← België

Arrest 185275 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 09/07/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 juli 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.185.275 Rolnummer: A. 77916/IX-4939 Zaak: Arrest 185275 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 09/07/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-08-04 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-06-29 08:23 Fiche Arrest nr 185.275 van 9 juli 2008 Openbaar ambt - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 185.275 van 9 juli 2008 in de zaak A. 77.916/IX-4939. In zake : Herman DE JONGHE, die woonplaats kiest bij advocaat D. VAN HEUVEN, kantoor houdende te KORTRIJK, President Kennedypark 6/24 tegen : de STAD KORTRIJK, die woonplaats kiest bij advocaat A. D’HALLUIN, kantoor houdende te KORTRIJK, Schipperstraat 1/43. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Herman DE JONGHE op 17 maart 1998 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 18 december 1997 van het college van burgemeester en schepenen van de stad Kortrijk waarbij zijn beroep tegen twee beslissingen van 24 oktober 1997 van de beoordelingscommissie wordt verworpen en waarbij hij de beoordeling “ongunstig” krijgt voor het verkrijgen van de volgende weddeschaal in de functionele loopbaan en voor de toelating tot een effectieve bevordering; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door adjunct-auditeur H. COLIN; Gelet op de beschikking van 24 juli 2001 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; IX-4939-1/15 Gelet op de beschikking van 13 mei 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 9 juni 2008; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van advocaat S. RONSE die, loco advocaat D. VAN HEUVEN verschijnt voor verzoeker, en van advocaat A. D’HALLUIN, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur H. COLIN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : De feiten 1.1. Het administratief statuut van het stadspersoneel van Kortrijk is op 10 december 1993 door de gemeenteraad aangevuld met bepalingen over de evaluatie. 1.1.1. Artikel 54 van het aangepast statuut bepaalt: “De evaluaties hebben tot doel het bestuur voor te lichten over de waarde, de geschiktheid, de prestaties en de verdiensten van het personeel, teneinde de inzet en de creativiteit te waarderen en te belonen. PERIODIEKE EVALUATIE Elk definitief benoemd personeelslid wordt tweejaarlijks beoordeeld. Het resultaat van deze periodieke evaluatie wijst uit, waar toepasselijk, of het personeelslid in de volgende twee jaar in aanmerking komt voor: - het indienen van een mutatieverzoek - een volgende weddeschaal - deelname aan een bevorderingsexamen - een bevordering (zowel bevorderingen binnen hetzelfde niveau, als niveau-overschrijdende bevorderingen). (...) Indien bij één van deze gelegenheden geen periodieke evaluatie voorhanden is, wordt een evaluatie speciaal voor deze gelegenheid opgemaakt. (...). (...).” IX-4939-2/15 1.1.2. Artikel 55 bepaalt: “De evaluatie gebeurt aan de hand van specifieke evaluatie vragenlijsten die per categorie van personeel nauw aansluiten bij de taak en functie van het personeelslid. (...) EVALUATIERESULTATEN EN FUNCTIONERINGSGESPREKKEN De resultaten van de evaluatie worden uitgedrukt in kwalitatieve omschrij- vingen. De gevolgen voor het in aanmerking komen voor de zaken bepaald in artikel 54 worden als gunstig of ongunstig omschreven. De evaluatie wordt aan betrokkene meegedeeld, toegelicht en besproken tijdens een functioneringsgesprek tussen de beoordelaar(

  1. s)en de beoordeelde, waarbij afspraken voor de toekomst kunnen worden gemaakt. Het beoordeelde personeelslid tekent na het functioneringsgesprek de beoordeling voor gezien, samen met de beoordelaar(s). Binnen de 10 kalenderdagen kan de beoordeelde zijn opmerkingen maken, die deel zullen uitmaken van het evaluatiedossier. Op zijn verzoek kan de beoordeelde een afschrift van zijn evaluatiedossier bekomen. BEOORDELAARS De evaluaties worden uitgevoerd door twee hiërarchische chefs, waaronder de dienstchef. (...)” 1.1.3. Overeenkomstig artikel 56 kan het personeelslid, in geval van een ongunstige beoordeling, een “aanvraag tot herziening indienen bij de beoordelings- commissie”. Deze kan de evaluatie bevestigen of wijzigen en daartoe alle nuttige informatie inwinnen. Na afhandeling van de herzieningsprocedure kan het personeelslid tegen een ongunstige evaluatie beroep aantekenen bij het college van burgemeester en schepenen dat, na de betrokkene gehoord te hebben, de definitieve beoordeling uitspreekt. Deze eindevaluatie wordt opgenomen in het evaluatiedossier dat voor het personeelslid op de personeelsdienst wordt gehouden. 1.1.4. Krachtens artikel 58 worden “de modaliteiten omtrent de principes” opgenomen in een bijlage bij het administratief statuut. Blijkens dat document gebeurt de beoordeling initieel door het invullen van een “evaluatievragenlijst” met specifieke beoordelingsitems gelinkt aan bepaalde functievereisten. Op basis van die vragenlijst wordt het personeelslid voor elk beoordelingsitem in een bepaalde categorie geklasseerd: categorie A staat voor “zeer negatief voor dit aspect”; categorie B voor “negatief”, categorie C voor “neutraal” (betrokkene valt niet op noch in positieve noch in negatieve zin), categorie D voor “positief” en categorie E voor “zeer positief”. Die klassering wordt dan geglobaliseerd op een “resultatenblad” waarop enerzijds de getoetste functie- vereisten en anderzijds het “globaal presteren in de huidige functie” in een IX-4939-3/15 “kwalitatieve omschrijving” gewaardeerd worden met de vermeldingen “onvoldoen- de” ( gend” (tussen 60 en 65%), “goed” (tussen 65 en 75%) of “uitstekend” (>75%). Deze waardering loopt dan uit op de vermelding van de “consequenties van de beoorde- ling”, dit is de mededeling of de betrokkene de vereiste minimumgrenzen behaalt voor een bevordering, een mutatie, een benoeming of een verdere tewerkstelling. 1.2. Verzoeker is sedert 1 juli 1986 in dienst bij de politie van de stad Kortrijk. Hij is er vast benoemd politieagent-brigadier. 1.3. Op 25 juni 1997 ondertekent verzoeker voor kennisneming twee “resultatenbladen personeelsevaluatie”. Het eerste betreft een “periodieke evaluatie (2
  2. j)- verkorte evaluatie”, voor de periode van 1 juli 1994 tot 31 december 1994 en is gegeven met het oog op een eventuele versnelde inschakeling in de functionele loopbaan; het tweede resultatenblad betreft een “tussentijds verslag” over de periode “tot maart 1997" en wordt verleend met het oog op de “bevordering tot inspecteur van politie”. Beide documenten zijn opgesteld door de korpschef van verzoeker als “beoordelaar-dienstchef” en door de tweede beoordelaar, J.P. COUDENYS. Zij bevatten een identieke beoordeling van verzoeker: zijn prestaties worden, wat de aspecten “vakkennis” en “voorkomen en discipline” betreft als “zwak” beoordeeld, wat betreft de aspecten “flexibiliteit, praktische gerichtheid” krijgt hij “matig” en wat de aspecten “omgang met het publiek”, “samenwerking, omgang met collega’s, groepswerk” en “verantwoordelijkheidszin” betreft kijgt hij een “bevredigend”. Zijn “totaal presteren in de huidige functie” wordt als “matig” beoordeeld, met als consequentie dat hij een “ongunstig” krijgt voor “toelating tot effectieve bevorde- ring” en “vereiste bekomen volgende weddeschaal”. Ook de bijgevoegde vragenlijst, waarin de vermeldingen op de resultatenbladen hun grondslag vinden en waarop verzoeker beoordeeld wordt aan de hand van 42 aandachtspunten, is op identieke wijze beantwoord. Overigens zijn de resultatenbladen en de bijgevoegde vragenlijs- ten ook identiek aan het tussentijds verslag dat verzoeker op 25 maart 1996 ontving, dat betrekking had op de periode “tot februari 1996” en dat uitgelopen is op het besluit van het college van burgemeester en schepenen van 19 juli 1996 dat door de Raad van State met het arrest nr. 107.625 van 11 juni 2002 vernietigd is. 1.4. Verzoeker vraagt de herziening van zijn beoordeling. Hij beklaagt er zich over dat hij geviseerd wordt door de korpschef en is van oordeel dat hij “meer dan een middelmatig agent is”, wat ook blijkt uit zijn resultaat voor het IX-4939-4/15 examen van politiecommissaris. Hij stelt vast dat zijn evaluatie “steeds identiek” is, dat de beoordelingen dezelfde items bevatten en dat de evaluatie in zijn geval gebruikt wordt “als permanent middel om hem nooit te bevorderen”. Hij kan ook niet akkoord gaan met de classificatie die hij voor een aantal vragen (vragen 6, 16, 22, 31, 39) gekregen heeft en wijst ten slotte op de “ongelijke behandeling inzake aanvragen voor vorming”. 1.5. De beoordelingscommissie bevestigt op 24 oktober 1997, met haar beslissingen nr. 105 -genomen ten aanzien van de evaluatie met het oog op de bevordering tot inspecteur van politie- en nr. 106 -genomen ten aanzien van de periodieke evaluatie geldig tot 31 december 1994- de beide evaluaties. Beide beslissingen zijn op identieke wijze gemotiveerd: zij vermelden de door verzoeker naar voren gebrachte bezwaren en vervolgen: “Overwegende dat de beoordelingscommissie, na inwinnen van ook informatie van andere leidende politieambtenaren dan de beoordelaars, meent te mogen concluderen dat de heer De Jonghe, alhoewel hij blijkbaar over de intellectuele mogelijkheden beschikt om de nodige theoretische kennis te verwerven noodzakelijk voor de uitoefening van het ambt, er blijkbaar toch niet in slaagt om de vereiste vakkundigheid in de dagelijkse uitoefening van zijn ambt ook daadwerkelijk aan de dag te leggen; Overwegende dat de heer De Jonghe inderdaad slechts middelmatig tot minder goed scoort en de evaluatie een weergave is van zijn functioneren; Overwegende dat de psycho-technische test reeds meer dan 4 jaar oud is en betrekking heeft op een andere functie dan hier beoordeeld ; Gelet op de bepalingen van het administratief statuut dat van toepassing is op het stadspersoneel”. 1.6. Verzoeker stelt tegen beide beslissingen beroep in bij het college van burgemeester en schepenen. Hij wordt op 18 december 1997 door het college gehoord en legt nu een uitvoerige nota van verweer neer. Daarin beklaagt hij zich over het laattijdig invullen van de vragenlijsten, betoogt hij dat de vragenlijsten alleen maar eerdere vragenlijsten overnemen zonder dat zijn capaciteiten onderzocht werden -ten aanzien waarvan hij dan punt voor punt zijn visie geeft op zijn kwoteringen- en dat het bestuur zich voor zijn beslissing niet kan steunen op informatie verkregen uit bronnen die hem niet bekend zijn. Dezelfde dag nog verwerpt het college met de hier bestreden beslissing, de beroepen en handhaaft het de beoordelingen als volgt: IX-4939-5/15 “vereisten voor het bekomen van de volgende weddeschaal (functionele loopbaan): ONGUNSTIG toelating tot effectieve bevordering: ONGUNSTIG toelating tot bevorderingsexamens: GUNSTIG melding aan het College: GUNSTIG” Deze beslissing bevat volgende motivering: “(...) Overwegende, dat met betrekking tot de invraagstelling door de heer De Jonghe omtrent de geldingskracht (vermeld ‘in hoofdorde’), het College stelt, dat een beoordeling ‘de kracht heeft die zij heeft en niets meer’, dat wil zeggen dat de geldigheidsduur en geldingskracht niet afhankelijk is van de onderteke- ning voor kennisname door de beoordeelde, of andere formaliteiten, maar bepaald wordt door de statutaire bepalingen of modaliteiten ter zake; Overwegende dat de verkorte evaluatie geldt voor de eventuele versnelde inschakeling in de functionele loopbaan, voor de periode eind 1994, zoals voorzien in het nieuw organiek administratief statuut; Overwegende dat hiervoor pas in 1997 de verkorte beoordeling werd opgemaakt over die periode, dit geen afbreuk doet van de toepasselijkheid van deze beoordeling op de weddesituatie eind 1994. Overwegende dat voor de bevordering tot inspecteur van politie een gelegenheidsbeoordeling nodig was over de afgelopen periode waarin de vacature op(en)gevallen is (bij gebrek aan periodieke beoordeling) en dat deze beoordeling effectief gaat over de periode juist vóór de bevorderingsdatum; Overwegende dat het college, voor wat betreft de inhoudelijke opmerkingen van de heer De Jonghe vermeld onder ‘II. In ondergeschikte orde’, in verband met ‘herhalingen van een vorige beoordelingslijst’, besluit dat herhaling niet duidt op onjuistheid : bij iedere beoordeling neemt de beoordelaar een besluit en indien hij oordeelt dat er niets veranderd is, dan kan hij beslist dezelfde beoordeling toekennen. Overwegende dat het College, in verband met de inhoudelijke opmerking van de heer De Jonghe vermeld onder ‘III. Nog meer ondergeschikt’ over het inwinnen van informatie bij andere politieambtenaren dan de beoordelaars, stelt dat de beoordelingscommissie overeenkomstig de modaliteiten al diegenen hoort waarvan zij meent nuttige informatie te kunnen bekomen. De eigenlijke beroepsprocedure begint eerst bij de procedure voor het College van Burge- meester en Schepenen en daar is alle verweer mogelijk en op zijn plaats; Gelet op de bijlage aan de nota, waarin de heer De Jonghe nog zijn algemene opmerkingen formuleert in verband met het tot stand komen van de eindbeoordeling, alsmede zijn bemerkingen met betrekking tot de scores behaald voor de diverse items vermeld op de vragenlijst; Overwegende dat, met betrekking tot het tot stand komen van de eindbeoor- deling, het College van oordeel is dat de beoordelaar zich inderdaad kan informeren bij diverse informanten, maar zelfstandig de beslissing neemt over het eindresultaat van de beoordeling, wat neerkomt op het gebruik maken van zijn bevoegdheid en bijgevolg geenszins als willekeur te aanzien is; Overwegende dat de beoordeling wel gemotiveerd is : de motivering van de items van de diverse politie aspecten zit vervat in de scores zelf, bepaald door de beoordelaars ; dat dit mutatis mutandis eveneens volgens de rechtspraak het geval is voor examenresultaten; Overwegende dat de scores uiteindelijk uitgedrukt worden in kwalitatieve omschrijvingen, zoals voorzien in de modaliteiten van het systeem; IX-4939-6/15 Overwegende dat de diverse kwalitatieve omschrijvingen uiteindelijk aanleiding geven tot een globaal resultaat ‘gunstig’ of ‘ongunstig’ zoals trouwens uitdrukkelijk vervat in de MO van de heer Minister van Binnenlandse Aangelegenheden - 14 juli 1993 en 13 juli 1994 voor wat het nieuw samen- hangend personeelsbeleid betreft; Overwegende dat de heer De Jonghe beweert dat de eindbeoordeling in belangrijke mate afwijkt van het ‘advies van de korpschef’ Overwegende dat de korpschef, bij het uitbrengen van zijn advies, ondermeer met betrekking tot bevordering, zich inderdaad kan baseren op het evaluatiedossier van het personeelslid; Overwegende dat de voorliggende beoordelingen evenwel de huidige functie evalueren over een welbepaalde afgelopen periode en geen potentieel beoordelingen zijn, dit wil zeggen beoordelingen van toekomstige mogelijkhe- den. Overwegende dat bijgevolg deze beoordelingen op diverse aspecten kunnen afwijken van dit advies, waar de korpschef, bij het uitbrengen van zijn advies, wel de mogelijkheid heeft om zich uit te spreken over het toekomstig potentieel van de kandidaat; Aangezien bijgevolg ‘het advies van de korpschef’ en ‘de beoordeling’ in sommige gevallen simultaan verlopen maar in wezen twee verschillende zaken zijn en ook op een verschillende wijze kunnen aanduiden hoe iemand functioneert of zal functioneren; Gelet op de bemerkingen van de heer De Jonghe geformuleerd in zijn nota onder deel B ‘De rubrieken ‘in het bijzonder’’; Overwegende dat betrokkene voor de rubriek -

(1)- ‘Oog voor talenten en initiatieven van collega‘s’ de score ‘D’ bekwam, wat overeenkomt met ‘positief’ en dus beter dan gemiddeld (categorie E is zeer positief en het maximum) zodat deze score bijgevolg overeenkomt met de visie van de beoordeelde; Overwegende dat voor de items
(2)- ‘Durft uitkomen voor en genomen beslissing’ en
(3)- ‘Imago van het korps’, vastgesteld wordt dat beoordeelde en beoordelaars inderdaad grondig van mening verschillen, maar dat het uiteindelijk de beoordelaar is die oordeelt of het imago van het korps al dan niet wordt hoog gehouden of geschonden; Overwegende dat voor het item
(4)- ‘Taakuitvoering’ betrokkene een ‘E’ eist; Overwegende dat de voorbeelden die de heer De Jonghe aanhaalt algemene voorbeelden zijn die ieder agent kan aanhalen, aangezien deze taken wezenlijk behoren tot de taak van agent en dus niet noodzakelijk naar een E-score zullen leiden; Overwegende dat uit gesprekken met chefs en collega’s blijkt dat beoordeel- de vooral goed doet wat hij wil doen en bepaald minder presteert voor opdrachten die hij niet graag doet; Overwegende dat ‘het bij gelegenheid uitblinken’ eerder gemakkelijk is en geen aanleiding mag geven tot het ‘halo of hom-effect’ (het steeds opnieuw terugvallen op dat ene feit) wat een typisch verschijnsel is in het beoordelen; Overwegende dat uit het item
(7)- ‘Vlotte, oordeelkundige beslissingen’ blijkt dat, in tegenstelling, tot de visie van betrokkene, het optreden van de heer De Jonghe als ‘vervangend postoverste’ eerder als een mislukking kan beschouwd worden volgens informatie van de korpsleiding; Overwegende dat het niet aan de beoordeelde toekomt om te oordelen over de juistheid van zijn beslissing; Overwegende dat betrokkene voor het item
(8)- ‘basiskennis voor courante situaties”, helemaal niet negatief beoordeeld werd, maar ‘neutraal’ beoordeeld wordt; IX-4939-7/15 Overwegende dat bij overdreven ‘eigendunk’ de evaluatie duidelijk contra kan worden; Aangezien deze laatste overweging ook geldt voor volgende items :
(9)kennis overdracht,
(10)- Taak uitvoeren,
(11)- Terugtrekken in gevaarlijke situaties,
(12)- Verantwoordelijkheid,
(13)- Alleen optreden,
(17)- Gemeen- schap kennen,
(18)- Collega’s in de steek,
(20)- Verantwoordelijkheid,
(25)- Juridische documentatie,
(27)- Middelen niet evenredig,
(28)- Zelfbeheersing,
(29)- Letter en geest van wet,
(30)- Geduld,
(35)- Bijscholing,
(37)- Verkeersregeling,
(41)- Aanpassing,
(42)- Verzoenend; Overwegende dat voor item
(14)- ‘Aanpassen aan mensen’, de afwijkende zelfbeoordeling door de heer De Jonghe als een typisch geval van flagrante zelfoverschatting moet aanzien worden; Overwegende dat voor item
(16)- ‘Logische PV’ en item
(22)- ‘Verhoor’, de negatieve beoordeling voortkomt uit het feit dat De Jonghe de richtlijnen niet wil volgen omdat hij het ‘beter weet’; Overwegende dat voor item
(21)- ‘Niet ontmoedigen’, de score C neutraal is, maar niet manifest onredelijk : het behalen van brevetten of slagen in examens (g)eeft niet noodzakelijk aanleiding tot een betere beoordeling vermits voor bevordering nog andere eigen regels moeten gevolgd worden; Overwegende dat voor het item
(31)- ‘Inspanning’, betrokkene inderdaad beter zou kunnen scoren maar het steeds ‘zelf willen beslissen of het hem wel zint’ belet dat dit ten goede tot uiting komt in de beoordeling; Overwegende dat voor het item
(36)- ‘Sociale omgang’, het oordeel van de beoordelaar inderdaad anders is, daar betrokkene verblind(...) lijkt door zelfoverschatting; Overwegende dat betrokkene voor item
(40)- ‘Onregelmatige prestaties’, neutraal scoort en hij ten onrechte een betere score claimt, daar het normaal functioneren in ploeg, zelfs gedurende 10 jaar, behoort tot de elementaire opdracht van een politieagent; Aangezien aanvullend gesteld kan worden dat betrokkene vele neutrale (C) scores behaalde en zelfs een positieve score (D), maar dat beoordeelde zichzelf ziet door een andere bril en zijn te grote ‘eigendunk’ hem belet realistisch te oordelen over zichzelf; Aangezien een beoordeling steeds ergens subjectief zal zijn vermits de beoordelaar de opdracht krijgt zelf deze beoordeling te doen; Aangezien het systeem met ondervraging per item, (per rubriek), op basis van voorafbepaalde jobaspecten, zoals vastgelegd in de modaliteiten, maakt dat de beoordeling zo objectief mogelijk is, omdat alle facetten van de uitgeoefende functie bevraagd worden; Gelet op de opmerkingen van de heer De Jonghe geformuleerd in ‘Annex: Gedeelte uit het stageverslag voor de universiteit van Gent’; Overwegende dat uitslagen van psycho-technische testen of examens of opleidingen, iets anders meten dan bevraagd bij een beoordeling over het functioneren in het korps en dus noch relevant zijn, noch bovendien niet altijd slaan op de te beoordelen periode; Overwegende dat de vraag dus niet is of betrokkene een goed criminoloog zou zijn, maar wel of hij zijn huidige taak als politieagent behoorlijk uitvoert; Overwegende dat betrokkene de vormingsfaciliteiten krijgt die normaal zijn voor zijn functie; Aangezien vorming inzake leiderschap thans niet relevant is daar hij geen leidinggevende functie heeft en niets laat voorzien dat hij die in de nabije toekomst zal hebben. Mocht dergelijke vorming toch nodig worden zal hij deze faciliteiten wel krijgen, want allen voor wie dit wel relevant was hebben de faciliteiten gekregen, rekening houdend met de modaliteiten inzake vorming en de wettelijke voorschriften en procedures; IX-4939-8/15 Gelet dat zowel de verkorte evaluatie als de gelegenheidsbeoordeling, opgemaakt door de twee beoordelaars, namelijk de korpschef en de commissa- ris van politie conform de modaliteiten van het beoordelingssysteem is en de weergave is van het functioneren van de heer De Jonghe, politieagent in de betrokken periodes; Gelet dat voor de vermeende verklaring van de heer hoofdcommissaris S. Eeckhout, opgenomen in het huidige procesverbaal van verhoor geen afdoend bewijs bestaat en wellicht uit het verband getrokken is, noch relevant is bij deze beoordelingen, die elk strikt vanuit vastgelegde jobaspecten zijn opgebouwd. Aangezien een beoordeling een instrument is van personeelsbeleid; (...)”; 2. In haar laatste memorie betwist de verwerende partij het actueel belang van verzoeker. Zij stelt dat de burgemeester op 7 december 1999 in een nieuwe periodieke evaluatie met betrekking tot de periode 1 januari 1997 tot 31 december 1998, verzoeker opnieuw ongunstig beoordeeld heeft voor de toelating tot een effectieve bevordering en dat verzoeker die beslissing niet bestreden heeft zodat de hier bestreden beoordeling, die geldig was tot 30 juni 1997, “voorbijge- streefd en zonder voorwerp is”. 3. De beslissing van de burgemeester, waarnaar verzoeker verwijst, heeft betrekking op een periodieke tweejaarlijkse evaluatie over de jaren 1997 en 1998. De hier bestreden evaluatie over de periode tot maart 1997, betreft evenwel een tussentijdse evaluatie met het oog op de bevordering tot inspecteur van politie en had dan ook een specifiek doel. Zij is niet opgegaan in de periodieke evaluatie die gedeeltelijk op dezelfde periode betrekking had. De exceptie wordt verworpen. 4. Verzoeker voert als enig middel het “gebrek aan feitelijk juiste, afdoende en wettige motieven, schending van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de formele motivering van bestuurshandelingen, meer bepaald de artikelen 2 en 3 ervan, en schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur van de zorgvuldigheid en de redelijkheid” aan. In het eerste onderdeel van dat enig middel stelt hij dat de bestreden beslissing zijn beroepen tegen zijn ongunstige beoordelingen afwijst zonder te zijn gesteund op afdoende en wettige motieven die hem ook niet terdege ter kennis gebracht zijn. Hij stelt dat de bestreden beslissing steunt op de aankruising door de beoordelaars van een lijst van 42 rubrieken, waarin sinds 1996 geen verandering gekomen is, hetgeen aantoont dat de beoordelaars geen echt onderzoek meer wensen uit te voeren naar zijn capaciteiten en de evolutie daarvan. IX-4939-9/15 Voorts zijn de beoordelingen die het voorwerp hebben uitgemaakt van de bestreden beslissing ook niet voorafgegaan door een evaluatiegesprek. Hij stelt ook dat het bestreden besluit verwijst naar de appreciatie van de beoordelaars, dat het stelt dat de motivering van de rubrieken in de scores zelf zit vervat en dat het “de beoordelaar (
  1. is)die oordeelt”, maar dat deze motivering niet afdoende is aangezien de “motieven” van de beoordelaars onbestaande zijn, dat hij rubriek per rubriek heeft aangetoond dat de beoordeling van de verschillende items manifest onjuist is, dat de “weerlegging” hiervan door verwerende partij louter steunt op subjectieve meningen en algemeenheden die niet zijn gegrond op concrete elementen, dat de verwerende partij in de bestreden beslissing verwijst naar “gesprekken met chefs en collega’s” en zich steunt op “informatie van de korpsleiding”, maar dat bij gebrek aan enige verduidelijking over welke precieze informatie en gegevens het gaat, wie deze heeft verstrekt en wanneer, de verwerende partij zich hierop niet wettig kan beroepen; 5. De verwerende partij antwoordt daarop dat de beoordelingen volledig volgens het beoordelingssysteem van de stad Kortrijk gebeurd zijn, dat de resultatenbladen van de personeelsevaluaties inzake het presteren in de huidige functie en de beoordeling voor de effectieve bevordering zeer concreet en gedetailleerd zijn, dat in de bestreden beslissing met betrekking tot verzoekers inhoudelijke opmerkingen omtrent de beweerde herhalingen van een vorige beoordelingslijst terecht wordt besloten dat herhaling niet duidt op onjuistheid, dat in de bestreden beslissing omstandig is geantwoord op verzoekers opmerkingen in verband met de voor de verschillende items behaalde scores, dat verzoekers bewering dat de beoordelaars hun standpunt niet onderbouwd hebben onbegrijpelijk is daar de resultatenbladen van zowel de verkorte evaluatie als van de evaluatie geldig tot 30 juni 1997, tweeënveertig zeer concrete rubrieken en vraagpunten bevatten die door twee verschillende beoordelaars werden onderschreven en dat de bestreden beoordelingen enkel betrekking hebben op de huidige functie en dit gedurende een welbepaalde afgelopen periode en niet kunnen worden aanzien als beoordelingen van toekomstige mogelijkheden. Zij stelt voorts dat het college van burgemeester en schepenen na het horen van verzoeker en na het inzien van alle stukken op gemotiveerde wijze het beroep kon verwerpen en de beoordelingen handhaven. Zij laat ook gelden dat de verwijzing door verzoeker naar subjectieve meningen en algemeenheden weersproken wordt door de gegevens van het dossier, dat de beoordelingscommissie benadrukt heeft dat zij toelichting heeft bekomen van de beoordelaars zelf en dat zij ook informatie ingewonnen heeft bij andere politieambtenaren en beoordelaars waaruit zij heeft kunnen besluiten dat verzoeker, IX-4939-10/15 hoewel hij blijkbaar over de intellectuele mogelijkheden beschikt, er blijkbaar toch niet in slaagt de vereiste vakkundigheid aan de dag te leggen. De omstandige motivering inzake de inhoudelijke opmerkingen, in samenhang met de verwijzing naar de resultaten van de beoordeling, naar het verhoor door de beoordelingscommissie en naar de integrale bevestiging door de beoordelingscommissie van het resultaat van de beide beoordelingen vormen een afdoende en wettige motivering voor het bestreden besluit. 6. In zijn memorie van wederantwoord repliceert verzoeker dat de willekeur waartoe de beoordelingspraktijk sinds 1996 aanleiding geeft, wordt aangetoond door de beoordelingsresultaten sinds 1996 te vergelijken met de beoordeling van 1992, dat verwerende partij nooit heeft aangeduid welke concrete verandering in zijn prestaties verantwoordt dat hij sinds 1996 ongunstig wordt beoordeeld en dat de verwijzing naar het overlopen van de verschillende rubrieken voor de beoordeling, een onvoldoende concreet gegeven vormt om de bestreden beslissing naar redelijkheid te verantwoorden. 7. De evaluatie van het politiepersoneel van de stad Kortrijk wordt opgestart met het invullen, door de twee beoordelaars, van een vragenlijst betreffende het functioneren van de geëvalueerde. De beoordelaars antwoorden op tweeënveertig vooraf vastgestelde vragen met de vermelding A (scoort zeer negatief voor dit aspect) tot E (scoort zeer positief voor dit aspect). 8. Bij de beoordelingen die hier ter discussie staan kreeg verzoeker aldus zeven keer categorie B (negatief), één keer categorie D (positief) en vierendertig keer categorie C (neutraal) en werd daaraan met betrekking tot het “presteren in de huidige functie” de conclusie “matig” verbonden. De beoordelaars hebben hun antwoord in de rubriek “aanvullende opmerkingen of toelichtingen” niet nader verklaard. Zij hebben hun waarderingen ook niet toegelicht met verwijzing naar stukken uit het persoonlijk dossier van verzoeker. De verwerende partij toont ook niet aan dat verzoeker langs een andere weg in kennis werd gesteld van de feiten die de antwoorden van de beoordelaars kunnen rechtvaardigen. Verzoeker was dus, bij de ontvangst van de resultatenbladen, in het ongewisse over de concrete gegevens waarop de beoordelaars zich gesteund hebben om met betrekking tot de periode, waarop elk van die evaluaties betrekking heeft, de vragenlijsten te beantwoorden op een wijze die hij als negatief ervoer. De initiële evaluaties bevatten geen afdoende motivering en de feitelijke grondslagen ervan waren hem onbekend. IX-4939-11/15 9. Vraag is dan of die feitelijke grondslagen in de loop van het verder besluitvormingsproces toch nog aan de oppervlakte gekomen zijn en of het bestreden eindbesluit daar regelmatig en met vermelding van de relevante redenen de conclusie aan verbonden heeft dat de evaluatie “matig” verantwoord was. 10. De beoordelingscommissie heeft de vraag tot herziening van verzoeker afgewezen, stellend enerzijds dat uit het horen van de twee beoordelaars gebleken was dat verzoeker “de nodige (theoretische) kennis heeft, maar niet de praktische kennis of vaardigheden, noch de attitude heeft die van een gekwalificeerd politieagent mag verwacht worden”, en anderzijds dat uit informatie “van andere leidende politieambtenaren dan de beoordelaars” geconcludeerd kan worden dat verzoeker intellectueel bekwaam is om de vereiste kennis te vergaren maar dat hij er niet in slaagt dagdagelijks de nodige vakkennis tentoon te spreiden, zodat hij “inderdaad slechts middelmatig tot minder goed scoort” en de evaluatie een weergave is van zijn functioneren. Ook de beoordelingscommissie komt er niet toe met betrekking tot de periodes waarvoor de evaluaties gelden, melding te maken van de concrete gegevens die de conclusies van de beoordelaars onderbouwen en die verzoeker toelaten enig zicht te krijgen op de kwalificaties en op de eindconclusie “matig”. Integendeel, zij maakt de zaak voor verzoeker nog ondoorzichtiger, waar zij zonder verdere uitleg in het algemeen verwijst naar “informatie van andere leidende politieambtenaren”. 11. Aan het college van burgemeester en schepenen -het orgaan dat in laatste instantie bevoegd is om de evaluatie vast te stellen- heeft verzoeker vervolgens een omstandige nota overgelegd, waarin hij drieëndertig rubrieken van de beoordelingsvragenlijst -met name de zeven rubrieken waarvoor hij een B bekwam en zesentwintig rubrieken waarvoor hij een C verkreeg- bekritiseerde en argumenten aanbracht waarom hij een beter klassement meende te verdienen. Het college van burgemeester en schepenen is tot het besluit gekomen dat het standpunt van de beoordelaars de “weergave is van het functioneren van (verzoeker) in de betrokken periodes”. 12. Om tot die conclusie te komen heeft het college van burgemeester en schepenen, ingaand op de argumenten aangevoerd door verzoeker, gesteld dat “de motivering van de items van de diverse politieaspecten vervat zit in de scores zelf, IX-4939-12/15 bepaald door de beoordelaars”, zoals dat het geval is voor de vaststelling van examenresultaten. Het louter aankruisen van een score op een vooraf vastgestelde lijst laat niet toe uit te maken door welke concrete gegevens die score verantwoord wordt. Van de verwerende partij mocht verwacht worden dat zij, voor de gevallen waarin verzoeker zijn score bekritiseerde, ter zake verduidelijking zou brengen. De verwijzing naar het vaststellen van een examenuitslag gaat niet op, aangezien enkel voor kennisexamens wordt aangenomen dat de motieven van de uitslag in de punten zelf vervat liggen terwijl in zaken als de onderhavige het bestuur over een ruime beoordelingsbevoegdheid beschikt, waarvan het regelmatig gebruik aangetoond moet worden. 13. Het college van burgemeester en schepenen verwijst naar het verhoor van de beoordelaars door de beoordelingscommissie en naar haar bevestiging van de initiële beoordelingen. Hiervoor is vastgesteld dat de beoordelingscommissie geen duidelijkheid gebracht heeft in de feitelijke omstandigheden die de beoordelingen van verzoeker onderbouwen. 14. Het bestreden besluit verwijst naar de identieke score die verzoeker behaalde bij de beoordeling die hij gekregen heeft met de tussentijdse beoordeling van 19 juli 1996. De beoordeling waarnaar het college van burgemeester en schepenen verwijst is vernietigd met het arrest nr. 107.625 van 11 juni 2002, waarin de Raad van State vastgesteld heeft dat de verwerende partij tekort gekomen is aan haar wettelijke verplichting tot het verstrekken van een afdoende motivering. 15. Het bestreden besluit weerlegt de bemerking van verzoeker dat hij van de korpsoverste een positief advies had gekregen naar aanleiding van de kandidatuur van verzoeker voor de functie van inspecteur van politie met het argument dat een advies in het kader van een bevordering -waar het potentieel beoordeeld wordt- niet vergelijkbaar is met een advies waarbij de wijze van dienen beoordeeld wordt. Ook dat argument verleent verzoeker geen zicht op de feitelijke gegevens waarop het bestreden besluit steunt. IX-4939-13/15 16. In het bestreden besluit poogt het college van burgemeester en schepenen de punctuele kritiek van verzoeker met betrekking tot zijn te lage quotering op de vragenlijst te weerleggen. Vraag is of in die weerlegging voldoende concrete gegevens worden opgenomen om uit te maken of de gegeven kwalificatie voor de betrokken criteria terecht is. Wat betreft de zeven rubrieken waarvoor de beoordelaars hem een B (negatief) gaven: de rubrieken “betrokkene is in staat op een taktvolle manier een boodschap over te brengen” en “betrokkene neemt in alle omstandigheden een correcte houding aan” worden niet besproken; voor de rubrieken “betrokkene houdt het imago van het korps hoog”, “betrokkene is in staat een lang aangehouden inspanning te leveren, ook in moeilijke omstandigheden” en “betrokkene neemt in alle omstandigheden een correcte houding aan” is de neergeschreven argumentatie nietszeggend; voor de rubrieken “betrokkene is in staat een logisch PV op te stellen” en “betrokkene kan een degelijk verhoor afnemen” wordt verwezen naar de onwil van verzoeker om richtlijnen na te leven, maar zonder dat dit geconcretiseerd wordt en bovendien is de bewering van de verwerende partij tegenstrijdig met zijn quotering C voor de rubrieken 4 (betrokkene is bereidwillig om om het even welke taak naar behoren uit te voeren) en 10 (betrokkene is stipt in zijn taakuitoefening en komt gemaakte afspraken
  2. na)en met het advies van 28 februari 1996 van zijn korpschef dat verzoeker “loyaal andersluidende beslissingen accepteert” en dat zijn gedrag in dienstverband correct is; Wat betreft de vierendertig rubrieken, waarvoor verzoeker een score C verkreeg, blijkt de kritiek van het bestuur zich in wezen te beperken tot de vaststelling dat de kritiek van verzoeker op zijn score blijk geeft van een overdreven eigendunk, zelfoverschatting zonder dat daar ook maar één concreet stavend feit tegenovergesteld wordt. 17. Uit wat voorafgaat volgt dat de verwerende partij, door het gehele besluitvormingsproces heen, in gebreke gebleven is op enige wijze de score van verzoeker op de verschillende rubrieken van de vragenlijsten concreet met feitelijke gegevens, die teruggaan naar de periode waarop de beoordeling betrekking heeft, te onderbouwen. In die zin is niet aangetoond dat de bestreden beoordeling een deugdelijke grondslag heeft. Het middel is gegrond. IX-4939-14/15 OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel 1. Vernietigd wordt de beslissing van 18 december 1997 van het college van burgemeester en schepenen van de stad Kortrijk waarbij het beroep van Herman DE JONGHE tegen twee beslissingen van 24 oktober 1997 van de beoordelingscommissie wordt verworpen en waarbij hij de beoordeling “ongunstig” krijgt voor het verkrijgen van de volgende weddeschaal in de functionele loopbaan en voor de toelating tot een effectieve bevordering. Artikel 2. De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 9 juli 2008, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, D. MOONS, staatsraad, P. LEFRANC, staatsraad, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. A. VANDENDRIESSCHE. IX-4939-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.185.275 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.