id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 03 juli 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.185.143 Rolnummer: A. 127406/XII-3667 Zaak: Arrest 185143 - Examens (onderwijs) - 03/07/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-07-17 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-06-29 08:21 Fiche Arrest nr 185.143 van 3 juli 2008 Onderwijs en cultuur - Examens (onderwijs) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 185.143 van 3 juli 2008 in de zaak A. 127.406/XII-
- In zake : Florence HOFMANS, die woonplaats kiest bij advocaat I. Martens, kantoor houdende te Gent, Gustaaf Callierlaan 291 tegen : de VZW SINT-BAVOHUMANIORA, die woonplaats kiest bij advocaat B. Staelens, kantoor houdende te Brugge, Canadesen Hof, Bevrijdingslaan 4, bus
- ----------------------------------------------------------------------------------------------------- -- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Florence Hofmans, vertegen- woordigd door haar ouders Frans Hofmans en Geneviève Danhieux maar thans meerderjarig, op 30 september 2002 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 9 september 2002 van de delibererende klassenraad van het vijfde leerjaar Latijn-Moderne talen van de Sint-Bavohumaniora te Gent, “houdende toekenning van een C-attest aan Florence Hofmans en tevens van de weigering haar een A-attest te verlenen”; Gelet op het arrest nr. 111.088 van 8 oktober 2002 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit en de vordering tot het bevelen van voorlopige maatregelen worden verworpen; Gezien het verzoek van de verzoekende partij tot voortzetting van de procedure; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur B. Weekers; XII-3667-1\19 Gelet op de mededeling van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 7 maart 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 22 april 2008; Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; Gehoord de opmerkingen van advocaat I. Martens, die verschijnt voor verzoeker, en van advocaat B. Staelens, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur B. Weeckers; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, OVERWEEGT WAT VOLGT : De gegevens van de zaak
- Verzoekster is tijdens het schooljaar 2001-2002 leerling in het vijfde jaar ASO, Latijn-Moderne talen van de Sint-Bavohumaniora te Gent. Op 26 juni 2002 blijkt dat verzoekster drie tekorten heeft, voor fysica, chemie en wiskunde. De delibererende klassenraad komt tot volgende bevindingen en beslissing : “Bevindingen van de delibererende klassenraad : - Florence is vrij zwak en overschat zichzelf. Florence heeft weinig inzicht en studeert te weinig. Florence heeft 't ook moeilijker met grotere delen leerstof (5% meer op DW in vgl. met ex). Zij zit 'aan haar plafond'. - Chemie : zeer zwak, geen inzicht en mist de basis voor volgend schooljaar - Fysica : Florence werkt te weinig. Voor de kleinere overhoringen DW gaat het nog maar eens de hoeveelheid leerstof groter wordt en meer inzichtelijke en verbandsvragen gesteld worden, heeft Florence het moeilijk. - Wiskunde : tekort over de hele lijn zowel 1/ als 2/ semester. Bovendien waren zowel huistaken als remediëringstaken vaak niet in orde en kwam Florence zelden naar de bijles. Florence kent haar leerstof niet en heeft geen inzicht in de leerstof. Ze mist de basis voor volgend schooljaar. XII-3667-2\19 Beslissing : De klassenraad stelt de beslissing uit. De klassenraad wil bijkomende informatie. Als Florence zich nu goed inzet, is ze dan in staat om de basisdoelen te bereiken op het vlak van kennis en inzicht in wiskunde om met succes een 6de jaar aan te vatten. Om Florence alle kansen tot slagen te geven, beperkt de klassenraad zich tot de bijkomende proef voor het vak wiskunde alleen”. Verzoekster kiest tussen de twee voorgestelde data voor de uitgestelde proef en legt deze proef af op 11 juli
- Zij behaalt 25/
- De delibererende klassenraad beslist op 12 juli 2002 aan verzoekster een oriënteringsattest C toe te kennen. Overleg tussen de ouders van verzoekster en de directie leidt er toe dat de directie de argumenten van de ouders wil voorleggen aan de delibererende klassenraad. Op 14 augustus 2002 beslist de delibererende klassenraad andermaal aan verzoekster een C-attest toe te kennen. Op 15 augustus 2002 laten de ouders van verzoekster hun bezwaren kennen aan de beroepscommissie. Deze onderzoekt de zaak op 2 september 2002 en adviseert het schoolbestuur om de delibererende klassenraad opnieuw te doen samenkomen. Op 4 september 2002 volgt het bestuur dit advies. Op 9 september 2002 neemt de delibererende klassenraad de thans bestreden beslissing, die andermaal luidt aan verzoekster het C-attest toe te kennen. Van die beslissing en van het advies van de beroepscommissie worden de ouders met een 10 september 2002 aangetekend schrijven op de hoogte gebracht. XII-3667-3\19 De rechtsmacht van de Raad van State
- Verwerende partij betwistte oorspronkelijk de bevoegdheid van de Raad van State om kennis te nemen van examenbetwistingen in het vrij onderwijs. In haar laatste memorie verklaart zij akkoord te gaan dat de Raad van State “wel degelijk bevoegd is ratione materiae en dat verwerende partij dus afstand doet van de in een periode van jurisprudentiële onduidelijkheid geformuleerde exceptie”. Het ontvankelijk te bestrijden voorwerp van het beroep
- Verwerende partij betwist dat de “weigering [om aan verzoekster] een A-attest te verlenen” wel het voorwerp kan zijn van een beroep tot nietigverklaring. Een onderzoek van deze exceptie zou maar zinvol zijn in het geval ten minste één van de aangevoerde vernietigingsgronden door de Raad van State gegrond zou worden bevonden én die vernietigingsgrond ook op de bestreden weigering betrokken kan worden. Zoals hierna zal blijken, is niet aan deze cumulatieve voorwaarde voldaan. De exceptie behoeft geen nader onderzoek. De gegrondheid van het beroep
- In het inleidend verzoekschrift voert verzoekster vier middelen tot nietigverklaring aan. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
- In het eerste middel voert verzoekster de schending aan van het schoolreglement en van het beginsel “patere legem quam ipse fecisti”. In een eerste onderdeel wordt dit toegelicht als volgt : de delibererende klassenraad kan luidens het schoolreglement ondanks tekorten ook een A-attest met waarschuwing geven, de “eerste beslissing van de klassenraad, zoals meegedeeld aan de ouders van verzoekster in een niet gedateerd schrijven” verwijst enkel naar de uitslag op het herexamen wiskunde en besluit “Daar hieruit blijkt dat zij de leerstof niet voldoende bezit, kan zij bijgevolg niet overgaan naar XII-3667-4\19 een volgende klas”. Dit motief en in het bijzonder de woorden “hieruit” en “bijgevolg” tonen aan dat de delibererende klassenraad enkel en alleen heeft gesteund op de bijkomende proef om een C-attest af te leveren. In een tweede onderdeel van het eerste middel merkt verzoekster op dat het schoolreglement voorschrijft dat de begeleidende klassenraad op geregelde tijdstippen samenkomt, deze bij problemen naar een passende begeleiding zoekt en gebeurlijk een begeleidingsplan afspreekt, eventueel inhaallessen kan adviseren of extra taken opleggen en dat de ouders van dit alles op de hoogte worden gebracht via de schoolagenda of een brief. Zij betoogt dat haar ouders niet op deze wijze werden gewaarschuwd, dat daaruit geredelijk aangenomen mag worden dat de begeleidende klassenraad geen problemen voorzag en dat aldus aan de ouders de mogelijkheid werd ontnomen om tijdig maatregelen te nemen zoals inhaallessen. In de memorie van wederantwoord en de laatste memorie betoogt verzoekster, zonder nog de beide middelonderdelen te onderscheiden, dat het schoolreglement de klassenraad opdraagt rekening te houden met “drie pijlers”, te weten het resultaat van de globale evaluatie, de beslissingen, vaststellingen en adviezen van de begeleidende klassenraad en de mogelijkheden in verband met de studies. Verzoekster stelt nergens in de beslissing van de delibererende klassenraad te lezen dat hij rekening heeft gehouden met de drie voormelde pijlers. Er werd enkel rekening gehouden met de uitslag van een bijkomende proef wiskunde waarbij bovendien de intrinsieke waarde van dit vak in een niet-wiskundige richting geenszins werd afgewogen. Geen rekening werd gehouden met het feit dat nooit door de begeleidende klassenraad enige opmerking werd gemaakt of globale remediëring voorgesteld. Nergens wordt onderzocht of verzoekster in aanmerking kan komen voor een A-attest met waarschuwing. Beoordeling
- In het schorsingsarrest is met betrekking tot het eerste middelonderdeel overwogen : “[...] dat niet ernstig kan worden betoogd dat de klassenraad het school- reglement zou schenden, en bijgevolg het aangevoerde rechtsbeginsel, door op 30 juni 2002 zijn eindbeslissing uit te stellen en aan verzoekster een bijkomende proef voor wiskunde op te leggen nadat hij had vastgesteld dat zij tekorten had voor dit vak en voor twee andere vakken; dat voorts de XII-3667-5\19 kritiek die verzoekster formuleert in dit middelonderdeel uitsluitend uitgaat van en gegrond is in haar lezing van ‘de eerste beslissing’ van de delibererende klassenraad; dat uit de stukken van het administratief dossier blijkt dat verzoekster hiermee bedoelt de brief waarmee haar kennis gegeven wordt van de beslissing van de delibererende klassenraad van 12 juli 2002; dat vooreerst uit het dossier blijkt dat die kennisgeving niet overeenstemt met de motivering opgenomen in de beslissing van 12 juli 2002 zelf (‘Florence haalt een onvoldoende voor fysica, chemie en wiskunde. Bovendien mist Florence voor deze vakken de basiskennis om met redelijk succes het 6/ jaar aan te vatten’), hetgeen dus zou kunnen wijzen op een onvolkomenheid in de kennisgeving, maar daarom niet in de motieven zelf van de beslissing; dat hoe dan ook de beslissing van de delibererende klassenraad van 12 juli 2002 is vervangen, ingevolge de beroepsprocedure, door de thans bestreden beslissing van 9 september 2002; dat een loutere verwijzing naar de uitslag voor het herexamen wiskunde en de gewraakte formulering (‘hieruit’/‘bijgevolg’) in die beslissing niet terugkeren; dat verzoekster overigens haar grieven tegen de op 9 september 2002 gebezigde motieven verwoordt in het tweede onderdeel van het tweede middel van het inleidend verzoekschrift en in het eerste onderdeel van dit tweede middel zelf op de korrel neemt dat na de interne beroepsprocedure ‘andere argumenten’ zijn aangehaald ter motivering van de bestreden beslissing; dat het voor het eerste onderdeel van het eerste middel gehanteerde uitgangspunt van verzoekster faalt”. In haar latere memories citeert verzoekster andere onderdelen uit het schoolreglement, die zij betrekt op de “drie pijlers” waar de delibererende klassenraad volgens haar rekening mee diende te houden. Zij geeft aldus een nieuwe, niet ontvankelijke invulling aan het eerste middelonderdeel die overigens veeleer bij het tweede middel aan bod zal komen. Hoe dan ook blijft zij het uitgangspunt gestand dat de klassenraad haar enkel een C-attest zou hebben toegekend wegens het falen op de bijkomende proef wiskunde en zonder globale beoordeling. Het volstaat daar tegenover vast te stellen, wat reeds in het schorsingsarrest is vastgesteld, dat de eindbeslissing eveneens refereert aan de tekorten chemie en fysica. Daar kan nog aan worden toegevoegd dat zelfs indien aangenomen wordt dat de begeleidende klassenraad tijdens het schooljaar nooit enige opmerking zou hebben gemaakt -of enkel positieve opmerkingen- die vaststelling geen afbreuk kan doen aan de behaalde resultaten, die verzoekster niet in vraag stelt. Met betrekking tot het tweede middelonderdeel overwoog de Raad van State in het schorsingsarrest : “dat daargelaten de vraag of het middelonderdeel in feite juist is -iets wat de verwerende partij blijkbaar tegenspreekt- het in rechte faalt; dat wat ter staving ervan wordt aangewend, mogelijk kan aantonen dat de verwerende partij mede aansprakelijk is voor verzoeksters minder gunstig resultaat, maar XII-3667-6\19 prima facie niet vermag aan te tonen dat dit resultaat ten onrechte als minder gunstig werd beschouwd; dat, immers, één zaak is of een examinanda bewezen heeft de van haar verlangde kennis en kunde te bezitten, een andere, als zij die kennis en kunde niet blijkt te bezitten, wie daarvoor de schuld draagt; dat deze laatste diegene kan zijn die haar op het examen heeft voorbereid door bij die voorbereiding in gebreke te blijven; dat te dezen zulks vooralsnog betekent dat, indien verzoekster de verwerende partij terecht verwijt geen opmerkingen in de loop van het schooljaar te hebben gemaakt en geen remediëringen te hebben voorgesteld, dat op zijn hoogst kan betekenen dat de verwerende partij schuld of mede schuld draagt aan het minder gunstige eindresultaat van verzoekster, maar niet dat dat resultaat gunstiger wordt”. In de latere memories werkt verzoekster haar kritiek op de beslissing van de delibererende klassenraad wel nader uit, maar zij onderneemt geen poging om de in het schorsingsarrest over dit middelonderdeel gemaakte vaststelling te weerleggen. Het middel is in zijn beide onderdelen ongegrond. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
- Verzoekster voert in het tweede middel de schending aan van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurs- handelingen. Zij noemt die wet in een eerste onderdeel van het middel geschonden omdat in het kader van de interne beroepsprocedure allerhande nieuwe elementen en argumenten worden aangehaald die de genomen beslissing zouden motiveren. In een tweede onderdeel van dit middel verwijt zij aan verwerende partij geen globale afweging van de cijfers te hebben gemaakt en geen rekening te hebben gehouden met het voor haar gunstig advies van de beroepscommissie. Zij stelt dat in de nieuwe beslissing geen weerslag is te vinden van de opmerkingen van de beroepscommissie terwijl dit des te meer had moeten gebeuren nu de klassenraad van oordeel was het advies van de beroepscommissie naast zich neer te moeten leggen. De redenen waarom zij meer bepaald de gegeven motieven niet afdoende vindt somt zij als volgt op : XII-3667-7\19 “Deze motivering is niet afdoende : - nog steeds geeft zij niet aan waarom Florence Hofmans niet in aanmerking zou komen voor het toekennen van een A-attest met waarschuwing (de ouders hebben zich bij herhaling bereid verklaard voor een degelijke begeleiding te zorgen); - nog steeds wordt geen rekening gehouden met het globaal resultaat (eveneens rekening houdend met de succesvolle voorgaande jaren); - nog steeds wordt geen afweging gedaan van de zwaarte van het vak wiskunde in een studiejaar dat allerminst wiskunde-gericht is en dit in het licht van het globaal resultaat; - het feit dat de ouders nooit uitdrukkelijk gewaarschuwd werden wordt gebagatelliseerd onder verwijzing naar de cijfers van het rapport, waar deze allerminst wijzen op onoverkomelijke problemen; - de (zeer kleine) tekorten in chemie en fysica kunnen thans niet als ernstige grondslag gelden daar deze zo onbelangrijk waren dat zelfs een bijkomende proef hiertoe niet vereist werd geacht. Integendeel, omtrent deze vakken werd zelfs uitdrukkelijk op het rapport vermeld onder de hoofding 'Opmerkingen' : 'Fysica en chemie goed opvolgen naar volgend jaar toe. Succes met je wiskunde Florence!' Dat daarenboven de plots opduikende bevinding van de klassenraad dat Florence Hofmans niet rijp zou zijn voor het zesde jaar al helemaal ongeloofwaardig is en geen afdoende grondslag kan zijn gezien enerzijds dit aspect reeds lang kenbaar zou zijn gemaakt aan de ouders (quod non) en anderzijds Florence Hofmans reeds door een team van leerkrachten werd uitverkoren om deel te nemen aan een project voor zesdejaars leerlingen, waaruit moet worden afgeleid dat eenieder het erover eens was dat zij zonder enig probleem zou overgaan naar het zesde jaar. De hierboven geciteerde vermelding op het rapport wijst trouwens in dezelfde richting”. In de memorie van wederantwoord noemt verzoekster het zeer opvallend en volkomen ongeloofwaardig dat de delibererende klassenraad, na alle eerder gegeven aanmoedigingen, plots gaat stellen dat het globale resultaat te zwak is. Pas wanneer de ouders de mogelijkheid opperden van een A-attest met waarschuwing, ging de klassenraad de accenten verleggen naar fysica en chemie. Verzoekster herhaalt dat van een globale afweging van alle cijfers en van haar mogelijkheden in verband met verdere studies geen sprake is geweest. Wiskunde is een minder belangrijk vak in de gevolgde richting en de twee andere minieme tekorten kwamen zelfs niet ter sprake. Verzoekster herhaalt dat de motivering van de klassenraad geen afdoende antwoord geeft op het advies van de beroepscommissie. In de laatste memorie weet zij zich gesterkt door het arrest Poupaert, nr. 100.939, van 20 november 2001 dat een beslissing van een klassenraad vernietigt omdat die klassenraad “zich zonder nadere uitleg beperkt heeft tot het XII-3667-8\19 formuleren van de opmerking betrokkene niet in staat te achten”. Ook de enkele motivering van de klassenraad op 9 september 2002 dat verzoekster een onvoldoende behaalt voor fysica, chemie en wiskunde en bovendien voor deze vakken de basiskennis mist om met redelijk succes het zesde jaar aan te vatten, is geenszins afdoende vermits ze geen antwoord geeft op de vraag die door de beroepscommissie werd opengelaten. Nog steeds wordt niet aangegeven waarom verzoekster niet in aanmerking zou komen voor een A-attest met een waarschuwing. Beoordeling 8.
- De door de wet van 29 juli 1991 opgelegde motivering moet in de akte de juridische en feitelijke overwegingen vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen en moet afdoende zijn. 8.
- De bestreden beslissing is genomen ter beëindiging van de procedure die is vastgesteld in de artikelen 64 en volgende van het toentertijd toepasselijke besluit van 13 maart 1991 van de Vlaamse regering betreffende de organisatie van het voltijds secundair onderwijs (hierna ook : het organisatiebesluit). In deze procedure is voorzien voor het geval een beslissing van de delibererende klassenraad wordt betwist, wat te dezen het geval was. Die procedure behelst een intern overleg en vervolgens een bezwaar bij en advies van een beroepscommissie. Vervolgens neemt de delibererende klassenraad, op advies van die beroeps- commissie en na beslissing van het bevoegd gezag van de school, de definitieve en desgevallend in rechte te bestrijden beslissing. Die procedure van overleg en bezwaar binnen de school is zinloos zo ze niet minstens er toe strekt om de klassenraad er toe aan te zetten het gehele dossier van de leerling te herbekijken en daarbij ook rekening te houden met hetgeen tijdens die overleg- en bezwaarprocedure aan het dossier is toegevoegd. De delibererende klassenraad dient zijn oorspronkelijke argumenten bij gelegenheid van die heroverweging dienovereenkomstig te beoordelen. Het resultaat daarvan, zo de klassenraad de grieven van de leerling niet inwilligt, dient niet beperkt te zijn tot het bevestigen van zijn oorspronkelijke argumenten. De delibererende klassenraad vermag ook die argumenten bij te stellen, aan te passen, te verduidelijken, uit te breiden of te vervangen. Veeleer dan het te verbieden, verplicht dan de wet van 29 juli 1991 de delibererende klassenraad die motieven te veruitwendigen in de definitieve beslissing. De vraag is dus niet of de klassenraad nieuwe argumenten aanhaalt, maar XII-3667-9\19 wel of zijn argumenten deugdelijk zijn, met andere woorden of de bestreden beslissing geschraagd is door zowel in feite als in rechte aanvaardbare motieven. 8.
- De in het organisatiebesluit voorgeschreven beroepsprocedure moet er wel in ieder geval op gericht zijn om de klachten en de argumenten van een verzoeker te onderzoeken en verzoekster moet een antwoord op haar klachten vinden, hetzij finaal in de beslissing van de delibererende klassenraad hetzij ten minste in het advies van de beroepscommissie. 8.
- Te dezen zijn de door de ouders van verzoekster geopperde bezwaren door de beroepscommissie onderzocht en, na een uiteenzetting van de retroacten, als volgt beoordeeld : “
- Het functioneren van de klassenraad zoals vermeld in het school- reglement onder 3.
- - Volgens de ouders gaat het aan Florence toegekende oriënteringsattest C in tegen de geest van het schoolreglement en van de school. In het reglement wordt immers uitdrukkelijk gesteld dat de leerling globaal moet worden geëvalueerd en men een oriënteringsattest C krijgt, bijvoorbeeld omdat het globaal resultaat zo zwak is dat men niet mag overgaan naar een volgend leerjaar. Het verwondert de ouders daarom dat het feit dat Florence 25/60 behaalt voor wiskunde, waaruit blijkt dat zij de leerstof voor dat vak niet voldoende bezit, het criterium is voor het geven van het C-attest. Ze betreuren dat de bijkomende proef als een beslissend herexamen werd opgevat en niet als een bijkomende evaluatie, zoals in het schoolreglement gesteld. Opmerking : er werd ook rekening gehouden met de andere tekorten en met de mogelijkheid tot het volgen van het hogere jaar met een redelijk succes. - In het reglement wordt uitdrukkelijk gesteld dat ondanks één of meer tekorten toch een positieve beslissing kan worden genomen en men één jaar tijd krijgt om bij te werken.. Deze opmerking is correct en de vraag is of Florence haar tekorten kan bijwerken in de loop van een hoger studiejaar. - Het is ook terecht dat de ouders opwerpen niet expliciet te zijn gewaar- schuwd voor mogelijke problemen. Maar het is niet juist dat ze niet op de hoogte zouden zijn gebracht van de extralessen en de remediëringsoefeningen. (zie hoger - mededelingen in de klasagenda)
- Het feit dat de evaluatie 25/60 voor wiskunde, hetgeen 3 uren uitmaakt van het leerpakket, als reden wordt opgegeven om een jaar over te zitten in een richting die zeker niet wiskundig is gericht, zonder dat blijkt dat zij voor het overige niet bekwaam is, lijkt de ouders in tegenstrijd met het schoolreglement. Opmerking : we verwijzen hier naar de bevindingen en de motivering van de delibererende klassenraad (sub C. en D.)
- De ouders beweren dat Florence alle extra-lessen heeft gevolgd. We verwijzen hier naar het punt 'bijlessen' sub
- A. De ouders wijzen erop dat in de loop van het tweede semester geen specifieke opmerkingen werden gemaakt nopens het dagelijks werk of over het vak wiskunde. XII-3667-10\19 Het is juist dat er geen expliciete opmerkingen door de vakleerkracht werden gemaakt, tenzij in verband met het niet of laattijdig uitvoeren van taken en in verband met het volgen van extra bijlessen. De ouders menen dat, wanneer er inderdaad een tekort werd vastgesteld, het de geest en de inhoud van het schoolreglement is dat dit inderdaad moet worden bijgeschaafd en ze menen dat een waarschuwing voor wiskunde aangewezen was en Florence de kans mocht gegeven worden om dit tekort volgend jaar bij te werken.
- Ten onrechte menen de ouders dat Florence het slachtoffer is geworden van de organisatie van de school omdat voor wiskunde leerlingen van de zwakste afdeling (wat wiskunde betreft) samen gezet werden in een klas met 34 leerlingen. Het is juist dat van de 34 leerlingen 8 leerlingen een bijkomende proef voor wiskunde hadden, nl. 6 uit de richting ECMT en 2 uit de richting LMT, waaronder Florence. Van die 8 heeft 1 leerling de proef niet afgelegd, 5 zijn geslaagd voor de bijkomende proef, de 2 uit de richting LMT niet. De leerkracht wiskunde beweert dat het lesgeven aan een grote groep niet gemakkelijk was, maar dat ze getracht heeft de lessen zo goed mogelijk uit te leggen aan alle leerlingen -wat het tempo wel vertraagde- rekening houdend met de verscheidenheid in de twee groepen leerlingen. Daarom werden ook zoveel bijlessen gegeven en werden bijkomende proeven toegestaan. Het aantal geslaagden wijst toch in een positieve richting. De leerkracht wiskunde is ook van mening dat Florence zich wel inzet maar toch inzicht en structuur mist en te veel van buiten leert. Ze had evenwel verwacht dat Florence met de bijkomende proef geen problemen zou hebben.
- Het feit van de brief met de selectie voor het project 'Saint Jean d'Angély' kan gezien worden in het licht van een mogelijk slagen van Florence in de bijkomende proef.
- Het is correct te stellen dat men niet de indruk had dat Florence onbe- kwaam was, wel dat ze zich onvoldoende inzette en alles te gemakkelijk opvatte. Dat werd op het oudercontact wel naar voor gebracht, maar blijkbaar niet zo ernstig opgevat omdat er geen uitdrukkelijke waarschuwingen werden gegeven.
- Er is wel degelijk rekening gehouden met het gelijkheidsbeginsel bij de behandeling en de evaluatie van de leerlingen uit hetzelfde jaar. Een gelijkaardig geval als Florence bekwam eveneens een C-attest. Dezelfde criteria werden gehanteerd.
- In verband met de opmerking over de blanco correct vooraf ingevulde proef met verdeling van de punten en de wijze van verbetering van de bijkomende examenproef kunnen we meedelen dat het gevraagde document wel degelijk ter beschikking was op 16 juli, maar niet bij de heer Walgraeve, en dat het in het dossier mee opgenomen is samen met de verbeterde kopij. III. Besluit en advies van de interne beroepscommissie De interne beroepscommissie heeft de zaak onderzocht en heeft de argumenten van partijen gehoord en weerlegd waar nodig. Rekening houdend met het feit dat de ouders terecht opwerpen tijdens het tweede semester niet expliciet te zijn gewaarschuwd voor mogelijke problemen -hoewel dat niet altijd voorspelbaar was, gezien de schommelende resultaten- en dan ook geen maatregelen hebben kunnen nemen om daaraan te verhelpen -tenzij te beperkt in tijd, vlak voor de bijkomende proef, via bijstand van een oud-lerares wiskunde-, rekening houdend met de door de ouders opgenomen verant- woordelijkheid hun dochter specifiek bij te werken en te begeleiden zodat ze het hogere jaar met goed gevolg kan beëindigen-, en rekening houdend met het feit dat Florence reeds ingeschreven is in een school in Wallonië, besluit de XII-3667-11\19 interne beroepscommissie dat het gerechtvaardigd is dat de beslissing van de delibererende klassenraad van 14 augustus 2002 wordt herzien. De interne beroepscommissie adviseert de Inrichtende Macht van de v.z.w. Sint-Bavohumaniora om de delibererende klassenraad opnieuw te doen samenkomen”. De beroepscommissie adviseert de nieuwe samenkomst van de klassenraad uiteindelijk omdat zij rekening wil houden met het feit dat de ouders tijdens het tweede semester niet expliciet of te beperkt in tijd zouden zijn gewaarschuwd voor mogelijke problemen en met de door de ouders opgenomen verantwoordelijkheid verzoekster bij te werken en te begeleiden in het hogere jaar. Het middel stelt in vraag of de delibererende klassenraad op die overwegingen adequaat heeft geantwoord. 8.
- Vooreerst wordt in herinnering gebracht wat hiervoor over de begeleidende klassenraad is overwogen bij het eerste middel. Om de aldaar uiteengezette redenen heeft verzoekster ook geen belang bij het aanvoeren van een gebrek in de formele motivering wat het aspect van de gebrekkige waarschuwing betreft. Overigens stelt de Raad van State vast dat de delibererende klassenraad in de bestreden beslissing wel degelijk een antwoord heeft gegeven op die bezwaren. Het is immers met betrekking tot de waarschuwingen voor mogelijke problemen dat hij antwoordt : “De klassenraad betwijfelt het feit dat de ouders onvoldoende gewaarschuwd zouden zijn in verband met mogelijke problemen met wiskunde. De ouders beamen dat dit gebeurde in de loop van de eerste 2 maanden van het schooljaar. In het tweede semester blijkt uit de cijfers van het rapport -waar naast enkele goede resultaten (8/10, 9/10, 8,5/10) en cijfers met een 'net- voldoende' resultaat (driemaal 5,5/10), Florence ook dikwijls enkele tekorten heeft (2 x 4,5/10, 2 x 4/10) -dat er wel problemen waren gepaard gaand met een schommeling in de resultaten waarvan de ouders via het rapport kennis namen. Bovendien had Florence ook 1 x 2/10 wegens te laat indienen van huistaken en niet maken van verbetering. Hiervoor werd zelfs gedreigd met strafstudie (zie schoolagenda van 24 april -mededeling aan de ouders). Via de school- agenda werden de ouders daarvan ook verwittigd. Twee schriftelijke toetsen (sb's) werden op het einde van het jaar nog niet verbeterd en niet opnieuw ingediend. Het blijkt geen kwade wil te zijn, maar wel een niet ernstig nemen van de studie, wat de klassenraad als een gebrek aan rijpheid beschouwt. De grootte van de klasgroep was inderdaad 34 leerlingen. Daarom gaf de leerkracht op donderdagmiddag ook extra bijles (op vrijwillige basis), zodat elke leerlinge de kans kreeg om eventueel extra uitleg te vragen en oefeningen te maken. Ook hiervan werden de ouders verwittigd op 11 januari 2002 in de schoolagenda (p. 123). De leerkracht heeft in het totaal XII-3667-12\19 twaalf bijlessen gegeven. Florence heeft de bijlessen viermaal gevolgd : op 17 en 24 januari en op 25 april (zie klasagenda p. 205) en op 6 juni (zie klasagenda p. 247)”. 8.
- Voor zover de beroepscommissie besluit dat zij de argumenten van de ouders heeft “weerlegd waar nodig” -en in die grieven dan ook geen reden ziet om de nieuwe samenkomst van de klassenraad te verantwoorden- wijst het feit dat de klassenraad op diezelfde grieven niet meer ingaat er op dat hij zich dat antwoord van de beroepscommissie heeft eigen gemaakt. Die stelling vindt steun in het feit dat verzoekster naast de bestreden beslissing ook in het bezit is gesteld van het advies van de beroepscommissie. Verzoekster heeft er dan geen belang bij om wegens het niet door de klassenraad uitdrukkelijk overnemen van het advies van de beroepscommissie in de eindbeslissing de schending van de formele motiveringsplicht aan te voeren. 8.
- Met betrekking tot de eventuele bijkomende begeleiding in het volgende schooljaar antwoordt de klassenraad : “Precies om geen hypotheek te leggen naar het volgend schooljaar toe heeft de klassenraad het nodig geacht aan de hand van een bijkomende proef, bijkomende informatie in te winnen om tot een gefundeerde beslissing te kunnen komen. Florence had de keuze om de bijkomende proef in juli of in augustus af te leggen. Zij besliste zelf om deze bijkomende proef in juli af te leggen waardoor ze zelf haar voorbereidingstijd zo kort mogelijk maakte. De bijkomende proef was nochtans een haalbare kaart en een tweede kans voor Florence die ze niet heeft benut. Florence behaalt daar 25/60 of 41,6%. Vele vragen kwamen letterlijk uit de huistaken en het vorige proefwerk van juni. Bovendien scoorde Florence evenmin op de theorievragen. Ze hoefde slechts 3 bewijzen uit het hoofd te leren en brengt er niets van terecht. De leerstof die noodzakelijk is om een volgend jaar met redelijk succes aan te vatten, beheerst Florence niet. Bovendien zijn er verschillende tekorten en blijkt dat Florence moeite heeft met verwerking van grotere delen van de leerstof. [...] Om Florence haar toekomst volgend schooljaar (een laatste jaar van de humaniora) niet te hypothekeren en rekening houdend met het feit dat aan Florence alle kansen gegeven werden en ze die niet heeft benut, oordeelt de delibererende klassenraad dat Florence best het jaar overdoet”. 8.
- Vastgesteld wordt dat de delibererende klassenraad onder meer opmerkt dat verzoekster een onvoldoende haalt voor fysica, chemie en wiskunde, dat verzoekster voor deze vakken de basiskennis mist om met redelijk succes het zesde jaar aan te vatten en dat, de klemtoon wel op talen liggend, de gevolgde studierichting niettemin een ASO-richting is waaraan de eindtermen ook eisen stellen inzake wiskunde. De beroepscommissie merkt onder meer op dat ook XII-3667-13\19 rekening werd gehouden met de andere tekorten en met de mogelijkheid tot het volgen van het hogere jaar met een redelijk succes en dat de vraag is of verzoekster haar tekorten kan bijwerken in de loop van een hoger studiejaar. Het advies van de beroepscommissie heeft ook als volgt de bevindingen in herinnering gebracht die de delibererende klassenraad er op 30 juni 2002 toe had gebracht een bijkomende proef voor wiskunde op te leggen : “Florence wordt er vrij zwak bevonden, als zichzelf overschattend, met weinig inzicht en gebrek aan studie en moeite hebbend met de verwerking van grotere delen van de leerstof. Het percentage voor dagelijks werk is hoger dan in het eerste semester. Het examen chemie is zeer zwak en getuigt van gebrek aan inzicht. Florence mist de basiskennis voor een volgend schooljaar. Voor fysica blijkt eveneens weinig werklust en heeft Florence moeite met inzichtelijke en verstandsvragen. Voor wiskunde is er een tekort over de hele lijn, zowel 1ste als 2de semester. Huis- en remediëringstaken zijn vaak niet in orde. Ze komt zelden naar de bijles, heeft gebrek aan kennis van de leerstof, geen inzicht, mist basis voor volgend schooljaar. De klassenraad stelt haar beslissing uit en wenst bijkomende informatie om na te gaan of Florence, indien ze zich goed inzet, in staat is om de basisdoelen te bereiken op het vlak van kennis en inzicht in wiskunde om met succes het 6de jaar aan te vatten Om Florence alle kansen tot slagen te geven, beperkt de klassenraad zich tot de bijkomende proef voor het vak wiskunde alleen”. 8.
- Aangenomen wordt, gelet op al hetgeen voorafgaat, dat aldus een antwoord is gegeven op de vraag waarom verzoekster niet in aanmerking zou komen voor een A-attest met waarschuwing, rekening houdend met het belang van het vak wiskunde in de gekozen studierichting. Ook is verantwoord waarom voor de tekorten voor fysica en chemie geen bijkomende proef werd opgelegd. Voor de beoordeling van het eindresultaat is daarbij niet enkel rekening gehouden met de uitslag van de bijkomende proef voor het vak wiskunde. Voor het oordeel over het aan verzoekster uit te reiken oriënteringsattest is oog gehad voor haar geschiktheid om het volgende schooljaar aan te vatten en om met redelijke kans op succes de kennis en kunde vereist in dat schooljaar te kunnen verwerven. Wat het niet vermelden van de andere behaalde resultaten betreft, kunnen de door de delibererende klassenraad in aanmerking genomen tekorten volstaan als motief om aan verzoekster een C-attest te geven. Die motieven worden niet onregelmatig louter door het feit dat de klassenraad niet formeel de punten van de andere vakken waarvoor verzoekster wel geslaagd is reproduceert in zijn beslissing. Verzoekster betwist niet de behaalde tekorten op zich; het valt haar dan toe aan te geven welke andere concrete gegevens van haar dossier niet of onvoldoende door de klassenraad XII-3667-14\19 in ogenschouw zijn genomen en die een zodanig tegenwicht vormen voor de vastgestelde tekorten, dat zij een anders luidende beslissing mogelijk maken. In dit middel is verzoekster daar niet aan toegekomen. De Raad van State mag zich niet in de plaats van de delibererende klassenraad stellen voor de beoordeling van de examenresultaten en van de geschiktheid van de leerling om het volgende jaar aan te vatten, vermits het alleen aan de delibererende klassenraad staat om die keuze te maken. De delibererende klassenraad beschikt daarbij over een -ruime- discretionaire bevoegdheid. De Raad van State kan verzoekster derhalve niet beschermen tegen strenge beslissingen, alleen tegen onwettige beslissingen. Een strenge beslissing kan door de betrokken leerling allicht als onredelijk of onbillijk ervaren worden. Het is ook niet uitgesloten dat een ándere delibererende klassenraad, op zicht van dezelfde gegevens en op grond van de hem toekomende beoordelingsbevoegdheid, evengoed binnen de grenzen van de wettelijkheid tot een ánder oordeel zou komen. Een beoordeling door de delibererende klassenraad mag door de Raad van State echter enkel voor onwettig worden gehouden indien blijkt dat die beslissing niet gedragen kan worden, in rechte of in feite, door de er voor ingeroepen motieven of indien het om een beslissing gaat waarvan gewoon niet te begrijpen valt hoe ze zelfs binnen die ruim geachte discretionaire bevoegdheid tot stand is kunnen komen : waarvan met andere woorden niet denkbaar is dat enige zorgvuldig handelende klassenraad ze zou kunnen nemen. De Raad neemt te dezen echter aan dat de opgegeven motieven niet worden tegengesproken door de gegevens van het administratief dossier én dat ze kunnen verantwoorden dat aan een leerling een C-attest wordt uitgereikt. De beslissing om een oriënteringsattest C uit te reiken waarbij de bevoegde klassenraad oordeelt dat de leerling niet in staat is het volgend schooljaar met redelijke kans op succes aan te vatten impliceert noodzakelijk dat hij op dezelfde gronden ook oordeelt dat spijts de aangeboden begeleiding door de ouders een A-attest met een waarschuwing niet aangewezen is. De opgegeven motieven zijn afdoende om de bestreden beslissing te schragen. Het middel is ongegrond. Derde middel
- In het derde middel voert verzoekster de schending aan van het inzagerecht van haar examen. XII-3667-15\19 In het tussenarrest wordt overwogen “dat ter terechtzitting blijkt dat verzoekster ondertussen inzage heeft gekregen van haar examen, op 30 septem- ber 2002; dat het middel feitelijke grondslag mist; dat verzoekster weliswaar ter terechtzitting opmerkt dat open blijft, de vraag of het examen correct is verlopen; dat, zo verzoekster daaromtrent concrete grieven kan aanvoeren, vastgesteld moet worden dat zij dit in huidige kort geding procedure niet doet; dat het middel niet ernstig is”. Het bevoegde lid van het auditoraat merkt in zijn verslag over de zaak op dat verzoekster weliswaar volhardt in het middel in haar memorie van wederantwoord, maar dat de bewuste inzage van het examen “klaarblijkelijk geen aanleiding [geeft] tot inhoudelijke bezwaren of opmerkingen bij de ingekeken documenten, hetgeen verslaggever doet besluiten dat verzoek[st]er er geen belang bij heeft om nog langer te volharden in dit middel”. En eerder dan het belang dat zij wel zou hebben bij haar derde middel toe te lichten in haar laatste memorie, die essentieel bedoeld is te repliceren op de vaststellingen en conclusies van het auditoraatsverslag, schrijft verzoekster in dit procedurestuk enkel dat zij “volhardt en hiervoor verwijst naar haar vorige procedurestukken”. Aangenomen wordt dan ook dat verzoekster geen belang bij het middel kan aantonen, reden waarom het verworpen wordt. Vierde middel
- Het vierde middel is in het tussenarrest als volgt weergegeven en voorlopig beoordeeld : “Overwegende dat verzoekster in een vierde middel het gelijkheids- en het redelijkheidsbeginsel geschonden noemt; dat zij toelicht dat een aantal leerlingen van het zesde jaar wel een A-attest zouden hebben gekregen ondanks het feit dat deze leerlingen niet deelnamen aan alle eindexamens en dat zijzelf ook, in de hypothese dat zij het examen wiskunde niet zou hebben meegedaan wegens ‘al dan niet vermeende ziekte, psychologische problemen of andere redenen van afwezigheid’, meer dan waarschijnlijk wel een A-attest zou hebben gekregen; Overwegende dat, los van de vraag of een dergelijk op veronderstellingen gebaseerd middel niet al te vaag is om het in het kader van een procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid als ernstig te kunnen beschouwen, de XII-3667-16\19 verwerende partij prima facie terecht opmerkt dat de situatie van een laatstejaarsleerling met medisch erkende problemen niet vergelijkbaar is met de situatie van verzoekster die geen psychologische, familiale of sociale omstandigheden bij de delibererende klassenraad doet gelden; dat het gelijkheids- en het redelijkheidsbeginsel bijgevolg niet van toepassing lijkt; dat het middel niet ernstig is”. In het auditoraatsverslag wordt daarenboven vastgesteld wat volgt : “Het middel blijft beperkt tot de vergelijking van de situatie van verzoekster, leerling van het vijfde jaar, die van geen psychologische, familiale of sociale omstandigheden blijkt te kunnen laten gelden met de situatie van een laatstejaarsleerling met medisch erkende problemen. Onafgezien de vraag naar het aanwezig zijn van een belang in hoofde van verzoekster en onafgezien de vraag of de voormelde situaties sowieso wél vergelijkbaar zijn, blijft verzoekster in gebreke om voldoende aannemelijk te maken dat de situatie van een laatstejaarsleerling met medisch erkende problemen zich werkelijk heeft voorgedaan (en niet op loutere veronderstellingen berust), waardoor het middel te vaag blijft om te kunnen worden beoordeeld. In dit verband wijst verslaggever erop dat niet eens kan worden afgeleid of verzoeksters situaties beoogt die zich eind juni zouden hebben voorgedaan (in welk geval moet worden vastgesteld dat het middel niet werd ingeroepen tijdens de interne procedure), dan wel of het situaties betreft na bijkomende proeven. In die omstandigheden is het middel niet gegrond”. Ook met betrekking tot dit middel is de repliek van verzoekster in de laatste memorie er toe beperkt te volharden en te verwijzen naar de vorige procedurestukken. Om de redenen uiteengezet in het tussenarrest acht de Raad het middel dat niet ernstig was, thans ook ongegrond. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 350 euro, komen ten laste van verzoekster. XII-3667-17\19 XII-3667-18\19 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op drie juli 2008, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-3667-19\19 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.185.143 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2002:ARR.111.088 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.