id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 03 juli 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.185.145 Rolnummer: A. 147301/XII-4044 Zaak: Arrest 185145 - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan - 03/07/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-07-17 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-29 08:21 Fiche Arrest nr 185.145 van 3 juli 2008 Openbaar ambt - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 185.145 van 3 juli 2008 in de zaak A. 147.301/XII-
- In zake : Koen VANHOUTTE, wonende te Tielt, Willem Pantinlaan 9 tegen : het GEMEENSCHAPSONDERWIJS, vertegenwoordigd door de Scholengroep 27, dat woonplaats kiest bij advocaat M. Stommels, kantoor houdende te Antwerpen, Amerikalei 220, bus
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Koen Vanhoutte op 5 februari 2004 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 16 december 2003 van de raad van bestuur van scholengroep 27 waarbij zijn kandidatuur voor vaste benoeming in het ambt van onderwijzer wordt afgewezen; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door adjunct-auditeur J. Neuts; Gelet op de mededeling van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 7 mei 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 3 juni 2008; Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; Gehoord de opmerkingen van advocaat N. Swartebroeckx, die loco advocaat I. Martens verschijnt voor verzoeker, en van advocaat J. Franssen, die loco advocaat M. Stommels verschijnt voor de verwerende partij; XII-4044-1\13 Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur- afdelingshoofd R. Van Der Gucht; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, OVERWEEGT WAT VOLGT : De gegevens van de zaak 1.
- Sinds september 1998 oefent verzoeker, bij wijze van interimopdrachten, het ambt van onderwijzer uit in verschillende onderwijsinstellingen van het Gemeenschapsonderwijs, voornamelijk te Middelkerke in de scholengroep
- Hij dient zijn kandidatuur in voor een vaste benoeming met ingang van 1 januari 2004 in het wervingsambt nr. 271000007 in de basisschool Centrum van de scholengroep 27, te Oostende. Hij is de enige kandidaat voor dit wervingsambt. 1.
- Voor de beoordeling van de kandidaturen voor mutatie, nieuwe affectatie of vaste benoeming in een wervingsambt per 1 januari 2004, stelt de schoolraad van de basisschool Centrum te Oostende, in uitvoering van een intern reglement van scholengroep 27 waartoe deze basisschool behoort, op 4 november 2003 volgende selectiecommissie samen: Vermeulen, Van Synghel, De Wiest, Ryckaert en “de representatieve delegaties van de vakorganisaties”. Op 24 november 2003 verschijnt verzoeker voor een interview voor de selectiecommissie, waar op dat ogenblik slechts twee van de aanvankelijk aangeduide leden aanwezig zijn, namelijk P. Vermeulen en W. Ryckaert. Van Synghel en De Wiest worden aangeduid als “verontschuldigde leden van de selectiecommissie”; de syndicale vertegenwoordiging is “uitgenodigd doch verhinderd”. De aldus samengestelde commissie formuleert een negatief advies waarvan de inhoud luidt : “Kandidaat heeft te weinig maturiteit om een vaste benoeming te rechtvaardigen. Zijn analysecapaciteit, zijn besluitvaardigheid, zijn mogelijkheid om concrete adviezen te verlenen is ondermaats. Hij kan zich moeilijk inleven in de hem voorgelegde schoolspecifieke probleemstellingen en is derhalve onvoldoende in staat om structurele en pedagogisch verantwoorde oplossingen te geven. XII-4044-2\13 Hem integreren in een goed draaiend schoolteam zou teveel pedagogische begeleiding vereisen vanwege de directie en van het team terwijl het juist de meerwaarde zou moeten zijn van een vast benoemd personeelslid om zijn competentie, zijn capaciteiten en zijn bagage onmiddellijk ter beschikking te stellen van het team, van het pedagogisch project en van de schoolbevolking en van de ouders”. Voor het interview behaalt verzoeker 3,35/15 punten. Voor het dossier zelf behaalt verzoeker 11/25 punten, doch er worden geen punten toegekend voor de rubriek “bijkomende getuigschriften, diploma’s, navorming of bewijzen van kunde (alle relevant voor het ambt)”. Met zijn negatief advies sluit directeur W. Ryckaert zich aan bij de commissie, waarvan hij trouwens deel uitmaakt. 1.
- De adviezen worden op 2 december 2003 overgemaakt aan de raad van bestuur van de scholengroep 27 en op 9 december 2003 beslist die raad van bestuur, met een woordelijk gelijkluidende motivering als de selectiecommissie, om verzoeker af te wijzen voor vaste benoeming. Verzoeker wordt op 10 december 2003 ingelicht dat geen gunstig gevolg werd gegeven aan zijn aanvraag tot vaste benoeming en hij wordt gewezen op de beroepsmogelijkheden. 1.
- Bij brief van 13 december 2003 stelt verzoeker beroep in bij de waarnemend algemeen directeur van de scholengroep, waarbij hij aanvoert : “Ik vind het onbegrijpelijk dat ik als enige kandidaat voor deze betrekking geen gunstig gevolg kreeg en dit op basis van een momentopname tijdens een interview. In de brief van 10 december 2003 verwijst U ‘Bijvermelde reden’. Deze reden is hoegenaamd niet ‘bijvermeld’. Na inzage van mijn dossier bij de algemeen directeur is gebleken ik een half punt meer verdien bij dienstanciënniteit. Op mijn puntenoverzicht kreeg ik ten onrechte geen punten bij onderdeel 1.3 (getuigschriften, navormingen...). Over het interview heb ik mijn grote twijfels. De vragen lagen anders dan verwacht. Ik weet dan wel één en ander over GOK, maar ik ken het decreet niet tot in de puntjes. Met het LOP kwam ik nog niet in aanraking, derhalve kreeg ik nog geen decreet daarover te zien. In het schoolwerkplan was trouwens onvoldoende terug te vinden over deze onderdelen. Het is een feit dat de één het trouwens beter zegt dan de andere. Het is zo dat ik toch één en ander kon antwoorden. Ik was ook zeer verwonderd dat ik maar 0,85 kreeg op 5 voor persoonlijkheid. Ik heb in mijn huidige school toch al één en ander bewezen. XII-4044-3\13 In een omzendbrief van de algemeen directeur i.v.m. vaste benoeming, mutatie of nieuwe affectatie staat bij de rubriek algemene inlichtingen volgend artikel vermeld: ‘Indien er slechts één kandidaat is voor een bepaald ambt, volstaat de melding of de kandidaat aanvaard wordt, dan wel afgewezen wordt. Een interview is in dit geval niet strikt nodig. Bij afwijzing is uiteraard een motivering noodzakelijk.’ Dus daaruit kan afgeleid worden dat ik als leerkracht slecht presteer in mijn huidige school te Middelkerke. En dit klopt dan weer niet met mijn beoordelingen die ik reeds kreeg. Bij mijn weten heb ik steeds goed gefunctioneerd als onderwijzer. Er is nog nooit twijfel geweest over mijn kunnen als onderwijzer. Ook kreeg ik steeds goede beoordelingen. Ik verwijs naar de verslagen van 29 april 1999, 28 maart 2000, 30 maart 2001, 1 maart 2002, 28 maart 2002 en 22 april 2003, zie bijlagen
(10). Tot mijn grote spijt werd daar onvoldoende rekening mee gehouden bij het nemen van de beslissing om mij al dan niet te benoemen. Er werd zelfs al overeengekomen tussen de directeur van mijn huidige school en de directeur van BS Centrum dat er bij benoeming op 1 januari 2004 gebruik zou gemaakt worden van een TAO naar BS Middelkerke. Er was dus geen enkel gevaar dat ik de continuïteit in de school zou verstoren. Graag zou ik het ongunstig voorstel over mijn kandidatuur herbekeken zien, rekening houdend met bovenstaande argumenten”. Bij dit beroepschrift voegt verzoeker een aantal beoordelingsverslagen als bijlage. 1.
- Er wordt een nieuwe puntenfiche opgesteld, waarbij nu wel een quotering wordt toegekend voor de door verzoeker voorgelegde “bijkomende getuigschriften, diploma’s, navorming of bewijzen van kunde (alle relevant voor het ambt)”. Op 16 december 2003 notuleert de raad van bestuur : “De Raad van Bestuur blijft bij zijn beslissing: BS Centrum: de enige kandidaat voor benoeming Koen Vanhoutte wordt gemotiveerd afgewezen”. Dit is de bestreden beslissing. Aan verzoeker wordt op 18 december 2003 nog meegedeeld : “Geachte heer, De Raad van Bestuur van Scholengroep 27 heeft tijdens haar vergadering van 16 december 2003 uw schrijven van 13 december 2003 behandeld. Gelet op volgende items : S de Raad van Bestuur heeft de punten voor dienstanciënniteit opnieuw laten berekenen en heeft vastgesteld dat ze wel degelijk juist zijn: S de Raad van Bestuur heeft uw punten voor nascholing, navorming en bewijzen van kunde aangepast van niet ingevuld tot 0,75 punten. De Raad van Bestuur verontschuldigt zich voor deze vergissing. XII-4044-4\13 S De Raad van Bestuur heeft de verschillende elementen van het interview onderzocht. Ze is van oordeel dat de vragen rond GOK en LOP konden worden verwacht op een interview van een school waar dergelijke items actueel zijn. Zij respecteert derhalve de evaluatie van het interview van de betrokken schoolraad en directie en bekrachtigt daarmee de afwijzing; Derhalve heeft de Raad van Bestuur in haar zitting van 16 december 2003 besloten haar beslissing genomen op 9 december te handhaven. De Raad van Bestuur benadrukt dat de genomen beslissing helemaal niet een hypotheek legt op uw verdere loopbaan in het onderwijs. U hebt gekandideerd voor het ambt van onderwijzer in BS Centrum en enkel voor dit ambt, in die school, in die periode werd u als kandidaat niet voorgedragen voor vaste benoeming. Niets, maar dan ook niets ligt er in de weg om bij een volgende benoemingsronde opnieuw mee te dingen voor een benoeming aan een school in Scholengroep 27 of in een andere Scholengroep. Daarenboven stelt de Raad van Bestuur heel duidelijk dat zijn beslissing niets te maken heeft met een evaluatie van uw loopbaan, laat staan van uw persoon, De Raad van Bestuur benadrukt dat de motivatie die heeft geleid tot de beslissing, genomen is bij consensus en dat alle voor en tegen zijn afgewogen en getoetst aan de voorliggende criteria van deze benoemingsronde. Ten slotte benadrukt de Raad van Bestuur dat de beslissing in geen enkel geval zal worden gebruikt in welke andere beslissing van de Scholengroep ook. We hopen van harte dat we hiermee voor u enkele zaken verduidelijkt hebben. Met de meeste hoogachting”. De procedure
- De memorie van antwoord is ingediend door advocaat M. Stommels als raadsman van verwerende partij. Bij brieven van 16 en 30 januari 2008 meldt een andere advocaat zich als raadsvrouw van verwerende partij en deelt zij mee dat woonplaatskeuze geschiedt op haar kantoor. Op 3 maart 2008 dient zij een laatste memorie in. Op 18 februari 2008 evenwel reeds vroeg de algemeen directeur van de scholengroep aan deze advocaat “niet langer de belangen van SGR27 in deze zaak te behartigen”, welke brief in afschrift aan de Raad van State wordt bezorgd door het Gemeenschapsonderwijs op 6 maart
- In laatstgenoemd schrijven wordt bevestigd dat meester M. Stommels de belangen van de Scholengroep 27 zal behartigen. Beide raadslieden hebben een laatste memorie ingediend. Gelet op de hiervoor geschetste omstandigheden moet de Raad van State vaststellen dat de op 3 maart 2008, niet door meester M. Stommels neergelegde laatste memorie niet uitgaat van een advocaat die op dat ogenblik geacht kon worden de belangen van de verwerende partij te behartigen. Die laatste memorie moet dan ook uit de debatten worden geweerd. Er wordt enkel rekening gehouden met de laatste memorie die is ingediend door meester M. Stommels. XII-4044-5\13 De ontvankelijkheid van het beroep 3.
- In haar memorie van antwoord werpt verwerende partij twee excepties op die tot de onontvankelijkheid van het beroep van verzoeker zouden moeten doen besluiten. Vooreerst stelt zij dat verzoeker in zijn tweede middel, zoals geformuleerd in het inleidend verzoekschrift, er van lijkt uit te gaan dat de beslissing van 16 december 2003 een louter bevestigende beslissing is. Beroepen tegen louter bevestigende beslissingen zijn onontvankelijk. In een tweede exceptie werpt verwerende partij op dat verzoeker in zijn beroepschrift van 13 december 2003 laat verstaan dat het nooit zijn bedoeling was om zijn ambt in de basisschool Centrum te Oostende effectief op te nemen. Verzoeker zou in de huidige procedure zelfs niet aanvoeren dat hij het ambt in die basisschool alsnog wenst op te nemen. Daardoor zou verzoeker geen enkele blijk geven van enig belang. Verwerende partij voegt daar nog aan toe dat de raad van bestuur van de Scholengroep dergelijk uitgangspunt niet kon aanvaarden, wat zou blijken uit de bestreden beslissing. Hierop antwoordt verzoeker dat hij nooit heeft gesteld dat hij niet zijn ambt wenst op te nemen in BS Centrum, dat hij zich juist kandidaat gesteld heeft voor vaste benoeming in die school met het doel in die school benoemd te worden, dat het feit dat hij eventueel bereid zou zijn een tijdelijke andere opdracht te aanvaarden hieraan geen afbreuk doet en dat het doel van een tijdelijk andere opdracht is een bepaalde school uit de nood te helpen. In de laatste memorie herhaalt verwerende partij dat uit de brief van 13 december 2003 afgeleid moet worden dat verzoeker nooit de bedoeling had om zijn ambt in de basisschool Centrum Oostende effectief op te nemen. 3.
- Volgens een eigen reglement van verwerende partij kan na een beslissing van de raad van bestuur van de scholengroep bij die raad van bestuur beroep worden aangetekend. De kennisgeving van de beslissing van de raad van bestuur van 9 december 2003 vermeldt die beroepsmogelijkheid, die een georganiseerd administratief beroep is. Daaruit volgt dat bij de heroverweging waartoe de raad van bestuur door een beroepschrift wordt genoodzaakt, een nieuwe XII-4044-6\13 beslissing wordt genomen, die weliswaar dezelfde inhoud kan hebben als de vorige, maar die toch als een nieuwe beslissing beschouwd moet worden. Het bezwaar van verzoeker tegen de beslissing van 9 december 2003 heeft aanleiding gegeven tot een nieuwe beslissing van de raad van bestuur van 16 december
- Deze laatste is de eindbeslissing en is de enige in rechte aanvechtbare beslissing. De eerste exceptie wordt verworpen. 3.
- Dat verzoeker zijn ambt niet in de basisschool Centrum te Oostende zou wensen op te nemen en dat zulks zou blijken uit zijn beroepschrift van 13 december 2003, berust op een verkeerde lezing van de passage “Er werd zelfs al overeengekomen tussen de directeur van mijn huidige school en de directeur van BS Centrum dat er bij benoeming op 1 januari 2004 gebruik zou gemaakt worden van een TAO naar BS Middelkerke. Er was dus geen enkel gevaar dat ik de continuïteit in de school zou verstoren” uit dat beroepschrift. Verzoeker heeft weerwerk willen bieden op het argument dat hem integreren in een goed draaiend schoolteam teveel pedagogische begeleiding zou vereisen. Daarbij wordt door verwerende partij geenszins aangetoond dat verzoeker zelf om de eventuele toepassing van de tijdelijke andere opdracht zou hebben verzocht. Mede ook gelet op de door verzoeker gegeven verduidelijking kan hem geenszins worden aangewreven dat hij geen belang zou hebben bij de nagestreefde vaste benoeming. Ook de tweede exceptie wordt verworpen. De gegrondheid van het beroep Standpunt van de partijen
- In een eerste middel voert verzoeker de schending van het beginsel patere legem quam ipse fecisti en van de materiële motiveringsplicht aan. Hij zet dat middel in zijn inleidend verzoekschrift als volgt uiteen : “Scholengroep 27 stelt met betrekking tot de procedure inzake benoemingen in punt B dat de selectiecommissie die het interview afneemt, wordt samengesteld via een beslissing van de schoolraad. Bij de criteria vaste benoeming in wervingsambten zoals beslist in Raad van bestuur 6 mei wordt gesteld dat de hoogste en de laagste quotering bij weging worden weggelaten en het gemiddelde wordt gemaakt van de overige quoteringen (bijlage 8). Uit deze 2 bepalingen volgt dat het interview dient afgenomen te worden door minstens 4 personen daar bij weging de hoogste en de laagste quotering dienen XII-4044-7\13 weggelaten te worden en vervolgens het gemiddelde wordt genomen van de overige quoteringen. In casu waren op het interview slechts 2 personen aanwezig, met name Ryckaert Werner (directeur BS Centrum Oostende) en Vermeulen Ph. (voorzitter schoolraad BS Centrum Oostende). Dit is volledig in strijd met de te volgen procedure zodat het interview op een onregelmatige wijze werd afgenomen. Men dient immers de hoogste en laagste score weg te laten en vervolgens het gemiddelde te nemen van de overige quoteringen maar daar er slechts 2 personen gequoteerd hebben, zijn er geen quoteringen meer over om het gemiddelde van te nemen. Bijgevolg werd het interview op een onregelmatige manier afgenomen en in strijd met de eigen opgelegde reglementering zodat het beginsel patere legem quam ipse fecisti geschonden is. Daarnaast is het beginsel van behoorlijk bestuur geschonden daar het niet behoorlijk bestuur kan genoemd worden dat slechts 2 personen het interview afnemen. Eveneens is er een schending van de materiële motiveringsplicht vermits het interview op onregelmatige manier werd afgenomen, de motivering van de bestreden beslissing gebaseerd is op het interview en deze motivering dus eveneens niet deugdelijk is daar het interview zelf op niet deugdelijke manier is gebeurd”. In haar memorie van antwoord ontzegt verwerende partij verzoeker belang bij dit middel. Zij verwijt verzoeker niet aan te voeren dat er extreem hoge of extreem lage scores behaald werden; de regelgeving terzake zou er enkel zijn om dergelijke extreme scores te nuanceren. De puntentoekenning door de twee examinatoren zou in verzoekers geval overeenkomen. Verder stelt verwerende partij dat het procedurereglement er mee rekening houdt dat, wanneer er slechts één kandidaat is voor een bepaald ambt, een interview niet strikt nodig is en dat het interview “aldus” geen onlosmakelijk deel uitmaakt van de beoordeling. Het feit dat er wel een interview heeft plaatsgehad, wijst er volgens verwerende partij op dat “men” verzoeker onvoldoende kende om hem zonder interview te beoordelen en dat “men” de toetsing van het schriftelijk dossier in een persoonlijk gesprek noodzakelijk achtte vooraleer de vaste benoeming toe te wijzen. Verwerende partij betoogt tevens dat op het moment van de uitnodiging van verzoeker voor het interview, niet kon worden ingeschat dat twee van de vier leden van de selectiecommissie zich zouden dienen te verontschuldigen. Er bestaat trouwens geen rechtsplicht om te benoemen, zo gaat verwerende partij verder, zodat, indien de commissie vastgesteld had dat niet alle elementen aanwezig waren om een advies te geven, verzoeker evenmin vast benoemd zou zijn geworden. Het schriftelijk dossier van verzoeker werd volgens verwerende partij ontkracht door de houding van verzoeker tijdens het interview. Niets wijst er volgens haar op dat de vraagstelling van de aanwezige commissieleden zou afwijken van de vragen die een voltallige commissie zou stellen en zij voert aan dat de vragen als opportuun en ter zake werden beschouwd, ook door de raad van bestuur. XII-4044-8\13 Wat de grond van de zaak betreft, beweert verwerende partij dat de beslissing van 16 december 2003 niet alleen op het interview gebaseerd is, maar tevens op het feit dat verzoeker allusie gemaakt zou hebben op het gebruik van een tijdelijke andere opdracht (TAO) naar de basisschool te Middelkerke, wat niet werd geapprecieerd. Het interview is in die optiek dan ook niet de enige grond tot motivering van de genomen beslissing, zo besluit verwerende partij. In haar laatste memorie laat verwerende partij de grond van de zaak onbesproken en reageert zij bijgevolg ook niet meer op het voor haar ongunstige auditoraatsverslag. XII-4044-9\13 Beoordeling 5.
- Via een eigen intern reglement heeft verwerende partij zichzelf opgelegd dat een selectiecommissie, samengesteld door de schoolraad, wordt belast met het afnemen van interviews van de kandidaten voor mutatie, nieuwe affectatie of vaste benoeming en er advies over uit te brengen. Bij beslissing van 4 november 2003 van de schoolraad werd de selectiecommissie die over de in het geding zijnde personeelsbeweging moest beraadslagen en advies verlenen, effectief samengesteld uit vier met name genoemde leden en “de representatieve delegaties van de vakorganisaties”. Uit die beide beslissingen volgt dat de selectiecommissie vier leden telt. Nergens wordt uitdrukkelijk bepaald wat het aanwezigheids- quorum is voor deze commissie om rechtsgeldig te kunnen beraadslagen en advies te verlenen. Zoals de Raad van State reeds heeft geoordeeld, onder meer in zijn arresten Chaou, nr. 53.347 van 18 mei 1995 en Balleux, nr. 178.020 van 18 december 2007, dient bij gebrek aan andersluidende vermelding te worden uitgegaan van de gemeenrechtelijke regel dat een collegiaal orgaan slechts geldig beraadslaagt en besluit als meer dan de helft van de leden ervan aanwezig is. Overigens, de door verzoeker genoemde beslissing van 6 mei 2003 van de raad van bestuur luidens welke bij het quoteren telkenmale de hoogste en de laagste score moeten worden weggelaten, kan ook slechts dan zinvol worden toegepast. 5.
- Het staat vast dat op het interview van 24 november 2003 met verzoeker waren slechts twee commissieleden aanwezig waren. De hoger vermelde regel indachtig, moet worden geoordeeld dat een aldus samengestelde commissie niet rechtsgeldig kon samenkomen, beraadslagen en adviseren. 5.
- Volledigheidshalve stelt de Raad van State vast dat noch het advies van 24 november 2003 van de selectiecommissie, noch enig ander stuk van het administratief dossier en al evenmin de memorie van antwoord, uitgaan van een overmachtsituatie die in voorkomend geval een afwijking van het vereiste quorum XII-4044-10\13 had kunnen verantwoorden. Het volstaat niet, zoals verwerende partij doet, te stellen dat “[o]p het moment van de uitnodiging van verzoeker voor het interview niet [kon] worden voorzien dat twee van de vier aangeduide leden zich zouden dienen te verontschuldigen”. Daarmee is allerminst aangetoond dat hun afwezigheid gerechtvaardigd werd door een geval van werkelijke overmacht. Maar bovendien is daarmee evenmin aangetoond dat het interview niet op een ander tijdstip had kunnen plaatsvinden, nu de timing die verwerende partij zichzelf had opgelegd, er in voorzag dat de interviews zouden worden georganiseerd tussen 17 november en 28 november
- Overigens komt het de Raad van State voor dat een bestuur zich zo moet organiseren dat het op een correcte wijze de door hemzelf opgelegde regels kan (doen) naleven. 5.
- Het is voorts niet ter zake dat verzoeker de enige kandidaat was en een interview derhalve strikt gezien niet nodig was. Verwerende partij heeft verzoeker nu eenmaal wel uitgenodigd voor een interview, het advies van de selectiecommissie is uitsluitend gebaseerd op de resultaten van dat interview en met de motivering van de beslissing van 9 december 2003 verlaat de raad van bestuur zich volledig op dat advies. Verwerende partij geeft trouwens in haar memorie van antwoord aan dat het feit dat er wel een interview heeft plaatsgehad, er dan ook op wijst “dat men verzoeker onvoldoende kende om hem zonder interview te beoordelen en daarnaast dat men de toetsing van het schriftelijk dossier in een persoonlijk gesprek noodzakelijk achtte vooraleer de vaste benoeming toe te wijzen”. De stelling van verwerende partij als zou dat interview niet onlosmakelijk deel uitmaken van de beoordeling, faalt dus. Evenmin relevant is de stelling van verwerende partij dat verzoeker geen belang heeft bij het middel omdat niets erop wijst dat de vraagstelling van de aanwezige commissieleden zou afwijken van de vragen van een voltallige commissie en omdat niet wordt beweerd dat extreem hoge of lage scores zijn gegeven. Immers, indien de vraagstelling dan al niet zou verschillen, mag in elk geval niet a priori worden uitgesloten - wat verwerende partij doet - dat deze commissieleden tot een eigen oordeel komen en op die manier uiteenlopende quoteringen kunnen geven, mogelijk ook in het voordeel van verzoeker. Dat wordt trouwens bevestigd door het eigen reglement van verwerende partij, wanneer het oplegt dat de hoogste en de laagste scores moeten worden weggelaten alvorens een gemiddelde van de door de commissieleden gegeven quoteringen te berekenen. Bovendien kan de stelling van verwerende partij evenzeer omgedraaid worden, XII-4044-11\13 namelijk dat evenmin vaststaat dat de vragen van de voltallige commissie dezelfde zijn als die van de niet rechtsgeldig samengestelde commissie. De stelling van verwerende partij is dus nietszeggend. 5.
- Het paste in de gegeven omstandigheden en in eerste instantie dat de selectiecommissie zou vaststellen dat zij het quorum om rechtsgeldig de haar opgedragen taak te volbrengen, niet had bereikt. Dat heeft zij echter niet gedaan; zij heeft - ten onrechte - gemeend advies te kunnen uitbrengen. De niet rechtsgeldige samenstelling van de selectiecommissie vitieert het door haar uit- gebrachte advies, dat evenmin als rechtsgeldig kan worden bestempeld. De raad van bestuur had zich er niet op kunnen verlaten dat advies in zijn beslissing van 9 december 2003 zonder meer bij te vallen en het woordelijk over te nemen. Het was aan hem om de zaak opnieuw aan de selectiecommissie over te maken met het oog op een nieuw advies, ofwel een eigen onderzoek te voeren omtrent de kandidatuur van verzoeker, dit alles binnen de krijtlijnen van het reglement dat verwerende partij zichzelf heeft gesteld, inzonderheid de bepalingen C.5 en C.6 van het stuk nr. 10 van het administratief dossier. Door in de eindbeslissing van 16 december 2003 tot geen nadere motivering te komen dan “bij zijn beslissing [te blijven]” heeft de raad van bestuur de eerder begane onwettigheid niet kunnen rechtzetten. Verwerende partij kan ook niet worden gevolgd wanneer zij argumenteert dat de bestreden eindbeslissing nog wordt gedragen door een ander motief, namelijk de vermeende wens van verzoeker om een tijdelijk andere opdracht te willen opnemen elders. Nog daargelaten de vraag of dit motief afdoende en deugdelijk zou kunnen zijn, is er in de kernachtig genotuleerde beslissing van de raad van bestuur geen spoor van te vinden en blijkt nergens uit, welke sibillijnse allusie in de navolgende brief van 18 december 2000 dan wel moet refereren aan dergelijk motief, dat dan nog aan de raad van bestuur zelf moet kunnen worden toegeschreven. 5.
- Het middel is gegrond. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : XII-4044-12\13 Artikel
- Vernietigd wordt de beslissing van 16 december 2003 van de raad van bestuur van Scholengroep 27 van het Gemeenschapsonderwijs waarbij de kandidatuur van Koen Vanhoutte voor vaste benoeming in het ambt van onderwijzer wordt afgewezen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op drie juli 2008, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-4044-13\13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.185.145 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div