← België

Arrest 185071 - Varia (ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu) - 02/07/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 02 juli 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:A

§ 3

van het bodemsaneringsdecreet en dat de eigenaar en/of gebruiker bijgevolg verplicht is om in te gaan op de aanmaning tot het uitvoeren van een beschrijvend bodemonderzoek, ongegrond wordt verklaard en de beroepen beslissing wordt bevestigd; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur P. PROVOOST; VII-21.725-1/10 Gelet op de beschikking van 5 december 2006 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de laatste memorie van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 20 februari 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 20 maart 2008; Gehoord het verslag van kamervoorzitter L. HELLIN; Gehoord de opmerkingen van advocaat T. GERNAEY die, loco advocaat J. BOUCKAERT verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat L. SCHOUKENS die loco advocaat M. BALLON verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het andersluidend advies van auditeur P. PROVOOST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;

  1. De feiten Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  2. Op 20 januari 1998 wijst de Vlaamse regering de gronden met volgende kadastrale gegevens : Antwerpen, negende afdeling, gemeentenummer 11809, sectie I, perceelnummer 2821/02 H aan als historisch verontreinigde grond waar bodemsanering moet plaatsvinden. Het betreft een terrein in de Antwerpse haven, deel uitmakend van de "Petroleuminrichtingen Antwerpen - Zuid". 1.
  3. Op 15 december 1998 maant OVAM de verzoekende partij aan om op grond van artikel 31, § 1, van het decreet van 22 februari 1995 betreffende de bodemsanering (hierna : bodemsaneringsdecreet) een beschrijvend bodemonder- zoek uit te voeren. Dit is het tweede bestreden besluit in de zaak A. 84.119/VII- 18.
  4. De verzoekende partij is volgens de gegevens van het kadaster eigenaar van de grond. VII-21.725-2/10 1.
  5. Op 12 januari 1999 laat de verzoekende partij aan OVAM het volgende weten : "Overeenkomstig artikel 31 §2 van het decreet is de NMBS o.i. niet saneringsplichtig voor het voornoemde terrein. 1/: De NMBS heeft deze verontreiniging niet veroorzaakt. Uit het bodemsane- ringsonderzoek blijkt duidelijk dat de vastgestelde verontreiniging veroorzaakt werd door de exploitatie van de petroleuminstellingen (op- en overslag van petroleumproducten). De NMBS is nooit exploitant van deze inrichting geweest. De activiteiten van de NMBS beperkten zich tot het aan- en afvoeren van treinwagons. 2/: Op het ogenblik waarop wij eigenaar of gebruiker werden van het terrein kon er geen sprake zijn van een gekende verontreiniging. Uit het bij het bodemonderzoek gevoegde historisch onderzoek blijkt dat de petroleuminstellingen in dienst werden genomen tussen 1909 en
  6. De sporen werden gelijktijdig aangelegd omdat anders geen aan- en afvoer mogelijk was. Men kan dus stellen dat de start van de spoorwegexploitatie telkens samen viel met de start van de aanleg en de exploitatie van de inrichting. Op het ogenblik van het in gebruik nemen van de spoorinstellingen door de NMBS konden wij dus niet op de hoogte zijn van een verontreiniging omdat we redelijker wijze mogen aannemen dat op dat ogenblik de bodem niet verontreinigd was". 1.
  7. Op 12 maart 1999 verwerpt OVAM het beroep van de verzoeken- de partij op artikel 31, § 2, van het bodemsaneringsdecreet als volgt : "Overwegende dat een beroep op de exoneratiegrond van artikel 31 ,§2 van het bodemsaneringsdecreet enkel mogelijk is voor verontreiniging die reeds aanwezig was op het ogenblik dat men eigenaar werd van de grond; dat immers de eigenaar op het ogenblik dat hij eigenaar werd van de grond vanzelfsprekend niet op de hoogte kon zijn, a fortiori niet op de hoogte behoorde te zijn, van de verontreiniging die pas tot stand is gekomen nadat hij eigenaar werd van de betreffende grond; dat uit de oriënterende bodemonderzoeken waarvan hiervoor sprake blijkt dat de hogervermelde grond is aangetast door een historische bodemverontreiniging in de zin van artikel 2, 5/ van het bodemsaneringsde- creet; dat uit het verslag van de oriënterende bodemonderzoeken blijkt dat het grondwater verontreinigd is met fenantreen en chryseen; dat de eigenaar in zijn standpunt stelt dat hij de verontreiniging niet heeft veroorzaakt; dat naar zijn eigen zeggen, uit het bodemsaneringsonderzoek duidelijk blijkt dat de vastgestelde verontreiniging veroorzaakt werd door de exploitatie van de petroleuminstellingen (op- en overslag van petroleumproducten); dat de eigenaar nooit exploitant van deze inrichting is geweest; dat zijn activiteiten zich beperkten tot het aan- en afvoeren van treinwagons; dat uit het bij het bodemonderzoek gevoegde historisch onderzoek blijkt dat de petroleuminstel- lingen in dienst werden genomen tussen 1909 en 1957; dat de sporen gelijktij- dig werden aangelegd omdat anders geen aan- en afvoer mogelijk was; dat men dus kan stellen dat de start van de spoorwegexploitatie telkens samen viel met de start van de aanleg en de exploitatie van de inrichting; dat de eigenaar ten slotte stelt dat op het ogenblik van het in gebruik nemen van de spoorinstellin- gen door de NMBS hij niet op de hoogte kon zijn van de verontreiniging omdat hij redelijkerwijze mag aannemen dat op dat ogenblik de bodem niet verontrei- nigd was; dat de eigenaar dus zelf aantoont dat de verontreiniging nog niet aanwezig was op het ogenblik dat hij eigenaar/gebruiker werd van de grond; dat VII-21.725-3/10 de eigenaar zich bijgevolg niet kan beroepen op artikel 31, §2 van het bodemsaneringsdecreet; dat geen enkel element in het administratief dossier bij de OVAM deze conclusie lijkt te ontkrachten; Op basis van de voorafgaande overwegingen besluit de OVAM dat de eigenaar niet aantoont dat hij zich kan beroepen op artikel 31, §2 van het bodemsaneringsdecreet. De eigenaar is bijgevolg verplicht om in te gaan op de eerder vermelde aanmaning tot het uitvoeren van een beschrijvend bodemonderzoek. Binnen de zestig dagen na ontvangst ervan kan tegen dit besluit bij verzoekschrift een vordering tot nietigverklaring of een vordering tot schorsing worden ingediend bij de Raad van State. (...)". Dit is het eerste bestreden besluit in de zaak A. 84.119/VII- 18.
  8. 1.
  9. In een brief van 2 april 1999 schrijft de verzoekende partij aan OVAM wat volgt : "Met uw brief van 12.03.1999 bevestigde U ons onze saneringsplicht met betrekking tot dit perceel. Bij nader onderzoek blijken wij geen eigenaar van het verontreinigde gedeelte van het kadastraal perceel 2821/02H (of 2821h/2). Een overeenkomst tussen de Belgische Staat en de stad Antwerpen van 30.01.1939 regelde de eigenaarsgrenzen. In de mutatiebundel van 1954 van het kadaster werd deze regeling foutief geacteerd. De diensten van de stad Antwerpen bevestigen deze stelling. In bijlage de oorspronkelijke overeenkomst, het bijhorende plan en het schrijven van onze bedrijfseenheid Patrimonium aan het kadaster. Gelet op artikel 10 van het bodemsaneringsdecreet zijn wij noch exploitant, noch eigenaar van de terreinen waarop de verontreiniging tot stand kwam. Vermits de grond waarop U ons op 15.12.1998 aanmaande tot het uitvoeren van een beschrijvend bodemonderzoek op een vergissing beruste verzoeken wij U, ten einde een vordering bij de Raad van State te vermijden, uw beslissing te herzien". Er volgen nog telefonische contacten en verdere briefwisseling, zonder het door de verzoekende partij gewenste resultaat. 1.
  10. Op 13 mei 1999 dient de verzoekende partij een annulatieberoep bij de Raad van State in (zaak A. 84.119/VII-18.430). 1.
  11. Op 16 december 1999 betekent OVAM het eerste bestreden besluit in de zaak A. 84.119/VII-18.430 (zie pt. 1.4.) opnieuw aan de verzoekende partij, om deze de kans te geven alsnog een administratief beroep in te dienen. 1.
  12. Op 12 januari 2000 dient de verzoekende partij een administratief beroep in "tegen een beslissing van (...) OVAM, dd. 12 maart 1999, waarbij de VII-21.725-4/10 aanmaning tot het uitvoeren van een beschrijvend bodemonderzoek op grond van art. 31 (§) 1 van het bodemsaneringsdecreet van 15 december 1998 wordt bevestigd, en dit met toepassing van artikel 23 van het bodemsaneringsdecreet van 22 februari 1995". De verzoekende partij argumenteert als volgt : "De bestreden besluiten van 15 december 1998 en van 12 maart 1999 gaan er ten onrechte van uit dat de NMBS eigenares zou zijn van het onderzochte deel van het kadastraal perceel 2821/02 H. De NMBS weerlegt deze bewering van OVAM door een eigendomsattest, opgesteld door de stad Antwerpen, Ontwikkelingsbedrijf Patrimonium dd. 6 mei
  13. In dit eigendomsattest bevestigt de Stad Antwerpen dat de gronden gelegen te Antwerpen-Kiel, op het kadaster gekend onder 9/Afdeling sectie I nr. 2821/2-G en deel van nr. 2821/2-H, zijnde een deel van de Mazoutweg langs de loten 14, 15 en 16, alsook een oude spoorbundel tussen loten 14 en 15, dewelke momenteel op het kadaster foutief ingeschreven staan op naam van de NMBS, aan haar toebehoren in volle eigendom. Zodoende berusten de bestreden besluiten op onjuiste feitelijke gegevens en motieven en schenden o.a. art. 10, 30 en 31 van het bodemsaneringsdecreet. Op basis van voormelde artikelen van het bodemsaneringsdecreet kunnen immers enkel de exploitant, eigenaar of een andere persoon die voor eigen rekening de feitelijke controle over deze grond heeft, onder bepaalde voorwaar- den worden verplicht over te gaan tot het uitvoeren van de bodemsanering en van andere maatregelen ter behandeling van de bodemverontreiniging. Om voorgaande redenen vordert verzoekende partij het door haar bij huidig verzoekschrift ingestelde beroep tegen de bestreden beslissing van OVAM dd. 12 maart 1999 ontvankelijk en gegrond te verklaren en dienvolgens deze beslissing te vernietigen". 1.
  14. Op 13 april 2000 wordt het bestreden besluit genomen. Het beroep wordt ongegrond verklaard en de beroepen beslissing van OVAM van 12 maart 1999 wordt bevestigd, op grond van volgende motivering : "Overwegende dat de Openbare Afvalstoffenmaatschappij dd. 25 maart 1998 een bodemattest afleverde aan de eigenaar en/of gebruiker N.M.B.S., Rastruc- tuur/Afdeling 30.44 Sectie 54, Frankrijkstraat 85 te 1060 BRUSSEL, aangaande gronden met kadastrale gegevens, Afdeling 11809, ANTWERPEN 9e Afdeling, Sectie I perceelnummer 2821/02 H. Dit kadastraal perceel is opgenomen in het register van verontreinigde gronden. De behandeling van de ernst van de verontreiniging is gebaseerd op het oriënterend bodemonderzoek "Bodemsane- ringsonderzoek Petroleuminrichtingen Antwerpen-Zuid: Eindverslag", uitgevoerd door de Bodemkundige Dienst van België VZW, op 1 februari
  15. Hieruit blijkt dat er ernstige aanwijzingen zijn dat er een historische bodemver- ontreiniging voorkomt die een ernstige bedreiging vormt; Overwegende dat de Openbare Afvalstoffenmaatschappij via het schrijven van 15 december 1998 en aangetekend verzonden op 16 december 1998, de N.M.B.S., zijnde eigenaar en/of gebruiker, aanmaande om een beschrijvend bodemonderzoek uit te voeren; dat indien de eigenaar en/of gebruiker meende te voldoen aan artikel 31, §

§3

van het bodemsaneringsdecreet, hij dit binnen de dertig dagen moest kenbaar maken aan de Openbare Afvalstoffen- maatschappij overeenkomstig artikel 31, §3bis van het bodemsaneringsdecreet; VII-21.725-5/10 Overwegende dat via het schrijven van 12 januari 1999, de N.M.B.S. aan de Openbare Afvalstoffenmaatschappij meldde dat : '- overeenkomstig artikel 31, §2 van het decreet is de N.M.B.S., niet saneringsplichtig voor het voorheen genoemde terrein. - de N.M.B.S. heeft deze verontreiniging niet veroorzaakt. Uit het bodemsaneringsonderzoek blijkt duidelijk dat de vastgestelde veront- reiniging veroorzaakt werd door de exploitatie van de petroleuminstel- lingen (op- en overslag van petroleumproducten tussen1909 en 1957). De activiteiten van de N.M.B.S. beperkten zich tot het aan- en afvoeren van treinwagons (de start van de spoorwegexploitatie viel telkens samen met de start van de aanleg en de exploitatie van de inrichting). - op het ogenblik waarop wij eigenaar of gebruiker werden van het terrein kon er geen sprake zijn van een gekende verontreiniging'. Overwegende dat de Openbare Afvalstoffenmaatschappij via het aangete- kend schrijven van 12 maart 1999 'Juridische uitspraak in verband met artikel 31 van het bodemsaneringsdecreet' aan de N.M.B.S. meedeelde dat : '- de eigenaar (de N.M.B.S.) bij schrijven van 12 januari 1999 aan de Openbare Afvalstoffenmaatschappij meedeelde dat hij zich beroept op artikel 31, §2 van het bodemsaneringsdecreet; dat dit schrijven moet beschouwd worden als een standpunt zoals hiervoor bedoeld; - de eigenaar door zijn eigen gevoerde motivering zelf aantoont dat de verontreiniging nog niet aanwezig was op het ogenblik dat hij eigenaar/gebruiker werd van de grond; dat de eigenaar zich bijgevolg niet kan beroepen op artikel 31, §2 van het bodemsaneringsdecreet; - de eigenaar bijgevolg verplicht is om in te gaan op de eerder vermelde aanmaning tot het uitvoeren van een beschrijvend onderzoek'. Overwegende dat de N.M.B.S. via het schrijven van 2 april 1999 en aangetekend verzonden op 6 april 1999 en het schrijven van 5 mei 1999, de Openbare Afvalstoffenmaatschappij meedeelde dat : '- bij nader onderzoek blijken wij geen eigenaar van het verontreinigde gedeelte van het kadastraal perceel 2821/02H (of 2821h/2). Een overeenkomst tussen de Belgische Staat en de stad Antwerpen van 30 januari 1939 regelde de eigenaarsgrenzen. In de mutatiebundel van 1954 van het kadaster werd deze regeling foutief geacteerd. De diensten van de stad Antwerpen bevestigen deze stelling (schrijven dd. 7 mei 1999). Gelet op artikel 10 van het bodemsaneringsdecreet zijn wij noch exploitant, noch eigenaar van de terreinen waarop de verontreiniging tot stand kwam'. '- gelieve tevens te noteren dat uw uitspraak met betrekking tot de verontreinigingsgraad van het perceel 2821/02 gebaseerd is op analyseresultaten van monsters genomen op de naburige percelen. Het perceel 2821/02 omvat alleen de smalle stroken rondom de percelen 2903 (lot 14), 2834/5 (lot 15) en 2834/2 (lot 16). Een afzonderlijk beschrijvend bodemonderzoek van alleen dit perceel lijkt ons derhalve praktisch weinig zinvol en onbillijk'. Overwegende dat artikel 31 van het bodemsaneringsdecreet het volgende zegt : '§

  1. Indien gronden met historische bodemverontreiniging overeenk- omstig artikel 30 aan bodemsanering worden onderworpen, maant de Openbare Afvalstoffenmaatschappij de persoon, aangewezen overeenkomstig artikel 10, §1 aan om de bodemsanering uit te voeren. De aangewezen persoon voert de bodemsanering uit op eigen kosten. VII-21.725-6/10 §
  2. De in §1 bedoelde persoon is niet verplicht tot bodemsanering over te gaan indien hij het bewijs levert dat hij aan de hieronder bepaalde voorwaarden cumulatief voldoet: - dat hij de verontreiniging niet zelf heeft veroorzaakt; - dat hij op het ogenblik waarop hij eigenaar of gebruiker werd van de grond niet op de hoogte was of behoorde te zijn van de veront- reiniging. §
  3. De in §1 bedoelde persoon die, hoewel hij van de verontreiniging op de hoogte was of behoorde te zijn, vóór 1 januari 1993 histo- risch verontreinigde gronden verworven heeft, is evenmin verplicht tot bodemsanering over te gaan indien hij kan aantonen dat hij de verontreiniging niet heeft veroorzaakt en dat hij de gronden sinds de verwerving niet heeft gebruikt voor zijn beroep of bedrijf. §3bis. De in §1 bedoelde persoon deelt met een aangetekend schrijven zijn gemotiveerd standpunt hieromtrent, op straffe van verval, binnen dertig dagen na ontvangst van de aanmaning aan de Openbare Afvalstoffenmaatschappij mee. §
  4. Wie de exploitatie van de op de grond gevestigde inrichting of activiteit bedoeld in artikel 10, §1, a) van dit decreet overnam, of de eigendom of de feitelijke controle over de grond als bedoeld in artikel 10, §1, b) verwierf van een verbonden onderneming die op de hoogte was of behoorde te zijn van de verontreiniging, wordt geacht op de hoogte geweest te zijn van de verontreiniging'. Overwegende dat in het oriënterend bodemonderzoek 'Bodemsaneringson- derzoek Petroleuminrichtingen Antwerpen-Zuid' uitgevoerd door de Bodemdes- kundige Dienst van België VZW, door de deskundige vermeld wordt dat de bodemverontreiniging met aardolieproducten niet enkel het gevolg is van opslag, maar ook van het transport, de laadpunten en de overslag van deze producten afkomstig is; Overwegende dat de beroeper, de N.M.B.S., via het schrijven van 2 april 1999 en aangetekend verzonden op 6 april 1999 aan de Openbare Afvalstoffenmaatschappij meedeelde, dat zij enkel gebruiker waren van een gedeelte van het betrokken terrein; Overwegende dat slechts na het verstrijken van de termijn voorzien in artikel 31, §3bis van het decreet van 22 februari 1995, betreffende de bodemsa- nering gewijzigd bij decreet van 22 december 1995 en 26 mei 1998, waarbin- nen de grieven van de beroeper dienden te worden kenbaar gemaakt, heeft beroeper aan de Openbare Afvalstoffenmaatschappij gemeld geen eigenaar te zijn van het litigieus terrein (schrijven dd. 2 april 1999). Beroeper heeft echter binnen deze termijn gemeld wel eigenaar/gebruiker te zijn van het terrein; Overwegende dat uit het bovenvermeld oriënterend onderzoek blijkt dat de activiteiten van opslag en overslag van aardolieproducten in dienst werden genomen circa 1909; Overwegende dat in het schrijven dd. 12 januari 1999 aan de Openbare Afvalstoffenmaatschappij door de N.M.B.S. gesteld wordt dat de sporen gelijktijdig aangelegd werden, omdat anders geen aan- en afvoer mogelijk was; Overwegende dat in het schrijven dd. 2 april 1999 van de N.M.B.S. aan de Openbare Afvalstoffenmaatschappij gesteld wordt dat: 'De overeenkomst tussen de Belgische Staat en de stad Antwerpen van 30 januari 1939 regelde de eigenaarsgrenzen'; Overwegende dat de N.M.B.S. in haar brief van 12 januari 2000 een aantal beweringen doet, maar deze beweringen onvoldoende met stukken staaft; Overwegende dat de beroeper, de N.M.B.S., niet voldoet aan de voorwaar- den van artikel 31, §

§3

; VII-21.725-7/10 Overwegende dat er bijgevolg aanleiding toe bestaat het beroep ongegrond te verklaren en de bestreden beslissing bij te treden"; VII-21.725-8/10

  1. De gegrondheid Overwegende dat het werkelijke voorwerp van de onderhavige betwisting de basisbeslissing is die vervat is in de bestreden beslissing, waardoor de verzoekende partij overeenkomstig artikel 2, 18/quater, en artikel 10, § 1, van het bodemsaneringsdecreet als saneringsplichtige wordt aangewezen; dat die bepalingen de grondslag vormen waarop de saneringsregeling, georganiseerd in het bodemsane- ringsdecreet, steunt; dat de verzoekende partij, na grondig onderzoek van een document "Overeenkomsten A, B, C en D, 30 januari 1939 afgesloten tusschen den Belgischen Staat en de Stad Antwerpen", aantoont dat zij geen eigenaar is van het perceel waarvoor zij als saneringsplichtige wordt aangewezen; dat de vergissing omtrent het eigendomsrecht zich klaarblijkelijk heeft voorgedaan in de mutatiebun- del van 1954 van het kadaster; dat de stad Antwerpen met een "Eigendomsattest" van 6 mei 1999 attesteert dat de "gronden gelegen te Antwerpen-Kiel op het kadaster gekend onder 9e Afdeling sectie I nr. 2821/2-G en deel van nr. 2821/2-H, zijnde een deel van de bedding van de Mazoutweg langs de loten 14, 15 en 16, alsook een oude spoorbundel tussen loten 14 en 15 (...) dewelke momenteel op het kadaster foutief ingeschreven staan op naam van de N.M.B.S., in werkelijkheid toebehoren aan het Stadsbestuur van Antwerpen in volle eigendom (...)"; dat het perceel nooit heeft toebehoord aan de verzoekende partij; dat de verwerende partij zulks niet betwist, evenmin het feitelijk gegeven dat de verzoekende partij geen exploitant is geweest of controle over het perceel heeft gehad; dat het bijgevolg in dezen niet gaat over een betwisting aangaande het eigendomsrecht; dat weliswaar de genoemde foutieve inschrijving in het kadaster zeer laat aan het licht kwam, zodat het de verwerende partij niet ten kwade kan worden geduid dat zij met een brief van 15 december 1998 de verzoekende partij aanmaande om een beschrijvend bodemonderzoek uit te voeren en vervolgens op 12 maart 1999 weigerde aan de verzoekende partij het voordeel van artikel 31, § 2, van het bodemsaneringsdecreet toe te kennen; dat niettemin die twee beslissingen steunen op een fout waardoor een persoon als saneringsplichtige wordt aangewezen, terwijl hij zulks overeenkomstig artikel 2, 18/quater, en artikel 10, § 1, van het bodemsaneringsdecreet nooit kon zijn; dat de rechtszekerheid gebiedt dat beslissingen die steunen op dergelijke, kennelijk foutieve premissen hoe dan ook uit het rechtsverkeer verdwijnen; dat, gelet op wat voorafgaat, ook de beslissing die uitspraak doet over het beroep ingesteld tegen de beslissing van 12 maart 1999 steunt op kennelijk foutieve premissen en uit het rechtsverkeer dient te verdwijnen; dat in de mate dat een schending van artikel 10, § 1, van het bodemsaneringsdecreet wordt aangevoerd, het middel dan ook wordt aangenomen, VII-21.725-9/10 BESLUIT: Artikel
  2. Vernietigd wordt het besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw van 13 april 2000 waarbij het beroep ingesteld tegen de beslissing van de Openbare Afvalstoffenmaatschappij voor het Vlaamse Gewest (OVAM) van 12 maart 1999, houdende beslissing dat de overdrager, de NMBS HOLDING, niet aantoont dat hij voldoet aan de voorwaarden van artikel 31, §

§ 3

van het bodemsaneringsdecreet en dat de eigenaar en/of gebruiker bijgevolg verplicht is om in te gaan op de aanmaning tot het uitvoeren van een beschrijvend bodemonderzoek, ongegrond wordt verklaard en de beroepen beslissing wordt bevestigd. Artikel

  1. Dit arrest zal worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit. Artikel
  2. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twee juli tweeduizend en acht, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. L. HELLIN, kamervoorzitter, E. BREWAEYS, staatsraad, P. LEFRANC, staatsraad, Mevr. E. IMPENS, griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. L. HELLIN. VII-21.725-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.185.071 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.