← België

Arrest 185073 - Milieuvergunningen - 02/07/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 02 juli 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.185.073 Rolnummer: A. 95491/VII-22800 Zaak: Arrest 185073 - Milieuvergunningen - 02/07/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-07-29 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-06-29 08:21 Fiche Arrest nr 185.073 van 2 juli 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Afstand van geding Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 185.073 van 2 juli 2008 in de zaak A. 95.491/VII-22.

  1. In zake : Josephus BOLS, die woonplaats kiest bij advocaat H. SEBREGHTS, kantoor houdende te ANTWERPEN, Mechelsesteenweg 27 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat H. LANGE, kantoor houdende te ANTWERPEN, Schermersstraat
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Josephus BOLS op 11 september 2000 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw van 8 juli 2000 waarbij zijn beroep ingesteld tegen de beslissing van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen van 1 juli 1993, houdende het gedeeltelijk verlenen van de vergunning aan verzoeker om een varkensbedrijf te Ravels, Kijkverdriet 7, uit te breiden, ongegrond wordt verklaard en de beroepen beslissing wordt bevestigd; Gelet op het arrest nr. 94.218 van 22 maart 2001 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen; Gelet op het arrest nr. 166.211 van 21 december 2006 waarbij de debatten worden heropend, een prejudiciële vraag aan het Arbitragehof wordt gesteld en het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat wordt belast met het aanvullend onderzoek van de zaak na ontvangst van de uitspraak van het Arbitragehof; Gezien het arrest van het Grondwettelijk Hof nr. 139/2007 van 14 november 2007; VII-22.800-1/3 Gezien het aanvullend verslag opgemaakt door eerste auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan verzoeker op 18 december 2007; Gelet op de kennisgeving aan verzoeker, op grond van artikel 14quater van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, dat de kamer de afstand van geding zal uitspreken, tenzij verzoeker binnen een termijn van vijftien dagen vraagt om te worden gehoord; Gezien het aangetekend schrijven van verzoeker van 12 maart 2008, waarbij hij vraagt om te worden gehoord; Gelet op de beschikking van 22 mei 2008 houdende oproeping van de partijen om te verschijnen op 19 juni 2008; Gehoord het verslag van kamervoorzitter L. HELLIN; Gehoord de opmerkingen van advocaat H. SEBREGHTS die verschijnt voor verzoeker, en van advocaat J. PEETERS die, loco advocaat H. LANGE verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelings- hoofd M. LEFEVER; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat in het aanvullend auditoraatsverslag de verwerping van het beroep wordt voorgesteld; dat de hoofdgriffier bij de kennisge- ving van dat auditoraatsverslag aan verzoeker melding heeft gemaakt van artikel 21, zesde lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, en van artikel 14quater van voornoemd besluit van de Regent; VII-22.800-2/3 Overwegende dat verzoeker binnen de termijn van dertig dagen, gesteld in voornoemd artikel 21, zesde lid, geen rechtsgeldig verzoek tot voortzetting van de procedure heeft ingediend, daar het verzoek tot voortzetting niet bij ter post aangetekende brief werd verzonden, zodat deze geen vaste datum heeft verkregen; dat krachtens die wetsbepaling te zijnen aanzien een vermoeden van afstand van het geding geldt; dat te dezen het wettelijk vermoeden van afstand van het geding onverkort moet worden toegepast, BESLUIT: Artikel
  3. De afstand van het geding wordt vastgesteld. Artikel
  4. De kosten van de vordering tot schorsing, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van verzoeker. De kosten van het annulatieberoep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van verzoeker. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twee juli tweeduizend en acht, door : de H. L. HELLIN, kamervoorzitter, Mevr. E. IMPENS, griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. L. HELLIN. VII-22.800-3/3 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.185.073 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2001:ARR.94.218 ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.166.211 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.