id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 juli 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.185.232 Rolnummer: A. 188768/IX-5965 Zaak: Arrest 185232 - Tucht (openbaar ambt) - 08/07/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-07-10 Raadplegingen: 53 - laatst gezien 2026-06-29 08:22 Fiche Arrest nr 185.232 van 8 juli 2008 Openbaar ambt - Tucht (openbaar ambt) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 185.232 van 8 juli 2008 in de zaak A. 188.768/IX-5965. In zake : Kevin SCHOLLAERT, die woonplaats kiest bij advocaat N. Lorenzetti, kantoor houdende te Brugge, Walakker 28 tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE VOORZITTER VAN DE XIIe VAKANTIEKAMER, Gezien het enig verzoekschrift dat Kevin Schollaert op 28 juni 2008 heeft ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging en de nietigverklaring te vorderen van "de beslissing van de Directeur van de strafinrichting te Brugge - Mannenafdeling 1, van 25.06.2008 waarbij verzoeker de volgende tuchtsanctie werd opgelegd: Afzetting werk, mag onmiddellijk terug werk aanvragen, maar mag geen vertrouwensfunctie bekleden gedurende 6 maanden (tot en met 24/12/2008)"; Gezien de nota van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 1 juli 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 3 juli 2008, om 10.30 uur; Gelet op de beschikking van 1 juli 2008 waarbij aan verzoeker het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend wat de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid betreft; Gehoord het verslag van kamervoorzitter D. Verbiest; IX-5965-1/11 Gehoord de opmerkingen van advocaat N. Lorenzetti, die verschijnt voor verzoeker, en van attaché P. Van Caeneghem, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur L. Vermeire; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : De gegevens van de zaak. 1. De verwerende partij erkent dat verzoeker deel uitmaakte van de kuisploeg van het PCBO, het opleidingscentrum van de gevangenis, sedert enkele maanden is tewerkgesteld als "fatik" of "diender", en dat zulks binnen de inrichting een vertrouwensfunctie uitmaakt. 2. Aangezien verzoeker naar eigen zeggen gemiddeld werkt tot 17u30 en het levensritme van de tewerkgestelden volledig verschillend is van dat van de niet-werkende gedetineerden, komen werkers volgens verzoeker in aanmerking voor een monocel. Blijkens de verklaring van de verwerende partij ter terechtzit- ting komen bepaalde "dienders", naargelang de sectie waarin ze werken, inderdaad automatisch en bij voorrang in aanmerking voor een monocel, maar geldt dit niet voor de "dienders" van de PCBO-kuisploeg zoals verzoeker. 3. Verzoeker vroeg naar eigen zeggen een drietal weken geleden aan de betrokken kwartiermeester of hij een monocel kon krijgen. Deze verduidelijkte dat verzoeker als nummer 45 op de wachtlijst stond en zijn beurt moest afwachten, wat verzoeker naar eigen zeggen ook deed. Wel stelt hij volgens het inleidend verzoekschrift intussen vast dat de wachtlijst niet erg wordt gerespecteerd en dat bepaalde gedetineerden blijkbaar vroeger in aanmerking komen dan anderen. 4. Op 23 juni 2008 wordt ten laste van verzoeker door de kwartierover- ste (hierna : KO) Vandenbroucke het volgende tuchtrapport opgesteld betreffende de feiten die op 23 juni 2008 om 8u30 plaatsvonden : IX-5965-2/11 "Bovenvernoemde gedetineerde Schollaert, spreekt mij aan 'waarom hij als diender Pcbo geen monocel krijgt en dit onmiddellijk'. Hij beschuldigt ons van vriendjespolitiek jegens andere gedetineerden en dreigt ermee te ontsporen in agressie t.o.v. (het) personeel en terug zijn oude gedrag van in Hasselt te hernemen, want dan krijgt u uw goesting. De dreigingen van deze gedetineerde gaan reeds uit van verleden week 19/06/08. Daar provoceerde hij de nieuwe beambte Vanpraet Kelly dat zij moest opletten wat zij hem verbood daar zij nog met hem zou moeten samenwerken in het Pcbo. Dit naar aanleiding [van het feit dat] zij de celdeur wilde sluiten". Er worden twee getuigen vermeld en dit rapport wordt mee ondertekend door penitentiair beambte (hierna : PB) Vanpraet die, anders dan de raadsvrouw van verzoeker ter terechtzitting stelt, niet wordt vermeld als getuige (van de gesprekken met KO Vandenbroucke). 5. Eerder had PB Vanpraet blijkens het administratief dossier samen met een collega op 19 juni 2008 het volgende observatieverslag opgemaakt over verzoeker : "Bovengenoemde maakt provocatie naar beambte in opleiding PCBO met het feit dat hij als 'Diender PCBO' is tewerkgesteld. Provoceert verbaal naar beambte 'dat zij nog tijdens haar opleiding' zal moeten samenwerken (?) met hem in PCBO. Dit voorval naar aanleiding [van het feit] dat zijn celdeur dicht moest". 6. Verzoeker betwist de uiteenzetting van de feiten in het tuchtverslag en meent dat zijn woorden zijn verdraaid en uit de context gehaald. Hij zou naar eigen zeggen op geen enkel ogenblik hebben gedreigd of agressief uit de hoek zijn gekomen en de betrokken monocel zou daar ook geen reden voor zijn geweest omdat hij naar eigen zeggen daar nu eenmaal recht op heeft en hij die vroeg of laat toch zal krijgen. Er zouden volgens hem ook geen getuigen zijn van de twee gesprekken met de betrokken kwartieroverste, en van het gebeuren op 19 juni 2008 zou helemaal geen tuchtrapport zijn opgesteld om de eenvoudige reden dat daartoe geen reden bestond. 7. Op 23 juni 2008 wordt beslist verzoeker te onderwerpen aan een voorlopige maatregel, zijnde verplicht verblijf op cel, en dit "gelet op de ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid" die blijkt uit het feit dat hij "dreigt agressief gedrag te hanteren om zijn doelstelling te bereiken". Deze voorlopige maatregel ging in om 12u45. 8. Op 24 juni 2008 wordt aan verzoeker meegedeeld dat na onderzoek van het rapport dat op 23 juni 2008 lastens hem werd opgesteld, wordt IX-5965-3/11 beslist een tuchtprocedure op te starten en dat hij daartoe op 25 juni 2008 zal worden gehoord omtrent de hem ten laste gelegde feiten. 9. Verzoeker, bijgestaan door zijn raadsman, die het tuchtdossier kon inzien, wordt op 25 juni 2008 gehoord door de attaché gevangenisdirecteur. Het verslag daarvan bevat het volgende overzicht van het standpunt van verzoeker en zijn advocaat : "Betrokkene verklaart dat het volgens hem veel uit de context getrokken is. Hij zou een maand geleden een cel alleen gevraagd hebben, omdat hij diender PCBO is en omdat alle diender[s] een monocel zouden krijgen. Men had hem toen geantwoord dat hij moest wachten en dat hij op de wachtlijst geplaatst werd. Hij zegt dat hij gezien heeft dat iemand anders voorrang kreeg. Hij ontkent dat hij gedreigd heeft met fysieke agressie tav het personeel, gezien hij weet dat dergelijk gedrag hem niet vooruit zou helpen. Betreffende het incident met de nieuwe beambte, stelt hij dat hij al lachende zei dat zij z’n deur niet mocht dicht doen, want dat zij nog moesten samenwerken. Hij zegt dat hij op 23/06/'08 de KO terug aangesproken heeft omdat hij zag dat iemand van duo naar mono gegaan was op de eerste verdieping. Hij zou hierop geantwoord hebben dat het duidelijk om 'vriendjespolitiek' gaat. De KO zou gezegd hebben dat betrokkene met mevr. Deloof moest spreken hierover en betrokkene zei dat hij dit zou doen. Zijn conclusie is dat het verkrijgen van een monocel vriendjespolitiek is. Hij ontkent gedreigd te hebben voor het verkrijgen van een monocel. Advocaat zegt dat hij over het incident op 19/06/'08 niet aangesproken werd, dat het al lachende bedoeld was. Zij meent dat dit erbij genomen werd om het rapport zwaarder te maken. Zij meldt tevens dat er geen getuigen zijn van de gesprekken van tussen de KO en betrokkene. Advocaat zegt dat hij goed bezig is, dat hij enkel voor kleine voorvalletjes reeds tuchten heeft opgelopen. Zij vraagt dat hij zijn werk kan behouden omdat hij daar trots op is, dat hij hierdoor goed functioneerde. Hij zou het volgens haar jammer vinden om zijn werk te verliezen door iets wat hij aanziet als een misverstand. Zij vraagt nog eens om zeker zijn tewerkstelling te behouden. Hij begrijpt volgens [zijn] advocaat nu dat hij zijn werk kan kwijt geraken." Er worden blijkens dit verslag door de directeur geen getuigen gehoord. Verzoeker maakt nog de volgende laatste opmerkingen: "Betrokkene zegt dat het echt om een misverstand gaat. Hij meldt dat hij op tucht gekomen is uit Hasselt en dat hij zich gedurende een jaar rustig gehouden heeft. Hij meent dat het stom zou zijn dat hij zou dreigen met geweld om een mono te bekomen, gezien hij er op die manier toch niet zal geraken". 10. Op 25 juni 2008 neemt de attaché gevangenisdirecteur dan de bestreden "beslissing tuchtsanctie". Na een verwijzing naar onder meer de artikelen 81 en 82 van het koninklijk besluit van 21 mei 1965 houdende algemeen reglement van de strafinrich- tingen en voor de feiten naar het rapport aan de directeur van 23 juni 2008, wordt de weergave van de argumentatie van verzoeker en zijn advocaat uit het verslag van IX-5965-4/11 de hoorzitting hernomen, wordt vermeld dat geen getuigen werden gehoord, wordt verwezen naar de opsomming van de disciplinaire straffen en wordt de uitgesproken tuchtsanctie vermeld met de volgende motivering : "Het rapport is duidelijk. Betrokkene uit beschuldigende taal aan het adres van de beambten en dreigt met agressie. Dit provocatief gedrag kan niet getolereerd worden, zeker niet bij iemand die een vertrouwensfunctie bekleedt als fatiek in het PCBO. Dit gedrag brengt de fysieke integriteit van derden in het gedrang en verstoort de orde van de inrichting". In fine worden nog de beroepsmogelijkheden vermeld. Verzoeker ondertekent deze beslissing op 25 juni 2008. 11. De raadsvrouw van verzoeker verklaart ter terechtzitting dat verzoeker na inzage van het voormelde rapport op 24 juni 2008 nog vroeg KO Vandenbroucke hierover te kunnen spreken. Deze laatste stelt van dit gesprek een rapport aan de directeur op waarin hij vermeldt dat verzoeker zijn rapport van 23 juni 2008 ter betekening heeft gekregen en dat hij, nadat verzoeker dit rapport heeft gelezen, door een andere beambte bij verzoeker wordt geroepen "om over zijn rapport te spreken op een kalme manier. Onmiddellijk begint Schollaert mij te beledigen van leugens en vindt dat ik oneerlijk ben. Beschuldigt mij tevens van schriftvervalsing op zijn rapport van 23/06/08". Op 25 juni 2008 wordt, na onderzoek van dit rapport, namens de gevangenisdirecteur beslist geen (nieuwe) tuchtprocedure tegen verzoeker op te starten wegens het feit dat het gaat om "dezelfde feiten als behandeld op 25/06/08". De grondvoorwaarden voor de schorsing 12. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 2, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, kan slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat de uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de nietigverklaring van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. 13. Wat de tweede voorwaarde betreft, voert verzoeker in een eerste middel, dat hij blijkbaar louter ondergeschikt inroept omdat hij "vooreerst" ten zeerste betwist ook maar op enig ogenblik te hebben gedreigd of verbaal agressief te zijn geweest, de schending aan van "het proportionaliteitsbeginsel (beginsel van behoorlijk bestuur; (
- de)ministeriële omzendbrief nr. 1777, gewijzigd door de MO nr. 1782 van IX-5965-5/11 15 maart 2006 gecoördineerde versie", omdat de opgelegde tuchtsanctie niet in verhouding staat tot de beweerde feiten die enkel en alleen zijn gesteund op één verklaring, in niets wordt bewezen dat verzoeker effectief agressief en bedreigend was en zijn argumentatie perfect geloofwaardig is. Zelfs indien de feiten zouden hebben plaatsgevonden, zou de sanctie nog absoluut niet in proportie zijn en dus veel te zwaar. 14. In de uitoefening van zijn wettigheidstoezicht staat het niet aan de Raad van State om zijn oordeel over de gepastheid van een bepaalde tuchtstraf in de plaats te stellen van het oordeel van de bevoegde tuchtoverheid. De Raad van State kan enkel nagaan of die overheid de grenzen van het recht niet te buiten is gegaan en meer in het bijzonder of geen sanctie is opgelegd die in wanverhouding staat tot de feiten, en aldus het evenredigheidsbeginsel is geschonden. Volgens de bestreden beslissing gaat het te dezen om het uiten van beschuldigende taal aan het adres van beambten en dreigen met agressie, en dus om provocatief gedrag dat in een gevangenis niet kan worden getolereerd, zeker niet bij iemand die een vertrouwenspositie bekleedt, en wordt de fysieke integriteit van derden in het gedrang gebracht en de orde van de inrichting verstoord. Los van de vraag of dit gedrag bewezen is, vraag aan de orde in het tweede middel, toont verzoeker in dit middel niet prima facie aan en kan er ook niet onmiddellijk worden ingezien dat de bestraffing, met het afnemen van het werk als "fatik" en met het verbod gedurende zes maanden een vertrouwensfunctie uit te oefenen, in wanverhouding zou staan tot een dergelijk gedrag dat provocerend kan werken, zeker niet wanneer zoals te dezen tegelijk de mogelijkheid wordt gegeven opnieuw werk aan te vragen. Aan die conclusie wordt geen afbreuk gedaan door hetgeen verzoeker bij de uiteenzetting van zijn belang opmerkt, namelijk dat dit een lichte straf lijkt, die in feite zeer zwaar is en verregaande gevolgen heeft op zijn leven in de gevangenis en zijn rechten aldaar. Het eerste middel is niet ernstig. 15. In een tweede middel roept verzoeker de schending in van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, omdat de motivering juist moet zijn en de ten laste IX-5965-6/11 gelegde feiten bewezen moeten worden verklaard terwijl dit te dezen geenszins het geval is nu verzoeker geen enkele inbreuk beging, de verklaring van de kwartieroverste lijnrecht staat tegenover de verklaring van verzoeker, ter staving wordt verwezen naar een ander incident dat plaatsvond op 19 juni 2008 waarvan zelfs geen tuchtrapport werd opgesteld en waarover verzoeker zelfs niet werd aangesproken en nu twee getuigen worden vermeld die absoluut geen getuige waren van de twee gesprekken. Het rapport geeft dan ook geen juiste weergave van het gebeurde en uit geen enkel objectief element blijkt dat verzoeker bedreigend of agressief is geweest. Objectieve elementen zouden integendeel zijn stelling bevestigen, met name zijn detentiegedrag, het feit dat hij reeds drie maanden als diender werd tewerkgesteld zonder incidenten en het feit dat de voorlopige maatregel pas na 4 uur werd opgelegd. Voorts is zelfs niet geantwoord zijn op zijn vraag om de camerabeelden te verifiëren. De bestreden beslissing toont volgens verzoeker aldus absoluut niet aan waarom zijn stelling niet kan worden bijgetreden. Evenmin blijkt volgens hem dat men nazicht heeft gedaan van de door hem opgeworpen elementen. Er is bijgevolg geen redelijk verband tussen de feiten en de beslissing waardoor de motivering allesbehalve pertinent is en de motivering niet afdoende is. Dit alles brengt tenslotte de juistheid, nauwkeurigheid en objectiviteit van het rapport in het gedrang. 16. Met betrekking tot de feiten die aan de bestreden beslissing ten grondslag liggen, moet worden opgemerkt dat het aan de betrokken overheid, te dezen de directeur van de gevangenis, staat om de feiten vast te stellen. De Raad van State is enkel bevoegd om na te gaan of die overheid tot een zorgvuldige feitenvinding is gekomen, ze is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, en ze de haar ter zake toegekende appreciatiebevoegdheid om die feiten als tuchtfeiten aan te merken op een zorgvuldige wijze heeft uitgeoefend. In het verzoekschrift ontkent verzoeker niet dat hij op 23 juni 2008 tegenover de kwartieroverste sprak van vriendjespolitiek in het toekennen van een monocel en naar eigen zeggen opmerkte "dat het wel erg is, dat in Hasselt, waar hij steeds problemen maakte, hij zijn zin kreeg, en in het PCB, waar hij zich voorbeeldig gedraagt, dergelijk gedrag geenszins wordt beloond". Tevens ontkent hij in het verzoekschrift niet dat hij op 19 juni 2008 tegen de nieuwe beambte zei dat ze "z’n deur niet mocht dicht doen, want dat zij nog moesten samenwerken". Dit zijn, zo lijkt het, ook de feiten waarop de bestreden beslissing steunt. IX-5965-7/11 Los van de vaststelling dat uit het verslag van de hoorzitting niet blijkt dat verzoeker of zijn raadsman hebben gevraagd een en ander op de camerabeelden te verifiëren, lijkt er dan ook geen reden om aan te nemen dat de overheid ter zake niet is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens. Deze feiten worden in die beslissing omschreven als beschuldigend, als een dreiging met agressie, en als provocatief gedrag dat niet kan worden getolereerd, zeker niet bij iemand die een vertrouwenspositie bekleedt als "fatiek" in het PCBO, nu zulks de fysieke integriteit van derden in het gedrang brengt en de orde van de inrichting verstoort. Uit het opgestelde tuchtverslag blijkt dat de houding van verzoeker op 23 juni 2008 door het personeel als beschuldigend en bedreigend is ervaren. Ook de verklaringen van verzoeker op 19 juni 2008 werden blijkbaar niet zonder meer ter zijde geschoven aangezien weliswaar niet onmiddellijk een tuchtverslag werd opgesteld maar wel een observatieverslag dat spreekt van een provocatie. Het komt niet aan de Raad toe in de plaats van het bestuur te oordelen of de betrokken verklaringen inderdaad provocatief waren en bedreigend en niet een misverstand en of zij niet al lachend bedoeld waren zoals verzoeker aanvoert. De Raad kan enkel nagaan of het bestuur tot het oordeel mocht komen dat het ging om een provocatie, zonder daarbij de perken van de redelijkheid te overschrijden. Er kan worden aangenomen dat deze beoordeling vergemakkelijkt had kunnen worden indien de bestreden beslissing haar conclusie omstandiger had gemotiveerd zeker nu verzoeker beweerde dat het om een misverstand ging. Hetzelfde ware het geval indien alleen al maar was nagegaan of de bewering van verzoeker - dat er anders dan vermeld op het tuchtverslag van 23 juni 2008 geen getuigen waren van de gesprekken met de kwartieroverste - al dan niet klopt, getuigen die ook hadden kunnen bevestigen hoe deze gesprekken verliepen. Verzoeker noch zijn advocaat hebben echter op de hoorzitting uitdrukkelijk gevraagd de als getuigen vermelde personen op te roepen. Verzoeker toont prima facie niet aan dat zijn hiervoor aangehaalde verklaring betreffende zijn gedrag in een gevangenis niet redelijkerwijze als bedreigend kon worden ervaren. Los van de vraag of dit al dan niet meer was dan een relevante begeleidende omstandigheid zoals de verwerende partij stelt, geldt dit ook, IX-5965-8/11 zo lijkt het, voor de aangehaalde verklaring aan een beambte in opleiding betreffende het sluiten van de deur. Van een persoon met een vertrouwensfunctie mocht, zo lijkt het, ook redelijkerwijze worden verwacht dat deze, wanneer hij meent dat iemand ten onrechte voor hem een monocel krijgt, in plaats van onmiddellijk te spreken van vriendjespolitiek, ter zake om uitleg vraagt aangezien, zelfs indien er voorrang aan anderen zou worden gegeven, daarvoor wettige redenen zouden kunnen zijn. De argumenten dat hij geen belang heeft bij agressief gedrag of zich al gedurende een jaar rustig heeft gehouden, volstaan daartoe niet, alleen al omdat hij nog in november en december 2007 tuchtstraffen opliep, waaronder één voor de verstoring van de werking van het educatief centrum. Het gaat bovendien niet zozeer om daadwerkelijke agressie maar om verklaringen die als provocatief en bedreigend worden ervaren. Daarbij dient ook rekening te worden gehouden met de specifieke omstandigheden in een gevangenis. Ook het feit dat de voorlopige maatregel pas na 4 uur wordt opgelegd toont niet prima facie aan dat deze beoordeling buiten de perken van de redelijkheid zou vallen. Een gebrekkige materiële motivering lijkt aldus niet aange- toond. Uit het middel blijkt ten slotte dat verzoeker in staat was zich ter zake te verweren met de middelen die het recht hem verschaft zodat in ieder geval voldaan lijkt aan de ratio legis van de formele motiveringsplicht. 17. In het derde middel roept verzoeker de schending in van de "ministeriële omzendbrief nr. 1777 van 2 mei 2005, gewijzigd door de MO nr. 1782 van 15 maart 2006 en van de rechten van verdediging", nu in de bestreden beslissing melding wordt gemaakt van een voorval met PB Vanpraet dat plaatsvond op 19 juni 2008 zonder dat hiervan een tuchtrapport werd opgesteld terwijl het rapport van 23 juni 2008 dat leidde tot de bestreden beslissing mee werd ondertekend door PB Vanpraet. Dit zou absoluut niet correct zijn nu dit incident er gewoon werd bijgesleurd om het rapport te verzwaren terwijl verzoeker zich vier dagen na datum niet meer kan verdedigen over het eerste incident en hij daarover zelfs niet werd aangesproken zodat hij vier dagen in het ongewisse werd gelaten nopens het feit dat tegen hem een tuchtrapport werd opgesteld, terwijl de ministeriële omzendbrief vereist dat een personeelslid, wanneer deze een feit vaststelt waarvan hij vermoedt dat het IX-5965-9/11 een tuchtrechtelijke inbreuk uitmaakt of wanneer een dergelijke inbreuk hem ter kennis wordt gesteld, een rapport opstelt voor de directeur en het hem binnen de kortste termijn bezorgt, vereiste hernomen in artikel 144, § 1,van "de basiswet". Door zulks niet onmiddellijk te doen maar pas na vier dagen zou de omzendbrief en "de basiswet" zijn geschonden alsook de redelijke termijneis. 18. In de mate in dit middel ook artikel 144 van de basiswet van 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden, geschonden wordt geacht, volstaat de vaststelling dat dit artikel nog niet in werking is getreden. Voorts toont verzoeker niet prima facie aan waarom het vermelden van een incident van 19 juni 2008 in een tuchtrapport van 23 juni 2008 naar aanleiding van een nieuw feit, zelfs wanneer dit incident aldus niet binnen de kortst mogelijke termijn aan de gevangenisdirecteur zou zijn gemeld, zoals vereist in de ingeroepen omzendbrief, zijn rechten van verdediging schond nu hij zich daarover in de daaropvolgende hoorzitting kon verdedigen en ook heeft verdedigd. Evenmin wordt aangetoond waarom dit strijdig zou zijn met de redelijke termijneis aangezien de bestreden beslissing volgde op 25 juni 2008 en dus binnen de week - en dit nog los van de vraag of dit feit al dan niet als meer dan een relevante begeleidende omstandigheid werd vermeld zoals de verwerende partij aanvoert en los van de vraag naar het belang nu er in ieder geval een ander voldoende motief lijkt zoals blijkt uit de bespreking van het tweede middel. Wat, ten slotte, de geschonden geachte omzendbrief betreft - daargelaten de vraag in hoeverre een gedetineerde zich op een ontvankelijke wijze op een schending van de bepalingen van de betrokken omzendbrief kan beroepen tot staving van een beroep tot nietigverklaring of een vordering tot schorsing - dient te worden vastgesteld dat noch de betrokken omzendbrief, noch enige andere tekst met een verordenend karakter lijkt te voorzien in een sanctie op de overschrijding van de bedoelde termijn. Het middel is niet ernstig. 19. Geen van de middelen is ernstig. Aldus is niet voldaan aan de tweede van de door het voormelde artikel 17 gestelde voorwaarden, die moeten zijn vervuld om de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid toe te wijzen. Deze vaststelling volstaat om de vordering te verwerpen, IX-5965-10/11 OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel 1. De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen. Artikel 2. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op acht juli 2008, door : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, D. DECOCK, griffier. De griffier, De voorzitter, D. DECOCK. D. VERBIEST. IX-5965-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.185.232 Gerelateerde publicatie(
- s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.187.570 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div