id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 juli 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.185.277 Rolnummer: A. 151375/IX-4511 Zaak: Arrest 185277 - Tucht (openbaar ambt) - 09/07/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-08-05 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-06-29 08:23 Fiche Arrest nr 185.277 van 9 juli 2008 Openbaar ambt - Tucht (openbaar ambt) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 185.277 van 9 juli 2008 in de zaak A. 151.375/IX-
- In zake : Herman DE JONGHE, die woonplaats kiest bij advocaat P. CRISPYN, kantoor houdende te MARIAKERKE, Mazestraat 16 tegen : de Politiezone VLAS (Kortrijk - Kuurne - Lendelede), die woonplaats kiest bij advocaat B. STAELENS, kantoor houdende te BRUGGE, Stockhouderskasteel, Gerard Davidstraat 46 bus
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Herman DE JONGHE op 9 juni 2004 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 23 april 2004 van het politiecollege van de lokale politiezone Kortrijk/Kuurne/Lendelede, waarbij hij bij tuchtmaatregel van ambtswege ontslagen wordt vanaf 30 april 2004; Gelet op het arrest nr. 136.164 van 18 oktober 2004 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen; Gezien het verzoek tot voortzetting van de rechtspleging ingediend op 28 oktober 2004 door verzoeker; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur G. DE BLEECKE- RE; IX-4511-1/30 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van13 mei 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 9 juni 2008; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van advocaat P. CRISPYN, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat B. STAELENS, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur G. DE BLEECKERE; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : De feiten 1.
- Verzoeker was, vooraleer hem middels de bestreden beslissing het ontslag van ambtswege met ingang van 30 april 2004 werd opgelegd, inspecteur van politie bij de lokale politie in de politiezone Kortrijk-Kuurne-Lendelede (hierna : de politiezone VLAS). 1.
- Met een nota van 4 juni 2003 wordt door een commissaris van politie uit de politiezone GAVERS aan de politiezone VLAS meegedeeld : “- Op 17.05.2003 om 04.45 uur is een interventieploeg moeten tussenkomen in Bora Bora (Hulste-Brugsesteenweg) voor nachtlawaai. Op dat ogenblik waren eveneens een aantal collega's van de zone Gavers, buiten dienst, aanwezig. Op het ogenblik dat deze collega's, buiten dienst, toekwamen (ongeveer 04.15 uur) waren er eveneens 2 collega's van de PZ-VLAS in de zaak aanwezig. De collega's van VLAS waren in uniform en hadden hun gordel met dienst- wapen aan. Ze dronken pils en één ervan danste met andere aanwezige klanten. Twee aanwezige dames stonden met ontbloot bovenlijf te dansen, samen met een politieagent. Eén van de collega's van VLAS heeft één van de meisjes vastgegrepen bij de borsten en 'meegedanst'. Omstreeks 05.15 uur kregen de IX-4511-2/30 collega's van VLAS een oproep, waarna ze de zaak verlieten. Eén van de collega's herkende een collega van VLAS als Herman DE JONGHE. Zijn collega kenden ze niet, doch achteraf bleek dit hoogst waarschijnlijk D. K. te zijn. Het dienstvoertuig van de patrouille is niet opgemerkt geweest, mogelijks stond dit aan de achterzijde van het gebouw. - Reeds vroeger diezelfde avond (omstreeks 23 uur) werd diezelfde patrouille eveneens opgemerkt te Kortrijk. Zij dienden tussen te komen in de omgeving van de Boerderijstraat te Kortrijk m.b.t. een kapotgeslagen bril van een jongetje. Daarna is deze patrouille binnengegaan in café 'Wielsbeke'. Het slachtoffer werd er samen met zijn moeder aangesproken en terug naar hun wagen begeleid. Daarop zijn ze in hun dienstvoertuig gestapt en hebben een blokje omgereden om bijna onmiddellijk terug aan te komen in hetzelfde café. Ook daar zouden ze bier gedronken hebben en met klanten gedanst hebben. Ook hier waren de agenten in uniform en drager van hun gordel met dienst- wapen. Achteraf werd vernomen dat deze patrouille gedurende een zeer lange tijd in café 'Wielsbeke' vertoefde om dan naar café Bora Bora te Hulste te gaan. - Ik hield eraan u deze feiten kenbaar te maken, temeer daar na hun vertrek uit 'Bora Bora' aanwezige klanten de aanwezigheid van '... de politie van Harelbeke in uniform ...' en hun gedrag niet erg op prijs stelden”. 1.
- Met een nota van 4 juni 2003 deelt de korpschef van de politiezone VLAS (Stefaan EECKHOUT) aan de hoofdcommissaris van politie- directeur personeel Rino DEFOOR (hierna de directeur-personeel) mee wat volgt : “Gelet op art. 831 Gerechtelijk wetboek dat van overeenkomstige toepassing is op tuchtcolleges (Cass. 4 maart 1991, Pas. 1991, I, 628); Overwegende de moeilijkheden uit het verleden tussen HCP EECKHOUT Stefaan en INP DEJONGHE Herman, meer bepaald een klacht aanhangig gemaakt door laatstgenoemde bij het Comité P; Overwegende dat de noodzakelijke sereniteit moet kunnen worden gewaarborgd inzake dossier intern toezicht TU346 ten laste van INP DEJONGHE Herman en INP D. K.; De Zonechef beslist dat de tuchtbevoegdheid, voor wat betreft de integrale toepassing van de tuchtwet, bij uitzondering (inzake dossier intern toezicht TU 346) wordt gedelegeerd aan HCP DEFOOR Rino”. 1.
- Dezelfde dag nog wordt verzoeker door de directeur-personeel en door commissaris van politie BILLIOUW verhoord over de gebeurtenissen. Verzoeker verklaart, voorafgaand aan zijn verhoor, wat volgt : “Ik neem kennis van het feit dat om reden van moeilijkheden uit het verleden tussen mij en de Zonechef HCP EECKHOUT Stefaan een ad hoc procedure wordt gestart waarbij de tuchtbevoegdheid, voor wat betreft de integrale toepassing van de tuchtwet, bij uitzondering werd gedelegeerd aan HCP DEFOOR Rino. Ik heb hieromtrent geen bezwaren”. IX-4511-3/30 Na verzoeker te hebben gehoord, beslist de directeur-personeel verzoeker bij dringende noodzakelijkheid voorlopig te schorsen. 1.
- Op 5 juni 2003 deelt de directeur-personeel aan commissaris van politie BILLIOUW en hoofdinspecteur van politie BUYCK mee : “In mijn hoedanigheid van tuchtoverheid, behoorlijk gedelegeerd voor deze zaak door de Zonechef, heb ik op datum van 05/06/2003 aangewezen als voorafgaande onderzoekers inzake TU346; Commissaris van politie BILLIOUW Peter Hoofdinspecteur van politie BUYCK Johan”. 1.
- Op 6 juni 2003 richt de directeur-personeel een nota aan het politiecollege van de politiezone VLAS in verband met de voorlopige schorsing van verzoeker en zijn collega. Als bijlage voegt hij onder meer de in sub 1.
- vermelde nota van 4 juni 2003 waarbij de korpschef hem delegeert om de tuchtprocedure te voeren. Dezelfde dag beslist het politiecollege, onder meer “overwegende de beslissing tot delegatie van de bevoegdheden van de gewone tuchtoverheid aan de personeelsdirecteur”, de beslissing tot voorlopige schorsing van verzoeker, voor een termijn van vier maanden ingaand op 4 juni 2003 met behoud van wedde, te bekrachtigen. Die voorlopige schorsing wordt nadien verlengd. 1.
- Met een brief van 18 juli 2003 wordt verzoeker door de directeur- personeel opgeroepen om op 31 juli 2003 gehoord te worden over de feiten die in de nota van de politiezone GAVERS worden aangehaald. In fine van zijn brief deelt de directeur-personeel mee dat hij in zijn hoedanigheid van gewone tuchtoverheid op 5 juni 2003 commissaris van politie BILLIOUW en hoofdinspecteur van politie BUYCK heeft aangewezen als voorafgaande onderzoekers. 1.
- Op 31 juli 2003 wordt verzoeker door de voorafgaande onder- zoekers gehoord. Hij verklaart, voorafgaand aan het eigenlijk verhoor, wat volgt : “Ik heb kennis van uw aanstelling als voorafgaande onderzoekers in de zaak waarin ik als betrokkene word opgeroepen. Ik neem kennis van de bepalingen van art. 25 van de tuchtwet en neem er kennis van dat ik deze verklaring afleg in het raam van een vooronderzoek, dat voorafgaat aan een mogelijke tuchtprocedure en dat deze verklaring in een tuchtprocedure ten mijnen laste zou kunnen worden gebruikt. Ik neem kennis van het feit dat om reden van moeilijkheden uit het verleden tussen mijzelf en de Zonechef HCP EECKHOUT Stefaan een ad hoc procedure werd gestart waarbij de tuchtbevoegdheid, voor wat de integrale toepassing van IX-4511-4/30 de tuchtwet betreft, bij uitzondering wordt gedelegeerd aan HCP DEFOOR Rino. Ik heb hieromtrent geen bezwaren”. 1.
- Met een nota van 21 augustus 2003 brengt commissaris van politie BILLIOUW aan de directeur-personeel verslag uit inzake het voorafgaand onderzoek. In de nota wordt een synthese gemaakt van alle afgelegde verklaringen. De verslaggever komt tot het besluit dat : “A/ de patrouille - gedurende ongeveer een vijftal uren zich heeft onttrokken aan de verplich- ting tot het uitvoeren van politionele activiteiten - een herbergbezoek heeft gebracht aan twee herbergen/tavernes - met kennis van het terrein en zonder dienstreden de zone heeft verlaten - in één drankgelegenheid minstens twee alcoholische dranken heeft verbruikt (café Wielsbeke) - in de tweede drankgelegenheid alcoholische dranken aangeboden heeft gekregen (Bora-Bora) - dranken heeft getrakteerd aan en getrakteerd gekregen door de aanwezigen en/of uitbaters - in beide drankgelegenheden heeft gedanst met de aanwezige klanten (café Wielsbeke zowel mannen als vrouwen; Bora Bora enkel met vrouwelijke aanwezigen) - actief heeft geparticipeerd aan de gebeurtenissen in een losgelaten sfeer - waarbij - in de gelegenheid Bora Bora - twee vrouwen met ontbloot bovenlichaam aan de dans deelnamen - met dracht van het uniform en de wapengordel - in een niet-besloten drankgelegenheid - in aanwezigheid van burgers en politieambtenaren als dusdanig gekend doch in burger gekleed - zich bewust heeft onttrokken aan de collega's politieambtenaren in uniform gekleed B/ INP Herman DEJONGHE in het bijzonder - heeft genipt aan de aangeboden alcoholische dranken in de tweede drank- gelegenheid (Bora Bora) - bij het dansen in Bora Bora de borsten heeft ontbloot en vastgenomen van één van de dansende dames - prestaties als overwerk heeft laten registreren”. De verslaggever oordeelt voorts dat die feiten vaststaan en als bewezen moeten worden beschouwd. Hij zet uiteen welke tuchtvergrijpen deze feiten uitmaken, en stelt in zijn hoedanigheid van vooronderzoeker voor een zware tuchtstraf op te leggen. 1.
- Op 28 augustus 2003 stelt de directeur-personeel ten behoeve van het politiecollege een “ontwerp inleidend verslag” op, waarin hij : - de conclusies van het voorafgaand onderzoek integraal onderschrijft; IX-4511-5/30 - in navolging van de voorafgaand onderzoek, van mening is dat de feiten de volgende tuchtvergrijpen uitmaken : 1/) in hoofde van beide politieambtenaren : het dienstverzuim door gedurende het grootste gedeelte van de nachtelijke permanentie zich te hebben onttrokken aan de verplichting tot het uitvoeren van politionele activiteiten; het schenden van het principe van de integriteit, onkreukbaarheid en de onafhankelijkheid door alcoholische dranken te hebben verbruikt tijdens de dienst bij het dragen van uniform en dienstwapen en deze dranken in hoofdzaak te zijn aangeboden geworden; het schenden van de waardigheid verbonden aan het ambt door tijdens de dienst bij het dragen van uniform en dienstwapen in een openbare gelegenheid te hebben geparticipeerd aan activiteiten in een losgelaten sfeer en in het bijzonder gedanst te hebben met zowel vrouwen met ontbloot bovenlichaam als met mannen; 2/) in hoofde van verzoeker in het bijzonder : het schenden van de naam en de faam van het korps en de politieambtenaren en -diensten in het algemeen door in het openbaar seksuele aanrakingen te hebben gesteld ten aanzien van een vrouw in aanwezigheid van burgers en derden of seksueel getinte gedragingen te hebben gesteld in het openbaar; - meedeelt dat de feiten volgens zijn overtuiging moeten gestraft worden met een zware tuchtstraf en dat hij de hogere tuchtoverheid (het politiecollege) heeft gevat. Eveneens op 28 augustus 2003 adieert de directeur-personeel de hogere tuchtoverheid. 1.
- Op 29 augustus 2003 beslist het politiecollege : - kennis te nemen van de adiëring van de tuchtoverheid in het dossier van verzoeker en zijn collega en de lagere tuchtoverheid te ontlasten van verder optreden. - in dat dossier geen bijkomend voorafgaand onderzoek meer te bevelen, de feiten te beschouwen als ernstig die moeten leiden tot het overwegen van een zware tuchtstraf en over te gaan tot de betekening van het inleidend verslag opgesteld door de hogere tuchtoverheid. 1.
- In zijn inleidend verslag van 2 september 2003 deelt het politiecollege aan verzoeker zijn voornemen mee om hem de zware tuchtstraf van de afzetting op te leggen. Verzoeker stelt daartegen een uitgebreid verweerschrift op, waarin hij aanvoert dat de beslissing van 4 juni 2003 van de korpschef tot bevoegdheids- IX-4511-6/30 delegatie aan de directeur-personeel onwettig is en dat alle handelingen die volgen op en gesteund zijn op die onwettige beslissing eveneens als onwettig en nietig moeten worden beschouwd. Hij vraagt tevens dat een aantal getuigen zouden worden opgeroepen voor de geplande hoorzitting. 1.
- Op 10 oktober 2003 wordt verzoeker, bijgestaan door zijn tuchtverdedigers, door het politiecollege gehoord. Nog dezelfde dag beslist het politiecollege dat het tuchtdossier met betrekking tot verzoeker in staat van wijzen is, dat geen bijkomende vooraf- gaande onderzoeksverrichtingen meer uitgevoerd moeten worden, en over te gaan tot de betekening van het voorstel tot de zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege. 1.
- Op 20 oktober 2003 dient verzoeker tegen dat voorstel van zware straf een verzoek tot heroverweging in bij de tuchtraad. 1.
- Op 10 december 2003 worden de afgevaardigde van de hogere tuchtoverheid en verzoeker, bijgestaan door zijn tuchtverdedigers, door de tuchtraad gehoord. De inspecteur-generaal van de lokale en federale politie stelt in zijn advies dat hij de hoofdlijnen van de stellingnames geformuleerd in het strafvoorstel momenteel kan bijtreden, maar dat hij in verband met het verloop van de tuchtproce- dure niettemin zeven punten toegelicht of beantwoord wenst te zien. Met een brief van 16 december 2003 beantwoordt het politie- college de door de inspecteur-generaal gestelde vragen. Op 28 januari 2004 formuleert de inspecteur-generaal zijn schriftelijke beschouwingen. Hij is van mening dat het opleggen bij tuchtmaatregel van een schorsing van lange duur meer passend zou zijn. 1.
- Op 20 februari 2004 geeft de tuchtraad zijn advies. In het luik “De procedure” : - merkt de tuchtraad onder punt 3 ("De samenstelling van het dossier") op dat het, ondanks de feitelijke verwevenheid die bestaat in de dossiers lastens verzoeker en zijn collega, tot de opdracht en verplichting van de tuchtoverheid behoorde de afzonderlijke tuchtvorderingen derwijze te voeren dat de individuele rechten op discretie van beide personeelsleden maximaal gevrijwaard bleven, hetgeen in de voorliggende zaak totaal werd miskend en dat de tuchtoverheid ten onrechte “onduidelijkheid” voorwendt wanneer wordt verzocht een document met vaste IX-4511-7/30 datum (18 juli 2003) toe te voegen waarbij door de gewone tuchtoverheid destijds een vooronderzoek werd bevolen; - gaat de tuchtraad onder punt 4 (“De delegatie”) uitgebreid in op de beslissing van 4 juni 2003 van de korpschef waarbij hij zijn tuchtbevoegdheid delegeert aan de directeur-personeel; hij stelt vast dat de aanstelling van de directeur-personeel geen wettelijke grondslag heeft en daarenboven in strijd is met artikel 46 van de wet van 7 december 1998 (de WGP). Vermits de regels inzake bevoegdheid en delegatie van openbare orde zijn, adviseert de tuchtraad alle stukken opgesteld naar aanleiding van deze delegatie buiten beschouwing te laten, inclusief de bewijsgaring die onrechtstreeks het gevolg is van het onregelmatig optreden van de directeur-personeel. Hij adviseert in hoofdorde dan ook af te zien van verdere tuchtvervolging. In ondergeschikte orde adviseert de tuchtraad : - dat het bewezen is dat verzoeker, met dienst belast zijnde in de nacht van 16 op 17 mei 2003 als lid van een interventieploeg, zich gedurende ongeveer 4 uur 30 minuten onttrokken heeft aan de verplichting tot het uitvoeren van politionele activiteiten, tijdens de dienst en als drager van uniform en dienstwapen, dat hij alcoholische dranken heeft gebruikt, deze dranken in hoofdzaak aangeboden zijnde, en tijdens de dienst, drager van uniform en dienstwapen en dat hij in een openbare gelegenheid geparticipeerd heeft aan activiteiten in een losgelaten sfeer en in het bijzonder gedanst heeft met zowel vrouwen met ontbloot bovenlichaam als met mannen; - dat die feiten worden toegerekend aan verzoeker en een tuchtinbreuk uitmaken in de zin van artikel 3 van de tuchtwet; - dat voor de ten laste gelegde feiten een schorsing bij tuchtmaatregel zou worden opgelegd van drie maanden. 1.
- Op 12 maart 2004 beslist het politiecollege het advies van de tuchtraad te volgen inzake het bestaan van de feiten, de toerekening ervan en de omschrijving van de feiten als tuchtvergrijp maar van het advies van de tuchtraad af te wijken inzake de samenstelling van het dossier, de delegatie en de beteugeling van de feiten en het voorgenomen ontslag van ambtswege te behouden. Met een nota van 15 maart 2004 deelt de hogere tuchtoverheid aan verzoeker haar beslissing mee om, in afwijking van het advies van de tuchtraad, het voorstel tot zware tuchtstraf houdende het ontslag van ambtswege te behouden. Zij geeft daarvoor een zeer uitgebreide motivering op. IX-4511-8/30 1.
- Op 16 maart 2004 dienen de tuchtverdedigers van verzoeker een bijkomend verweerschrift in. 1.
- Op 23 april 2004 beslist het politiecollege, na analyse en weerlegging van het bijkomend verweerschrift, aan verzoeker de zware tuchtstraf houdende het ontslag van ambtswege op te leggen met ingang van 30 april
- Verzoeker erkent dat die beslissing, die het voorwerp uitmaakt van het onderhavige beroep, hem op 27 april 2004 ter kennis is gebracht. De grond van de zaak
- In het eerste middel voert verzoeker de schending aan van artikel 33 van de Grondwet en van de artikelen 19 en 27 van de wet van 13 mei 1999 houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten (hierna: de tuchtwet); hij wijst in dat kader ook op bevoegdheidsoverschrijding. Het betoog van verzoeker komt er, samengevat op neer dat overeenkomstig artikel 19 van de tuchtwet de korpschef als de gewone tuchtover- heid optreedt en dat hij als zodanig bevoegd is om, onder meer, een tuchtprocedure op te starten en een voorafgaand onderzoek te bevelen. De korpschef vindt die bevoegdheid rechtstreeks in de wet en derhalve kan enkel de wet voorzien in de mogelijkheid om de bevoegdheid te delegeren. In strijd daarmee heeft in dit geval de korpschef op 4 juni 2003 beslist zijn tuchtbevoegdheid te delegeren aan hoofdcommissaris R. DEFOOR, daarbij verwijzend naar artikel 831 van het Gerechtelijk Wetboek en een arrest van het Hof van Cassatie. Verzoeker heeft deze delegatie door de korpschef steeds betwist. Er bestaat immers in tuchtzaken geen algemeen beginsel tot delegatie van de tuchtbevoegdheid en de wet bevat ter zake geen bepaling. Verzoeker is van oordeel dat de regels van de wraking hier niet toegepast kunnen worden. De wet bepaalt niets en de wraking, waarvan sprake in artikel 831 Gerechtelijk Wetboek is enkel van toepassing op rechters en magistraten. De verwerende partij heeft volgens hem in de loop van de procedure het geweer wel van schouder veranderd door de delegatie te gaan verantwoorden met verwijzing naar artikel 46 WGP dat betrekking heeft op de vervanging van de afwezige of verhinderde korpschef, maar de voorwaarden voor IX-4511-9/30 de toepassing van die bepaling zijn niet vervuld -er is te dezen geen sprake van verhindering of afwezigheid; de beslissing moet genomen worden door het politiecollege- en overigens heeft het begrip “plaatsvervanging” een specifieke betekenis en heeft het betrekking op het overnemen van de volledige bevoegdheid. Volgens verzoeker heeft de wetgever met artikel 27 van de tuchtwet de tuchtoverheid zelf ook een middel aan de hand gedaan om de sereniteit in een tuchtzaak te bewaren en om de tuchtprocedure zo correct mogelijk en onpartijdig te laten verlopen, door met name in de mogelijkheid te voorzien om de Algemene Inspectie in te schakelen. In dit geval heeft de korpschef zijn bevoegdheid aan een ondergeschikte gedelegeerd en het voorafgaand onderzoek toevertrouwd aan “eigen personeel”, waarmee hij die wettelijke verplichting naast zich neer gelegd heeft.
- De verwerende partij antwoordt dat het voor de korpschef onmogelijk was -verzoeker heeft dat ook nooit betwist- om in deze zaak tegen verzoeker als gewone tuchtoverheid op te treden en hij heeft dan ook bij de kennisneming van het eerste informatieverslag reeds besloten -om reden dat verzoeker tegen hem een klacht bij het Comité P had ingediend en omdat de procureur des Konings in een andere zaak hem daar uitdrukkelijk om gevraagd had- de behandeling van de zaak over te dragen aan een plaatsvervanger, met name hoofdcommissaris DEFOOR. De tuchtwet bevat geen bepaling voor het geval de korpschef niet kan optreden wegens gemis aan “structurele onpartijdigheid”. Evident kan de toepassing van de beginselen van behoorlijk bestuur niet tot gevolg hebben dat de tuchtvordering onmogelijk wordt en dus moet het bestuur zelf een oplossing geven aan het probleem, rekening houdend met de bevoegdheden die de tuchtwet en de WGP aan de onderscheiden bestuursorganen toegekend heeft. Het is in die zin dat de verwijzing naar artikel 831 Gerechtelijk Wetboek begrepen moet worden. De tuchtwet verleent de gewone tuchtoverheid vrij verregaande bevoegdheden. Zij voorziet in de mogelijkheden om zeer snel te handelen. Aldus bepaalt artikel 63 van de tuchtwet dat de gewone tuchtoverheid bij hoogdringend- heid en zonder tussenkomst van het politiecollege een personeelslid preventief kan schorsen wanneer een straf- of een tuchtonderzoek loopt en ook in dat geval bepaalt de wet niet dat de tuchtoverheid zich kan laten vervangen. In dit geval heeft de korpschef de politieofficier, die hem overeenkomstig artikel 46 van de WGP kon IX-4511-10/30 vervangen, effectief als zijn vervanger aangewezen en het politiecollege heeft die aanwijzing -die een plaats heeft in de continuïteit van de openbare dienstverlening- bekrachtigd. De verwijzing door verzoeker naar artikel 27 van de tuchtwet is irrelevant omdat de Algemene Inspectie nooit als vervangende tuchtoverheid kan optreden. Overigens heeft verzoeker, in strijd met het koninklijk besluit van 26 november 2001, nooit gevraagd dat het onderzoek door de Algemene Inspectie zou uitgevoerd worden. In ieder geval moet vastgesteld worden dat een tuchtrechtelijk vervolgd ambtenaar, op gevaar af zich het beginsel “fraus omnia corrumpit” tegengeworpen te zien, de verplichting heeft om meteen voor het bestuur zijn middelen te ontwikkelen. In dit geval heeft verzoeker integendeel uitdrukkelijk tegenover het bestuur bevestigd dat hij geen bezwaren had tegen het optreden van R. DEFOOR als gedelegeerd ambtenaar van de korpschef. Hij heeft aldus de door het bestuur binnen de contouren van de wet uitgedokterde oplossing aanvaard en kan voor de Raad van State niet meer aanvoeren dat het optreden van R. DEFOOR onregelmatig is.
- Verzoeker repliceert dat de korpschef bij delegatie zijn volledige tuchtbevoegdheid aan R. DEFOOR overgedragen heeft en niet enkel de bevoegd- heid om handelingen te stellen die de continuïteit van het bestuur moesten verzekeren. De wetgever heeft, goed wetende dat de tuchtoverheid zich in een toestand kan bevinden waarin zij niet meer onpartijdig kan zijn, daarvoor geen specifieke regeling -geen wraking, geen delegatie- uitgewerkt; hij heeft wel in de mogelijkheid voorzien om het voorafgaand onderzoek -en enkel dat voorafgaand onderzoek- toe te vertrouwen aan de Algemene Inspectie. De verwerende partij heeft deze bijzondere wettelijke bepaling naast zich neergelegd en een oneigenlijke toepassing gemaakt van artikel 46 WGP, door buiten het politiecollege om de directeur-personeel met de afwikkeling van de tuchtprocedure te belasten en zulks op een ogenblik dat er nog helemaal geen nood was aan een delegatie van bevoegdheid door de tuchtoverheid omdat er nog geen sprake was van een tuchtprocedure, maar enkel van een voorafgaand onderzoek, waarvoor artikel 27 een specifieke uitweg biedt. IX-4511-11/30
- De verwerende partij acht het middel niet ontvankelijk omdat verzoeker het niet ten overstaan van de tuchtoverheid zelf heeft doen gelden maar integendeel tijdens de administratieve fase van het besluitvormingsproces uitdrukkelijk bevestigd heeft dat hij zich niet verzette tegen het beheer van zijn tuchtdossier door de directeur-personeel.
- Verzoeker heeft op 4 juni 2003, bij zijn eerste verhoor door de directeur-personeel en commissaris van politie BILLIOUW, bevestigd geen bezwaar te hebben tegen de overdracht, door de korpschef, van zijn tuchtbevoegdheid aan hoofdcommissaris DEFOOR. Hij heeft dit vervolgens met zoveel woorden herhaald ter gelegenheid van zijn verhoor in het kader van het voorafgaand onderzoek en het is pas in het verweerschrift tegen het inleidend verslag, opgemaakt door zijn verdediger, dat aangevoerd is dat de delegatie van de bevoegdheid van de korpschef aan de directeur-personeel -en bijgevolg het gehele voorafgaand onderzoek- onregelmatig is. De verwerende partij toont niet aan dat verzoeker, op het ogenblik dat hem bij de aanvang van het onderzoek werd gevraagd of hij, gelet op zijn gespannen relatie met de korpschef, bezwaar maakte tegen het optreden van de directeur-personeel in de plaats van de korpschef, de reglementering terzake wel kende en dat hij alsdan opzettelijk of met verregaande lichtzinnigheid nagelaten heeft de onregelmatigheid inzake de procedure ter sprake te brengen op een ogenblik dat de bevoegde overheid nog standpunt daarover kon innemen en desgevallend remediëren. Hij blijkt integendeel de onbevoegdheid van de directeur- personeel aangekaart te hebben van zodra hij, bijgestaan door een verdediger, zijn verdediging tegen het inleidend verslag uitgewerkt heeft. In de gegeven omstandig- heden is er geen reden om uit het louter feit dat verzoeker aan de directeur-personeel niet onmiddellijk zijn onbevoegdheid tegengeworpen heeft, af te leiden dat hij het recht verwerkt heeft om zulks later nog rechtsgeldig ter sprake te brengen. De exceptie wordt niet aangenomen.
- Verzoeker betwist niet dat de korpschef goede redenen had om zich, gelet op de vroeger gebleken animositeit en de schijn van vooringenomenheid die daaraan gekoppeld zou kunnen worden, buiten de zaak te houden. Verzoeker is wel van oordeel dat de korpschef, als houder van een door de wet toegewezen bevoegdheid, deze niet regelmatig kon delegeren -omdat de wet zelf daarin niet voorziet en omdat artikel 831 Gerechtelijk Wetboek niet van IX-4511-12/30 toepassing is-, dat de verwerende partij het optreden van de directeur-personeel ten onrechte verantwoordt met een verwijzing naar artikel 46 WGP en dat er een andere mogelijkheid was om de tuchtzaak tegen hem met de vereiste sereniteit te voeren, met name door voor het voorafgaand onderzoek een beroep te doen op de Algemene Inspectie overeenkomstig artikel 27 van de tuchtwet.
- Overeenkomstig artikel 19, 1/, van de tuchtwet is de korpschef de gewone tuchtoverheid van verzoeker. Als zodanig beschikt hij over een aantal in de wet omschreven bevoegdheden, onder meer het bevelen van een voorafgaand onderzoek en het opstarten van een tuchtprocedure met de kennisgeving van een inleidend verslag -artikel 32, eerste lid-.
- De tuchtwet bevat geen bepaling die de korpschef de mogelijkheid biedt zijn toegewezen bevoegdheden geheel of gedeeltelijk over te dragen of te delegeren. Dit sluit evenwel niet uit dat hij, wanneer deugdelijke redenen hem beletten zijn bevoegdheid uit te oefenen, deze delegeert aan een ambtenaar van zijn dienst, zich daarbij inpassend in de onderscheiden bevoegdheden die de tuchtwet en de WGP aan de verschillende bestuursorganen binnen de lokale politiezone hebben toegekend.
- De vereiste van onpartijdigheid is een algemeen rechtsbeginsel dat voor de leden van alle rechtscolleges geldt. Artikel 831 Gerechtelijk Wetboek vormt daar een specifieke toepassing van op de magistraten in de hoven en de rechtbanken. Omdat de chef van een politiekorps een orgaan van het actief bestuur is, kon die bepaling voor de korpschef van verzoeker geen grondslag vormen om de klacht over verzoeker niet te behandelen. Evenwel, de vereiste van onpartijdigheid is, buiten elke tekst om, ook van toepassing op de organen van het actief bestuur die beslissingen nemen in tuchtzaken, in de mate het de uitoefening van de tuchtbevoegdheid niet onmogelijk maakt. Dit is te dezen het geval, aangezien andere personeelsleden van de dienst, tegen wie geen schijn van partijdigheid wordt ingeroepen, de bevoegdheid van de korpschef konden overnemen. Bovendien heeft de korpschef zijn tuchtbevoegdheid over verzoeker gedelegeerd aan die directeur-personeel, waarvan niet betwist wordt dat hij als eerste in aanmerking kwam om de korpschef te vervangen en tegenover wie geen enkel persoonlijk beletsel wordt ingeroepen. IX-4511-13/30
- Geplaatst voor het probleem van de schijn van vooringenomen- heid tegen verzoeker, heeft de korpschef artikel 19 van de tuchtwet niet miskend door zijn bevoegdheid om de klacht over verzoeker te onderzoeken en daar eventueel tuchtrechtelijke stappen tegen te ondernemen, aan de directeur-personeel te delegeren.
- Blijft dan de vraag of andere bepalingen van de tuchtwet zich niet verzetten tegen de delegatie zoals zij te dezen gebeurd is. Verzoeker verwijst naar artikel 46 WGP en artikel 27 van de tuchtwet. Volgens eerstgenoemde bepaling is de vervanging van de korpschef afhankelijk van een beslissing van het politie- college; volgens laatstgenoemde bepaling kan het onderzoek dat aan een tuchtproce- dure voorafgaat toevertrouwd worden aan de Algemene Inspectie.
- Artikel 46 WGP bepaalt dat “in geval van afwezigheid of verhindering van de korpschef (...) het politiecollege onder de leden van het politiekorps met de hoogste graad de vervangende korpschef (aanstelt)”. Blijkens de parlementaire voorbereiding van die bepaling (Parl. St., Kamer van Volksvertegenwoordigers, stuk 1676/1 - 97/98, p. 32) is daarmee het toentertijd bestaand artikel 172bis van de Nieuwe Gemeentewet overgenomen, dat zelf geïnspireerd was op artikel 14, eerste lid, van de Nieuwe Gemeentewet, dat betrekking heeft op de plaatsvervanging van de afwezige of verhinderde burgemees- ter en dat, voor de schepenen, herhaald is in artikel 17 van de Nieuwe Gemeentewet. De vaststelling dat het oorspronkelijk de bedoeling van de wetgever was die bepalingen een algemene betekenis te geven en ze op “alle mogelijke gevallen” toe te passen (Staatsblad 18 juli 1834, verslag Dumortier), staat er niet aan in de weg dat zij slechts van toepassing zijn wanneer de betrokken ambtsdrager verhinderd is de totaliteit van zijn bevoegdheden uit te oefenen en dat zij niet gelden wanneer het hem in een bepaald geval onmogelijk is om te handelen. Deze uitlegging strookt met artikel 46 WGP, enerzijds omdat de vervanging van de korpschef daar niet wordt ingesteld als een automatisme maar de vervanger slechts bevoegd wordt na een formeel optreden van het politiecollege -hetgeen de administratieve actie kan vertragen- en anderzijds omdat de korpschef krachtens artikel 45 WGP de leiding heeft over het korps en derhalve als eerste verantwoordelijk is voor de beslissingen in individuele dossiers.
- In dit geval zag de korpschef, op het ogenblik dat hij moest uitmaken of hij met het oog op het opstarten van een tuchtprocedure tegen verzoeker IX-4511-14/30 een voorafgaand onderzoek zou bevelen, zich geplaatst voor een probleem van schijn van vooringenomenheid in een bepaalde zaak. Artikel 46 WGP is te dien aanzien niet van toepassing.
- Verzoeker is ook van oordeel dat de tuchtwet zelf een oplossing bood voor het probleem van de korpschef. Met name had de korpschef artikel 27 van de tuchtwet moeten toepassen en de Algemene Inspectie inschakelen voor het vooronderzoek en mocht hij niet door middel van een delegatie het onderzoek binnen de eigen dienst houden.
- Verzoeker verliest daarbij evenwel uit het oog dat de vraag naar de verplichting om de Algemene Inspectie in te schakelen -een vraag die desgeval- lend kan leiden tot de vaststelling dat het vooronderzoek onregelmatig gevoerd is- los staat van de in het middel aan de orde gestelde rechtsvraag of de korpschef op 4 juni 2003 -dit is vooraleer enige beslissing werd genomen over het orgaan dat desgevallend het voorafgaand onderzoek zou uitvoeren- zijn bevoegdheid voor de gehele tuchtvordering tegen verzoeker mocht delegeren aan de directeur-personeel van zijn lokaal politiekorps. De vraag naar de regelmatigheid van de verleende delegatie gaat de vraag naar de regelmatigheid van het voorafgaand onderzoek vooraf. De voorgehouden miskenning van de verplichting om de Algemene Inspectie met het voorafgaand onderzoek te gelasten kan niet relevant betrokken worden bij het onderzoek naar de regelmatigheid van die delegatie.
- Uit wat voorafgaat volgt dat de korpschef met het verlenen van een delegatie aan de directeur-personeel omdat tegen hemzelf een schijn van vooringenomenheid tegen verzoeker gold, de tuchtwet niet miskend heeft. Het eerste middel is niet gegrond.
- In het tweede middel voert verzoeker de schending aan van zijn rechten van verdediging, van zijn recht op een eerlijk proces en van het zorgvuldig- heidsbeginsel. Hij wijst erop dat de verwerende partij informatie achtergehouden heeft, dat de bewijsgaring onwettig is en dat het tuchtonderzoek nietig is. Hij zet uiteen dat de tuchtoverheid de brief van 18 juli 2003 bewust niet aan de tuchtraad voorgelegd heeft en dat hij hem uiteindelijk zelf in de discussie heeft overgelegd, dat de tuchtoverheid in strijd met de op haar rustende zorgvuldigheidsverplichting niet ingegaan is op zijn vraag om getuigen te horen, hoewel de voorafgaande onderzoeker in zijn verslag had uiteengezet dat mensen vóór hun verhoor benaderd waren en dat een aantal personen bepaalde gegevens niet konden of wilden IX-4511-15/30 mededelen, dat de verwerende partij nog andere informatie en documenten achtergehouden heeft -er blijft onduidelijkheid over de wijze waarop de korpschef in kennis gesteld is van de oorspronkelijke klachtbrief en over de bijkomende informatie die toen aan de korpschef gegeven is en daarvoor hadden de korpschef, de ondertekenaar van de klachtbrief en vooronderzoeker BILLIOUW als getuigen gehoord moeten worden; er is ook onduidelijkheid hoe andere gegevens ter kennis van de onderzoekers zijn gekomen en welke rol zij hebben gespeeld in het besluitvormingsproces, zoals de identiteit van de verhoorde getuigen, de vaststelling dat de uitbaters van het café te Wielsbeke waren benaderd, of de rol van hoofdin- specteur SERVAEGE; ook het patrouilleverslag van de nacht van 16 op 17 mei 2003 ontbreekt-, dat het onderzoek en de verhoren in de tuchtzaak zeer selectief gebeurd zijn, dat een aantal stukken uit het dossier geen bewijswaarde hebben, dat hij zich niet heeft kunnen verweren omtrent de stukken die de verwerende partij nog bij de bestreden beslissing gevoegd heeft en dat de tuchtstrafbeslissing zeer lang -te lang- uitgebleven is. Uit dat alles besluit hij dat het tuchtdossier tendentieus opgebouwd is, dat het onvolledig is, dat de voorafgaande onderzoeker eigenmachtig uitgemaakt heeft welke getuigen verhoord moesten worden en welke best niet verhoord zouden worden en dat de omstandigheid dat de tuchtoverheid het verslag van de voorafgaande onderzoeker bijgevallen is, de nietigheid van het onderzoek niet kan dekken.
- De verwerende partij antwoordt daarop dat uit het tuchtdossier blijkt dat er een grondig onderzoek aan de zaak gewijd is en dat niet geponeerd kan worden dat de feitenvinding niet correct gebeurd zou zijn, zeker nu er ook positieve gegevens over verzoeker in zijn uiteengezet. Zij stelt dat de brief van 18 juli 2003, die enkel de bevestiging inhoudt van de aanwijzing van de vooronderzoekers, een overbodig stuk is waarvan de laattijdige voeging bij het dossier niet kan leiden tot de onregelmatigheid van de tuchtprocedure. Wat de bemerking betreft dat zij nagelaten zou hebben een aantal getuigen te horen stelt zij dat veel getuigen gehoord zijn en dat verzoeker niet aantoont welk feit verkeerd geapprecieerd zou zijn bij gebrek aan het verhoor van bepaalde getuigen. Verzoeker betwist de feiten eigenlijk niet, maar verliest zich in detailkritiek en irrelevante bedenkingen. Dat verzoeker vragen heeft bij de inhoud van bepaalde stukken betekent zeker niet dat de verwerende partij de in het middel aangevoerde beginselen geschonden zou hebben of dat zij de feiten niet correct zou kunnen beoordeeld hebben. De bestreden beslissing steunt, wat het bewijs van de feiten betreft, op de bekentenis die verzoeker tijdens zijn verhoor van 31 juli 2003 afgelegd heeft. Wat betreft de stukken die aan de bestreden beslissing gehecht zijn toont verzoeker niet aan op IX-4511-16/30 welke wijze zij zijn rechten van verdediging geschonden zouden hebben, nu zij ofwel inhoudelijk niets toevoegen aan wat verzoeker reeds wist ofwel slechts verduidelijken dat de korpschef zich in het verleden op hetzelfde standpunt geplaatst had. Dat er niet met de nodige spoed gehandeld zou zijn wordt tegengesproken door de gegevens van het dossier, waaruit blijkt dat enkel de procedure voor de tuchtraad lang geduurd heeft.
- In zijn memorie van wederantwoord verwijst verzoeker naar rechtspraak waaruit volgens hem blijkt dat het bestuur de verplichting heeft om in een tuchtzaak ook een onderzoek ten ontlaste van het betrokken personeelslid te voeren en dat het bestuur niet selectief mag omgaan met het verhoor van getuigen; hij herhaalt dat zijn rechten van verdediging miskend zijn doordat de verwerende partij nog samen met het tuchtstrafbesluit aanvullende stukken aan het dossier toegevoegd heeft.
- Verzoeker is van oordeel dat hij wegens miskenning van zijn rechten van verdediging en van de zorgvuldigheidsverplichting bij de feitenvinding geen eerlijk proces gekregen heeft
(1)aangezien er stukken ontbreken in het dossier,
(2)aangezien hem een getuigenverhoor geweigerd werd, de overheid informatie achtergehouden heeft en het onderzoek selectief uitgevoerd is met miskenning van de bewijswaarde van bepaalde stukken,
(3)aangezien er hem onbekende stukken aan het tuchtdossier toegevoegd zijn en
(4)aangezien de tuchtprocedure niet met de vereiste spoed afgehandeld is.
- Wat betreft het ontbreken in het tuchtdossier van de brief van 18 juli 2003, is in het arrest nr. 136.164 over de schorsingsvordering van verzoeker -overweging 4.3.1.- gesteld dat die brief geen nieuw gegeven bevatte en dat de verwerende partij de op haar rustende zorgvuldigheidsverplichting niet geschonden heeft door die brief niet van meet af aan in het tuchtdossier op te nemen. Verzoeker heeft tegen die uiteenzetting geen tegenargumentatie meer ontwikkeld. De Raad van State bevestigt de stelling ingenomen in het genoemd arrest.
- Wat betreft de weigering om een bijkomend getuigenverhoor te houden, het achterhouden van informatie en de selectiviteit van het onderzoek met inachtneming van stukken met betwistbare bewijswaarde, is in het arrest nr. 136.164 gesteld dat het bewijs van de feiten, van het tuchtrechtelijk karakter ervan en van de IX-4511-17/30 aanrekening ervan aan verzoeker, reeds besloten lag in de bekentenis die verzoeker tijdens zijn verhoor van 31 juli 2003 afgelegd heeft en dat zijn kritiek op het tuchtonderzoek, zoals dat nadien verlopen is, niet van aard kan zijn om die vaststelling onderuit te halen. Die overweging wordt bijgevallen. Terecht stelt de verwerende partij dat de kritiek van verzoeker in essentie irrelevant is. Zij bevat zeker geen aanzet om te gaan twijfelen aan de gepleegde feiten, waarover hij zelf een bekentenis afgelegd heeft. Vastgesteld wordt derhalve ook nu dat de verwerende partij met het dossier dat haar voorlag, over voldoende bewijskrachtige gegevens beschikte om de feiten, zoals zij uiteindelijk tegen verzoeker aangehouden zijn, voor bewezen te houden en dat de kritiek van verzoeker niet doet besluiten dat de verwerende partij onzorgvuldig of met miskenning van zijn rechten van verdediging tot het bewijs van de feiten zou gekomen zijn.
- Wat betreft de miskenning van de rechten van verdediging doordat bij het tuchtstrafbesluit zelf nog enkele stukken werden gevoegd, is in het arrest nr. 136.164 gesteld -overweging 4.3.3- dat niet gebleken was op welke wijze de toevoeging van die stukken de rechten van verzoeker belemmerd zou hebben. Verzoeker bevestigt in zijn memorie van wederantwoord enkel dat zijn rechten van verdediging wel degelijk miskend zijn. Evenwel, het loutere feit dat er aanvullende stukken voorgelegd zijn volstaat op zich niet om tot een schending van de rechten van verzoeker te besluiten. Hij moet aantonen dat zulks hem op enige wijze benadeeld heeft.
- Wat betreft de duur van de tuchtprocedure, is in het arrest nr. 136.164 -overweging 4.3.4- gesteld dat het dossier niet toeliet te besluiten dat het bestuur nodeloos getalmd zou hebben. Verzoeker brengt te dien aanzien in zijn latere procedurestukken geen nieuwe gegevens aan. De Raad van State bevestigt het standpunt ingenomen in het voormeld arrest.
- Het tweede middel is niet gegrond.
- In het derde middel voert verzoeker de schending aan van zijn rechten van verdediging, van het recht op een eerlijk proces en van het onpartijdig- heidsbeginsel -de fair-playnorm-. Hij wijst ook op het bestaan van machtsafwending. Hij is van oordeel dat het dossier voldoende elementen bevat die aantonen dat het onpartijdigheidsbeginsel geschonden is, dat zijn rechten van verdediging miskend zijn en dat hij geen eerlijk proces gekregen heeft. IX-4511-18/30 Hij adstrueert het middel als volgt: hij heeft verschillende annulatieberoepen ingediend, hij heeft in één zaak reeds een vernietigingsarrest verkregen en een burgerrechtelijke procedure ingesteld en het bestuur is er zich van bewust dat ook de andere zaken kunnen uitlopen op een vernietiging. Ook als syndicaal afgevaardigde is hij geregeld met het bestuur in aanvaring gekomen. Vanuit dat oogpunt hoeft het geen betoog dat de verwerende partij hem zo vlug mogelijk uit het korps wenste te verwijderen. De delegatie van de tuchtbevoegdheid van de korpschef, gezien in het licht van de onwil om artikel 27 van de tuchtwet toe te passen, strekte er slechts toe een waas van onpartijdigheid te creëren. Ook de hogere tuchtoverheid is op dat vlak tekortgeschoten, aangezien de burgemeester van Kortrijk in het politiecollege over de meerderheid van de stemmen beschikt. Voorst moet vastgesteld worden dat zowel de gedelegeerde directeur-personeel als de voorafgaande onderzoeker BILLIOUW reeds in het dossier betrokken waren vooraleer de korpschef zijn bevoegdheid gedelegeerd heeft; zij hadden zich tijdens de procedure van de preventieve schorsing reeds een beeld gevormd van de situatie en dat heeft tot gevolg dat zij zich niet meer onpartijdig konden opstellen. Nochtans zijn zij in de gehele verdere procedure actief gebleven en hebben zij het onderzoek gestuurd om redenen die niets vandoen hebben met de handhaving van de tucht. De ongeloofwaardigheid van commissaris BILLIOUW wordt overigens ook nog bewezen door het feit dat hij op het einde van zijn verslag van vooronderzoek zijn persoonlijke visie weergeeft over het dossier en over de gewenste afloop van de tuchtprocedure. Uit de naar voren geschoven gegevens blijkt aldus dat het niet de bedoeling van de verwerende partij geweest is verzoeker tuchtrechtelijk te straffen, maar hem uit het korps te verwijderen.
- De verwerende partij antwoordt dat de korpschef zich, precies wegens een aantal conflicten met verzoeker, onmiddellijk teruggetrokken heeft en de tweede in bevel binnen het politiekorps met zijn taken belast heeft. Zij heeft binnen het kader dat de tuchtwet haar bood naar oplossingen gezocht om het onpartijdigheidsbeginsel na te leven -de korpschef heeft zijn bevoegdheid gedelegeerd-, maar de naleving van dat beginsel mag er niet toe leiden dat de ambtenaar die een tuchtfeit pleegt een zekere immuniteit verkrijgt. Zo kan de omstandigheid dat een vordering wordt ingeleid tegen de stad niet tot gevolg hebben dat de burgemeester niet meer zou mogen deelnemen aan de beraadslagingen van de wettelijk ingestelde organen van de lokale politiezone. Verzoeker heeft in de loop van de tuchtprocedure geen enkele bijkomende onderzoeksdaad gevraagd -een raadsman heeft er integendeel gewezen op het objectief verloop van het onderzoek-, de tuchtraad heeft na grondige analyse ook van het voorafgaand onderzoek IX-4511-19/30 vastgesteld dat het bestuur tot een deugdelijke, afdoende en onpartijdige feitenvin- ding was gekomen. Uit het dossier kan geen enkele vooringenomenheid tegen verzoeker worden afgeleid; integendeel, er blijkt uit dat ook gegevens die voor verzoeker gunstig zijn in overweging genomen zijn en er is zelfs nagegaan of de klachtbrief niet het gevolg kon zijn van animositeit onder politiekorpsen of van de slechte verstandhouding tussen verzoeker en de korpschef.
- In zijn memorie van wederantwoord maakt verzoeker nog de algemene bemerking dat de onpartijdigheid in het tuchtdossier tegen hem ver te zoeken is, dat de verwerende partij met de opgelegde tuchtstraf, in het licht van de door hem ingestelde rechtsvorderingen, een specifiek opzet had en dat hij niet meer moet doen dan het vermoeden van partijdigheid aannemelijk maken.
- In het arrest nr. 136.164 -overwegingen 5.3 en 5.4- heeft de Raad van State uiteengezet waarom de door verzoeker aangevoerde gegevens het besluit niet toelaten dat de tuchtprocedure niet eerlijk verlopen zou zijn of dat het onpartijdigheidsbeginsel in enig stadium van de tuchtprocedure miskend zou zijn. De Raad van State valt, voor de oplossing van de zaak ten gronde, die uiteenzetting bij. Het tuchtonderzoek is binnen het wettelijk kader uitgevoerd. De punctuele kritiek van verzoeker laat niet toe te besluiten dat één van de actoren in de tuchtprocedure zijn specifieke rol te buiten gegaan is en dat daaruit vooringenomen- heid tegen verzoeker of machtsafwending afgeleid kan worden. Waar verzoeker van oordeel is dat de burgemeester van Kortrijk als lid van het politiecollege deelgeno- men heeft aan de besluitvorming over zijn tuchtstraf maar dat hij daar andere belangen dan zijn tuchtrechtelijke bestraffing op het oog had, weze opgemerkt dat verzoeker geen enkel bewijs levert van enige persoonlijke animositeit van de burgemeester tegen hem en dat, nu de samenstelling van het politiecollege door de wet zelf derwijze geregeld is dat de schijn kan ontstaan dat de leden bij de beraadslagingen oog hebben voor andere belangen dan de strikt tuchtrechtelijke, de toepassing van het onpartijdigheidsbeginsel niet verenigbaar is met de door de wet ingestelde organisatie van het bestuur.
- Verzoeker levert het bewijs van machtsoverschrijding niet. Evenmin blijken uit het dossier de voor de vaststelling van machtsafwending noodzakelijke overeenstemmende gegevens die erop wijzen dat de verwerende partij haar tuchtbevoegdheid oneigenlijk gebruikt zou hebben.
- Het middel is niet gegrond. IX-4511-20/30 33 In het vierde middel voert verzoeker aan dat hem ter gelegenheid van zijn verhoor op 4 juni 2003 niet gewezen is op het bestaan van de artikelen 25 en 29 van de tuchtwet -zijn recht om niet mee te werken aan het verhoor en de mogelijkheid van bijstand van een verdediger-, terwijl de verschillende personeelsle- den die als getuige verhoord zijn wel een mededeling dienaangaande gekregen hebben en zij ook gewezen zijn op hun loyauteitsverplichting. Naar zijn oordeel heeft hij bij zijn tweede verhoor -op 31 juli 2003- andere inlichtingen gekregen dan de getuigen en daaruit blijkt dat de tuchtoverheid hem doelbewust wou misleiden, terwijl de overheid de verschillende personeelsleden nochtans gelijkwaardig moet behandelen. Hij ziet daarin nog maar eens het bewijs van een partijdige opstelling van het bestuur en van een deloyale bewijsgaring die niet regelmatig in het dossier betrokken kan worden.
- De verwerende partij antwoordt daarop dat zij er niet toe verplicht is bij het begin van een verhoor te wijzen op artikel 25 of 29 van de tuchtwet, dat verzoeker geacht wordt de mogelijkheden te kennen die de wet hem biedt, dat zij verzoeker niet in dwaling gebracht heeft maar dat verzoeker goed wist dat hij het voorwerp vormde van een tuchtonderzoek en dat zij vanaf het eerste verhoor dat in het kader van de eigenlijke tuchtprocedure plaatsvond -dat van 31 juli 2003- de bepalingen van artikel 25 en 29 van de tuchtwet nageleefd heeft.
- Verzoeker repliceert dat artikel 29 van de tuchtwet voorziet in de mogelijkheid van bijstand “in elke stand van de procedure”. Volgens hem hebben deze woorden een ruimere draagwijdte dan ‘de eigenlijke tuchtprocedure’ en moet daar ook het voorafgaand onderzoek onder begrepen worden. Hij staaft zijn stelling met verwijzing naar artikel 59 van de tuchtwet, dat betrekking heeft op de preventieve schorsing in het kader van “een tuchtprocedure”. Die bepaling zou volgens hem zinloos zijn wanneer aangenomen wordt dat een preventieve schorsing slechts opgelegd kan worden nadat een inleidend verslag opgesteld is. Bovendien kaderde het verhoor van 4 juni 2003 wel degelijk in een tuchtprocedure, zoals blijkt uit de mededeling dat de directeur-personeel de bevoegdheden van de korpschef zou overnemen en dat het verhoor eventueel in een tuchtdossier gebruikt zou kunnen worden.
- Artikel 25, eerste en tweede lid, van de tuchtwet betreft de verplichting voor het personeel om loyaal mee te werken aan de tuchtonderzoeken waarvan het niet het voorwerp uitmaakt of kan uitmaken en de verplichting om mee IX-4511-21/30 te werken aan tuchtrechtelijke onderzoeksdaden waarvan hij het voorwerp niet uitmaakt en kan uitmaken.
- In het arrest nr. 136.164 -overweging 6.3.1- is gesteld dat die bepaling niet van toepassing was op verzoeker en hij het bestuur dan ook niet kan verwijten niet gewezen te zijn op de inhoud van die bepalingen. Verzoeker heeft geen repliek geformuleerd op het standpunt ingenomen in het genoemd arrest. De Raad van State kan dan ook thans volstaan het standpunt van het genoemd arrest te bevestigen.
- Artikel 29, eerste lid, van de tuchtwet bepaalt dat het personeelslid zich “in elke stand van de procedure” mag laten bijstaan of vertegenwoordigen door een verdediger. Die bepaling maakt deel uit van hoofdstuk V: “de tuchtprocedure”. Uit artikel 56 van de tuchtwet en de uiteenzetting in de memorie van toelichting die voorafgaat aan de tuchtwet van 13 mei 1999 (Parl. Doc. Kamer, 1965/1 -98/99, p. 15) blijkt duidelijk dat de eigenlijke tuchtzaak, bedoeld in hoofdstuk V, begint met de kennisgeving van het inleidend verslag aan het personeelslid. De wet bepaalt ook zelf, in artikel 33, tweede lid, 3/, dat het inleidend verslag melding moet maken van het recht van de betrokkene om zich te laten vertegenwoordigen of bijstaan. Uit de samenlezing van de artikelen 29, 33, tweede lid, 3/, en 59 van de tuchtwet volgt dat de wet slechts voorziet in de bijstand door een verdediger vanaf het verweer tegen het inleidend verslag en niet tijdens het voorafgaand administratief onderzoek en dat niet eerder dan met het inleidend verslag kennis gegeven moet worden van de mogelijkheid om zich te laten bijstaan.
- Verzoeker wijst erop dat het doortrekken van die lezing van de wet tot artikel 59 van de tuchtwet betekent dat geen preventieve schorsing zou kunnen opgelegd worden alvorens een inleidend verslag ter kennis gebracht is. Binnen het bestek van het onderhavig geding moet daarover evenwel geen uitspraak gedaan worden. Het kan volstaan vast te stellen dat de preventieve schorsing -een maatregel die erop gericht is het belang van de dienst te vrijwaren- het voorwerp uitmaakt van een apart hoofdstuk VI van de tuchtwet en dat de regels die voor de eigenlijke tuchtprocedure gelden daarop niet zonder meer getransponeerd kunnen worden, terwijl het betreffend hoofdstuk ook niet verwijst naar artikel
- Het middel is niet gegrond. IX-4511-22/30
- Verzoeker voert in het vijfde middel de schending aan van zijn rechten van verdediging, van zijn recht op een eerlijk proces en van artikel 10 van het koninklijk besluit van 26 november 2001 tot uitvoering van de wet van 13 mei 1999, doordat de vooronderzoeker slechts op 18 juli 2003 regelmatig aangesteld is zodat alle voordien gestelde onderzoekshandelingen nietig zijn, doordat hoofdin- specteur BUYCK zich voor een aantal verhoren heeft laten vervangen door hoofdinspecteur SAMYN die nooit als vooronderzoeker aangesteld werd en doordat het eindverslag van het vooronderzoek door slechts één vooronderzoeker onderte- kend is.
- De verwerende partij antwoordt daarop dat de vooronderzoekers op 5 juni 2003 aangewezen zijn en dat de korpschef dat in een brief van 18 juli 2003 aan verzoeker bevestigd heeft, dat de opdracht van de vooronderzoekers wel degelijk omschreven is en dat de omstandigheid dat er twee vooronderzoekers aangewezen zijn niet betekent dat alle onderzoeksdaden gezamenlijk door die beide personen uitgevoerd moeten worden of dat geen andere politieambtenaar bij het onderzoek betrokken zou mogen worden.
- In zijn memorie van wederantwoord repliceert verzoeker niet meer ten aanzien van dit middel.
- In het arrest nr. 136.164 is het middel om de volgende redenen niet ernstig bevonden: “7.3.1.
- Overwegende dat uit de gegevens van het dossier blijkt dat de directeur-personeel op 5 juni 2003 formeel P. BILLIOUW, commissaris van politie en J. BUYCK, hoofdinspecteur van politie, als voorafgaande onderzoe- kers aangesteld heeft; dat de oproeping aan verzoeker d.d. 18 juli 2003 uitdrukkelijk naar die beslissing verwijst; dat er derhalve geen ‘nieuwe’ aanstelling van de twee vooronderzoekers is gebeurd; 7.3.1.
- Overwegende dat, naar luid van artikel 10, tweede lid, van het koninklijk besluit van 26 november 2001 tot uitvoering van de wet van 13 mei 1999 houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten, de voorafgaand onderzoeker ‘gemachtigd wordt door de tuchtoverheid om (...), binnen de grenzen van artikel 25 van de tuchtwet, een onderzoek te voeren dat onder andere het volgende kan omvatten: 1/ het verhoor van het betrokken personeelslid; 2/ elk verhoor dat nuttig geacht wordt door de voorafgaande onderzoeker; 3/ de vraag tot afgifte van stukken of voorwerpen die nuttig zijn om de waarheid aan het licht te brengen (...)’; Overwegende dat die bepaling zich niet uitspreekt over de vermeldingen die het document waarbij een vooronderzoeker aangewezen wordt, moet bevatten; dat de door verzoeker aangevoerde redenen waarom de beslissing van 5 juni IX-4511-23/30 2003 geen enkele juridische waarde zou hebben, dan ook niet tot die vaststel- ling kunnen leiden; Overwegende dat het besluit van 5 juni 2003 van de directeur-personeel inderdaad geen uitgewerkte uiteenzetting bevat over de opdracht die de vooronderzoekers moeten volbrengen; dat die opdracht daarom niet onwettig is; dat immers artikel 10 van het koninklijk besluit van 26 november 2001 de bevoegdheden van de onderzoeker omschrijft en er zich niet tegen verzet dat die onderzoeksopdracht algemeen is, dwz betrekking heeft op al de punten die in bepaling zijn opgesomd of dat er stilzwijgend een volledige onderzoeksop- dracht wordt gegeven; dat aldus het enkele feit dat het opdrachtbesluit die opsomming niet overneemt, dat besluit niet vicieert, maar integendeel betekent dat de vooronderzoeker de ruimst mogelijke bevoegdheid verkrijgt die artikel 10 mogelijk maakt; 7.3.
- Overwegende dat verzoeker niet aantoont welke rechtsregel de verwerende partij geschonden zou hebben doordat het voorafgaand onderzoek niet steeds gezamenlijk uitgevoerd is door de twee aangestelde onderzoekers, doordat het eindverslag van dat onderzoek niet door beiden ondertekend is of doordat een derde politieambtenaar een van de twee aangestelde onderzoekers bijgestaan zou hebben gedurende een aantal verhoren;”.
- De Raad van State bevestigt nu, voor wat de grond van de zaak betreft, deze uiteenzetting. Het middel is niet gegrond.
- In het zesde middel voert verzoeker aan dat hij van meet af aan met opgave van de redenen aan de hogere tuchtoverheid gevraagd heeft om getuigen te verhoren, maar dat dit verzoek nooit ingewilligd is.
- De verwerende partij doet het middel af als detailkritiek, nu verzoeker de feiten noch hun kwalificatie betwist heeft. Zij acht de uiteenzetting van verzoeker irrelevant en niet van aard om de regelmatigheid van het onderzoek in het gedrang te brengen.
- Verzoeker repliceert niet meer op het middel.
- In het arrest nr. 136.164 - overweging 8.3 - is het middel om volgende reden niet ernstig bevonden: “Overwegende dat de rechten van verdediging waarover verzoeker in het raam van de tegen hem gevoerde tuchtprocedure beschikt, hem het recht verlenen met getuigen de correctheid van zijn stelling te bewijzen; dat evenwel de tuchtoverheid niet verplicht is in te gaan op elke vraag om getuigen te horen; dat zij te dien aanzien moet uitmaken of, in het kader van een correcte feitenvinding, het voorgestelde getuigenverhoor een meerwaarde aan het onderzoek kan verlenen en dat zij in functie daarvan een aangevraagd getuigenverhoor kan weigeren of toestaan; dat te dezen vastgesteld wordt dat IX-4511-24/30 verzoeker reeds bij zijn eerste verhoor de feiten heeft erkend en dat die feiten, met de begeleidende omstandigheden, door de voorafgaande onderzoekers grondig onderzocht zijn; dat de tuchtoverheid op grond van die gegevens de feiten terdege voor bewezen kon houden, wat haar toeliet niet in te gaan op het aanbod van verzoeker om bijkomend nog getuigen te verhoren;”.
- De Raad van State valt, voor de grond van de zaak, deze overweging bij. Het middel is niet gegrond.
- In het zevende middel voert verzoeker de schending van het redelijkheids- en het evenredigheidsbeginsel aan. Naar zijn oordeel zijn er geen objectieve redenen voorhanden die beletten dat hij nog in het politiekorps functioneert. De zaak heeft immers geen bijzondere aandacht gekregen en zijn collega’s nemen ook geen aanstoot aan de feiten. Overigens is de houding van de verwerende partij hypocriet waar zij tolereert dat in de kantine van het korps toch ook in een losse sfeer alcoholische dranken geserveerd worden. De ernstige verstoring van de dienst waarachter de verwerende partij zich verschuilt is door enkele mensen gecreëerd om hem te treffen wegens zijn syndicale achtergrond. Het ontslag van ambtswege is niet de enige manier om de beweerde verstoring van de orde te remediëren: zo heeft de tuchtraad en de Algemene Inspectie geadviseerd om hem te schorsen en was een terugzetting in weddeschaal eveneens mogelijk. Nu aan het advies van de tuchtraad een groot gewicht moet toegekend worden, moet de opgelegde straf als kennelijk onredelijk beschouwd worden. Op te merken valt ook dat de hiërarchische meerderen van verzoeker ook nooit gehoord zijn omtrent zijn wijze van dienen en dat in 1990 één van zijn collega’s voor gelijkaardige feiten bestraft is met een schorsing van acht dagen.
- De verwerende partij wijst op de discretionaire bevoegdheid van de tuchtoverheid en stelt dat het bestuur zich hier streng opgesteld heeft, maar dat zulks nog geen onredelijk handelen bewijst. De straf die opgelegd is ligt net boven de straf die de tuchtraad en de inspecteur-generaal in hun advies voorgesteld hebben. Verzoeker moet goed weten welke feiten hij gepleegd heeft: hij heeft zijn tijd verbeuzeld aan herberg- en barbezoek waar hij serieus uit de bol gegaan is; hij heeft het korps in opspraak gebracht en het vertrouwen van de burgers beschaamd. Verzoeker verwijst naar redenen die hem niet geliefd maken, maar dat is slechts verzinsel en de feiten zijn zeker niet te vergelijken met de tuchtzaak waarnaar verzoeker verwijst omdat zij gebeurd zijn gedurende de dienst en het gehele korps zelf in opspraak gebracht hebben. IX-4511-25/30
- Verzoeker herhaalt in zijn memorie van wederantwoord dat de adviezen -waaronder het bijzonder belangrijk en overigens gemotiveerd advies van de tuchtraad- een lichtere straf voorstelden, dat de tuchtraad uitdrukkelijk gesteld heeft dat het laakbaar gedrag van verzoeker niet tot gevolg heeft dat er in hem geen vertrouwen meer kan gesteld worden, dat zulks overigens ook bewezen wordt door het feit dat hem nog gevraagd is stukken te komen afwerken, dat de verwerende partij het advies van de inspecteur-generaal verkeerd gelezen heeft waar zij ervan uitgegaan is dat daarin besloten was tot een zwaardere straf dan een schorsing van drie maanden en dat zij hem ook de terugzetting in weddeschaal had kunnen opleggen. Hij wijst vervolgens ook nog naar een aantal bijzondere omstandigheden die een lichtere tuchtstraf konden verantwoorden en naar de lange tijdspanne die verlopen is tussen de datum van de feiten (16 - 17 mei 2003) en het ontvangen van het verslag van de politiezone Gavers (4 juni 2003), zodat de collega’s zich toch niet al te erg geschokt gevoeld kunnen hebben.
- In het arrest nr. 136.164 is overwogen dat, hoewel het advies van de tuchtraad een belangrijke plaats inneemt in de tuchtprocedure, het afwijken ervan niet betekent dat de opgelegde straf niet in redelijke verhouding zou staan tot de gepleegde feiten en dat in dit geval de verwerende partij in het bestreden besluit, waar uiteengezet wordt dat politieambtenaren die tijdens de dienst en herkenbaar feiten als de aan verzoeker ten laste gelegde feiten pleegt, niet meer op geloofwaar- dige wijze lid kunnen zijn van om het even welk politiekorps, omdat de geloofwaar- digheid van het gehele korps steunt op de geloofwaardigheid die de leden ervan bezitten. De Raad van State valt thans, voor de grond van de zaak, deze overweging bij. In het kader van de marginale toetsing die hij op de zwaarte van de tuchtstraf kan uitoefenen, kan niet besloten worden dat de gewis strenge straf, bekeken in het licht van de verantwoording die ervoor gegeven wordt, zo zwaar is dat geen andere overheid ze in dezelfde omstandigheden zou opleggen. Het middel is niet gegrond.
- In het achtste middel voert verzoeker de schending aan van het motiveringsbeginsel en van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. In essentie zet hij daarin uiteen dat het bestreden besluit, waar het een verantwoording bevat voor het afwijken van het advies van de tuchtraad, niet aanduidt waarom de vertrouwensbreuk tussen het IX-4511-26/30 bestuur en verzoeker definitief is en dat de verwijzing naar de ernst van de feiten daarvoor niet kan volstaan.
- De verwerende partij antwoordt daarop dat het bestreden besluit zeer uitvoerig aanduidt waarom de feiten ernstig zijn en dat het ook een uitvoerige motivering bevat aangaande de ruchtbaarheid van de zaak, het geschonden vertrouwen en de onmogelijkheid om -in tegenstelling tot het advies van de tuchtraad- nog verder met verzoeker samen te werken. Zij heeft aangegeven dat zij wenst te werken met personeel dat voldoet aan de standaard die zij vooropstelt en die erop gericht is het volledig vertrouwen van de bevolking te verkrijgen en te behouden.
- In zijn repliek herhaalt verzoeker in wezen, nu met verwijzing naar een aantal arresten, zijn oorspronkelijk standpunt.
- Het middel sluit aan bij het zevende middel. Te dien aanzien is hiervoor aangenomen dat, binnen de beperkte toezichtsbevoegdheid die de Raad van State heeft op de beslissing over de zwaarte van de straf, er geen reden is om de bestreden beslissing te vernietigen. In dit achtste middel voert verzoeker in essentie aan dat het tuchtstrafbesluit zelf de redenen niet bevat waarom hij zo nodig definitief buiten de politiedienst geplaatst moest worden. In het verlengde van de bespreking van het zevende middel wordt hieromtrent nu vastgesteld dat de verwerende partij in haar antwoord op het advies van de tuchtraad en de inspecteur-generaal, wel degelijk uiteengezet heeft waarom volgens haar de feiten een definitieve vertrou- wensbreuk teweeggebracht hebben. Die uiteenzetting verantwoordt het aan verzoeker opgelegde ontslag van ambtswege. Het middel is niet gegrond.
- In het negende middel voert verzoeker de schending aan van een substantieel of een op straf van nietigheid voorgeschreven vormvoorschrift. Hij stipt aan dat de samenstelling van het politiecollege door artikel 23 WGP geregeld is en dat een verhinderde burgemeester, overeenkomstig artikel 14 van de Nieuwe Gemeentewet vervangen wordt. In dit geval heeft de burgemeester van Lendelede niet deel genomen aan bepaalde beraadslagingen van het politiecollege maar daarover heeft de verwerende partij in de notulen van de vergaderingen van het politiecollege niets vermeld. De omstandigheid dat de beslissingen in het politiecol- lege genomen worden op basis van een gewogen stemming, verhindert niet dat een controle uitgeoefend moet kunnen worden op de stemmenweging en dat kan hier niet, omdat het bestreden besluit niet uitdrukkelijk aanduidt dat een lid van het IX-4511-27/30 politiecollege wettig verhinderd was en dat niet in zijn vervanging voorzien kon worden.
- De verwerende partij verwijst naar de toepassing van artikel 30 van de tuchtwet, aangezien de burgemeester van Ledelede niet aanwezig was toen het politiecollege de zaak van verzoeker voor het eerst besprak.
- Verzoeker verwijst in zijn repliek naar zijn voormelde uiteenzet- ting van het middel.
- In het arrest nr. 136.164 heeft de Raad van State het middel als volgt beantwoord: “11.3.
- Overwegende dat artikel 30 van de Tuchtwet aan de leden van het politiecollege verbiedt deel te nemen aan de beraadslaging en aan de stemming wanneer zij niet permanent tijdens het geheel van de hoorzittingen aanwezig waren; 11.3.
- Overwegende dat het politiecollege van de zone VLAS samen- gesteld is uit de burgemeesters van Kortrijk, Kuurne en Lendelede; Overwegende dat verzoeker door het politiecollege gehoord is op 10 oktober 2003; dat het proces-verbaal van verhoor vermeldt dat het college toen bestond uit de burgemeester van Kortrijk en de burgemeester van Kuurne, die beiden het proces-verbaal ondertekend hebben; dat, wegens zijn afwezigheid bij dat verhoor, de burgemeester van Lendelede overeenkomstig artikel 30 van de Tuchtwet niet meer in het verdere besluitvormingsproces in de tuchtzaak van verzoeker mocht tussenkomen; 11.3.
- Overwegende dat artikel 23 WGP bepaalt dat het politiecollege gevormd wordt door de burgemeesters van de verschillende gemeenten die deel uitmaken van de meergemeentezone en dat het afwezige of verhinderde lid vervangen wordt overeenkomstig de bepalingen van artikel 14 van de Nieuwe Gemeentewet; dat artikel 24 WGP voor het politiecollege het beginsel invoert van de gewogen stemmen, evenredig met de inbreng van elke gemeente in de financiering van de politiezone; dat naar luid van artikel 28 WGP het politiecol- lege slechts kan beraadslagen en beslissingen nemen wanneer de meerderheid van de stemmen, bedoeld in artikel 24, vertegenwoordigd is en dat beslissingen genomen worden met de meerderheid van de vertegenwoordigde stemmen; Overwegende dat uit die bepalingen niet volgt dat de burgemeester van Lendelede aanwezig had moeten zijn bij de hier bestreden besluitvorming, ook niet dat de besluitvorming ongeldig is omdat de burgemeester van Lendelede niet vervangen zou zijn; Overwegende dat te dezen vastgesteld wordt dat verzoeker in zijn derde middel zelf uiteenzet dat de burgemeester van Kortrijk over de meerderheid van stemmen in het politiecollege beschikt, wat betekent dat het college regelmatig kon vergaderen en beslissingen nemen; dat verzoeker overigens nooit geprotesteerd heeft tegen de afwezigheid van de burgemeester van Lendelede IX-4511-28/30 of zijn vervanger; dat de vermelding, in de notulen van de vergaderingen of in de kennisgevingen aan de betrokkenen, van de stemmenweging onder de verschillende leden van het politiecollege, geen substantieel vormvoorschrift betreft die de rechtsgeldigheid van de genomen beslissingen aantast; dat geen miskenning wordt vastgesteld van de wettelijke bepalingen die de samenstelling en de werking regelen van het politiecollege dat het bestreden besluit getroffen heeft; 11.
- Overwegende dat het negende middel niet ernstig is;”
- Die uiteenzetting wordt, voor wat de beoordeling van de grond van de zaak betreft, bijgevallen. Het middel is niet gegrond. IX-4511-29/30 OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 350 euro, komen ten laste van verzoeker. Het ten onrechte op het verzoek tot voortzetting van de procedure gekweten zegelrecht van 175 euro wordt aan verzoeker terugbetaald. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 9 juli 2008, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, D. MOONS, staatsraad, P. LEFRANC, staatsraad, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. A. VANDENDRIESSCHE. IX-4511-30/30 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.185.277 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.131.181 ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.136.164 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div