← België

Arrest 185223 - Varia (binnenlandse zaken en lokale besturen) - 08/07/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 juli 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.185.223 Rolnummer: Zaak: Arrest 185223 - Varia (binnenlandse zaken en lokale besturen) - 08/07/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-07-17 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-06-29 08:22 Fiche Arrest nr 185.223 van 8 juli 2008 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Varia (binnenlandse zaken en lokale besturen) Beslissing : Verwerping Samenvoeging Tussenkomst geweigerd Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 185.223 van 8 juli 2008 in de zaken A. 110.156/XII-

  1. A. 126.645/XII-
  2. In zake : de GEMEENTE KRUIBEKE, die woonplaats kiest bij advocaten B. Peeters en H. Symoens, kantoor houdende te Brussel, Havenlaan 86C/419 tegen : het VLAAMSE GEWEST, dat woonplaats kiest bij advocaat G. Lambert, kantoor houdende te Oostende, Elisabethlaan 303 verzoekster in tussenkomst : de NV WATERWEGEN EN ZEEKANAAL, die woonplaats kiest bij advocaat Y. Loix, kantoor houdende te Antwerpen, Mechelsesteenweg
  3. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de gemeente Kruibeke op 10 september 2001 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 10 juli 2001 van de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Huisvesting en Ambtenarenzaken waarbij het besluit van 18 december 2000 van de gemeenteraad van Kruibeke houdende heffing van een belasting op grote infrastructuurwerken voor de dienstjaren 2001 tot en met 2006 wordt vernietigd (A. 110.156/XII-3285); Gezien het verzoekschrift dat de gemeente Kruibeke op 11 september 2002 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 16 juli 2002 van de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Cultuur, Jeugd en Ambtenarenzaken waarbij het besluit van 18 december 2001 van de gemeenteraad van Kruibeke houdende heffing van een XII-3285-1/15 belasting op grote infrastructuurwerken voor de dienstjaren 2002 tot en met 2006 wordt vernietigd (A. 126.645/XII-3652); Gelet op het arrest nr. 103.022 van 31 januari 2002 in de zaak A. 110.156/XII-3285 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing wordt verworpen; Gezien het verzoekschrift tot voortzetting van het geding van 6 maart 2002 ingediend door verzoekster; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgesteld door auditeur P. De Somere; Gelet op de beschikkingen van 17 oktober 2006 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van de verslagen aan partijen en gezien de laatste memories van verwerende partij; Gezien de verzoekschriften tot tussenkomst van 19 april 2007 in beide zaken; Gelet op de beschikkingen van 12 juni 2007 die de tussenkomst van de NV Waterwegen en Zeekanaal in beide zaken toelaten; Gezien de memories “van antwoord op verzoekschrift tot tussenkomst” vanwege verzoekster, Gelet op de beschikkingen van 25 januari 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 26 februari 2008; Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; Gehoord de opmerkingen van advocaat G. Lambert, die verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat Y. Loix, die verschijnt voor de NV Waterwegen en Zeekanaal; XII-3285-2/15 Gehoord het andersluidend advies van auditeur P. De Somere; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : De feitelijke gegevens van beide zaken
  4. Ter zitting van 18 december 2000 keurt de gemeenteraad van Kruibeke een “Gemeentebelasting op grote infrastructuurwerken” goed. Luidens het besluit wordt met ingang van 1 januari 2001 en eindigend op 31 december 2006 een gemeentebelasting gevestigd op het oprichten van grote bouwwerken, zijnde werkzaamheden waarvoor een stedenbouwkundige vergunning overeenkomstig artikel 99, §1, 1/ en 4/, van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening vereist is. De belasting wordt verrekend naar rato van het totale volume van de constructie, verhoging of verdieping, uitgedrukt in m³. Voor het volume tot 5000 m³ wordt de belasting vastgesteld op 50 frank/m³ en voor het volume vanaf 5001 m³ op 100 frank/m³. Voor afbraakwerken wordt de belasting tot 1/5e herleid. Voor verbouwingswerken wordt enkel rekening gehouden met de toename aan volume, tenzij de verbouwing betrekking heeft op een goed dat werd opgericht na de inwerkingtreding van dit reglement en dat gezien het volume niet aan de belastingheffing onderworpen was. De belasting is verschuldigd door de hoofdaannemer die de werkzaamheden uitvoert of laat uitvoeren. Indien de werkzaamheden worden uitgevoerd door meerdere hoofdaannemers, is elke aannemer het deel van de op het totale volume berekende belasting verschuldigd dat procentueel overeenstemt met het door hem opgerichte volume. De houder van de bouwvergunning is hoofdelijk aansprakelijk voor het betalen van de belasting. Bij beslissing van 27 februari 2001 van de gouverneur van Oost- Vlaanderen wordt het gemeenteraadsbesluit van 18 december 2000 in zijn uitvoering geschorst. Nadat de gemeenteraad van Kruibeke in zijn zitting van 14 mei 2001 heeft beslist het gemeenteraadsbesluit van 18 december 2000 te handhaven, met een toevoeging in artikel 1, §1, waardoor grote bouwwerken worden gedefinieerd als bouwwerken met een volume waarvan de omvang 1000 m³ XII-3285-3/15 overtreft, wordt het gemeenteraadsbesluit van 18 december 2000 bij beslissing van 10 juli 2001 van de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Huisvesting en Ambtenarenzaken op grond van volgende overwegingen vernietigd : “Overwegende dat voor zover het criterium van belastbaarheid gelegen is in de omvang van de uitgeoefende economische activiteit, de verantwoording ontbreekt waarom alleen aannemers van bouwwerken worden belast en niet ook andere economische ondernemingen van een zekere omvang of met een bepaald belang. Hierdoor ontstaat een onverantwoorde ongelijkheid in behandeling van verschillende economische ondernemingen zodat de belastingverordening van Kruibeke van 18 december 2000 strijdig is met het gelijkheidsbeginsel; Overwegende dat voor zover de verantwoording voor de belastingverordening toch hoofdzakelijk te wijten is aan het uitoefenen van voor de gemeente hinderlijke bouwactiviteiten, het aangewezen, logisch en billijk is dat de bouwheer wordt aangeduid als belastingplichtige. Enerzijds is hij de oorzaak van de bouwactiviteit en van de hinder die eruit voortvloeit; anderzijds zou het aanduiden van de aannemer als belastingplichtige tot gevolg hebben dat een activiteit kan opgesplitst worden over verschillende aannemers om de belasting te ontwijken. Hierdoor wordt de belasting ineffectief en willekeurig; naargelang meer of minder van de ontwijkingsmogelijkheid gebruik gemaakt wordt; Overwegende dat in het rechtvaardigingsbesluit bovendien wordt gesteld dat het belasten van de aannemer, wegens het uitoefenen van belangrijke economische activiteiten, de mogelijkheid biedt om de belasting toe te passen, zelfs indien deze activiteit wordt uitgevoerd in opdracht van de overheid en aan goederen die behoren tot het openbaar domein. Het algemeen rechtsbeginsel dat openbare domeingoederen vrijgesteld zijn van gemeentebelastingen wordt derhalve niet terzake geacht voor de toepassing van de gemeentebelasting op grote infrastructuurwerken, zoals vastgesteld in de verordening van 18 december 2000; Overwegende dat in de gemeente Kruibeke eerlang gestart wordt met de aanleg van een gecontroleerd overstromingsgebied in de polders van Kruibeke, Bazel en Rupelmonde in het kader van de realisatie van het Sigmaplan ter beveiliging van het Scheldebekken tegen stormvloeden vanuit de Noordzee; Overwegende dat deze werken bij uitstek van openbaar nut zijn in het kader van de veiligheid van de omgeving en de bescherming van een gezond leefmilieu. De bedoelde werken zijn van algemeen belang verklaard in artikel 3 van het voormelde besluit van de Vlaamse Regering van 23 juni 1993 ; Overwegende dat de gemeente Kruibeke de intentie heeft om de grote infrastructuurwerken welke in opdracht van het Vlaamse gewest zullen worden uitgevoerd ter realisatie van het Sigmaplan, te belasten en dat de belastingverordening van 18 december 2000 op grote infrastructuurwerken zelfs specifiek op deze werken lijkt afgestemd. Dit blijkt uit: - het uitdrukkelijk opnemen van reliëfwijzigingen in een belasting op het bouwen - het specifiek belasten van grote infrastructuurwerken - het weglaten van de vrijstelling voor werken aan goederen die behoren tot het openbaar domein - de aanduiding van de aannemer van de werken als belastingplichtige in tegenstelling tot de gebruikelijke aanduiding van de bouwheer als belastingplichtige - de verantwoording die in het rechtvaardigingsbesluit gegeven wordt, zowel voor de aanduiding van de belastingplichtige als voor het weglaten, van de vrijstelling voor openbare domeingoederen; XII-3285-4/15 Overwegende dat de last van de bedoelde gemeentebelasting, hoewel verschuldigd door de aannemer van de infrastructuurwerken, zal doorgerekend worden in de kostprijs, aan de opdrachtgever; Overwegende dat de aanleg van het gecontroleerd overstromingsgebied Kruibeke-Bazel-Rupelmonde inzonderheid de aanleg van dijken inhoudt, dus verhoging en uitdieping van de bodem of een reliëfwijziging met een omvangrijk volume dat, ruw geraamd, kan oplopen tot 3.000.000 m³. Door toepassing van de belastingverordening van de gemeente Kruibeke van 18 december 2000 zou de meerkost van deze werken derhalve oplopen tot 300 miljoen frank; Overwegende dat de belastingverordening van 18 december 2000 van de gemeente Kruibeke houdende heffing van een belasting op grote infrastructuurwerken derhalve strijdig is met de belangen van de hogere overheid”. Dit is de bestreden beslissing in de zaak A. 110.156/XII-
  5. In zijn zitting van 18 december 2001 keurt de gemeenteraad van Kruibeke opnieuw een “Gemeentebelasting op grote infrastructuurwerken” goed. Met ingang van 1 januari 2002 en eindigend op 31 december 2006 wordt een gemeentebelasting gevestigd op het oprichten van grote bouwwerken, waaronder worden verstaan werkzaamheden waarvoor een stedenbouwkundige vergunning vereist is overeenkomstig artikel 99, §1, 1/ en 4/, van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening en waarvan de omvang een totaal volume van 1000 m³ overtreft. De belasting wordt verrekend naar rato van het totale volume van de constructie, verhoging of verdieping, uitgedrukt in m³. Voor het volume van 1001 m³ tot 5000 m³ wordt de belasting vastgesteld op 1,24 euro/m³, voor het volume vanaf 5001 m³ op 2,48 euro/m³. Voor afbraakwerken wordt de belasting tot 1/5e herleid. Voor verbouwingswerken wordt enkel rekening gehouden met de toename aan volume, tenzij de verbouwing betrekking heeft op een goed dat werd opgericht na de inwerkingtreding van dit reglement en dat gezien het volume niet aan de belastingheffing onderworpen was. De belasting is verschuldigd door de hoofdaannemer die de werkzaamheden uitvoert of laat uitvoeren. Indien de werkzaamheden worden uitgevoerd door meerdere hoofdaannemers, is elke aannemer het deel van de op het totale volume berekende belasting verschuldigd dat procentueel overeenstemt met het door hem opgerichte volume. De houder van de bouwvergunning is hoofdelijk aansprakelijk voor het betalen van de belasting. Bij beslissing van 19 maart 2002 van de gouverneur van Oost- Vlaanderen wordt dit gemeenteraadsbesluit in zijn uitvoering geschorst. XII-3285-5/15 Nadat de gemeenteraad van Kruibeke in zijn zitting van 13 mei 2002 beslist voormeld geschorst gemeenteraadsbesluit te handhaven, wordt het gemeenteraadsbesluit van 18 december 2001 bij beslissing van 16 juli 2002 van de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Cultuur, Jeugd en Ambtenarenzaken vernietigd. Daartoe wordt in de eerste plaats zeer uitgebreid gerelateerd op welke gronden de gemeentebelasting van 18 december 2000 vernietigd is geworden door het ministerieel besluit van 10 juli 2001, waarna wordt vervolgd met : “Overwegende dat het raadsbesluit van 18 december 2001 tot heffing van een belasting op grote infrastructuurwerken voor de dienstjaren 2002 tot en met 2006 identiek is aan het vernietigde raadsbesluit van 18 december 2000, behalve wat de bepaling van de nieuwe geldigheidstermijn betreft en de aanslagvoet. De aanslagvoet werd vastgesteld in euro en bedraagt nu 1,24 euro per m³ voor het volume van 1.001 m³ tot 5.000 m³ en 2,48 euro per m³ voor het volume vanaf 5001 m³. Deze aanslagvoeten komen overigens overeen met de waarde van de vroegere aanslagvoeten uitgedrukt in Belgische frank; Overwegende dat het besluit van de gouverneur van de provincie Oost- Vlaanderen van 19 maart 2002 tot schorsing van de uitvoering van het raadsbesluit van Kruibeke van 18 december 2001 de argumentatie overneemt van het voormelde vernietigingsbesluit van 10 juli 2001 van de minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Huisvesting en Ambtenarenzaken; Overwegende dat ook de inhoud van het rechtvaardigingsbesluit van 13 mei 2002 wat de principiële bezwaren tegen de belasting betreft, identiek is aan het rechtvaardigingsbesluit van 14 mei 2001; Overwegende dat er derhalve geen redenen zijn, noch nieuwe argumenten werden aangevoerd om een ander standpunt in te nemen ten aanzien van het voormelde raadsbesluit van 18 december 2001 dan het standpunt dat werd ingenomen ten aanzien van het voormelde, vernietigde raadsbesluit van de gemeente Kruibeke van 18 december
  6. Het raadsbesluit van 18 december 2001 van de gemeente Kruibeke tot heffing van een belasting op de grote infrastructuurwerken voor de dienstjaren 2002 tot en met 2006 is, evenzeer als het gelijkaardige raadsbesluit van 18 december 2000, en om dezelfde redenen, strijdig met het gelijkheidsbeginsel en met de belangen van de hogere overheid”. Dit is de bestreden beslissing in de zaak A. 126.645/XII-
  7. De samenvoeging
  8. De bestreden beslissingen vernietigen elk een nagenoeg identiek belastingreglement, om identieke redenen. Tegen de vernietigingsbeslissingen wordt door verzoekster letterlijk dezelfde wettigheidskritiek aangevoerd. Er is bijgevolg ten zeerste reden om de zaken in het belang van een goede rechtsbedeling samen te voegen. XII-3285-6/15 De verzoeken tot tussenkomst Standpunt van de partijen
  9. Volgens verzoekster zijn de verzoeken van 19 april 2007 tot tussenkomst van de NV Waterwegen en Zeekanaal niet ontvankelijk. Ze zijn “meer dan laattijdig” en hebben “in ieder geval een vertragend effect” op de procedures.
  10. De NV Waterwegen en Zeekanaal zet uiteen dat aanvankelijk enkel het Vlaamse Gewest “enig belang” had “aangezien enerzijds de bestreden beslissing van de Vlaamse minister wordt aangevochten en anderzijds het Vlaamse Gewest de opdrachtgevende overheid was inzake, bevoegd voor de uitvoering van de werken in het kader van de realisatie van het overstromingsgebied en bijgevolg aan de kwestieuze belasting onderworpen”, dat echter, ten gevolge van het decreet van 2 april 2004 betreffende het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigde agentschap Waterwegen en Zeekanaal, naamloze vennootschap van publiek recht, niet meer het Vlaamse Gewest bevoegd is voor het beheer van de waterwegen, en de NV Waterwegen en Zeekanaal moet worden beschouwd als opdrachtgevende overheid, dat het besluit van 19 november 2004 van de Vlaamse regering betreffende de rechtsopvolging naar aanleiding van de omzetting van de Dienst voor de Scheepvaart in een publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap De Scheepvaart, en naar aanleiding van de kwalificatie van de NV Zeekanaal en Watergebonden Grondbeheer Vandaag waarvan de naam wordt gewijzigd in Waterwegen en Zeekanaal als publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap, uitdrukkelijk aan haar alle rechten en verplichtingen uit hangende en toekomstige gerechtelijke procedures heeft overgedragen, en dat nu de financiële gevolgen van de betrokken gemeentebelastingen volledig te haren laste komen. De NV Waterwegen en Zeekanaal betoogt voorts dat zij nooit door de Raad van State van de onderhavige procedures op de hoogte is gebracht, dat het pas door de media-aandacht van eind 2006 voor het auditoraatsverslag is dat de NV feitelijk kennis kreeg van de procedures, dat zij op dat ogenblik informatie heeft ingewonnen bij haar rechtsvoorganger en juiste en volledige kennis kreeg van de bestreden handeling, dat de verzoekschriften “nog binnen een redelijke termijn na feitelijke kennisname” zijn ingediend en geen vertragend effect op de hangende procedures hebben. XII-3285-7/15 Beoordeling
  11. Overeenkomstig artikel 21bis, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kunnen degenen die belang hebben bij de oplossing van de zaak er in tussenkomen, moet de eis tot tussenkomst worden ingediend ten laatste binnen dertig dagen na ontvangst van het bericht waarmee de hoofdgriffier het beroep ter kennis heeft gebracht, en kan, bij ontstentenis van kennisgeving, een latere tussenkomst worden toegelaten voor zover deze tussenkomst de procedure op generlei wijze vertraagt.
  12. Met de NV Waterwegen en Zeekanaal wordt aangenomen dat de NV, ten gevolge van het voormelde decreet van 2 april 2004 en het voornoemde besluit van 19 november 2004 van de Vlaamse regering, “optreedt als rechtsopvolger van het Vlaamse Gewest als bouwheer van de werken tot aanleg van [het] overstromingsgebied” en dat zij mag vrezen de financiële gevolgen van de belastingen van 18 december 2000 en 18 december 2001 te zullen moeten ondergaan. Doen de op 19 april 2007 ingediende verzoekschriften tot tussenkomst van de NV Waterwegen en Zeekanaal dan ook geen problemen rijzen vanuit het oogpunt van het belang, anders is het vanuit het oogpunt van de tijdigheid.
  13. De beroepen zijn het Vlaamse Gewest, rechtsvoorganger van de NV Waterwegen en Zeekanaal, met brieven namens de hoofdgriffier ter kennis gebracht op 20 maart 2002, respectievelijk 7 november
  14. Laat het zich verstaan dat het Vlaamse Gewest zich niet binnen de gestelde termijn van dertig dagen als een verzoeker in tussenkomst heeft gemanifesteerd aangezien het toch reeds in de hoedanigheid van verwerende partij in de zaken tussenkwam, en dat, gelet op die bijzondere omstandigheden, de NV Waterwegen en Zeekanaal als rechtsopvolgster van het Vlaamse Gewest uitzonderlijk een nieuwe termijn wordt toegemeten om tussen te komen, dit houdt dan weer niet in dat tevens de mededeling van de beroepen aan de rechtsvoorganger van de NV moet worden weggecijferd of dat zou moeten worden aangenomen dat die mededeling zich niet ook tot de rechtsopvolgers uitstrekt. XII-3285-8/15 Er was derhalve geen reden voor de hoofdgriffier om de beroepen na de overdracht nog een tweede keer mee te delen, noch voor de NV Waterwegen en Zeekanaal om, bij gebreke aan een nieuwe mededeling, zichzelf te beschouwen als een partij die “nooit door de Raad van State in kennis [werd] gesteld van huidige procedure[s]”, voor wie het volstaat dat zij haar verzoek tot tussenkomst “binnen een redelijke termijn na feitelijke kennisname” van het beroep indient. Integendeel meent verzoekster terecht “dat aangezien de verzoekende partij in tussenkomst de rechtsopvolger is van het Vlaamse Gewest, zij niet kan voorhouden dat zij geen kennis zou hebben gedragen van de huidige procedure[s]”.
  15. De NV behoorde dan ook met bekwame spoed nadat zij, ten gevolg van de rechtsopvolging, van het Vlaamse Gewest diens belang -als bedoeld in het eerder vermelde artikel 21bis- bij de belechting van de beroepen tegen de vernietiging van de belastingen overnam en voortzette, te kennen te geven in de beroepen te willen tussenkomen. Evenwel wachtte zij daar meer dan twee jaar mee. Zelfs nadat zij, naar eigen zeggen, eind 2006 feitelijk kennis kreeg van de beroepen, door de media-aandacht voor het betrokken auditoraatsverslag, duurde het nog ruim langer dan drie maanden vooraleer zij ertoe kwam haar verzoeken tot tussenkomst te formuleren.
  16. De verzoeken tot tussenkomst van de NV Waterwegen en Zeekanaal, die bij beschikkingen van 12 juni 2007 voorlopig werken ingewilligd, worden finaal als laattijdig afgewezen. Daar is overigens des te meer reden toe waar de omstandige verzoeken tot tussenkomst, waarin voor het eerst -en nadat het auditoraatsverslag reeds is opgesteld en de laatste memories zijn gewisseld- de ontvankelijkheid van de beroepen wordt betwist, bovendien een ordentelijke afwikkeling van de beroepen bemoeilijken. De grond van de beide zaken Standpunt van verzoekster
  17. In haar verzoekschriften voert verzoekster in een enig middel de schending aan van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en van de motiveringsplicht. XII-3285-9/15 Zij richt zich in een eerste onderdeel tegen “de ingeroepen ongelijkheid veroorzaakt door het niet belasten van andere economische ondernemingen”. Een tweede onderdeel bekritiseert “het argument dat de bouwheer als belastingplichtige zou moeten worden aangeduid”. Een derde onderdeel betreft “het motief dat door het belasten van de aannemer wegens het uitoefenen van belangrijke economische activiteiten, het algemeen rechtsbeginsel dat domeingoederen vrijstelt niet terzake wordt geacht voor de toepassing van het belastingreglement op grote bouwwerken”. In dat verband wordt “in eerste instantie” benadrukt “dat de vernietigingsbeslissing geenszins weergeeft op welke wijze deze overweging de vernietiging van het belasting- reglement zou kunnen motiveren als in strijd met de wet of het algemeen belang”. In de vierde plaats betwist verzoekster “dat de gemeente specifiek tot doel had welbepaalde werken, met name de in opdracht van het Vlaams gewest uit te voeren werken in het kader van het Sigmaplan, aan een belasting te onderwerpen”. Een vijfde en laatste onderdeel viseert het vernietigingsmotief dat de belasting verschuldigd door de aannemer zal worden doorgerekend in de kostprijs en kan oplopen tot een totale meerkost van 300 miljoen frank die door de opdrachtgever, het Vlaamse Gewest, betaald zal moeten worden. Uiteengezet wordt dat de omstandigheid dat een belasting die wordt gevorderd vanwege een economische activiteit wordt doorgerekend in de kostprijs en aldus door de medecontractant wordt gedragen, “een vrij regelmatig voorkomend fenomeen [is], dat zeker niet uniek is”, dat het zonder belang is dat de medecontractant in bepaalde gevallen de overheid is, en dat aldus het Vlaamse Gewest op vandaag reeds tal van lokale belastingen draagt, zoals bijvoorbeeld de belasting op motoren die in de kostprijs van de werken wordt doorgerekend. Besluitend stelt verzoekster: “Het feit dat een gewest via een omweg van de aangerekende kostprijs of de gevraagde huurprijs onrechtstreeks belastingen dient te dragen, is misschien voor deze overheid onaangenaam, maar volstaat inderdaad niet om te stellen dat dergelijke belastingen ‘de belangen van de hogere overheid’ schaden”. Bespreking XII-3285-10/15
  18. De bestreden beslissingen roepen ter vernietiging van de betrokken gemeentebelasting drie motieven in: “ongelijkheid in behandeling van verschillende economische ondernemingen”, het gevaar dat de belasting “ineffectief en willekeurig” wordt doordat niet de bouwheer als belastingplichtige wordt aangeduid, en strijdigheid “met de belangen van de hogere overheid”. Het derde vernietigingsmotief is het meest uitgewerkt en kennelijk preponderant. Het lijdt geen twijfel dat de verwerende partij ook nog bij ontstentenis van de andere motieven, tot de aangevochten vernietigingen zou hebben besloten.
  19. Het motief komt, samengevat, hierop neer: openbare domein- goederen zijn blijkbaar niet vrijgesteld geworden van de belasting; binnenkort wordt in de gemeente gestart met werken voor de realisatie van het Sigmaplan ter beveiliging van het Scheldebekken tegen stormvloeden vanuit de Noordzee, werken die bij uitstek van openbaar nut zijn; het is de bedoeling om die werken te belasten; hierdoor zal de belasting aan de opdrachtgever worden doorgerekend en zullen de werken een meerkost oplopen tot 300 miljoen frank; dat schendt de belangen van de hogere overheid. Alleen het derde, vierde en vijfde onderdeel hebben op dat motief betrekking.
  20. Terecht merkt verzoekster in het derde onderdeel op dat niet wordt aangegeven op welke wijze het motief in verband met de niet-toepassing van het algemeen rechtsbeginsel dat openbare domeingoederen vrijgesteld zijn van gemeentebelastingen, de vernietiging van het belastingreglement van 18 december 2000 kan verantwoorden. Die opmerking is evenwel zonder relevantie. Het betreffende motief houdt geen kritiek, maar alleen een vaststelling in, waarvan niet wordt beweerd dat zij verkeerd zou zijn. De bestreden beslissingen verwijten de gemeentebelastingen geenszins onwettig of strijdig met het algemeen belang te zijn omdat zij het bedoelde algemeen rechtsbeginsel “niet terzake” achten. Verwerende partij constateert alleen dat de vrijstelling voor werken aan goederen die behoren tot het XII-3285-11/15 openbaar domein niet van toepassing is, wat haar dan, samen met de daarop volgende vaststellingen, tot de conclusie voert dat de belastingen een meerkost van 300 miljoen frank veroorzaakt voor de aanleg van een gecontroleerd overstromings- gebied in de polders van Kruibeke. Het derde onderdeel kan niet tot nietigverklaring leiden.
  21. Volgens het vierde onderdeel kan uit niets worden besloten dat de vernietigde belastingen “specifiek” de werken met betrekking tot de aanleg van het meer vernoemde gecontroleerd overstromingsgebied zouden beogen. De geviseerde passus maakt deel uit van een ruimere overweging die tot uitdrukking wil brengen dat de belastingen van 18 december 2000 en 18 december 2001 ongetwijfeld van toepassing zullen zijn op de grote infrastructuurwerken ter realisatie van het Sigmaplan. Daartoe overweegt de verwerende partij -ten eerste- dat de gemeente de intentie heeft om de belasting op deze infrastructuurwerken toe te passen en -ten tweede- dat zij uit vijf elementen afleidt dat de belasting zelfs specifiek op deze werken “lijkt” afgestemd. De kritiek in het besproken onderdeel mist relevantie. Niet dat de belasting specifiek op de werken is afgestemd, wordt in de bestreden beslissing overwogen, maar alleen dat het daar de schijn van heeft. Dit wordt in het onderdeel als zodanig niet betwist. Evenmin wordt betwist dat, zoals in de bestreden beslissing wordt gesteld, het effectief in de bedoeling van de gemeente ligt om de kwestieuze infrastructuurwerken aan de belastingen te onderwerpen. Of de belastingen bovendien (“zelfs”) ook nog speciaal zijn tot stand gebracht om die werken te kunnen belasten, doet voor de deugdelijkheid van het motief van de strijdigheid met de belangen van de hogere overheid niet terzake. Waar het met betrekking tot de deugdelijkheid van dat motief wezenlijk om gaat, is of de bestreden beslissingen terecht aannemen dat de belasting op de infrastructuurwerken zal worden toegepast. Het antwoord daarop luidt kennelijk ja. De toevoeging dat de belasting specifiek op deze werken lijkt afgestemd, is hoe dan ook een overtollig motief. Het vierde onderdeel kan evenmin tot vernietiging leiden. XII-3285-12/15
  22. In het vijfde onderdeel doet verzoekster gelden dat het feit dat de hogere overheid onrechtstreeks belastingen dient te dragen niet volstaat om haar belangen geschaad te achten, nu dat feit “een vrij regelmatig voorkomend fenomeen” is. Wat de verwerende partij ertoe gebracht heeft de heffing van de belastingen als strijdig te beschouwen met de belangen van de hogere overheid is niet het enkele feit dat de gemeentebelasting zal worden doorgerekend in de kostprijs van de meer vermelde infrastructuurwerken, maar wel de vaststelling dat alzo, gelet op de concrete omstandigheden van de zaak, de meerkost van deze werken tot zowaar 300 miljoen frank zal oplopen. Het besproken onderdeel maakt op generlei wijze aannemelijk dat, door op die bijzondere en specifieke grond tot de strijdigheid met de belangen van de hogere overheid te besluiten, verwerende partij de grenzen is te buiten gegaan van de discretionaire appreciatiebevoegdheid waarover zij op dat stuk beschikt. Ook de verwijzing in de respectieve memories van wederantwoord naar het arrest van 21 januari 1999 van het hof van beroep te Brussel (T.F.R., 1999, 397) toont dat niet aan. Volgens verzoekster bevestigt het hof van beroep in dit arrest impliciet “dat er geen enkele reden voorhanden is om belastingen die specifiek van een aannemer worden gevraagd en waar het voorwerp van de werken onverschillig is, niet toe te passen omwille van het feit dat de heffing via de kostprijs uiteindelijk betaald zal worden door een van belastingen vrijgesteld persoon”. Ongeacht of wat verzoekster beweerdelijk in het arrest leest niet eerder voor rekening van de auteur van de noot bij het arrest komt, heeft het alleszins in wezen betrekking op de vraag of bij werken verricht ten behoeve van een persoon die, of een gebouw dat, vrijstelling van belastingen geniet, de vrijstelling ook voor de aannemer van de werken zou moeten gelden. Die kwestie is te dezen zonder belang. Zij betreft immers de toepassing van het beginsel van de belastingvrijstelling van de openbare overheid en de toepassing van de gelijkheidsregel, terwijl het besproken vernietigingsmotief geen verband houdt met de schending van de wet, maar met de benadeling van het algemeen belang, in de zin van strijdigheid met de belangen van de hogere overheid. Het vijfde onderdeel van het middel wordt afgewezen. XII-3285-13/15
  23. Uit wat voorafgaat, volgt dat verzoekster er niet in slaagt het motief van de strijdigheid met de belangen van de hogere overheid in het gedrang te brengen. Aangezien dat motief volstaat om de bestreden beslissingen te verantwoorden, komen de overige motieven voor slechts overtollig te zijn. Het eerste en tweede onderdeel van het middel, die op deze overtollige motieven betrekking hebben, kunnen derhalve evenmin tot nietigverklaring leiden.
  24. Het enig middel wordt afgewezen. Daargelaten eventuele ontvankelijkheidsbezwaren, is er hoe dan ook reden om de beide beroepen te verwerpen. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  25. De zaken A. 110.156/XII-3285 en 126.645/XII-3652 worden gevoegd. Artikel
  26. De verzoeken tot tussenkomst van de NV Waterwegen en Zeekanaal worden verworpen. Artikel
  27. De beroepen worden wordt verworpen. Artikel
  28. De kosten van de beroepen tot nietigverklaring en van de vordering tot schorsing, bepaald op 522,06 euro, komen ten laste van verzoekster. De kosten van de verzoeken tot tussenkomst, bepaald op 250 euro, komen ten laste van de verzoekster in tussenkomst. XII-3285-14/15 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op acht juli 2008, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-3285-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.185.223 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.