursrechtspraak in geval van cassatieberoep niet in de beoordeling van de zaak zelf treedt (06-12984, Pakistan, R.v.St. nr. 1032 van 27 juli 2007). Verweerder benadrukt dat de Raad van State, als administratieve cassatierechter, zich niet in de plaats mag stellen van de feitenrechter, in casu de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, wanneer deze haar eigen beoordelingsbevoegdheid uitoefent (R.v.St. nr. 45.632, 4.1.94, R.A.C.E. 1994, z.p.; R.v.St. nr. 47.325, 6.5.94, R.A.C.E. 1994, z.p.; R.v.St. nr. 49.801, 21.10.94, R.A.C.E. 1994, z.p.; R.v.St. nr. 50.272,18.11.94, R.A.C.E. 1994, z.p.). Aangezien de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen soeverein oordeelt over de geloofwaardigheid van verzoekers asielrelaas, komt het aan haar toe om in laatste aanleg te beslissen of er met betrekking tot verzoeker aanwijzingen zijn om te besluiten tot het bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie. Het is niet aan de Raad van State om zich in de plaats te stellen van de feitenrechter bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van verzoekers asielrelaas. De Raad kan enkel over de rechtmatigheid van de hem voorgelegde uitspraak oordelen, doch het komt de Raad niet toe deze beoordeling over te doen en zelf een onderzoek in te stellen naar de juiste toedracht van de zaak. Aangaande het artikel van het ISNA en het artikel van BBC Persian.corn die verzoeker thans in bijlage bij zijn verzoekschrift voegt en die zouden moeten aantonen dat er wel degelijk een manifestatie op 08.03.2005 zou hebben plaatsgevonden, wenst verweerder te benadrukken dat verzoeker deze twee artikels nooit eerder heeft neergelegd. Verweerder beklemtoont dat bewijsstukken die voor het eerst voor de Raad van State worden neergelegd, niet dienstig kunnen worden aangevoerd omdat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen op het tijdstip waarop de bestreden beslissing werd genomen geen kennis had van voornoemde stukken. Ook verzoekesters stelling dat hij ondertussen heeft vernomen dat verschillende leden van haar familie en schoonfamilie werden opgepakt en gemarteld om informatie los te krijgen over verzoeker en zijn echtgenote, kan niet dienstig worden aangevoerd aangezien de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen bij het nemen van de bestreden beslissing niet op de hoogte was van bovenvermelde elementen, zodat de Raad er op dat ogenblik ook geen rekening mee kon houden. Volledigheidshalve wenst verweerder er op te wijzen dat deze elementen, namelijk dat verzoeker ondertussen heeft vernomen dat verschillende leden van zijn familie en schoonfami- lie werden opgepakt en gemarteld om informatie los te krijgen over hem en zijn echtgenote, niet verklaart of weerlegt waarom verzoeker niet weet of er in Iran een gerechtelijke procedure tegen hem werd gestart en of hij eventueel reeds werd veroordeeld. XIV-29.789-13/17 Betreffende verzoekesters stelling dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen ingaat tegen de rechten van verdediging door geen rekening te houden met verzoekers verwijzing naar verschillende weblinks aangaande de bijeenkomst op de Universiteit van Teheran op 01.05.2005, antwoordt verweerder dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in de bestreden beslissing duidelijk motiveert waarom er geen rekening wordt gehouden met deze verwijzing. Verzoekster verwees weliswaar naar de vindplaats op internet maar voegde de betreffende stukken niet bij zijn verzoekschrift. De Raad oordeelde dat, gelet op het gegeven dat deze overtuigingsstukken blijkbaar de kern van het bewijs van de grief van verzoeker raken, het de zaak van verzoekster is om erover te waken dat alle, naar zijn mening relevante stukken bij zijn verzoekschrift gevoegd zijn of dat minstens verduidelijkt wordt waarom de stukken niet worden overgelegd. Hij kan het niet aan de Raad overlaten uit te zoeken of de door hem vooropgestelde beoordeling van de feiten steun vindt in stukken die geen deel uitmaken van het dossier (R.v.St., MINAN, nr. 110.112, 10 september 2002). Waar verzoekster stelt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen bijkomende voorwaarden qua bewijs stelt die de wet niet voorziet en dat er geen rekening werd gehouden met de door verzoeker neergelegde attesten, antwoordt verweerder dat deze stelling niet kan weerhouden worden. De Raad merkte in de bestreden beslissing terecht op dat niet vereist wordt dat neergelegde bewijsstukken van een onafhankelijke bron afkomstig moeten zijn, doch dat het wel vanzelfsprekend is dat bewijsmateriaal, opdat er enige bewijswaarde kan aan toegekend worden, afkomstig dient te zijn van een objectieve bron, hetgeen in casu, gezien het gesolliciteerd karakter van de attesten, niet het geval is. Verder merkt verweerder op dat uit de overweging dat het vanzelfsprekend is dat bewijsmateriaal, opdat er enige bewijswaarde kan aan toegekend worden, afkomstig dient te zijn van een objectieve bron, blijkt dat de Raad de voorgelegde stukken heeft onderzocht en in overweging heeft genomen maar tot het besluit kwam dat er, gelet op de in de bestreden beslissing aangehaalde gesolliciteerde karakter van de attesten, geen bewijswaarde aan kan worden toegekend. Deze omschrijving is niet louter een stij1formule maar getuigt er integendeel van dat de Raad wel degelijk rekening hield met deze stukken. Waar verzoekster stelt dat uit de motivering in de bestreden beslissing blijkt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen onwetend is over de situatie in Iraanse situatie, terwijl uit een nota van het UNHCR genaamd "Note on Burden and Standard of Proof in Refugee Claims" blijkt dat degene die de asielaanvraag beoordeelt vertrouwd is met de objectieve situatie in het land van herkomst, antwoordt verweerder dat deze stelling niet kan weerhouden worden. Verzoeksters stelling dat ondergrondse bewegingen als Bazr in aparte cellen werken die los van elkaar opereren en zo weinig mogelijk van elkaars samenstelling en activiteiten op de hoogte zijn en dat hij niet op de hoogte is van een eventuele straf van de gevangengenomen medewerkers aangezien de rechtsgang in Iran niet transparant is, zijn loutere beweringen die verzoekster niet met concrete gegevens staaft. Verweerder beklemtoont tot slot dat het bestreden arrest van de Raad voor Vreemdelingen- betwistingen in een overzicht van de rechtspleging en de weergaven van het asielrelaas de middelen van verzoeker op omstandig gemotiveerde wijze bespreekt. Het arrest wordt gedragen door in feite en in rechte aanvaardbare motieven en is afdoende gemotiveerd. Verweerder meent dat derhalve aan de motiveringsplicht van jurisdictionele beslissingen is voldaan, aangezien de bestreden beslissing duidelijk de redenen vermeldt waarop zij werd gesteund. Ook het tweede middel is niet gegrond.”; 3.3. Overwegende dat de verzoekende partij in de memorie van wederantwoord het volgende toevoegt: “Algemeen rechtsbeginsel van recht van verdediging en het beroep met volle rechtsmacht zoals vastgelegd in de rechtspraak van het Europees Hof van Justitie Schending van de principes van he EU procesrecht Verzoekster stelt dat mocht art. 47 van het Handvest geen rechtstreekse werking hebben het recht op een beroep met volle rechtsmacht en de rechten van verdediging (Schending van de XIV-29.789-14/17 principes van het EU procesrecht) algemene rechtsbeginselen zijn waarop verzoeker zich rechtsreeks op kan beroepen. Verzoekster verwijst naar het zaak 222/86 (Heylens) waarin voormeld principe van de rechten van verdediging bevestigd wordt. AANGEZIEN DE VRIJE TOEGANG TOT HET ARBEIDSPROCES EEN FUNDAMEN- TEEL RECHT IS DAT HET VERDRAG AAN IEDERE WERKNEMER VAN DE GEMEENSCHAP INDIVIDUEEL TOEKENT, IS DE MOGELIJKHEID VAN BEROEP IN RECHTE TEGEN IEDERE BESLISSING VAN EEN NATIONALE INSTANTIE WAARBIJ DE UITOEFENING VAN DAT RECHT WORDT GEWEIGERD, VAN WEZENLIJK BELANG OM DE PARTICULIER EEN DOELTREFFENDE BESCHERMING VAN ZIJN RECHT TE WAARBORGEN . DIT VEREISTE VORMT EEN ALGEMEEN BEGINSEL VAN GEMEENSCHAPSRECHT, DAT VOORTVLOEIT UIT HET CONSTITUTIONELE ERFGOED DAT ALLE LID-STATEN GEMEEN HEBBEN EN DAT EVENEENS IS NEERGELEGD IN DE ARTIKELEN*6 EN*13 VAN HET EUROPEES VERDRAG TOT BESCHERMING VAN DE RECHTEN VAN DE MENS Verzoekster herhaalt de uiteenzetting inzake volle rechtsmacht en stelt dat het recht op een beroep met volle rechtsmacht en de rechten van verdediging een algemeen rechtsbeginsel zijn. Verzoekster meent dat ook dat gelet op het feit dat huidige Vreemdelingenwet de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet toelaat dergelijk onderzoek te voeren de initiële beslissing voorgenoemde artikelen schendt. Dat het beroep bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen hoogstens een beroep tot herziening genoemd kan worden.”; 3.4. Overwegende dat de vraag of de lidstaten dienen “te voorzien in een beroep bij een administratief rechtscollege inzake de materie van de Kwalificatierichtlijn 2004/83” niet dienend is voor de oplossing van het geschil, omdat de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) precies dergelijk beroep bij een administratief rechtscollege, de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, voorziet; dat artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie als dusdanig geen bindende kracht heeft; dat het Europees Hof van Justitie in het arrest van 27 juni 2006 in de zaak C-540/03, waarnaar de verzoekende partij verwijst, uitdrukkelijk stelt dat “het Handvest geen bindend rechtsinstrument is”; dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen naar luid van artikel 39/2, § 1, van de Vreemdelingenwet de beslissingen van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen kan bevestigen, hervormen, vernietigen wegens een substantiële onregelmatigheid, of vernietigen omdat essentiële elementen ontbreken die inhouden dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet kan komen tot de bevestiging of hervorming zonder hiertoe aanvullende onderzoeksmaatregelen te moeten bevelen; dat de artikelen 39/69 en 39/76, § 1, van de Vreemdelingenwet het de partijen bovendien mogelijk maken onder bepaalde voorwaarden “nieuwe gegevens” ter kennis van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen te brengen; dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen tenslotte de beslissing van de commissaris-generaal kan vernietigen en voor een nieuw onderzoek naar de commissaris-generaal terugsturen indien hij van oordeel is dat hij de zaak niet ten gronde kan onderzoeken omdat hij niet beschikt over bepaalde essentiële gegevens en waarvoor het nodig is aanvullende onderzoeksmaatre- XIV-29.789-15/17 gelen te bevelen; dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen derhalve kennis neemt van het geschil in zijn volledigheid en dat het om een beroep met volle rechtsmacht gaat; dat het recht op hoger beroep, anders dan de verzoekende partij in de memorie van wederant- woord voorhoudt, geen algemeen rechtsbeginsel is; dat het recht van verdediging als algemeen beginsel wel in elk geding en voor elk gerecht geldt, doch betrekking heeft op een eerlijk verloop van de procedure en evenmin een algemeen recht op hoger beroep inhoudt; dat heel de uiteenzetting van de verzoekende partij wat dat betreft trouwens aan artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend op 4 november 1950 te Rome, en goedgekeurd bij de wet van 13 mei 1955, wordt gekoppeld, terwijl die bepaling niet van toepassing is op geschillen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat het tweede middel, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond is en dat om de hierboven uiteengezette redenen niet op het verzoek om een prejudiciële vraag te stellen moet worden ingegaan; 4. Overwegende dat er grond is om toepassing te maken van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State; dat het cassatieberoep wordt verworpen, BESLUIT: Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. XIV-29.789-16/17 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertig juni tweeduizend en acht, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, J. CASNEUF, griffier. De griffier, De voorzitter, J. CASNEUF. C. ADAMS. XIV-29.789-17/17 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.184.976 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.