id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 07 juli 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.185.190 Rolnummer: A. 185739/X-13507 Zaak: Arrest 185190 - Onteigeningen - 07/07/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-07-14 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-06-29 08:22 Fiche Arrest nr 185.190 van 7 juli 2008 Overheidsopdrachten en openbare werken - Onteigeningen Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 185.190 van 7 juli 2008 in de zaak A. 185.739/X-13.507. In zake : Maria VANLUCHENE, die woonplaats kiest bij advocaat C. GYSEN, kantoor houdende te 2800 MECHELEN, Antwerpsesteenweg 16-18 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat T. DE SUTTER, kantoor houdende te 9000 GENT, Koning Albertlaan 128. tussenkomende partij : de Intercommunale Ontwikkelingsmaatschappij voor de Kempen (IOK), die woonplaats kiest bij advocaten J. BOUCKAERT en T. GERNAEY, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, Loksumstraat 25. DE Wnd. VOORZITTER VAN DE Xe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Maria VANLUCHENE op 5 november 2007 heeft ingediend, en waarin zij de schorsing van de tenuitvoerlegging vordert van het besluit van 1 augustus 2007 van de Vlaamse minister van Binnenlands Bestuur, Stedenbeleid, Wonen en Inburgering waarbij voor de verwerving van onroerende goederen gelegen te Beerse machtiging tot onteigening wordt verleend met toepassing van de spoedprocedure aan de dienstverlenende vereniging IOK met het oog op de realisatie van het onteigeningsplan “Gemengd Regionaal bedrijventerrein Beerse-Zuid”; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd F. DE BUEL; X-13.507-1/8 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 20 december 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 1 februari 2008; Gehoord het verslag van staatsraad J. BOVIN; Gehoord de opmerkingen van advocaat G. LAENEN, die loco advocaat C. GYSEN verschijnt voor de verzoekster, van advocaat W. LAMMENS, die loco advocaat T. DE SUTTER verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat T. GERNAEY, die verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur- afdelingshoofd F. DE BUEL; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT : 1. Rechtspleging. Met een verzoekschrift van 27 november 2007 heeft de Intercommunale Ontwikkelingsmaatschappij voor de Kempen (IOK) gevraagd om in het geding te mogen tussenkomen. Er is grond om het verzoek in te willigen. 2. De feiten 2.1. Verzoekster is mede-eigenares van gronden, gelegen te Beerse, kadastraal gekend sectie D, nrs. 176/g19, 176/h19, 176/p18 en 176/r18. 2.2. Blijkens het besluit van de Vlaamse regering van 4 juni 2004 houdende definitieve vaststelling van het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan afbakening regionaal stedelijk gebied Turnhout, komen voormelde percelen te liggen in een “gemengd regionaal bedrijventerrein I Beerse-Zuid “(art. 3.1). Tegen dit besluit blijkt de verzoekster geen annulatieberoep te hebben ingesteld. X-13.507-2/8 2.3. Zowel bij de voorlopige goedkeuring op 19 april 2005 van het “onteigeningsplan Beerse-Zuid”, als bij de definitieve goedkeuring van het voornoemd onteigeningsplan op 15 november 2005, verwijst de Intercommunale Ontwikkelingsmaatschappij voor de Kempen (IOK) naar voormeld besluit van de Vlaamse regering en naar het feit dat “onderdeel van het GRUP de inrichting (
- is)van een nieuw bedrijventerrein te Beerse ‘Beerse-Zuid” en dat “de IOK werd aangeduid als ontwikkelaar”. 2.4. Bij het bestreden besluit van 1 augustus 2007 verleent de Vlaamse minister van Binnenlands Bestuur, Stedenbeleid, Wonen en Inburgering, met het oog op de realisatie van het onteigeningsplan “Gemengd Regionaal bedrijventerrein Beerse-Zuid”, aan de dienstverlenende vereniging IOK de machtiging tot onteigening van onroerende goederen, gelegen te Beerse, met toepassing van de spoedprocedure. Blijkens het bij dit besluit horend onteigeningplan zijn voormelde kadastrale percelen waarvan de verzoekster mede-eigenares is, begrepen in die onteigeningsmachtiging (de innemingen 22, 23, 35 en 36 volgens de onteigeningstabel). 2.5. Dit besluit werd bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 13 september 2007. 2.6. Verzoekster houdt voor, daarin niet tegengesproken door de verwerende en tussenkomende partij, van meergenoemd besluit kennis te hebben gekregen op 4 september 2007. 3. Ontvankelijkheid Zowel de verwerende partij als de tussenkomende partij betwisten de ontvankelijkheid van de vordering. Er bestaat vooralsnog geen noodzaak om over de opgeworpen excepties uitspraak te doen. Een onderzoek van en een uitspraak over deze excepties zou zich slechts opdringen indien zou komen vast te staan dat de grondvoorwaarden voor het toewijzen van de vordering vervuld zijn, wat, zoals hierna zal blijken, te dezen niet het geval is. X-13.507-3/8 4. De grondvoorwaarden tot schorsing 4.1. Krachtens artikel 17, § 2 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. Luidens artikel 17, § 3 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State dient de vordering tot schorsing een uiteenzetting van de middelen en de feiten te bevatten die volgens de indiener ervan het bevelen van de schorsing rechtvaardigen. Artikel 8, eerste lid, 3/ van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State, bepaalt dat de vordering tot schorsing dient te bevatten “een uiteenzetting van de feiten die van aard zijn aan te tonen dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte de verzoekende partij een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen, waarbij alle stukken worden gevoegd die het risico op dergelijk nadeel aantonen”. Uit deze bepaling volgt dat de verzoekende partijen in hun verzoekschrift duidelijk en concreet dienen aan te geven waarin precies het moeilijk te herstellen ernstig nadeel is gelegen dat zij ingevolge de onmiddellijke tenuitvoerlegging van het bestreden besluit ondergaan of dreigen te ondergaan, en dat met nadien bijgebrachte feiten en verklaringen en niet bij het verzoekschrift gevoegde stukken geen rekening kan worden gehouden. De verzoekende partijen mogen zich in hun uiteenzetting niet beperken tot vaagheden en algemeenheden, maar dienen integendeel zeer concrete en precieze gegevens aan te brengen waaruit blijkt dat zij persoonlijk een moeilijk te herstellen ernstig nadeel ondergaan of dreigen te ondergaan. 4.2. Over het moeilijk te herstellen ernstig nadeel 4.2.1. De verzoekster zet het moeilijk te herstellen ernstig nadeel in het verzoekschrift uiteen als volgt: “1.- Artikel 17, §2, eerste lid, R.v.St.-wet bepaalt dat de schorsing van de tenuitvoerlegging alleen kan worden bevolen als ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of het aangevochten reglement kunnen verantwoorden en op voorwaarde dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de akte of het reglement een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. X-13.507-4/8 Het bestaan of voorhanden zijn van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel dient als een grondvoorwaarde te worden opgevat (...). Deze in artikel 17, §2, eerste lid, R.v.St.-wet gestelde voorwaarde van het risico van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel maakt een onderscheiden voorwaarde uit om tot de schorsing van de tenuitvoerlegging te besluiten. 2.- Uit artikel 17, §2, eerste lid, R.v.St.-wet en uit artikel 8, tweede lid, 5/, PRKG volgt dat een verzoekende partij in haar verzoekschrift tot schorsing in concreto, moet aantonen dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of reglement haar een moeilijk te herstellen ernstig nadeel berokkent of kan berokkenen (...). De notie moeilijk te herstellen ernstig nadeel (MTHEN) is weliswaar niet wettelijk gedefinieerd, doch ze is in de rechtspraak van uw Raad duidelijk uitgebouwd langsheen enkele kernaspecten van het nadeel dat ontstaan is in hoofde van verzoekster. De wettelijke criteria waaraan het moeilijk te herstellen ernstig nadeel dient te voldoen, zijn de volgende (cfr. W. WYMEERSCH, ‘Het moeilijk te herstellen ernstig nadeel’ in G. DEBERSAQUES, M. VAN DAMME, S. DE CLERCQ en G. LAENEN (eds.), Rechtsbescherming door de Raad van State, 15 jaar procedurele vernieuwing, Brugge, Die Keure, 2004, 162): S de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing moet het moeilijk te herstellen ernstig nadeel kunnen berokkenen; S er moet een rechtstreeks causaal verband zijn met een akte of reglement S het nadeel moet moeilijk te herstellen zijn; S het nadeel moet ernstig zijn; 3.- In casu blijkt duidelijk dat verzoekster een moeilijk herstellen ernstig nadeel zal lijden ingevolge de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing en voldoet aan alle voormelde voorwaarden. Immers, er is wel degelijk sprake van een ernstig moreel nadeel in hoofde van verzoekster. Het betrokken perceel dat zal worden onteigend, heeft voor verzoekster en haar familie een zeer grote affectieve waarde. De schoonvader van verzoekster heeft het huis eigenhandig gebouwd in 1936. De overleden echtgenoot van verzoekster heeft gans zijn leven in het huis gewoond. Na hun huwelijk in 1956 is verzoekster eveneens in de woning komen wonen. Verzoekster is thans 81 jaar en bewoont de familiewoning bijgevolg sedert meer dan 51 jaar. Dit bespaart haar ongetwijfeld zeer veel kosten. De tenuitvoerlegging van het bestreden besluit zou haar dit alles afnemen. Bovendien moet verzoekster leven van een klein pensioentje. De familie van verzoekende partij (ze heeft één zoon en één dochter, evenals kleinkinderen) komt nog regelmatig samen in het ouderlijk huis om samen herinneringen op te halen. Dit zijn momenten die zeer veel betekenen voor verzoekster. Ingeval van een onteigening zal dit alles echter niet meer mogelijk zijn. Bovendien gebruikt de zoon van verzoekende partij een bijgebouw van het huis als atelier. Het staat vast dat de onteigening van haar woning een zeer grote impact zal hebben op verzoekster. In deze woning heeft zij samen met haar echtgenoot liefde en leed gedeeld en heeft zij haar beide kinderen grootgebracht. Bovendien dient te worden gewezen op de respectabele leeftijd van verzoekster. Er kan menselijk gezien niet worden verwacht dat zij elders naar een nieuwe woning moet zoeken om aldaar een nieuw leven op te bouwen. Wellicht zal zij genoodzaakt om in een ouderlingentehuis te gaan wonen, een gedachte die verzoekster verre van gelukkig stemt. X-13.507-5/8 Het vooruitzicht dat de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing tot gevolg heeft dat ze haar geliefkoosde gezinswoning moet achterlaten, maken veel emoties los bij verzoekster. Er wordt dan ook terecht gevreesd dat de onteigening ernstige gevolgen zal hebben op de gezondheidstoestand en gemoedsrust van verzoekende partij, die zich gelet haar leeftijd reeds in een zwakkere gezondheidspositie bevindt. Er dient te worden benadrukt dat Uw Raad reeds eerder heeft geoordeeld dat dergelijk nadeel dat hoofdzakelijk van morele en psychische aard is, kan worden aanvaard (...): ‘( ... ) dat zonder de geplande onteigening en zonder de voorgenomen onmiddellijke inbezitneming van de percelen, met inbegrip van het ouderlijk huis, verzoekster alsnog het recht behoudt om van haar eigendom genot te hebben en erover te beschikken op de meest volstrekte wijze in de zin van artikel 544 B.W.; dat, eenmaal de eigendomsoverdracht bevolen, het ingeroepen nadeel dat door een schadeloosstelling niet volkomen kan worden ongedaan gemaakt, definitief zal zijn’; (...) Uw Raad was hetzelfde oordeel toegedaan (...), waarbij de verzoekende partijen eveneens zeer gehecht waren aan de percelen grond die dreigden te worden onteigend. Het door verzoekster opgeworpen (moreel en psychisch) nadeel is bijgevolg ernstig en moeilijk te herstellen. Immers, bij gebreke aan een schorsing van de bestreden beslissing zal de onteigenende overheid haar plannen bij voorrang uitoefenen, waarbij verzoekster haar eigendom zal worden ontnomen. Een eventuele latere vernietiging zal niet van die aard zijn om de inmiddels doorgevoerde eigendomsoverdracht teniet te doen, zodat een nieuwe procedure noodzakelijk zal zijn, en dit onafgezien van hetgeen er ondertussen met de eigendom van verzoekster gebeurd zal zijn (vernietiging van de bestaande gebouwen, oprichting van nieuwe gebouwen, wijziging van de percelen, edm.). Verder oordeelde Uw Raad ook: ‘dat de verwijzing naar de rechtspraak van het Arbitragehof, waarin de gelijkwaardigheid van de procedures voor enerzijds de Raad van State en anderzijds de burgerlijke rechtbanken wordt vastgesteld, niet relevant is aangezien de zaak aanhangig is bij de Raad van State zodat het deze, zolang hij bevoegd is om over de ingestelde vordering uitspraak te doen, toekomt te oordelen of er sprake is van een ernstig en moeilijk te herstellen nadeel’; 5.- Voorgaande maakt duidelijk dat het in casu onmiskenbaar een relatief belangrijke onteigening betreft waarbij verzoekende partij wordt geconfronteerd met een belangrijke beperking van haar rechten en met het reële gevaar voor een onomkeerbare toestand. Een eventuele vernietiging van de bestreden beslissing zal immers niet volstaan om het aangevoerde nadeel te herstellen (...). Het bestaan van het vereiste nadeel in hoofde van verzoekster is bijgevolg wel degelijk aangetoond (M. DENYS, ‘Actuele problemen van het onteigeningsrecht’, in X., De onteigening ten algemene nutte, Leuven, Jura Falconis Libri, 1996, 74)”. 4.2.2. Onderzoek van het aangevoerde moeilijk te herstellen ernstig nadeel 4.2.2.1. Het moeilijk te herstellen ernstig nadeel dient zijn rechtstreekse oorzaak te vinden in de aangevochten akte. X-13.507-6/8 4.2.2.2. Het thans aangevochten besluit heeft enkel de verklaring van openbaar nut van de verwerving van de betrokken gronden en de machtiging tot onteigening met mogelijke toepassing van de wet van 26 juli 1962 betreffende de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake onteigening ten algemenen nutte tot voorwerp. Het door de verzoekster aangevoerde nadeel vindt derhalve zijn rechtstreekse oorzaak, niet in het aangevochten besluit, maar in de onteigening van de betrokken percelen. De verzoekster zal evenwel pas uit haar eigendom worden ontzet wanneer de vrederechter de onteigening zal hebben toegestaan. De vrederechter kan die onteigening pas uitspreken en de provisionele vergoeding slechts bepalen nadat hij het aangevochten besluit zowel op zijn interne als op zijn externe wettigheid heeft getoetst. De verzoekster zal de wettigheidsbezwaren die zij thans aanvoert, nog kunnen doen gelden voor de vrederechter. Deze zal er uitspraak moeten over doen en, indien zij gegrond worden bevonden, zal het risico van het verlies van haar eigendom alsnog afgewend kunnen worden. Zonder te moeten nagaan of de dreiging van het verlies van de betrokken eigendom een ernstig nadeel betekent voor de verzoekster, dient alleszins te worden vastgesteld dat deze geen moeilijk te herstellen ernstig karakter heeft in de zin van artikel 17, § 2 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. 4.2.2.3. Uit hetgeen voorafgaat blijkt dat niet is voldaan aan één van de door artikel 17, § 2 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden om de schorsing van de tenuitvoerlegging te kunnen bevelen. Die vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen, OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel 1. Het verzoek tot tussenkomst van de Intercommunale Ontwikkelingsmaatschappij voor de Kempen (IOK) wordt ingewilligd. Artikel 2. De vordering tot schorsing wordt verworpen. X-13.507-7/8 Artikel 3. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de tussenkomst wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zeven juli 2008, door : de H. J. BOVIN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. J. BOVIN. X-13.507-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.185.190 Gerelateerde publicatie(
- s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.190.107 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div