id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 07 juli 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.185.191 Rolnummer: A. 185169/X-13456 Zaak: Arrest 185191 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 07/07/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-07-14 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-29 08:22 Fiche Arrest nr 185.191 van 7 juli 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 185.191 van 7 juli 2008 in de zaak A. 185.169/X-13.456. In zake : de stad SCHERPENHEUVEL-ZICHEM, die woonplaats kiest bij advocaat C. GYSEN, kantoor houdende te 2800 MECHELEN, Antwerpsesteenweg 16-18 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat M. van DIEVOET, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, Boomstraat 14, bus 3. tussenkomende partij : de n.v. BELGACOM MOBILE, die woonplaats kiest bij advocaten H. DE BAUW en K. LEUS, kantoor houdende te 1050 BRUSSEL, Louizalaan 99. DE WND. VOORZITTER VAN DE Xe KAMER, Gezien het enig verzoekschrift dat de stad SCHERPENHEUVEL- ZICHEM op 18 september 2007 heeft ingediend, en waarin zij de schorsing van de tenuitvoerlegging vordert van het besluit van 18 juli 2007 van de gewestelijk stedenbouwkundig ambtenaar waarbij aan de n.v. BELGACOM MOBILE de stedenbouwkundige vergunning wordt verleend tot het oprichten van een telecommunicatiestation op een perceel gelegen te Scherpenheuvel-Zichem, Vinkenberg, kadastraal bekend sectie C, nr. 622/r; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur T. DE WAELE; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; X-13.456-1/12 Gelet op de beschikking van 4 december 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 21 december 2007; Gehoord het verslag van staatsraad J. BOVIN; Gehoord de opmerkingen van advocaat M. WENDRICKX, die loco advocaat C. GYSEN verschijnt voor de verzoekende partij, van advocaat F. van DIEVOET, die loco advocaat M. van DIEVOET verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat S. VAN HOECKE, die loco advocaten H. DE BAUW en K. LEUS verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur T. DE WAELE; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT : 1. Rechtspleging. Met een verzoekschrift van 12 oktober 2007 heeft de n.v. BELGACOM MOBILE gevraagd om in het geding te mogen tussenkomen. Er is grond om het verzoek in te willigen. 1. De feiten 1.1. Op 10 januari 2007 dient de n.v. BELGACOM MOBILE bij het college van burgemeester en schepenen van de stad Scherpenheuvel-Zichem een aanvraag in tot het verkrijgen van een stedenbouwkundige vergunning voor het oprichten van een telecommunicatiestation voor GSM-verkeer aan de Vinkenberg te Scherpenheuvel-Zichem, op een perceel kadastraal bekend onder sectie C, nr. 622/r. De aanvraag voorziet in de oprichting van een 30 meter hoge mast met daarop paneelantennes, en aan de voet ervan technische cabines. De bouwplaats is gelegen op gronden van de Vlaamse Maatschappij voor Watervoorziening (V.M.W.), onmiddellijk naast een pompstation en reservoir van deze maatschappij. X-13.456-2/12 Volgens de bestemmingsvoorschriften van het gewestplan Aarschot-Diest, vastgesteld bij koninklijk besluit van 7 november 1978, is het betrokken perceel gelegen in agrarisch gebied. 1.2. Op 26 februari 2007 verleent de dienst duurzame landbouwontwikkeling Vlaams-Brabant van het departement landbouw en visserij van de Vlaamse gemeenschap een gunstig advies over het dossier, stellende dat de impact van de werken op de omliggende agrarische structuren als “minimaal” moet omschreven worden. Ook de Vlaamse Maatschappij voor Watervoorziening deelt op 14 maart 2007 mee geen bezwaar te hebben tegen de werken. 1.3. Tijdens het openbaar onderzoek over de aanvraag worden drie bezwaarschriften ingediend, met name door Natuurpunt Oost-Brabant, Natuurpunt afdeling Scherpenheuvel-Zichem, en door het buurtcomité Vinkenberg (meer dan 200 personen ondertekenen dit laatste bezwaarschrift). 1.4. In zitting van 26 maart 2007 beslist het schepencollege van Scherpenheuvel-Zichem de bezwaren in te willigen en een ongunstig advies te verlenen, om reden dat de installatie zal zorgen voor een daling van de verkoopswaarde van de omliggende woningen, de pyloon “een grote negatieve impact op het open landbouwgebied en het panoramisch zicht in de omgeving” zal hebben, en strijdig is met de opties genomen in het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan. 1.5. Op 11 juni 2007 deelt het agentschap voor natuur en bos Vlaams- Brabant mee geen bezwaar te hebben tegen de bouw van het telecommunicatiesta- tion, stellende dat geen negatieve impact te vrezen is voor de natuurlijke kenmerken van de speciale beschermingszone “Demervallei” waarvan de afbakening op 150 meter noordelijk van de bouwplaats ligt. 1.6. Bij het bestreden besluit van 18 juli 2007 verleent de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar de gevraagde stedenbouwkundige vergunning. In het besluit worden de redenen vermeld waarom de bezwaren en het ongunstig advies van het college van burgemeester en schepenen niet worden bijgetreden. X-13.456-3/12 2. Over de grondvoorwaarden voor de schorsing 2.1. Krachtens artikel 17, § 2 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. Luidens artikel 17, § 3 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State dient de vordering tot schorsing een uiteenzetting van de middelen en de feiten te bevatten die volgens de indiener ervan het bevelen van de schorsing rechtvaardigen. Artikel 8, eerste lid, 3/ van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State, bepaalt dat de vordering tot schorsing dient te bevatten “een uiteenzetting van de feiten die van aard zijn aan te tonen dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte de verzoekende partij een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen, waarbij alle stukken worden gevoegd die het risico op dergelijk nadeel aantonen”. Uit deze bepaling volgt dat de verzoekende partijen in hun verzoekschrift duidelijk en concreet dienen aan te geven waarin precies het moeilijk te herstellen ernstig nadeel is gelegen dat zij ingevolge de onmiddellijke tenuitvoerlegging van het bestreden besluit ondergaan of dreigen te ondergaan. De verzoekende partijen mogen zich daarbij niet beperken tot vaagheden en algemeenheden, maar dienen integendeel zeer concrete en precieze gegevens aan te brengen waaruit blijkt dat zij persoonlijk een moeilijk te herstellen ernstig nadeel ondergaan of dreigen te ondergaan. 2.2. Over het moeilijk te herstellen ernstig nadeel 2.2.1. Standpunt van de partijen 2.2.1.1. De verzoekende partij zet het moeilijk te herstellen ernstig nadeel in haar verzoekschrift uiteen als volgt: “4.1.- Verzoekende partij is van oordeel dat de bestreden beslissing haar een moeilijk te herstellen en ernstig nadeel oplevert. Het bestreden besluit schendt haar ruimtelijke ordenings- en planningsbevoegdheid, verhindert de haar opgedragen gemeentelijke taken met betrekking tot de veiligheid op haar grondgebied verder uit te oefenen en ondermijnt haar gezag cq. politionele bevoegdheid. X-13.456-4/12 4.2.- Verzoekende partij ontleent haar ruimtelijke ordeningsbevoegdheid rechtstreeks uit het decreet Ruimtelijke Ordening dd. 18 mei 1999. ‘Artikel 3 De ruimtelijke ordening van het Vlaamse Gewest, de provincies en de gemeenten wordt vastgelegd in ruimtelijke structuurplannen, ruimtelijke uitvoeringsplannen en verordeningen’. Zo bepaalt art. 31 van het decreet dat voor elke gemeente een gemeentelijk ruimtelijk structuurplan wordt vastgesteld dat zich richt naar het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen en het provinciaal ruimtelijk structuurplan van de provincie waarbinnen de gemeente ligt. Een ruimtelijk structuurplan is een beleidsdocument dat het kader aangeeft voor de gewenste ruimtelijke structuur op lange termijn en gericht samenhang te brengen in de voorbereiding, de vaststelling en de uitvoering van beslissingen die de ruimtelijke ordening aanbelangen. (art. 18 decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening) Een structuurplan is aldus bij uitstek een BELEIDSPLAN waarvan de bepalingen alleen gelden voor de overheid. (VEKEMAN, R., ‘Ruimtelijke ordening en stedenbouw’, nr. 22) Conform artikel 33 § 1 van voormeld decreet is het college van burgemeester en schepenen belast met het opmaken ervan en het nemen van de nodige maatregelen tot opmaak. Hun bestaanduur van VIJF JAAR (artikel 35 § 1 decreet van 18 mei 1999) is gekoppeld aan de periodieke verkiezingen van het Vlaams Parlement. (VEKEMAN, R., ‘Ruimtelijke ordening en stedenbouw’, nr. 22) Het geeft zeer concrete beleidsopties weer waaruit de overheid aan de inwoners te kennen heeft gegeven haar grondgebied precies zal worden afgebakend en behouden blijven. Bijgevolg hangt het gezag en vertrouwen ten aanzien van haar inwoners in een consequente visie en beleid hier ook mee samen. 4.3.- In uitvoering van art. 31 van het decreet heeft verzoekende partij haar ruimtelijke ordening voor de gemeente Scherpenheuvel vastgelegd in het Gemeentelijk Ruimtelijk Structuurplan (GRS) dd. 22 februari 2007. (...) In casu, is het agrarisch gebied waarin de vergunde constructie zal worden ingeplant - Vinkenberg - gelegen in het oosten van de gemeente, ten zuiden van de Demer en behoort tot het deelgebied ‘Demervallei’. Volgens het GRS, gaat 50% van de ruimtelijke bestemming van de stad naar agrarisch gebied dat dan meteen ook de grootste ruimtegebruiker van de gemeente is. (...) Over de waarde en ruimtelijke ontwikkeling van Vinkenberg bepaalt het GRS dat het gebied wordt gekwalificeerd als ‘open landschap’ en ‘open ruimtegebied’: ‘4.7. 1. Bestaande ruimtelijke en functionele karakteristieken Het deelgebied Demervallei vormt een open ruimtegebied bij uitstek. Het betreft een deelgebied dat de gemeentegrenzen ver overschrijdt. De Demer was de historische motor voor de ontwikkeling van de aanliggende nederzettingen, maar heeft deze rol nu verloren. Vandaag heeft het deelgebied, als onderdeel van een regionaal geheel, een aanzienlijke ecologische functie, een toeristisch-recreatieve functie en meer op lokaal niveau op bepaalde plaatsen ook een functie voor de landbouw. In Scherpenheuvel-Zichem kunnen we op natuurlijk vlak dit deelgebied opsplitsen in volgende deelgebieden: - Krekelbroek, Zavelbeemden en Melkbroek (in het westen van de gemeente ten noorden van de Demer) waar nog over een deeltje aan extensieve landbouw wordt gedaan. Dit is ook duidelijk waarneembaar X-13.456-5/12 richting Aarschot. Voor het overige deel omvat deze zone voornamelijk verspreide en geïsoleerde populieraanplantingen. - het gebied tussen de Laarbeek en de Demer, een zeer vochtig gebied met vele populierenaanplantingen en verschillende weiden. In het gebied liggen een aantal vrij geïsoleerde natuurgebiedjes (oa. De Baggelt). - Kraanrijk, Faubourg, Molenstedebroek en Vinkenberg (in het oosten van de gemeente ten zuiden van de Demer) gekenmerkt door een overwegend groene omgeving met een groot aantal populieraanplantingen. De Vinkenberg vormt een steile valleihelling met een aantal waardevolle holle wegen. Op deze helling komt een zuur eikenbos voor. Dit wordt ook omschreven als een gebied met een grote ecologische waarde. In het gebied is eveneens een waterwingebied gelegen. ( ... ) Op het vlak van de natuurlijk-ecologische rijkdom, komt het gebied Vierkensbroek, het gebied in het oosten van de gemeente en het gebied ten westen van de gemeente (ten zuiden van de Demer) als sterk ecologisch waardevol gebied naar boven’. (...) (...) ‘Open landschap Dit is een nog vrij ongeschonden gebied in het zuidoosten van de gemeente en iets meer versnipperd gebied ten zuiden en zuidwesten van de gemeente. Het zijn gebieden waar de landbouw overwegend voorkomt. Dit gebied grenst in het zuiden aan een geselecteerd natuurverbindingsgebied, waar behoud en versterking van kleine landschapselementen voorop staat. Dit agrarisch gebied heeft zich ontwikkeld op zacht hellende heuvelruggen en is in veel mindere mate versnipperd door woonlinten of beboste heuveltoppen. In grote lijnen dient de open ruimte maximaal in functie van de landbouw als belangrijke speler behouden te blijven, met aandacht voor de landschappelijke inpassing. Een schaalvergroting in de landbouw dient hier open gehouden te worden in respect met de kleinschalige natuurlijke waarden die in het gebied aanwezig zijn. (...)’ (...) (...) ‘Natuurlijke en bosstructuur De grote eenheden natuur (GEN; 75.000 tot 100000
- ha)en de grote eenheden natuur in ontwikkeling (GENO; 25.000 tot 50.000
- ha)worden afgebakend door het Vlaams Gewest. Daarnaast bakent het Vlaams Gewest ook 10.000 ha bijkomend bosgebied of bosuitbreidingsgebied af waarbinnen ecologisch verantwoorde bosuitbreiding plaatsvindt, en 150.000 natuurverwevingsgebied. In het informatief gedeelte van het RSV zijn volgende gebieden aangeduid als structurerend op Vlaams niveau: ‘De Demervallei is het grootste en meest gevarieerde natuurcomplex van beekvalleilevensgemeenschappen in Vlaanderen. Uitgestrekte graslanden en broekbossen komen er voor. Kwelwerking is overal duidelijk’. (...) (...) In uitvoering van de Europese Richtlijn van 02/04/1979 betreffende het behoud van de vogelstand duidde de Vlaamse overheid 23 speciale beschermingszones voor vogels aan (Besluit van Vlaamse Executieve 17/10/1988). Als één van de 23 Vogelrichtlijngebieden duidde de Vlaamse Executieve de Demervallei aan. De Demervallei en het Averbodebos en Weefberg, zijn aangeduid als Europees Habitatgebied. Op 21 mei 1992 werd de Europese Richtlijn 92/43/EEG, inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (zogenoemde ‘Habitatrichtlijn’), uitgevaardigd. X-13.456-6/12 Deze richtlijn heeft tot doel de biodiversiteit in de lidstaten te behouden en streeft naar de instandhouding én het herstel van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna die hiervan deel uitmaken. Volgende uitvoeringsmaatregelen dienen door elk lidstaat getroffen: - ‘Speciale Beschermingszones in het kader van de Habitatrichtlijn’, de zogenaamde Habitatrichtlijngebieden, worden aangeduid, die deel zullen uitmaken van een Europees ecologisch ‘Natura2000-netwerk’. In deze zones dienen de lidstaten passende maatregelen te treffen om de bescherming, de instandhouding en het herstel van habitats en soorten waarvoor de gebieden werden aangewezen te verzekeren. Voor de uitvoering van plannen of projecten die negatieve gevolgen (kunnen of zullen) hebben voor het gebied is een aparte procedure voorzien (art. 6). Voor instandhouding en herstel van de beschermingszones kan eventueel op Europese cofinanciering beroep gedaan worden (art. 8). Om de 6 jaar dienen de lidstaten een verslag op te maken over de toepassing van de instandhoudingsmaatregelen, op basis waarvan de Europese Commissie een passende evaluatie kan uitvoeren (art. 9). - Een reeks dier- en plantensoorten worden strikt beschermd. - Maatregelen worden genomen ten aanzien van de exploitatie en het onttrekken aan de natuur van een aantal dier- en plantensoorten. (...) (...) Conclusie uit bovenstaande is dat verzoekende partij in het kader van haar decretale bevoegdheid, het gebied in kwestie als open ruimte en open landschap dient te vrijwaren en dit minstens tot het einde van de duur van het GRS, in casu tot 2012. Deze taak behoort tot de ruimtelijke ordenings- en planningsbevoegdheid van verzoekende partij en bijgevolg ook tot haar bestuurlijk autonoom gezag. 4.4.- Welnu, de bestreden beslissing waarbij in bovenstaand gebied Vinkenberg de inplanting van een zendmast met cabine en omheining wordt vergund is dan ook niet verenigbaar met de voormeld ruimtelijk ordeningsbeleid van verzoekende partij. Zo tast de zendmast, gelet op de hoogte (30 m), het visueel effect van het open landschap en de ongeschondenheid van het gebied rechtstreeks aan. De bestreden beslissing is dan ook manifest in strijd met de in het GRS voorbehouden ruimtelijke visie en invulling van het gebied Vinkenberg. De tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing impliceert een inbreuk op en een doorkruising van het bij het GRS voorgenomen beleid, namelijk de vrijwaring van het bestaande ‘open ruimte en landschap’-gebied. Dat verzoekende partij ten deze een consequent beleid wenst te voeren blijkt dan ook uit haar negatief advies aan de gewestelijk stedenbouwkundig ambtenaar waarin zij zich steunt op het GRS tegen de aangevraagde constructie net omwille van het behoud van de open ruimte : ‘De inplanting van het telecommunicatiestation wordt voorzien op het hoogste punt van de Vinkenberg bij de infrastructuur van de Vlaamse Maatschappij voor Watervoorziening. Deze infrastructuur van de VMW betreft een laagbouw die geïntegreerd is in de omgeving. Het oprichten van een pyloon op deze plaats heeft een grote negatieve impact op het open landbouwgebied en het panoramisch zicht in de omgeving. Volgens het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan wordt geopteerd voor het bewaren van open ruimten en niet bezwaren met antennes die het landschap verstoren’. (...) 4.5.- Verzoekende partij ondergaat een nadeel X-13.456-7/12 Verzoekende partij is zich ter dege bewust van het gegeven dat haar advies niet bindend is ten aanzien van de vergunningverlenende ambtenaar. Doch meent zij dat er gegronde redenen aanwezig zijn om te kunnen gewagen van een ernstig nadeel wanneer de ambtenaar een beslissing neemt die niet verenigbaar is met het gevoerde ruimtelijk beleid van de gemeente. De uitvoering van de bestreden beslissing zal de bescherming en het in stand houden van de open ruimte en het natuur-ecologisch bestand van Vinkenberg in gedrang brengen. Deze taken en opdrachten behoren dan ook tot het beleid van verzoekende partij, waartoe zij zich heeft verbonden in het GRS-plan. De gemeente dient immers te waken over het goed beheer van de gemeentelijke zaken. Het is in dit kader dat zij opkomt ter vrijwaring van haar planologisch en stedenbouwkundig beleid. Zij dient over volledige vrijheid te beschikken om haar autonomie inzake haar beleidstaken te kunnen behouden. Een en ander vloeit voort uit haar belang bij de vordering. Zoals reeds werd aangehaald heeft elke gemeente belang bij iedere beslissing die gevolgen heeft voor haar ruimtelijke ordening (...). De bestreden beslissing houdt om uiteengezette redenen een nadeel in. Bovendien is het structuurplanningsproces gebaseerd op het principe van subsidiariteit. De opportuniteitsbeoordeling moet namelijk op het laagste bestuurlijke niveau geregeld worden. Het is dan ook de gemeente zelf die op grond van haar grondige lokale kennis van het terrein via ruimtelijke structuurplanning tot die afbakening van het gebied kan komen. Immers, kan de gemeente door de opmaak van een ruimtelijk structuurplan perfect inspelen op bepaalde desiderata van de bevolking van de gemeente of bepaalde actiegroepen die een voor het behoud van het beleid van de gemeente, een belangrijke rol spelen. Verzoekende partij heeft zich dan ook beleidsmatig en moreel vlak ten aanzien van de burgers gebonden aan het voorgenomen beleid van het gebied Vinkenberg. De oprichting van een constructie in strijd met de geldende gewestplanvoorschriften en beleidsdocumenten schendt ontegensprekelijk het gezag van de gemeente en tast het vertrouwen van de burger aan. Verzoekende partij ondergaat een nadeel. 4.6.- Het nadeel is persoonlijk Het dient te worden benadrukt dat verzoekende partij haar nadeel geenszins ontleent aan derden ! Verzoekende partij wordt als drager en uitvoerder van haar decretale bevoegdheden van ruimtelijke ordening ‘persoonlijk’ getroffen in het uitvoeren, het verderzetten en in het gezagontlenend karakter van haar voorgenomen beleid. Het nadeel is persoonlijk. 4.7.- Het nadeel is ernstig Daarenboven vloeit dit nadeel rechtstreeks voort uit de bestreden beslissing. De bestreden beslissing doorkruist het beleid en vooral de beleidsvrijheid van die gemeente op het vlak van ruimtelijke ordening. De facto komt de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing van de gewestelijk stedenbouwkundig ambtenaar neer op het ter zijde schuiven van het planologisch en ruimtelijk beleid van de gemeente zoals het werd geconcretiseerd in haar GRS. De gemeente moet haar volle vrijheid kunnen behouden om haar ruimtelijk en politioneel beleid te kunnen voeren. Dit is de ernst van het nadeel. Van haar wordt verwacht dat haar ruimtelijk - of gelijk welk - beleid een mate van coherentie, standvastigheid en rechtszekerheid biedt ten aanzien van haar inwoners. X-13.456-8/12 Met de bestreden beslissing is het niet de gemeente die haar ruimtelijk beleid voert maar wel degelijk de gewestelijk stedenbouwkundig ambtenaar die het beleid van de gemeente, alleszins tijdelijk, immobiliseert. De beleidsbevoegdheid van de verzoekende partij inzake ruimtelijke ordening en stedenbouw wordt door het bestreden besluit dermate in het gedrang wordt gebracht dat dit als een ernstig nadeel dient te worden beschouwd. Het nadeel is des te ernstig aangezien het niet (kunnen) voeren van voormeld beleid haar bevoegdheden uitholt. Immers, heeft de gemeente haar ruimtelijke visie verwoord en uitgewerkt in een voor haar afdwingbaar plan. Het is dan ook de overheid die zich ten deze heeft geëngageerd. Op die wijze wordt aan de bevoegdheid en de autonomie van de gemeente geraakt. Zij kan haar bevoegdheid van ruimtelijke ordening en planologie niet meer ten volle uitoefenen. 4.9.- Het nadeel is moeilijk te herstellen De bestreden beslissing is in strijd met de toewijzing ‘open ruimte’ en ‘open landschap’ en aldus met het ruimtelijk beleid van de gemeente dat in casu werd vastgelegd in het GRS, en dit voor een termijn van 5 jaar. De enige bedoeling van het plan ligt in de tenuitvoerlegging ervan over een beperkte termijn. De beperktheid van duur van het GRP impliceert dan ook per definitie dat het nadeel onomkeerbaar wordt. Indien de gemeente binnen deze termijn met het GRS strijdige uitvoerbare beslissingen moet duiden wordt haar ruimtelijk ordeningsbeleid rechtstreeks en definitief aangetast en uitgehold. Haar ruimtelijke en structurele visie en ontwikkelingen worden inhoudsloos. De enige remediëring om het ruimtelijk beleid van de gemeente te handhaven ligt dan ook in een schorsing van de bestreden beslissing. Indien een met dit plan tegenstrijdige beslissing niet zou worden geschorst blijft het zijn uitvoerbare rechtskracht behouden gedurende de geldigheidsduur van het GRS. Zolang een goedgekeurd gemeentelijk ruimtelijk structuurplan blijft bestaan, blijft in hoofde van de gemeente ook de plicht bestaan om het uit te voeren. De bestreden beslissing belemmert verzoekende partij op ernstige wijze in de uitoefening van haar taken en bevoegdheden. Voor de gemeente dient het dan ook noodzakelijk te zijn dat zij een GRS minstens tot de duur ervan zonder belemmering kan handhaven. Het strookt immers niet met de autonomie van een gemeentelijk beleid om haar gemaakte plannen te moeten bevriezen door een beslissing genomen in strijd met de visie van dergelijke plannen. Een schorsing van de beslissing blijkt dan ook de enige mogelijkheid voor verzoekende partij om haar ruimtelijk beleidsbevoegdheid te handhaven. 4.10. - Conclusie Uit bovenstaande blijkt dat het nadeel van verzoekende partij aannemelijk wordt gemaakt door concrete en verifieerbare gegevens en zij ten gevolge van de bestreden beslissing een nadeel dreigt te ondergaan dat de voor een schorsing vereiste ernst vertoont en moeilijk herstelbaar is”. 2.2.1.2. De verwerende partij antwoordt in haar nota met opmerkingen dat het niet volstaat om enkel te beweren dat het gemeentelijk stedenbouwkundig beleid in gevaar komt door de bestreden beslissing, dat de gegevens die worden aangehaald over de Vinkenberg afkomstig zijn uit het informatief gedeelte van het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan dat geen enkele juridische waarde heeft, dat noch het X-13.456-9/12 agentschap natuur en bos, noch de afdeling duurzame landbouwontwikkeling problemen zagen in de oprichting van de mast op die lokatie, en dat de constructie niet in een open en ongeschonden landschap wordt ingeplant. 2.2.1.3. De tussenkomende partij voegt daar nog aan toe dat de verzoekende partij nergens duidelijk maakt op welke wijze zij de beleidsopties vervat in haar structuurplan niet meer zou kunnen uitvoeren, en dat zij haar geloofwaardigheid naar de inwoners toe niet zal verliezen gezien zij over de aanvraag een negatief advies heeft uitgebracht. 2.2.2. Onderzoek van het aangevoerde moeilijk te herstellen ernstig nadeel 2.2.2.1. In hoofde van een gemeentelijke overheid kan er slechts sprake zijn van een persoonlijk moeilijk te herstellen ernstig nadeel indien de bestreden beslissing de uitoefening van de overheidstaak of de bestuursopdracht waarmee die overheid belast is, verhindert of in ernstige mate bemoeilijkt en indien de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing de werking van haar diensten dermate in het gedrang zou brengen dat zij haar taken als gemeente niet meer zou kunnen uitoefenen. Het nadeel van een gemeentelijke overheid kan dan ook niet worden gelijkgesteld met het nadeel dat haar inwoners lijden. Het nadeel dient ook imminent te zijn, derwijze dat een uitspraak over het beroep tot nietigverklaring onherroepelijk te laat zou komen om dit nadeel te voorkomen. 2.2.2.2. De verzoekende partij voert samengevat aan dat zij in haar eigen gemeentelijk ruimtelijk structuurplan de Vinkenberg en het gebied daar rond heeft aangemerkt als “open landschap” en ”open ruimtegebied”, en dat de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing zou betekenen dat zij haar “autonomie” en “beleidsvrijheid” om in die richting beslissingen te nemen zou verliezen. De gemeente maakt evenwel niet duidelijk welke concrete beleidsbeslissingen zij in de nabije toekomst voor het betrokken gebied wenst te nemen, en op welke wijze de bestreden stedenbouwkundige vergunning het nemen van deze beslissingen in de weg zou staan. De loutere omschrijving van het gebied in het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan als open landschap en open ruimtegebied is daarom X-13.456-10/12 onvoldoende om aan te tonen dat een uitspraak over het beroep tot nietigverklaring onherroepelijk te laat zou komen. Ook de wens om een gebied ongeschonden te bewaren kan, bij gebreke aan concrete elementen die de precieze impact aantonen van de bestreden beslissing op de realisatie van die wens, niet als een ernstig nadeel worden aangenomen. Dat de gemeente zichzelf verbonden heeft om de opties vervat in haar eigen structuurplan om te zetten in uitvoerende maatregelen, vormt niets meer dan de bevestiging van een algemeen geformuleerde beleidsopdracht, waarmee de gemeente wel een belang bewijst, maar daarom nog geen moeilijk te herstellen ernstig nadeel. Het feit dat krachtens artikel 35, § 1 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, een gemeentelijk ruimtelijk structuurplan wordt vastgesteld voor een termijn van vijf jaar, doet aan voormelde vaststellingen geen afbreuk. Daarenboven bepaalt hetzelfde artikel dat het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan in ieder geval van kracht blijft totdat het door een nieuw goedgekeurd gemeentelijke ruimtelijk structuurplan is vervangen, behoudens de bindende bepalingen die van rechtswege opgeheven zijn ingevolge artikel 22, § 1, tweede lid en artikel 29, § 1, tweede lid, en kan, luidens de § 2 van hetzelfde artikel, het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan ten allen tijde geheel of gedeeltelijk worden herzien. 2.2.2.3. Dat het overeenkomstig het gemeentedecreet tot de kerntaken van de gemeente behoort om bij te dragen tot het welzijn van haar inwoners, volstaat op zich in dit kader al evenmin om het moeilijk te herstellen ernstig nadeel te staven. De omstandigheid dat de inwoners de gemeente verantwoordelijk zouden kunnen achten voor de aanwezigheid van de pyloon op de betreffende locatie vormt evenmin een moeilijk te herstellen ernstig nadeel, aangezien de gemeente wettelijke middelen ter beschikking staan om te proberen zulks te verhinderen, hetgeen zij in casu ook heeft gedaan door eerst een ongunstig advies te verlenen en, nadat de vergunning toch was afgegeven, hiertegen een beroep in te stellen bij de Raad van State. De verzoekende partij blijft in gebreke concrete gegevens bij te brengen die aannemelijk kunnen maken dat de aanwezigheid van de GSM-pyloon op de Vinkenberg een essentieel onderdeel van haar lokaal beleid kan ondermijnen, en haar aldus een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen in de zin van artikel 17, § 2 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. X-13.456-11/12 2.2.2.4. Uit het vorenstaande blijkt dat niet is voldaan aan een van de door artikel 17, § 2 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden om de schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit te kunnen bevelen. Die vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel 1. Het verzoek tot tussenkomst van de n.v. BELGACOM MOBILE wordt ingewilligd. Artikel 2. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel 3. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de tussenkomst wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zeven juli 2008, door : de H. J. BOVIN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. J. BOVIN. X-13.456-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.185.191 Gerelateerde publicatie(
- s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.203.309 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div