← België

Arrest 185147 - Varia (fiscaliteit) - 03/07/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 03 juli 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.185.147 Rolnummer: A. 74759/IX-1916 Zaak: Arrest 185147 - Varia (fiscaliteit) - 03/07/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-08-04 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-06-29 08:21 Fiche Arrest nr 185.147 van 3 juli 2008 Fiscaliteit - Varia (fiscaliteit) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 185.147 van 3 juli 2008 in de zaak A. 74.759/IX-

  1. In zake : de BVBA FERIC, die woonplaats kiest bij advocaat M. D’HOORE, kantoor houdende te BRUGGE, Dirk Martensstraat 23 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door :
  2. de minister van Financiën;
  3. de BTW-ontvanger te Brugge. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat de BVBA FERIC op 23 juni 1997 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het verzoek van de BTW- ontvanger te Brugge van 23 april 1997 tot consignatie van een bedrag van 4.805.941 BEF; Gezien de memorie van antwoord van de eerste vertegenwoordi- ger van de verwerende partij en gezien de memorie van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd P. DE WOLF; Gelet op de beschikking van 19 augustus 1999 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 22 april 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 26 mei 2008; Gehoord het verslag van staatsraad D. MOONS; IX-1916-1/4 Gehoord de opmerkingen van inspecteur J. DE VLEESCHOUWER, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van adjunct-auditeur-generaal P. DE WOLF; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT :
  4. De relevante gegevens van de zaak 1.
  5. Naar aanleiding van een BTW-controle die op 9 juni 1992 plaatsvond bij de fiscale raadgever van verzoekende partij, wordt op 8 maart 1993 een proces-verbaal opgesteld waarin gesteld wordt dat de verzoekende partij 1.972.291 BEF aan BTW te verhogen met de geldboeten en interesten, verschuldigd is. 1.
  6. Op 9 maart 1993 wordt een dwangbevel uitgevaardigd door de ontvanger van het BTW-ontvangkantoor te Brugge tot betaling van 3.347.791 BEF verschuldigde BTW en geldboeten alsook van de interesten en de vervolgingskos- ten. 1.
  7. Op 19 maart 1993 tekent de verzoekende partij verzet aan tegen voornoemd dwangbevel. Bij vonnis van 22 april 1996 verklaart de rechtbank van eerste aanleg te Brugge het verzet ontvankelijk, doch ongegrond. 1.
  8. Op 18 juli 1996 tekent de verzoekende partij beroep aan tegen het voornoemd vonnis bij het Hof van Beroep te Gent. 1.
  9. Bij aangetekende brief van 23 april 1997 vraagt de BTW- ontvanger te Brugge aan de verzoekende partij op grond van artikel 92, alinea 2, van het BTW-wetboek, binnen de twee maanden een bedrag van 4.805.941 BEF in consignatie te geven. In die brief wordt onder meer gesteld dat in het verzoekschrift IX-1916-2/4 tot hoger beroep geen nieuwe argumenten aan bod komen die niet reeds in het vonnis werden beantwoord zodat het beroep een dilatoir karakter heeft en dat de rechten van de Schatkist op geen enkele andere manier en in dezelfde mate kunnen worden veilig gesteld dan door toepassing van artikel 92, alinea 2, van het BTW- wetboek. 1.
  10. In een brief van 18 juni 1997 schrijft de raadsman van de verzoekende partij naar de BTW-ontvanger te Brugge dat het voor verzoekende partij onmogelijk is om aan de vraag tot borgstelling te voldoen en vraagt hij of er akkoord gegaan kan worden met de consignatie van een bedrag van 200.000 BEF. Op 24 juni 1997 antwoordt de BTW-ontvanger dat een gedeelte- lijke consignatie voorbijgaat aan de ratio legis van artikel 92, alinea 2, van het BTW-wetboek en dus niet aanvaard wordt. 1.
  11. Bij aangetekende brief van 23 juni 1997 (postdatum) wordt namens de verzoekende partij de nietigverklaring gevorderd van de bovenvermelde beslissing van de BTW-ontvanger te Brugge van 23 april
  12. Dit is de bestreden beslissing.
  13. De bevoegdheid van de Raad van State 2.
  14. In haar memorie van antwoord werpt de verwerende partij als exceptie op goede gronden de onbevoegdheid ratione materiae op van de Raad van State, op basis van de samenlezing van de artikelen 85, 89 alinea 2 en 3, en 92, alinea 2, van het BTW-wetboek. 2.
  15. Voor wat de onbevoegdheid ratione materiae van de Raad betreft wordt onder meer verwezen naar het arrest nr. 63.006 van 7 november 1996, inzake Waelkens tegen de minister van Financiën, waarin de Raad onder meer het volgende overwoog: “dat de Raad van State bijgevolg op gevaar af inbreuk te maken op de bevoegdheid van de hoven en rechtbanken van de rechtelijke orde, geen kennis kan nemen van een vordering tot vernietiging van het voornoemd verzoek tot consignatie; dat, behalve in het geval van een bij de wet gestelde uitzondering die ten dezen niet voorhanden is, de geschillen die betrekking hebben op politieke rechten, waartoe belastingsgeschillen behoren, immers tot de bevoegdheid behoren van de hoven en rechtbanken; dat ten dezen artikel 92, IX-1916-3/4 tweede lid, van het BTW-wetboek, verre van aan de Raad van State enige bevoegdheid toe te kennen, impliciet maar zeker zulke bevoegdheid uitsluit; dat voorts geen andere personen partij zijn in het geschil dan de belastingschuldi- gen; dat de Raad van State bijgevolg kennelijk niet bevoegd is om kennis te nemen van het beroep”. 2.
  16. Bijgevolg is de exceptie gegrond en is de Raad van State ratione materiae onbevoegd om van het annulatieberoep kennis te nemen. OM DIE REDENEN BESLIST DE Wnd. VOORZITTER : Artikel
  17. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  18. De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 3 juli 2008, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. MOONS, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. D. MOONS. IX-1916-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.185.147 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.