← België

Arrest 184983 - Penitentiair recht - 30/06/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 juni 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.184.983 Rolnummer: A. 188679/IX-5960 Zaak: Arrest 184983 - Penitentiair recht - 30/06/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-07-03 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-06-29 08:20 Fiche Arrest nr 184.983 van 30 juni 2008 Justitie - Penitentiair recht Beslissing : Bevolen Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 184.983 van 30 juni 2008 in de zaak A. 188.679/IX-

  1. In zake : Malki LASSYANE, die woonplaats kiest bij advocaat N. LORENZETTI, kantoor houdende te BRUGGE, Walakker 28 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Justitie. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Malki LASSYANE op 23 juni 2008 heeft ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van de beslissing van 20 juni 2008 van de directeur van de Strafinrichting te Brugge - Mannenafdeling 1 waarbij aan de verzoeker de volgende tuchtsanctie werd opgelegd: 1 maand geen kantine, uitgezonderd hygiënische producten, tabak, beperkte belwaarde (maximum 5 euro per week) en zaken om briefwisseling te voeren (van 21/06/2008 tot en met 20/07/200); Gelet op de beschikking van 24 juni 2008 waarbij aan de verzoeker het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gezien de nota van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 24 juni 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 27 juni 2008, om 11.00 uur; Gehoord het verslag van staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van advocaat N. LORENZETTI, die verschijnt voor de verzoeker, en van attaché K. VAN DRIESSCHE, die verschijnt voor de verwerende partij; IX-5960-1/6 Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur E. HAESBROUCK; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : Feiten
  2. De verzoeker verblijft in het penitentiair complex te Brugge. Op 13 juni 2008 om één uur ‘s nachts neemt een penitentiair beambte een brandgeur waar ter hoogte van de cel nr.
  3. De penitentiair beambte schrijft in zijn rapport aan de directeur dat de verzoeker zich samen met twee celgenoten in de toiletruimte van de cel bevindt, waar ze aan het eten zijn. Gelet op de brandgeur en gelet op de omstandigheid dat de beambte geen brand kon vaststellen en dat de gedetineerden aan het eten waren, besluit de beambte dat de gedetineerden trachten op één of andere wijze etenswaren op te warmen. Op 15 juni 2008 wordt een rapport aan de directeur opgesteld. De gevangenisdirecteur beslist een tuchtprocedure op te starten en de verzoeker wordt op 20 juni 2008 gehoord. Op dezelfde datum wordt de volgende tuchtsanctie uitgesproken: “1 maand geen kantine, uitgezonderd hygiënische producten, tabak, beperkte belwaarde (maximum 5 i per week) en zaken om briefwisseling te voeren (van 21/06/2008 tot en met 20/07/2008).” Onderzoek van de vordering
  4. Overeenkomstig artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoor- IX-5960-2/6 den, en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. 2.
  5. In verband met de eerste voorwaarde, van voornoemd artikel 17, §§ 1 en 2, stelt de Raad van State vast dat de bestreden beslissing dateert van 20 juni 2008, dat ze dezelfde dag aan de verzoeker werd ter kennis gebracht en dat de opgelegde sanctie inging op 21 juni
  6. De verzoeker heeft met een op 23 juni 2008 ter post aangetekend verzoekschrift de voorliggende vordering ingesteld. Uit die gegevens kan worden afgeleid dat de verzoeker zich terecht beroept op de uiterst dringende noodzakelijkheid om de voorliggende vordering in te stellen, en dat hij de vordering ook met de vereiste spoed heeft ingesteld. De verwerende partij betwist trouwens de uiterst dringende noodzakelijk- heid niet. 2.2.
  7. Wat de tweede voorwaarde betreft, roept de verzoeker een tweede middel in, afgeleid uit de schending van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. De motivering van de bestreden beslissing luidt als volgt : “Geen van de drie gedetineerden betrokken in dit incident, geeft de feiten toe. Nochtans heeft de beambte geen enkele reden om ten onrechte een rapport te schrijven. De betrokken gedetineerden geven ook toe nooit eerder met deze beambte in conflict te zijn getreden. Bijgevolg wordt niet getwijfeld aan de inhoud van het rapport. Gelet (op het feit dat) de gedetineerden op een gesloten sectie verblijven, waar geen mogelijkheid is om te koken, valt niet uit te sluiten dat ze inderdaad gepoogd hebben zaken op te warmen in de cel. Een beperking van de kantine is een zeer passende sanctie voor deze inbreuk.” De verzoeker voert vooreerst aan dat de bestreden beslissing steunt op feiten die niet bewezen zijn. In dit verband preciseert de verzoeker dat uit geen enkel objectief gegeven van het dossier blijkt dat de brandgeur gelokaliseerd was in de door hem betrokken cel en hij voegt daaraan toe dat de penitentiair beambte onmogelijk vanuit het winket van de cel kon zien dat de drie gedetineerden aan het eten waren in de toiletruimte, gelet op de plaatsgesteldheid van de cel en de indeling van de ruimten binnen de celoppervlakte, die de raadsvrouw van de verzoeker concreet toelicht op de openbare zitting van 27 juni 2008, zonder IX-5960-3/6 desbetreffend te worden tegengesproken door de vertegenwoordigster van de verwerende partij. Voorts voert de verzoeker een aantal concrete gegevens aan die twijfels doen rijzen betreffende de vaststellingen van de penitentiair beambte in zijn rapport aan de directeur. Het gaat onder meer om de slaapgewoonte van een mede- gedetineerde, de identieke verklaringen die de celgenoten hebben afgelegd, de omstandigheid dat geen alarm werd geslagen door de penitentiair beambte bij het detecteren van de brandgeur en het ontbreken van elk redelijk verband tussen de weergegeven feiten en de bestreden beslissing. 2.2.
  8. Met betrekking tot de feiten die aan de bestreden beslissing ten grondslag liggen, staat het aan de betrokken overheid, te dezen de gevangenisdirec- teur, om de feiten vast te stellen. De Raad van State is enkel bevoegd om na te gaan of die overheid de haar ter zake toegekende appreciatiebevoegdheid naar behoren heeft uitgeoefend, met name of zij naar recht en redelijkheid is kunnen uitgaan van de door haar vastgestelde feitelijke gegevens. Te dezen blijkt uit de argumentatie van de verzoeker betreffende de ten laste gelegde feiten, dat zij op het eerste gezicht niet wordt weerlegd door de gegevens vervat in het administratief dossier en evenmin door de nota van de verwerende partij. Het door de verzoeker gevoerde verweer lijkt te dezen niet van geloofwaardigheid ontbloot. De motieven van de bestreden beslissing moeten dan ook, opdat ze afdoende zouden zijn, duidelijk maken waarom de directeur van de gevangenis meent dat verweer niet te kunnen aannemen. Te dezen is dit op het eerste gezicht niet het geval. In zoverre is het middel dan ook ernstig. 2.
  9. Wat de derde voorwaarde betreft, kan te dezen het door de verzoeker uiteengezette moeilijk te herstellen ernstig nadeel overtuigen.
  10. Bijgevolg is voldaan aan de bij artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing te bevelen. IX-5960-4/6 IX-5960-5/6 OM DIE REDENEN BESLIST DE Wnd. VOORZITTER : Artikel
  11. Bevolen wordt de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de beslissing van 20 juni 2008 van de directeur van de Strafinrichting te Brugge - Mannenafdeling 1 waarbij aan Malki LASSYANE de volgende tuchtsanctie wordt opgelegd: 1 maand geen kantine, uitgezonderd hygiënische producten, tabak, beperkte belwaarde (maximum 5 euro per week) en zaken om briefwisseling te voeren (van 21/06/2008 tot en met 20/07/200). Artikel
  12. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 30 juni 2008, door : de HH. D. MOONS, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. D. MOONS. IX-5960-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.184.983 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.187.568 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.