← België

Arrest 185221 - Examens (onderwijs) - 08/07/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 juli 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.185.221 Rolnummer: A. 187647/XII-5378 Zaak: Arrest 185221 - Examens (onderwijs) - 08/07/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-07-17 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-29 08:22 Fiche Arrest nr 185.221 van 8 juli 2008 Onderwijs en cultuur - Examens (onderwijs) Beslissing : Vernietiging Verwerping Verwerping overige Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK nr. 185.221 van 8 juli 2008 in de zaak A. 187.647/XII-5378. In zake : Barbara KEMP, die woonplaats kiest bij advocaten A. Lust en J. Goethals, kantoor houdende te Sint-Andries-Brugge, Burggraaf de Nieulantlaan 14 tegen : de VZW VRIJE TECHNISCHE SCHOLEN, dat woonplaats kiest bij advocaten S. Ronse en B. Vandromme, kantoor houdende te Kortrijk, President Kennedypark 6/24. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Barbara Kemp op 25 maart 2008 heeft ingediend om de nietigverklaring en de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van het besluit van de examencommissie van het Centrum voor Volwassenenonderwijs - VIVO van 24 januari 2008 waarbij zij niet geslaagd verklaard is voor de module “Didactische Competentie Stage” en de beslissing, in graad van beroep, van deze examencommissie op 21 februari 2008; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag over het beroep tot nietigverklaring, op grond van artikel 93 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en over de vordering tot schorsing opgesteld door eerste auditeur-afdelingshoofd R. Van Der Gucht; Gelet op de beschikking van 4 juni 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 17 juni 2008; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; XII-5378-1/8 Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; Gehoord de opmerkingen van advocaat J. Goethals, die verschijnt voor verzoeker, en van advocaat B. Vandromme, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur- afdelingshoofd R. Van Der Gucht; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : De gegevens van de zaak 1.1. Verzoekster, die van opleiding vertaler is, volgt bij de verwerende partij, gespreid over een aantal jaren, een opleiding tot het behalen van het getuig- schrift van pedagogische bekwaamheid (GPB). In de loop van de voorgaande jaren heeft zij in de oude GPB- structuur reeds verschillende modules afgelegd en beëindigd. Op 23 augustus 2007 schrijft verzoekster zich in voor de module E 5 “didactische competentie stage” aan het Centrum voor Volwassenenonderwijs (CVO) VIVO te Kortrijk. Blijkens de inschrijvingsfiche start de stageperiode op 14 september 2007 en eindigt ze op 22 december 2007. Voor de evaluatie van deze module wordt I. De Wever, werkzaam bij de verwerende partij, als stagebegeleidster aangeduid. K. Gadeyne en I. Moeneclaey fungeren als stagementoren in de school waar verzoekster haar stage loopt. 1.2. Blijkens het proces-verbaal van het eindexamen van 24 januari 2008 wordt verzoekster met 395 punten op 800 (hetzij 49,38 %) niet geslaagd verklaard. XII-5378-2/8 Bij wege van haar raadsman tekent verzoekster op 30 januari 2008 bij de inrichtende macht van de betrokken school beroep aan tegen de voornoemde beslissing. 1.3. Na verzoekster, bijgestaan door haar raadsman, te hebben gehoord, komt de beroepscommissie op 21 februari 2008 tot het advies om het beroep van verzoekster ontvankelijk doch ongegrond te verklaren. 1.4. Bij schrijven van 17 maart 2008 wordt aan verzoekster meegedeeld : “Hierbij willen wij bevestigen dat de examencommissie op 21 februari 2008 beraadslaagd heeft na het advies dat wij kregen van de beroepscommissie naar aanleiding van de bestreden beslissing van de examencommissie van 24 januari 2008 door mevrouw Barbara Kamp. De examencommissie volgt daarbij het duidelijk gemotiveerde advies van de beroepscommissie (zie bijlage) en heeft beslist dat : Barbara Kemp niet geslaagd is voor het opleidingsonderdeel ‘Didactische Competentie Stage’ in de GPB-opleiding. ( ... )”; De rechtspleging 2. De zaak is versneld opgeroepen omdat zij volgens het auditoraat voor haar oplossing slechts korte debatten vereist. Ter terechtzitting verklaren beide partijen geen bezwaar te hebben tegen het volgen van deze procedure. Het voorwerp van het beroep 3. Verzoekster heeft tegen de beslissing van de examencommissie waarbij zij niet geslaagd wordt verklaard het georganiseerd beroep ingesteld overeenkomstig het eigen examenreglement van verwerende partij. De ontvankelijk te bestrijden eindbeslissing is die welke de examencommissie dan neemt na het advies van de beroepscommissie. Het beroep is niet ontvankelijk in zoverre het is gericht tegen de beslissing waarvan beroep, van 24 januari 2008. XII-5378-3/8 De gegrondheid van het beroep Uiteenzetting van de partijen 4. Verzoekster voert in het inleidend verzoekschrift de schending van de motiveringsplicht aan, doordat er naar haar zeggen “totaal geen spoor [is] van een duidelijk, concrete, nauwkeurige en draagkrachtige motivering in de ‘beroeps- beslissing’, zelfs in samenhang gelezen met het advies van die commissie”. Zij adstrueert haar middel onder meer als volgt : “Meer in het bijzonder wordt niet ingegaan op het argument hoe verzoekster als niet geslaagd kon worden bevonden als in het samenvattend stageverslag voor geen enkel onderdeel een negatieve beoordeling werd gegeven. 3. Gezien van de oorspronkelijke beslissing van 24 januari 2008 geen enkel schriftelijk spoor lijkt te bestaan, is ook hier geen informatie voor handen waaruit kan afgeleid worden waarom verzoekster als niet geslaagd werd beschouwd. In elk geval zijn algemene beginselen van behoorlijk bestuur ook mbt deze eerste beslissing geschonden. Het enige document dat voor handen is, en waarvan de punten van de mentor en de begeleiders niet zijn ingevuld (zie bovenaan de pagina's), duidt voor geen enkele les of thema een onvoldoende aan. De bijzondere beoordeling is overigens ook tegenstrijdig met de algemene beoordeling. Ondanks het feit dat ook voor de aparte onderdelen opmerkingen worden gemaakt voor wat betreft de taal, wordt nooit een onvoldoende gegeven. Pas in de algemene motivering wordt gesteld dat de taalfouten (uitsluitend) tot een onvoldoende zouden leiden. Immers, de algemene presentatievaardigheden worden als positief beschouwd, evenzeer als de attitude. Het is dan ook zo dat in de algemene beoordeling enkel de negatieve punten van de stages samengevat werden weergegeven, zonder acht te slaan op de positieve aspecten ervan, die n.b. telkens voor iedere stage apart minstens tot een quotering ‘+/-‘ en zelfs twee maal tot een ‘+’ hebben geleid. Bovendien is de samenvatting die de mentor maakt ook maar een ‘samenvatting’ van onder meer de verslagen van de stagebegeleiders. De verslagen die verzoekster kon inzien, maar waarvan ze geen kopie kreeg, zijn tegenstrijdig, en opvallend positiever van mevr. Moeneclaey dan van mevr. Gadeyne. De samenvatting van de mentor geeft dan ook een vertekend beeld van de werkelijke evaluatie door de stagebegeleiders. Meer in het bijzonder is dit verslag tegenstrijdig met de teneur van het advies van mevr. Moeneclaey”. 5. In de nota met opmerkingen, ingediend in de schorsingsprocedure, antwoordt verwerende partij hierop als volgt : “19 Inzake de beslissing d.d. 24 januari 2008 haalt verzoekende partij aan dat geen enkel schriftelijk spoor bestaat waaruit kan worden afgeleid dat verzoekende partij niet geslaagd werd beschouwd. Dit is pertinent onjuist. De beslissing bevat een duidelijke motivering die zijn draagkracht vindt in de beoordelingsdocumenten beschikbaar in het XII-5378-4/8 administratief dossier, Meer zelfs, verzoekende partij kreeg een globaal stage- evaluatiedocument (stuk 14) waarin haar tekortkomingen worden toegelicht. Ook de individuele stageverslagen van haar mentoren zijn terzake duidelijk. Zoals hoger reeds omschreven, kreeg de verzoekende partij slechts tweemaal een hogere beoordeling dan ‘+/-’. De betekenis van deze beoordeling werd meegedeeld aan verzoekende partij, zijnde 8, 9 of 10 op 20. Hoe verzoekende partij dan kan beweren dat ze voor geen enkel onderdeel een negatieve evaluatie heeft gekregen, blijft voor verwerende partij een groot raadsel. Verzoekster kan toch geen verbazing veinzen niet geslaagd te zijn indien zij in de meeste evaluaties slechts dermate zwakke resultaten haalde. Het is correct dat er op de globale stage-evaluatie inderdaad geen punten zijn meegedeeld, maar uit stuk 2, pagina 13 blijkt duidelijk dat de eindbeoordeling hoe dan ook geen rekenkundig gemiddelde is van de afzonderlijke lesbeoordelingen, maar wel een waardeschatting op grond van alle informatie over de activiteiten van de betrokken stagiair. Indien belangrijke aandachtspunten (basiscompetenties) op het einde van de stage onvoldoende bereikt worden, wegen deze in de eindscore zwaarder door, wat kan leiden tot een niet - slagen voor de stage. Welnu, verzoekster kan, zoals gezegd, onmogelijk verbazing veinzen over haar resultaat indien zij de individuele en de globale stage-evaluatie(

  1. s)onder ogenschouw neemt. 20 Inzake de beslissing in beroep dd 17 maart 2008, in samenhang gelezen met het advies van de beroepscommissie, wordt door verzoekster amper geargumenteerd waarom deze beslissing de materiële motiveringsplicht zou kunnen schenden. Verzoekende partij formuleert de algemene stijlformule dat er geen ‘spoor is van een duidelijke, concrete, nauwkeurige en draagkrachtige motivering’, en dit hoofdzakelijk omdat, opnieuw, in het samenvattend stageverslag voor geen enkel onderdeel een negatieve beoordeling zou gegeven zijn. Over de inhoud en de draagwijdte van de stage-evaluatie(
  2. s)verwijst verwerende partij naar wat hoger reeds werd aangegeven. Dat er geen negatieve beoordeling zou zijn, is pertinent onjuist”. Beoordeling 6. Formeel is aan de Raad van State, noch aan verzoekster, afschrift bezorgd van de thans bestreden beslissing. Haar bestaan en vermoedelijke inhoud is maar af te leiden uit de mededeling van 17 maart 2008. Verzoekster refereert in haar verzoekschrift wel aan “een beslissing”, waarbij opvallend aanhalingstekens worden gebruikt, maar zij vecht wezenlijk het bestaan ervan niet aan. Afgaande op het schrijven van 17 maart 2008 neemt de Raad van State voor het debat dan ook aan dat de examencommissie effectief op 21 februari 2008 de beslissing om verzoekster niet geslaagd te verklaren heeft genomen, zonder evenwel een eigen motivering te veruitwendigen. Zij heeft enkel “het duidelijk gemotiveerde advies van de beroepscommissie” gevolgd. XII-5378-5/8 Nu is dit advies van de beroepscommissie wel ook aan verzoekster bezorgd, maar het is geenszins behulpzaam om de motivering voor haar niet-slagen te achterhalen, aangezien het enkel vaststelt dat de beroepsprocedure correct werd gevolgd, dat verzoekster niet geslaagd was voor de module, dat verzoekster “niet begrijpt waarom ze niet geslaagd is hoewel zij een duidelijke en gemotiveerde schriftelijke beslissing gekregen heeft”, dat verzoekster “meerbepaald niet is geslaagd voor het onderdeel ‘beoordeling van de stagelessen door de mentoren’” en dat verzoekster “op de hoogte was van alle beslissingscriteria die leiden tot het niet- slagen”. De grieven die verzoekster in de loop van de bezwaarprocedure heeft aangevoerd, worden in het advies volstrekt onbeantwoord gelaten, terwijl het nochtans vaste rechtspraak van de Raad van State is dat, zelfs als moet worden aangenomen dat in het kader van de formele motiveringsverplichting de overheid niet verplicht is te antwoorden op elk voor haar aangevoerd argument, uit de beslissing dan toch moet blijken dat de argumentatie daadwerkelijk in de besluitvorming werd betrokken en waarom de argumenten niet werden aanvaard. Waar voorts in het proces-verbaal van 21 februari 2008 van de beroepscommissie te lezen is dat verzoekster “meerbepaald niet is geslaagd voor het onderdeel ‘beoordeling van de stagelessen door de mentoren’”, stelt de Raad van State vast op zicht van het administratief dossier, dat de desbetreffende eindbeoordeling (stuk 9 van het administratief dossier) noch een cijfermatige negatieve eindbeoordeling bevat, noch een eindconclusie die onweerlegbaar als eenduidig negatief kan worden aangemerkt. Integendeel zelfs : beide mentoren laten het eindonderdeel betreffende verzoekster formeel onbeantwoord, waar ze stellen dat “de 18 uren die ze les gegeven heeft, [niet] volstaan [...] om op de laatste vraag te antwoorden”, die vraag zijnde of de kandidaat iemand is die ze als toekomstig leerkracht in hun school willen zien functioneren. Het proces-verbaal van het eindexamen van 24 januari 2008 bevat al evenmin een motivering die als draagkrachtig kan worden aangemerkt, waar het enkel de punten vermeld als 395/800. Tegenover die punten staat immers de vaststelling, op basis van het administratief dossier, dat de evaluatie van verzoeksters stage geen enkele cijfermatige verantwoording bevat per beoordeeld onderdeel, terwijl volgens het evaluatiereglement (punt 3.2) de stage wordt beoordeeld op 800 punten en vier grote evaluatieonderdelen bevat waarvoor de XII-5378-6/8 stagiair telkens geslaagd moet zijn. Die onderdelen zijn de beoordeling van de stagemap (200 punten), de beoordeling van de stagelessen door de mentoren (200 punten), de beoordeling door de stagebegeleider (400 punten) en een attitudebeoordeling. Het is derhalve volstrekt onmogelijk aan de hand van dit beoordelingselement na te gaan waar en door wie verzoeksters stage, met als eindcijfer 395/800, als ondermaats werd beoordeeld. Dit klemt des te meer, nu verzoekster nipt niet de helft van de punten heeft behaald én -zoals verwerende partij zelf niet nalaat te onderstrepen- volgens hetzelfde evaluatiereglement de eindbeoordeling geen rekenkundig gemiddelde is van alle afzonderlijke lesbeoordelingen. Met nog meer reden heeft verzoekster er dus recht op te weten hoe en waarom de eindbeoordeling is tot stand gekomen. Bovendien is dit onderzoek ook niet aan de hand van een duidelijk woordelijk dan wel anderszins gemotiveerd eindoordeel per beoordelingsonderdeel mogelijk. Noch de beoordeling van de stagemap, noch de beoordeling van de stage door de mentoren of door de stagebegeleider, noch tenslotte verzoeksters attitudebeoordeling bevatten, cijfermatig dan wel in duidelijke bewoordingen, een evaluatie die finaal, uitgesproken en onweerlegbaar als negatief kan worden aangemerkt. Zelfs de onderdelen die dat volgens verwerende partij moeten aantonen omdat ze “+/-” vermelden, falen daarin. Volgens het meervermeld evaluatiereglement staat de code “+/-” immers voor “leemten - twijfel” of voor “8, 9, 10”. Welnu, als er twijfel bestond dan was het gepast aan te geven waarom die twijfel in het nadeel van verzoekster uitviel en als de cijferreeks ook een “10” kon zijn dan was dat een slaagcijfer. De bestreden beslissing is derhalve materieel in genendele afdoende gemotiveerd. Het middel is gegrond. De vordering tot schorsing 7. De nietigverklaring van de ontvankelijk bestreden beslissing heeft tot gevolg dat de door verzoekster ingediende vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van die beslissing geen voorwerp meer heeft. XII-5378-7/8 OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel 1. Vernietigd wordt de beslissing van 21 februari 2008 van de examencommissie van het Centrum voor Volwassenenonderwijs VIVO te Kortrijk, waarbij Barbara Kemp niet geslaagd wordt verklaard voor de module “didactische competentie stage”. Artikel 2. Het beroep wordt verworpen voor het overige. Artikel 3. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel 4. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op acht juli 2008, door : de H. G. VAN HAEGENDOREN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. G. VAN HAEGENDOREN. XII-5378-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.185.221 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.