id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 juli 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.185.218 Rolnummer: A. 84629/XII-2082 Zaak: Arrest 185218 - Overheidsopdrachten - 08/07/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-07-22 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-06-29 08:22 Fiche Arrest nr 185.218 van 8 juli 2008 Overheidsopdrachten en openbare werken - Overheidsopdrachten Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 185.218 van 8 juli 2008 in de zaak A. 84.629/XII-
- In zake : de NV PROFESSIONELE INNOVATIE TECHNIEKEN ANTWERPEN (PIT ANTWERPEN), die woonplaats kiest bij advocaat W. Slosse, kantoor houdende te Antwerpen, Brusselstraat 59 tegen : de CV DE BRUSSELSE HAARD, die woonplaats kiest bij advocaat K. Ronse, kantoor houdende te 1050 Brussel, G. Macaulaan
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de NV Professionele Innovatie Technieken Antwerpen op 8 juni 1999 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 16 november 1998 van de verwerende partij “waarbij werd beslist dat in verband met de werken voorwerp van de openbare aanbesteding dd. 29.10.1998 voor de ‘Gevelrenovatie + Vensterramen van 80 appartementen, Werfkaai te Brussel’ enerzijds ‘.. de onderneming Immoneuf aangeduid is als aanbesteder van hierboven vermelde werken’ en anderzijds de aanbesteding niet aan verzoekster werd toegewezen om onbekende reden doch wellicht om redenen van niet regelmatigheid van de inschrijving”; Gelet op het arrest nr. 131.121 van 6 mei 2004 waarbij de debatten worden heropend; Gezien het aanvullend verslag opgesteld door eerste auditeur J. Stevens; Gelet op de beschikking van 1 september 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; XII-2082-1\6 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 5 maart 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 8 april 2008; Gehoord het verslag van kamervoorzitter D. Verbiest; Gehoord de opmerkingen van advocaat B. Ronse, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur J. Stevens; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; De gegevens van de zaak
- De verwerende partij schrijft een openbare aanbesteding uit. De opening van de offertes heeft plaats op 29 oktober
- Drie offertes worden ingediend. De verzoekende partij heeft bij de opening de laagste offerte met een bedrag van 13.997.660 frank, BTW niet inbegrepen .
- De offerte van de verzoekende partij wordt verbeterd : het bedrag van de offerte wordt 15.026.504 frank, SPRL Immoneuf blijft op 14.155.615 frank.
- De raad van bestuur van de verwerende partij beslist op 16 november 1998 de opdracht toe te wijzen aan SPRL Immoneuf, laagste regelmatige inschrijver.
- De verzoekende partij vraagt met een brief van 30 maart 1999 wanneer zij met de werken dient te starten.
- De verwerende partij deelt met een brief van 8 april 1999 mede dat SPRL Immoneuf is aangewezen als “aanbesteder”. De ontvankelijkheid XII-2082-2\6
- De verwerende partij formuleert “alle voorbehoud wat betreft de ontvankelijkheid van het annulatieberoep, nu zou blijken dat verzoekster gewacht heeft tot de laatste dag om beroep in te dienen”. In het auditoraatsverslag wordt de exceptie verworpen. De verwerende partij legde geen laatste memorie neer. Er moet worden aangenomen dat zij in die omstandigheden niet langer aandringt op haar exceptie. De gegrondheid Eerste middel
- In een eerste middel voert de verzoekende partij aan dat met schending van de artikelen 89 en 110 van het koninklijk besluit van 8 januari 1996 betreffende de overheidsopdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten en de concessies voor openbare werken, haar offerte ten onrechte “onregelmatig” is verklaard doordat zij zogezegd niet vermocht de bij het bestek gevoegde samenvattende opmetingsstaat te vervangen door eigen computerbladen. Bespreking De offerte van de verzoekende partij is niet onregelmatig verklaard maar werd verbeterd en bleek aldus niet de laagste te zijn. Het eerste middel mist feitelijke grondslag en is niet gegrond. Tweede middel
- Een tweede middel wordt door de verzoekende partij afgeleid uit de schending van “de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, inzonderheid van het beginsel van de rechtens vereiste feitelijke grondslag waarop elke administratieve overheidsbeslissing moet zijn gesteund” en uit de schending van “de artikels 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen”, uit de schending van “het motiveringsbeginsel” en uit de schending van “art. 25 K.B. 8.1.1996”. De enige grief van de verzoekende partij blijkt daarbij dat de verwerende partij zou hebben “nagelaten haar beslissing te motiveren op een correcte wijze zodat het voor verzoekster onmogelijk is om na te gaan op welke gronden haar offerte werd onregelmatig verklaard”. XII-2082-3\6 Bespreking De verwerende partij stelt terecht dat bij een aanbesteding de overheid een gebonden bevoegdheid heeft om de opdracht toe te kennen aan de laagste regelmatige inschrijver. Te dezen is in de bestreden beslissing de rangschikking van de offertes naar prijs opgenomen. Aan de formele motiveringsplicht is aldus tegemoet gekomen. Voorts verduidelijkt de verzoekende partij niet op welke wijze de eventuele schending van het voormelde koninklijk besluit van 8 januari 1996 vervatte informatieverplichtingen de bestreden beslissing zelf kunnen vitiëren met onrechtmatigheid. In haar laatste memorie beklemtoont de verzoekende partij dat zij ook de schending van de materiële motiveringsplicht heeft ingeroepen hetgeen in het auditoraatsverslag niet is besproken. Zij komt in die laatste memorie echter niet verder dan de algemene vaststelling dat “deze aangehaalde motieven in de beslissing niet met de werkelijkheid overeenstemden, maar enkel gebaseerd was op het selectief verbeteren van offertes van bepaalde inschrijvers”. Hiervoor is echter al vastgesteld dat de verzoekende partij in de ontwikkeling van dit middel in haar inleidend verzoekschrift niet van een dergelijke grief uitgaat, maar enkel stelt dat de bestreden beslissing het haar onmogelijk maakt na te gaan op welke gronden haar offerte onregelmatig werd verklaard. Van een “selectief verbeteren” van offertes is in die uiteenzetting geen sprake. Zij is aldus niet gerechtigd aan dit oorspronkelijk middel in haar laatste memorie een nieuwe grondslag te geven waarin kritiek wordt geleverd op de wijze waarop haar offerte is verbeterd. Het tweede middel is niet gegrond. Derde middel
- In haar memorie van wederantwoord voert de verzoekende partij in een derde -nieuw- middel de schending aan van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, het gelijkheidsbeginsel en de artikelen 111 en 114 van het voormelde koninklijk besluit van 8 januari
- Zij maakt daartoe gewag van de onterechte verbetering van haar offerte, de onduidelijkheid betreffende de vraag XII-2082-4\6 welke materiële fouten ontdekt zijn, en het feit dat ook de offerte van SPRL Immoneuf kon worden verbeterd. Bespreking Het middel is niet ontvankelijk : de verzoekende partij kon met een schriftelijk verzoek de motieven van de bestreden beslissing hebben opgevraagd aan de verwerende partij -met toepassing van artikel 25, § 1, van het voormelde besluit van 8 januari 1996- maar zij heeft dat niet gedaan en heeft verkozen –meteen– een beroep in te dienen bij de Raad van State. Zij had het middel echter reeds kunnen aanvoeren in haar inleidend verzoekschrift indien zij gebruik had gemaakt van de voormelde op het voornoemde artikel 25, § 1, gesteunde mogelijkheid om informatie te verkrijgen, zodat zij in haar memorie van wederantwoord niet meer op ontvankelijke wijze dat middel mag aanvoeren. Voorts betoogt zij in algemene termen “aangezien de overheidsopdrachten wetgeving de openbare orde raakt, kan gesteld dat middelen afgeleid uit deze wetgeving eveneens de openbare orde raken en in elke stand van het geding kunnen opgeworpen worden”. Zij voert in haar middel echter de schending aan van het gelijkheidsbeginsel, dat het betrokken karakter niet heeft, en zegt ten slotte niet waarom de schending van twee artikelen die de verbetering van offertebedragen betreft, zelfs ambtshalve door de Raad van State zou moeten worden opgeworpen alsof die bepalingen een fundamenteel collectief belang zouden beschermen. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. XII-2082-5\6 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op acht juli 2008, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-2082-6\6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.185.218 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.131.121 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.