← België

Arrest 185276 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 09/07/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 juli 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.185.276 Rolnummer: A. 79721/IX-4940 Zaak: Arrest 185276 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 09/07/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-08-04 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-06-29 08:23 Fiche Arrest nr 185.276 van 9 juli 2008 Openbaar ambt - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 185.276 van 9 juli 2008 in de zaak A. 79.721/IX-4940. In zake : Herman DE JONGHE, die woonplaats kiest bij advocaat D. VAN HEUVEN, kantoor houdende te KORTRIJK, President Kennedypark 6/24 tegen : de stad KORTRIJK, die woonplaats kiest bij advocaat A. D’HALLUIN, kantoor houdende te KORTRIJK, Schippersstraat 1/43. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Herman DE JONGHE op 8 augustus 1998 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 5 juni 1998 van de burgemeester van de stad Kortrijk waarbij het besluit nr. 112 van 10 februari 1998 van de beoordelingscommissie met betrekking tot zijn periodieke beoordeling over de periode 1996 en 1997, geldig tot 31 december 1998, bevestigd wordt; Gelet op het arrest nr. 78.615 van 9 februari 1999 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen; Gezien het verzoek tot voortzetting van de rechtspleging ingediend op 26 maart 1999 door verzoeker; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door adjunct-auditeur H. COLIN; IX-4940-1/13 Gelet op de beschikking van 24 juli 2001 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 13 mei 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 9 juni 2008; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van advocaat S. RONSE die, loco advocaat D. VAN HEUVE verschijnt voor verzoeker, en van advocaat A. D’HALLUIN, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur H. COLIN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : De feiten. 1.1.1. Voor de onderhavige zaak moet rekening gehouden worden met de volgende bepalingen van het administratief statuut van het gemeentepersoneel die betrekking hebben op de evaluatie van het personeel : - artikel 61: “De evaluatie is de beoordeling door de chef(

  1. s)van het functioneren van het personeelslid in zijn functie over een verlopen periode. De evaluatie weegt af in welke mate de vooropgestelde doelstellingen zijn bereikt en het betrokken personeelslid beantwoordt aan de functiebeschrijving en profiel. De evaluatie is verplicht voor elk personeelslid dat zich in de administratie- ve stand dienstactiviteit bevindt.” IX-4940-2/13 - artikel 62 : “De evaluaties hebben tot doel het bestuur voor te lichten over de waarde, de geschiktheid, de prestaties en de verdiensten van het personeel, teneinde de inzet en de creativiteit te waarderen en te belonen.” - artikel 63 : “1. PERIODIEKE EVALUATIE Elk definitief benoemd personeelslid wordt tweejaarlijks beoordeeld. Het resultaat van deze periodieke evaluatie wijst uit, waar toepasselijk, of het personeelslid in de volgende 2 jaar in aanmerking komt voor : - het indienen van een mutatieverzoek, - een volgende weddeschaal in de functionele loopbaan, - een deelname aan een bevorderingsexamen, - een bevordering (zowel bevorderingen binnen hetzelfde niveau, als niveau- overschrijdende bevorderingen). Indien een definitief benoemd personeelslid een beoordelingsresultaat ‘onvoldoende’ bekomt wordt dit gemeld aan de burgemeester. Deze periodieke evaluatie vervalt echter in geval van een mutatie of een bevordering naar een andere dienst. Indien voor de toepassing van één van deze beoogde gelegenheden géén periodieke evaluatie voorhanden is, wordt een evaluatie speciaal voor deze gelegenheid opgemaakt (= gelegenheidsevaluatie). Ook kan een bijkomende evaluatie, gebeuren op initiatief van de dienstchef of de betrokkene, wanneer zich sedert de laatste evaluatie feiten hebben voorgedaan die het evaluatieresultaat ervan grondig kunnen wijzigen. De nieuwe evaluatie wordt opgesteld in opdracht van de burgemeester of de herzieningscommissie. (...)” - artikel 64 : “De evaluatie gebeurt aan de hand van een specifieke evaluatievragenlijst. (...).” - artikel 65 : “De resultaten van de evaluatie worden uitgedrukt in kwalitatieve omschrij- vingen. De gevolgen voor het in aanmerking komen voor de doelstellingen bepaald in artikel 63 worden als gunstig of ongunstig omschreven. Iedere evaluatie wordt gevolgd door een beoordelingsgesprek. Tijdens dit beoordelingsgesprek tussen de beoordelaar(
  2. s)en de beoordeelde wordt de evaluatie aan betrokkene meegedeeld, toegelicht en besproken. Het beoordeelde personeelslid tekent na het beoordelingsgesprek de beoordeling voor kennisname, samen met de beoordelaar(s). In geval van weigering noteert de chef ‘Weigert te ondertekenen’ De beoordeelde kan onmiddellijk of uiterlijk binnen de 10 kalenderdagen zijn opmerkingen maken, die deel zullen uitmaken van het evaluatiedossier. Op IX-4940-3/13 zijn verzoek kan de beoordeelde een afschrift van zijn evaluatiedossier bekomen. Tussen twee evaluatiemomenten wordt minstens één keer per jaar (bij voorkeur binnen het jaar na de tweejaarlijkse evaluatie) een functioneringsge- sprek georganiseerd tussen de (dienst)chef en het personeelslid. Het functioneringsgesprek is een open gesprek tussen de (dienst)chef, in principe de naast hogere chef, en zijn/haar medewerker (beoordeelde) met het oog op het positief beïnvloeden van de werksituatie in de toekomst door middel van begeleiding en ontwikkeling en mondt uit in schriftelijke vastgelegde werkafspraken of een werkplanning. Dit functioneringsgesprek dient eveneens om diegenen die een ongunstige evaluatie gekregen hebben of een ongunstig resultaat voor een bepaalde doelstelling, in staat te stellen om de volgende keer wel een gunstige evaluatie te bekomen als ze de gemaakte afspraken van het functioneringsgesprek voldoende naleven. (...).” - artikel 66 : “De evaluatie wordt in principe uitgevoerd door twee hïerarchische chefs, waaronder de dienstchef, (...).” 1.1.2. Overeenkomstig artikel 67 kan het personeelslid, in geval van een ongunstige beoordeling, een “aanvraag tot herziening indienen bij de beoordelings- commissie”. Deze kan de evaluatie bevestigen of wijzigen en daartoe alle nuttige informatie inwinnen. Na afhandeling van de herzieningsprocedure kan het personeelslid tegen een ongunstige evaluatie beroep aantekenen bij de burgemeester die, na de betrokkene gehoord te hebben, de definitieve beoordeling uitspreekt. Deze eindevaluatie wordt opgenomen in het evaluatiedossier dat voor het personeelslid op de personeelsdienst wordt gehouden. 1.1.3. Krachtens artikel 69 worden “de modaliteiten omtrent de principes” opgenomen in een bijlage bij het administratief statuut. Dit stuk is niet in het administratief dossier neergelegd. De partijen betwisten evenwel niet dat de regeling, uiteengezet onder randnummer 1.1.4. in het arrest nr. 185.275 van heden, ongewijzigd gebleven is. Aldus gebeurt de beoordeling initieel door het invullen van een “evaluatievragenlijst” met specifieke beoordelingsitems gelinkt aan bepaalde functievereisten. Op basis van die vragenlijst wordt het personeelslid voor elk beoordelingsitem in een bepaalde categorie geklasseerd: categorie A staat voor “zeer negatief voor dit aspect”; categorie B voor “negatief”, categorie C voor “neutraal” (betrokkene valt niet op noch in positieve noch in negatieve zin), categorie D voor IX-4940-4/13 “positief” en categorie E voor “zeer positief”. Die klassering wordt dan geglobali- seerd op een “resultatenblad” waarop enerzijds de getoetste functievereisten en anderzijds het “globaal presteren in de huidige functie” in een “kwalitatieve omschrijving” gewaardeerd worden met de vermeldingen “onvoldoende” ( en 65%), “goed” (tussen 65 en 75%) of “uitstekend” (>75%). Deze waardering loopt dan uit op de vermelding van de “consequenties van de beoordeling”, dit is de mededeling of de betrokkene de vereiste minimumgrenzen behaalt voor een bevordering, een mutatie, een benoeming of een verdere tewerkstelling. 1.2. Verzoeker is sedert 1 juli 1986 in dienst bij de politie van de stad Kortrijk. Hij is er vast benoemd politieagent-brigadier. 1.3. Op 3 oktober 1997 ondertekent verzoeker voor kennisneming een “resultatenblad personeelsevaluatie”. Het betreft een periodieke evaluatie over de periode 1995 tot 1997. Het document is opgesteld door de korpschef van verzoeker als “beoordelaar-dienstchef” en door de tweede beoordelaar, J-P COUDENYS. Verzoeker krijgt de volgende beoordeling: zijn prestaties worden, wat de aspecten “vakkennis” en “voorkomen en discipline” betreft als “zwak” beoordeeld, wat betreft de aspecten “flexibiliteit, praktische gerichtheid” krijgt hij “matig” en wat de aspecten “omgang met het publiek”, “samenwerking, omgang met collega’s, groepswerk” en “verantwoordelijkheidszin” betreft krijgt hij een “bevredigend”. Zijn “totaal presteren in de huidige functie” wordt als “matig” beoordeeld, met als consequentie dat hij een “ongunstig” krijgt voor “toelating tot effectieve bevorde- ring” en “vereiste bekomen volgende weddeschaal”. Op de bijbehorende beoorde- lingsvragenlijst, waarin de vermeldingen op de resultatenbladen hun grondslag vinden, wordt verzoeker voor 42 aandachtspunten gequoteerd. Hij krijgt voor één rubriek positief- “betrokkene heeft oog voor talenten en initiatieven van collega’s”-, voor zeven rubrieken negatief- “betrokkene houdt het imago van het korps hoog”; “betrokkene is in staat op een tactvolle manier een boodschap over te brengen”; “betrokkene is in staat een logisch PV, dossier of verslag op te stellen”; “betrokkene kan een degelijk verhoor afnemen”; “betrokkene is in staat een lang aangehouden inspanning te leveren, ook in moeilijke omstandigheden”; betrokkene bevordert de verstandhouding tussen collega’s”; “betrokkene neemt in alle omstandigheden een correcte houding aan”- en voor de overige 34 rubrieken neutraal. Verzoeker stipt in zijn verzoekschrift terecht aan dat deze beoordelingsvragenlijst en het resultatenblad zonder meer identiek zijn aan de beoordelingen die hij, na een onverbloemd IX-4940-5/13 gunstige beoordeling einde 1992, van dezelfde personen gekregen heeft en die door de Raad van State vernietigd zijn met de arresten nr. 107.625 van 11 juni 2002 en nr. 185.275 van heden. 1.4. Op 12 oktober 1997 ondertekent verzoeker een “addendum aan periodieke beoordeling”. Daarin stellen de twee beoordelaars : “Door zijn directe chefs - die optreden als informant - wordt Herman De Jonghe over de hele lijn als zeer middelmatig beoordeeld. Dit valt des te meer op voor iemand die er wel in geslaagd is een universitair diploma te behalen. Dat zo iemand op het vlak van ‘vakkennis’ het predikaat ‘zwak’ krijgt, kan alleen maar uitgelegd worden vanuit een gebrek aan motivatie of inzet. Ook een zekere slordigheid en grilligheid is hem niet vreemd (cfr. advies van de korpschef). Ten slotte slaagt hij er ook niet in om goede sociale relaties met zijn collega’s uit te bouwen, wat in politiewerk - gelet op de risico’s - hoogst belangrijk is. Gezien dit allemaal zaken zijn die met wat goede wil kunnen rechtgetrokken worden blijft zijn beoordeling slechts een score ‘matig’ opleveren”. Verzoeker vraagt de herziening van zijn beoordeling. De beoordelingscommissie bevestigt op 10 februari 1998 -beslissing nr. 112

(1998)- de evaluatie. Die beslissing is als volgt gemotiveerd: “Gelet op het gehoor van de beoordelaars, de heren S. Eeckhout, hoofd- commissaris van politie en JP Coudenys, commissaris van politie, op 27 januari 1998, waarin het disfunctioneren van betrokkene wordt bevestigd; Gelet op het gehoor op heden van de heer H. De Jonghe in zijn middelen van verweer, waarin hij stelt dat 1 de motivering, als annex aan de evaluatie, enige klaarheid schept omtrent de perceptie van de leiding op zijn functioneren. 2 hij geen beoordelingsgesprek heeft gehad. 3 de beoordeling onvoldoende genuanceerd is aangezien wel zijn zwakke punten in overweging worden genomen, maar niet zijn sterke. 4 op te komen voor zijn visie, die soms tegen de stroom ingaat. 5 de beoordeling niet gebaseerd is op informatie van zijn eigenlijke chef, nl. de heer D. Verschelden, postoverste. 6 hij geen tekort heeft aan vakkennis en sociale ingesteldheid (heeft goede ploeg en collega’s). Overwegende dat de voorbeelden die hij aanhaalt omtrent beweringen, gesprekken o(
  1. f)opmerkingen met betrekking tot zijn loopbaan meestal buiten de beoordeelde periode (01.07.1994 - 31.12.1994) ressorteren; Overwegende dat enerzijds de heer H. De Jonghe eerlijk denkt dat hij bekwaam is en goed functioneert en anderzijds de korpsleiding eerlijk meent dat hij niet bekwaam is en onvoldoende functioneert als politieagent; Aangezien blijkt dat de visie van de korpsleiding op het functioneren van een politieagent duidelijk verschilt van deze van de heer H. De Jonghe; Aangezien in een organisatie het gepast is dat het personeelslid zich aanpast aan de bedrijfscultuur, en niet omgekeerd; Overwegende dat betrokkene verklaart voldoende te zijn gehoord; IX-4940-6/13 Aangezien uit een aanvullend gehoor van de heer Verschelden, postoverste bevestigd wordt dat de heer H. De Jonghe enerzijds bepaalde kwaliteiten heeft, vooral op het vlak van kennis, maar anderzijds niet ontkend wordt dat die kwaliteiten voor een stuk te niet gedaan worden door zijn eigengereid optreden in situaties waar dit niet vereist is; Aangezien er bijgevolg geen nieuwe elementen zijn die aanleiding zouden kunnen geven tot een wijziging van de verkorte evaluatie; Overwegende dat de commissie evenwel van oordeel is dat, indien betrokkene er in zou slagen zijn intellectuele capaciteiten en kennis concreet in de praktijk om te zetten met een gepaste attitude en deze voor de taakuit- oefening zou bestendigen, dit wellicht enige verbetering in het resultaat van zijn functioneren zou als gevolg hebben en bijgevolg ook een betere evaluatie in de toekomst; Gelet op art 171bis van de Nieuwe Gemeentewet, waaruit blijkt dat de korpschef, onder het gezag van de burgemeester, belast is met de leiding, organisatie en de verdeling van de taken van het politiekorps;” 1.5. Verzoeker stelt beroep in bij de burgemeester. Hij wordt op 25 mei 1998 gehoord en legt een nota van verdediging voor. Op 5 juni 1998 treft de burgemeester het thans bestreden besluit. Hij bevestigt de beslissing van de beoordelingscommissie op volgende gronden : “(...) Overwegende dat de beoordelingscommissie reeds een gemotiveerd antwoord formuleerde op de meeste van de grieven van de heer De Jonghe en dat dit antwoord kan beaamd worden; Overwegende dat de heer De Jonghe geen nieuwe feiten te zijner verdedi- ging aanvoert; Overwegende dat de kern van het probleem blijkbaar schuilt in het feit dat de heer De Jonghe een visie op het politiewerk en een attitude heeft die diametraal staan op de visie van de korpschef; Overwegende dat krachtens artikel 171bis van de Nieuwe Gemeentewet de korpschef, onder het gezag van de burgemeester, belast is met de leiding, de organisatie en de verdeling van de taken van het politiekorps, en dat bijgevolg de personeelsleden zich dienen te conformeren aan de visie van de korpschef en niet omgekeerd; Overwegende dat gedrag dat afwijkend is t.o.v. de richtlijnen van de korpschef logischerwijze aanleiding geeft tot negatieve beoordelingen; Overwegende dat de korpschef in zijn opeenvolgende adviezen in diverse bevorderingsprocedures inzake het betrokken personeelslid, voldoende aangetoond heeft waar zich de knelpunten bevinden en dat deze adviezen, in tegenstelling tot wat betrokkene beweert, overeenstemmen met de betwiste beoordeling; Overwegende dat er geen nieuwe elementen zijn die aanleiding zouden kunnen geven tot een herziening van de beslissing van de beoordelings- commissie;” IX-4940-7/13 De ontvankelijkheid. 2. De verwerende partij betwist het belang van verzoeker omdat de bestreden beslissing slechts uitwerking heeft gehad tot 31 december 1998. 3. Terecht antwoordt verzoeker daarop dat hij minstens een moreel belang heeft bij de vernietiging van deze voor hem ongunstige evaluatie. De grond van de zaak 4. Verzoeker voert in het eerste middel “het gebrek aan feitelijk juiste, afdoende en wettige motieven, schending van de wet van 29 juli 1991 betreffende de formele motivering van de bestuurshandelingen, meer bepaald de artikelen 2 en 3 ervan, en schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur van de zorgvuldigheid en de redelijkheid” aan. In het eerste onderdeel van dit middel stelt hij dat de bestreden beslissing zijn beroep tegen de ongunstige beoordeling afwijst zonder te steunen op afdoende en wettige motieven, die hem ook bekend waren. Aldus steunt de beoordeling op de aankruising, door de beoordelaars van 42 rubrieken, maar die beoordeling is, ondanks zijn kritiek, sinds 1996 niet meer gewijzigd en de verwerende partij heeft ook nooit geantwoord op zijn bemerkingen. In ieder geval werd hij nog in 1992 zonder voorbehoud gunstig beoordeeld en toont de verwerende partij niet afdoende aan welke redenen die veranderde opstelling onderbouwen. De beoordelingsvragenlijst bevat geen enkel motief; het addendum bevat wel enige verduidelijking maar is vaag en komt neer op beweringen. De beslissing van de beoordelingscommissie bevat stellingnames zonder vermelding van feiten. De verwijzing naar richtlijnen van zijn korpschef en naar het feit dat hij daarvan afwijkt, “logischerwijs aanleiding geeft tot negatieve beoordelingen” vormt bij gebrek aan concrete gegevens geen geldig motief. De verwijzing naar “knel- punten” in de adviezen van de korpschef is evenzeer een loutere bewering. 5. De verwerende partij antwoordt daarop dat de vragenlijsten door de beoordelaars ingevuld zijn in overeenstemming met het administratief statuut. Verzoeker heeft de beoordelingsfiche op 12 oktober 1997 ondertekend; dat veronderstelt een bespreking en bovendien is hij persoonlijk gehoord door de beoordelingscommissie en de burgemeester. De beoordelaars hebben de wijze van dienen van verzoeker in eer en geweten beoordeeld en zij hebben er een bijkomende motivering aan toegevoegd -het addendum-, zij zijn net als verzoeker en de IX-4940-8/13 postoverste door de beoordelingscommissie gehoord en op grond daarvan kon de commissie een degelijk gemotiveerde beslissing nemen, zodat de burgemeester terecht naar de beslissing van de beoordelingscommissie kon verwijzen. De burgemeester heeft gesteld dat verzoeker geen nieuwe feiten ter zijner verdediging aanvoerde en hij doelde daarmee op het verweer dat verzoeker geboden heeft bij de vaststelling van zijn vroegere beoordeling van 18 december 1997. Het bestreden besluit verwijst ook naar welbepaalde adviezen van de korpschef en naar eerdere beoordelingen van de beoordelingscommissie, die door verzoeker goed gekend waren. 6. In zijn repliek stelt verzoeker dat de vragenlijst -in dit geval net zoals in zijn vorige beoordelingen- geen concrete en afdoende motivering kan zijn voor de bestreden beslissing. De verwerende partij heeft nooit zijn kritiek op de opstelling van het bestuur beantwoord en de verwijzing in de bestreden beslissing naar het bestaan van “knelpunten” zoals die uit het advies van de korpschef zouden blijken, is te algemeen. Hij herhaalt nog dat er geen beoordelings- of een functione- ringsgesprek gevoerd werd. 7. De twee beoordelaars hebben bij de redactie van de beoordelings- vragenlijst hun quoteringen niet nader toegelicht. Verzoeker was dus, bij de ontvangst van het resultatenblad, in het ongewisse over de concrete gegevens op grond waarvan de beoordelaars hem voor de onderzochte periode eerder negatief konden beoordelen. Het administratief dossier bevat evenmin enig feitelijk gegeven dat de quoteringen van de beoordelaars, die in wezen niet meer zijn dan conclusies, concreet onderbouwt. De twee beoordelaars hebben het resultatenblad aangevuld met een addendum waarvan de tekst hiervoor sub 1.4 weergegeven is. Ook daarin zijn geen concrete feiten vermeld die verzoeker konden toelaten een duidelijk zicht te krijgen op de verschillende quoteringen, inzonderheid de negatieve. 8. Vraag is dan of die feitelijke grondslagen in de loop van het verder besluitvormingsproces toch nog aan de oppervlakte gekomen zijn en of het bestreden eindbesluit daar regelmatig en met vermelding van de relevante redenen de conclusie heeft aan kunnen verbinden dat de evaluatie “matig” verantwoord was. IX-4940-9/13 9. De beoordelingscommissie heeft de vraag tot herziening van verzoeker verworpen. Zij verwijst daarvoor naar het horen van de twee beoordelaars waaruit zij heeft kunnen opmaken dat verzoeker met de beoordelaars van mening verschilt over het functioneren van het personeel, maar dat in dergelijk geval het aan het personeelslid toekomt zich aan te passen. Er wordt ook verwezen naar het verhoor van de postoverste waaruit wordt opgemaakt dat verzoeker zich eigengereid opstelt. De commissie besluit dat er geen nieuwe elementen zijn die een aanpassing van de beoordeling -een wijziging van de quoteringen- kunnen rechtvaardigen totdat verzoeker blijk zou geven van de gepaste attitude. 10. Het verhoor van de beoordelaars en van postoverste VERSCHELDEN is gebeurd in afwezigheid van verzoeker. Er is geen schriftelijke neerslag van opgemaakt. Zelfs indien tijdens die verhoren concrete gegevens zouden zijn overgelegd die een verklaring kunnen vormen voor de negatieve quoteringen van verzoeker, dan heeft hij er in ieder geval nooit kennis van kunnen nemen. De beoordelingscommissie legt de grondslag voor de negatieve quoteringen van verzoeker in zijn deloyale houding tegenover zijn meerderen. Dat een personeelslid loyaal moet zijn en dat de ontevredenheid over bepaalde bevelen van zijn meerderen hem niet mag beletten zijn opdrachten correct uit te voeren, belet evenwel niet dat de hiërarchische meerderen de verplichting hebben om hun vaststellingen ter zake met concrete gegevens te onderbouwen. 11. Ook tijdens de procedure voor de beroepscommissie heeft verzoeker geen klaarheid kunnen krijgen over de concrete feiten die aan zijn ongunstige beoordeling ten grondslag lagen. 12. Verzoeker heeft vervolgens beroep ingesteld bij de burgemeester. Hij wees er de burgemeester op dat zijn korpschef hem in zijn advies van 28 februari 1996 een “intelligent capabel politieman” had genoemd en vroeg om de neerlegging in het dossier van de “concrete positieve opmerkingen uit (zijn) dossier, desgevallend met de negatieve”. Hij stipte aan dat zijn beoordeling in schril contrast stond met de positieve beoordeling die hij in 1992 had gekregen, hetgeen mocht laten verwachten dat aangegeven zou worden op welke wijze zijn presteren veranderd is, zeker nu er hem tijdens een evaluatiegesprek nooit medegedeeld is welke gewijzigde houding van hem verwacht werd. IX-4940-10/13 13. Om tot zijn beslissing te komen heeft de burgemeester verzoeker gehoord, blijkbaar in aanwezigheid van de twee beoordelaars. Bij ontstentenis van geschreven neerslag van dat onderhoud kan niet uitgemaakt worden of daar concrete gegevens zijn aangebracht en wat verzoeker daarop geantwoord heeft. 14. In zijn beslissing verwijst de burgemeester vooreerst naar het gemotiveerd antwoord van de beoordelingscommissie op de bemerkingen van verzoeker. Hiervoor is vastgesteld dat de beoordelingscommissie geen duidelijkheid gebracht heeft in de feitelijke omstandigheden die de beoordeling van verzoeker onderbouwen. 15. De beslissing verwijst voorts naar het feit dat verzoeker geen nieuwe feiten te zijner verdediging aanvoert. Blijkens de memorie van antwoord verwijst de burgemeester daarmee naar de vorige evaluatiedossiers en de beslissingen die de beoordelingscommissie en het college van burgemeester en schepenen op 18 december 1997 daarin genomen hebben. Aangenomen dat de verwerende partij, in de mate zij aan verzoeker een bepaalde deloyale houding verwijt, kon voortbouwen op een vroegere beoordeling en op de feiten die op dat ogenblik in aanmerking waren genomen om die -voor haar onduldbare- houding te bewijzen, moet vastgesteld worden dat de Raad van State reeds twee beoordelingen van verzoeker vernietigd heeft -de beoordeling toegekend op 19 juli 1996 met het arrest nr. 107.625 van 11 juni 2002 en de beoordelingen toegekend op 18 december 1997 met het arrest nr. 185.275 van heden- op grond van de vaststelling dat zij bij gebrek aan bewijs van de feitelijke grondslag niet afdoende gemotiveerd waren. Daaruit volgt dat de burgemeester voor de feitelijke grondslag van zijn beslissing niet kan verwijzen naar de concrete gegevens waarop die beslissingen steunden. Daarbij komt dat verzoeker terecht erop wijst dat hij bij een periodieke beoordeling in 1992 zonder voorbehoud positief geëvalueerd was en dat zijn beoordeling nadien omgeslagen is. Dat gegeven had voor het bestuur een reden te meer moeten zijn om de negatieve houding die zij nu bij verzoeker ontwaart, met concrete gegevens aan te tonen. IX-4940-11/13 16. De burgemeester verwijst nog naar de adviezen van de korpschef in bevorderingsprocedures. Uit de gegevens van het dossier blijkt dat er zo maar één advies bestaat, dit van 28 februari 1996. Vooreerst blijkt de verwerende partij wat dat betreft niet zeer standvastig, aangezien zij in de zaak die het voorwerp heeft uitgemaakt van het arrest nr. 185.275 van heden, reagerend op het standpunt van verzoeker dat zijn beoordeling afweek van dat -voor hem gunstig- advies, uiteengezet heeft dat het advies, omdat het gegeven was met betrekking tot een bevordering, niet gebruikt kon worden in een beoordelingsdossier. Vervolgens stelt de Raad van State vast dat het genoemde advies zeker niet volledig negatief is voor verzoeker, maar dat het ook positieve aspecten omtrent zijn functioneren bevat. Aldus wordt er uiteengezet dat hij leergierig is, dat hij veel interesse heeft voor het gerechtelijk en het opsporingswerk en daarin soms gedreven tewerk gaat, dat hij ten overstaan van zijn hiërarchische oversten eerlijk -wel soms iets te cru- is maar loyaal beslissingen accepteert en dat zijn gedrag in dienstverband correct is. Verzoeker heeft dan ook terecht tegenover de burgemeester voorgehouden dat hij volgens zijn korpschef een intellectueel capabel politieman was, terwijl zijn beoordeling laat uitschijnen dat hij een zeer middelmatig presterend politieagent is die enkel in negatieve zin opvalt. De burgemeester kon het vermelde advies niet zonder meer in aanmerking nemen als bewijs van zijn matig functioneren. In ieder geval kon hij er de vereiste concrete gegevens niet in vinden voor een negatieve beoordeling van zijn wijze van dienen. 17. Een en ander leidt tot het besluit dat het gehele besluitvormingsproces betreffende de beoordeling van verzoeker afgewikkeld is zonder dat de verwerende partij de precieze redenen veruitwendigd heeft op grond waarvan zij zich een negatief beeld over verzoeker heeft kunnen vormen. Het bestreden besluit ontbeert de rechtens vereiste feitelijke grondslag. Het middel is gegrond. IX-4940-12/13 OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel 1. Vernietigd wordt de beslissing van 5 juni 1998 van de burgemeester van de stad Kortrijk waarbij het besluit nr. 112 van 10 februari 1998 van de beoordelingscommissie met betrekking tot de periodieke beoordeling van Herman DE JONGHE over de periode 1996 en 1997, geldig tot 31 december 1998, bevestigd wordt. Artikel 2. De kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 347,06 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 9 juli 2008, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, D. MOONS staatsraad, P. LEFRANC, staatsraad, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. A. VANDENDRIESSCHE. IX-4940-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.185.276 Gerelateerde publicatie(
  2. s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:1998:ARR.76.955 ECLI:BE:RVSCE:1999:ARR.78.615 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.