← België

Arrest 185279 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 10/07/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 10 juli 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.185.279 Rolnummer: A. 187427/IX-5863 Zaak: Arrest 185279 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 10/07/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-08-04 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-06-29 08:23 Fiche Arrest nr 185.279 van 10 juli 2008 Openbaar ambt - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 185.279 van 10 juli 2008 in de zaak A. 187.427/IX-

  1. In zake : Ingrid BAECK, die woonplaats kiest bij advocaat C. LESAFFER, kantoor houdende te ANTWERPEN, Ankerrui 26-30 tegen :
  2. de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Landsverdediging,
  3. het Selectiebureau van de Federale Overheid (SELOR), vertegenwoordigd door de afgevaardigd bestuurder, dat woonplaats kiest bij advocaat E. JACUBOWITZ, kantoor houdende te BRUSSEL, Tedescolaan
  4. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Ingrid BAECK op 11 maart 2008 heeft ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging enerzijds van de “beslissing van 12 november 2007” waarbij zij niet geslaagd verklaard wordt voor de laatste mondelinge proef voor de selectie van commissarissen-analist bij het ministerie van Defensie en anderzijds van de beslissing om de geslaagden in de vergelijkende proef toe te laten tot de stage; Gezien de nota van de tweede verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur H. COLIN; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 21 mei 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 9 juni 2008; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; IX-5863-1/14 Gehoord de opmerkingen van advocaat C. LESAFFER, die verschijnt voor verzoekster, van luitenant-kolonel militair-administrateur A. DE DECKER, die verschijnt voor de eerste verwerende partij, en van advocaat E. JACUBOWITZ, die verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur H. COLIN; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : De feiten 1.
  5. Volgens de verklaring van verzoekster was zij tot 1992 beroepsofficier in het Belgisch leger, werkte zij nadien in de privé-sector, werd zij in 2000 op het stafdepartement Inlichtingen en Veiligheid van het ministerie van Defensie aangenomen als contractueel analist en is zij, met behoud van haar contractueel statuut, sedert begin 2006 woordvoerster van het ministerie van Defensie . 1.
  6. In het Belgisch Staatsblad van 28 augustus 2003 wordt het koninklijk besluit van 7 juli 2003 houdende het statuut van bepaalde burgerlijke ambtenaren van het stafdepartement inlichtingen en veiligheid bekendgemaakt. Dat besluit is onder meer van toepassing op de commissarissen-analisten van de divisie inlichting (artikel 1). Naar luid van artikel 12, moet een gegadigde, om benoemd te worden in de betrekking van commissaris-analist, onder meer batig gerangschikt worden na een vergelijkende selectie. Afdeling II van hoofdstuk V (“De aanwerving”) bepaalt met betrekking tot de vergelijkende selecties wat volgt: “Afdeling II. - De vergelijkende selecties Onderafdeling I. - Algemene bepalingen Art.
  7. De programma's en nadere regelen inzake de vergelijkende selecties worden door de minister van Landsverdediging vastgesteld met de instemming van de Afgevaardigd bestuurder van het Selectiebureau van de Federale Overheid. IX-5863-2/14 Art.
  8. De proeven worden georganiseerd door de onderstafchef inlichtin- gen en veiligheid. De Afgevaardigd bestuurder van het Selectiebureau van de Federale Overheid houdt toezicht op het verloop ervan. Art.
  9. De kandidaten die geslaagd zijn voor de vergelijkende selectie behouden het voordeel van hun uitslag gedurende drie jaar te rekenen van de datum van het proces-verbaal van afsluiting van die vergelijkende selectie. Op voorstel van de hoofdcommissaris kan de Minister van Landsverdedi- ging de duur van de geldigheid van de reserve van geslaagden met één jaar verlengen. Deze verlenging is hernieuwbaar. Onderafdeling II - De selectiecommissie Art
  10. Voor de vergelijkende selecties tot de graden van inspecteur, commissaris-analist en commissaris, wordt een selectiecommissie ingesteld bestaande uit een Nederlandstalige en een Franstalige afdeling. De leden van deze afdelingen behoren tot het taalstelsel van de kandidaten die ze evalueren. Art.
  11. De selectiecommissie bestaat uit : 1/ de directeur-generaal human resources van het Ministerie van Landsver- dediging of zijn gemachtigde; 2/ de onderstafchef inlichtingen en veiligheid of zijn gemachtigde die een personeelslid in actieve dienst moet zijn; 3/ een gemachtigde van de Afgevaardigd bestuurder van het Selectiebureau van de Federale Overheid; 4/ de hoofdcommissaris of de adjunct-hoofdcommissaris of bij hun ontstentenis een ambtenaar van de divisie inlichting of van de divisie veilig- heidsinlichting - naargelang de selectie betrekking heeft op de divisie inlichting of op de divisie veiligheidsinlichting - die ten minste de graad van afdelings- commissaris of afdelingscommissaris-analist voert; 5/ de chef van de divisie inlichting of de chef van de divisie veiligheidsin- lichting of hun gemachtigde, naargelang de selectie betrekking heeft op de divisie inlichting of op de divisie veiligheidsinlichting. De selectiecommissie wordt voorgezeten door de directeur-generaal human resources van het Ministerie van Landsverdediging. Het secretariaat van de selectiecommissie wordt toevertrouwd aan de chef van de divisie personeel van de algemene directie human resources die zich kan laten bijstaan door een ambtenaar van niveau 1 die hij aanwijst. Art.
  12. De selectiecommissie keurt de criteria van beoordeling der selectiegedeelten goed, onderzoekt de uitslagen van elk selectiegedeelte en beraadslaagt erover bij meerderheid van stemmen. De selectiecommissie stelt haar inwendig reglement op en legt het voor aan de goedkeuring van de Minister van Landsverdediging. Onderafdeling III - De psychotechnische tests Art.
  13. Behalve de proeven bedoeld in artikel 13 omvat de vergelijkende selectie voor werving psychotechnische tests, die uit een gestandaardiseerd gedeelte en een mondeling gedeelte bestaan. Er wordt een selectiecommissie ingesteld voor het mondeling gedeelte van de psychotechnische tests. Deze commissie bestaat uit een selectieadviseur van het Selectiebureau van de Federale Overheid, twee burgerlijke ambtenaren van het stafdepartement inlichtingen en veiligheid bekleder van ten minste de graad van commissaris, of commissaris-analist, aangewezen door de hoofdcommissa- ris, en van een hoofdofficier aangewezen door de onderstafchef inlichtingen en veiligheid. De leden van deze selectiecommissie behoren tot het taalstelsel van de kandidaten de ze evalueren. IX-5863-3/14 De uitslag behaald voor de psychotechnische tests wordt door het Selectie- bureau van de Federale Overheid na elk gedeelte aan de kandidaat medege- deeld. Deze uitslag wordt in aanmerking genomen voor de rangschikking van de kandidaten, die ten minste 12 punten op 20 moeten halen op te slagen.” Artikel 17 is gewijzigd bij het koninklijk besluit van 20 juni 2007, maar die wijzigingen zijn niet relevant voor de onderhavige zaak. 1.
  14. Met het ministerieel besluit van 8 juli 2005 betreffende de vergelijkende selecties voor werving en voor overgang naar het hogere niveau van bepaalde burgerlijke ambtenaren van het stafdepartement inlichtingen en veiligheid (hierna: het ministerieel besluit van 8 juli 2005) wordt het koninklijk besluit van 7 juli 2003 uitgevoerd. Luidens artikel 1 bevatten de vergelijkende selecties voor werving schriftelijke en mondelinge beroepsproeven. Luidens artikel 3, derde lid, zijn de inhoud, het doel, de duur en het maximale cijfer van elke proef voor de vergelijkende selectie voor werving van commissaris-analisten bepaald in bijlage D bij het besluit. Die bijlage luidt : “PROEVEN VOOR DE VERGELIJKENDE SELECTIE VOOR WERVING VAN COMMISSARIS-ANALISTEN Inhoud Duur Maximaal Doel cijfer Proef over de Maximum 20 De elementaire taalkennis van het Frans evalueren aan taalkennis van 2 uur de hand van het taalexamen, bedoeld in artikel 8 van het de tweede koninklijk besluit van 8 maart 2001 tot vaststelling van landstaal de voorwaarden voor het uitreiken van de bewijzen omtrent de taalkennis voorgeschreven bij artikel 53 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken samengevat op 18 juli
  15. Proef over de Maximum 80 De geschiktheid evalueren inzake synthese, analyse en algemene 4 1/2 uur kritische beoordeling van een in de vorm van een uit- vorming eenzetting voorgesteld(...) onderwerp van algemene aard. Analyseproef Maximum 20 De geschiktheid evalueren inzake organisatie, 3 uur analyse en integratie van de informatie, op basis van een testcase. Voor deze proef werken de kandidaten op basis van tijdens de proef geleverde schriftelijke informatie. Mondelinge 45 minuten 40 De motivatie voor de functie en de vaardigheden speci- proef fiek voor de functie evalueren, op basis van : - de bespreking van een testcase*; - een onderhoud met het doel om de functionele taalkennis van het Engels te testen. * de schriftelijke voorbereiding van de testcase gebeurt tegelijkertijd met de analyseproef en duurt maximum 1 uur. IX-5863-4/14 Rangschikking In geval van gelijkheid van de punten worden de ex aequo geslaagden gerangschikt op basis van de behaalde resultaten bij de mondelinge proef. Indien de gelijkheid van de punten voortduurt, worden de ex aequo geslaagden gerangschikt op basis van de behaalde resultaten bij de proef over de algemene vorming. Indien de gelijkheid van de punten voortduurt, worden de ex aequo geslaagden gerangschikt op basis van de behaalde resultaten bij de analyseproef.” Luidens artikel 5 is elke proef “uitsluitend” en is de kandidaat “die een cijfer van ten minste zestig procent heeft behaald voor de mondelinge proef geslaagd”. De artikelen 11 en 12 luiden als volgt : “Art.
  16. §
  17. Rekening houdend met de bijzondere bevoegdheden van haar leden wijst de voorzitter van de selectiecommissie twee leden van de commissie aan die een of meerdere schriftelijke proeven corrigeren. De in het eerste lid bedoelde leden van de commissie geven individueel een cijfer aan elke kandidaat. §
  18. Alle leden van de commissie wonen de mondelinge proeven bij en geven individueel een cijfer aan elke kandidaat. §
  19. Na afloop van de mondelinge proef delibereert de commissie op basis van de cijfers bedoeld in de §§ 1 en
  20. De commissie kan slechts op geldige wijze delibereren in aanwezigheid van de voorzitter en van de meerderheid van de leden. De aanwezigheid van de leden die de schriftelijke proeven hebben gecorrigeerd is evenwel vereist. De beslissingen worden genomen met meerderheid van stemmen. In geval van gelijkheid van stemmen, is de stem van de voorzitter doorslaggevend. Art.
  21. De voorzitter van de commissie deelt de beslissingen mee aan de onderstafchef inlichtingen en veiligheid. De onderstafchef inlichtingen en veiligheid betekent aan de kandidaten, bij een ter post aangetekende brief : l/ hun eindresultaat en hun plaats in de rangschikking; 2/ hun al dan niet aanvaarding voor de stage.” 1.
  22. In het Belgisch Staatsblad van 22 december 2006 wordt de samenstelling van een wervingsreserve voor de werving van Nederlandstalige commissaris-analisten bekendgemaakt. Verzoekster schrijft zich in om deel te nemen aan de selectieproe- ven. 1.
  23. Met een brief van 22 augustus 2007 wordt verzoekster uitgeno- digd om op 3 september 2007 deel te nemen aan het mondeling gedeelte van de psychotechnische test. Blijkens die brief legde zij het gestandaardiseerd gedeelte reeds af op 28 juni
  24. IX-5863-5/14 1.
  25. Met een brief van 24 september 2007 wordt aan verzoekster meegedeeld dat zij met succes het mondelinge gedeelte van de psychotechnische test heeft afgelegd en dat zij 16 punten op 20 behaalde. In bijlage wordt een brief van dezelfde datum gevoegd, waarmee zij wordt uitgenodigd om op 17 oktober 2007 deel te nemen aan de mondelinge proef (evaluatie van de motivatie en de specifieke vaardigheden voor de functie op basis van

(1)de bespreking van een testcase en
(2)een onderhoud met het doel de functionele taalkennis van het Engels te testen). 1.
  1. Blijkens de “motivatiefiche mondeling” met betrekking tot verzoekster : - behaalt zij voor “motivatie” een score van 3 op
  2. Die score wordt gemotiveerd als volgt: “wil communicatie-experte worden, solliciteert voor een functie die nog niet bestaat, wil vooral statutair worden. Statutair worden is ingangspoort. De betrokkene solliciteert niet voor deze functie, wel omwille van de gemiste carrièremogelijkheden”; - behaalt zij voor “functionele taalkennis van het Engels” een score van 1,5 op
  3. Die score wordt gemotiveerd als volgt: “verschillende fouten”; - is de rubriek “voorstelling van het dossier - analyseproef (generieke competen- ties)” onderverdeeld in de rubrieken “resultaatgerichtheid”, “zichzelf ontwikke- len” en “contacten leggen”; - behaalt zij voor “resultaatgerichtheid” een score van 2,5 op
  4. Die score is gemotiveerd als volgt: “de kandidate is snel tevreden; het resultaat (presentatie) was slechts een opsomming van punten; de kandidaat gaat gedetailleerd te werk en zou nog gedetailleerder te werk gaan”; - behaalt zij voor “zichzelf ontwikkelen” een score van 2 op
  5. Die score wordt gemotiveerd als volgt: “de kandidaat toont veel frustratie door de ‘misstap’ die ze heeft genomen; ze wil vooral meer macht en de schade inhalen die haar carrière geleden heeft; ze zou ‘deputee’ willen worden, de functie bestaat nog niet”; - behaalt zij voor “contacten leggen” een score van 3,5 op
  6. Die score wordt gemotiveerd als volgt: “de kandidaat spreekt experts aan bij acute problemen; ze is de spreekbuis van Defensie; ze kan geen vertrouwen wekken; de kandidate gebruikt contacten, kan ze gebruiken door de macht verbonden aan haar rol”; - is de eindconclusie dat zij met 12,5 punten op 25 (20 op 40), niet geslaagd is. Die eindconclusie wordt gemotiveerd als volgt: “solliciteert niet voor deze functie(- inhoud); de kandidate is niet sterk resultaatgericht en scoort zwak op de competentie ‘zichzelf ontwikkelen’; de competentie ‘contacten leggen’ is sterker ontwikkeld.” IX-5863-6/14 1.
  7. Met een brief van 12 november 2007 deelt de Chef van de Algemene Dienst Inlichting en Veiligheid aan verzoekster mee dat zij niet geslaagd is voor de laatste mondelinge proef, dat zij 20 punten op 40 behaalde terwijl het vereiste minimum 24 punten op 40 was, dat haar kandidatuur dus niet wordt weerhouden en dat zij zich, indien zij bijkomende informatie wenst in verband met deze selectie, schriftelijk kan richten tot SELOR. 1.
  8. Met een E-mailbericht van 4 december 2007 richt verzoekster zich tot SELOR met de vraag wie van de vijf juryleden, op het ogenblik van het afnemen van de proef om de functionele taalkennis van het Engels te evalueren, over de wettelijk erkende kennis van het Engels beschikte. Met een brief van 13 december 2007 antwoordt SELOR dat in België geen attesten “wettelijke erkende kennis Engels” worden afgeleverd en dat bijgevolg niemand van de jury over een dergelijk attest beschikte. Met een E-mailbericht van 4 februari 2008 deelt verzoekster aan SELOR mee dat zij van mening is dat er, vermits de kennis van het Engels werd geëvalueerd en er hiervoor blijkbaar geen jurylid bevoegd was, een procedurefout werd gemaakt en dat zij derhalve een klacht zal indienen bij de Raad van State. De ontvankelijkheid van de vordering
  9. Verzoekster duidt als eerste voorwerp van haar vordering de sub 1.8 vermelde mededeling van 12 november 2007 van de Chef van de Algemene Dienst Inlichtingen en Veiligheid aan. De beslissing waarbij zij niet geslaagd verklaard is voor de mondelinge proef is evenwel op 17 oktober 2007 genomen door de selectiecommissie. Het eerste voorwerp van de vordering wordt in die zin heromschreven.
  10. Uit de mededeling van de verwerende partij, bevestigd door haar vertegenwoordiger ter terechtzitting, blijkt dat nog geen geslaagden van de vergelijkende proef waarin verzoekster niet geslaagd is, tot de stage toegelaten zijn. De beslissing die verzoekster tot het tweede voorwerp van haar vordering maakt bestaat dus niet, zodat de vordering wat dat betreft niet ontvankelijk is. IX-5863-7/14 De voorwaarden voor de schorsing
  11. Overeenkomstig artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen.
  12. Wat de eerste voorwaarde betreft, voert verzoekster in het eerste middel de schending aan van artikel 11, § 2, van het ministerieel besluit van 8 juli 2005 en van het gelijkheidsbeginsel. Zij stelt enerzijds dat volgens het genoemd artikel 11, § 2, alle leden van de commissie de mondelinge proeven moeten bijwonen en individueel een cijfer moeten geven aan de kandidaten, maar dat in dit geval niet alle leden van de selectiecommissie aan de mondelinge proeven deelgenomen hebben. Anderzijds vereist het gelijkheidsbeginsel dat alle kandidaten door dezelfde jury beoordeeld worden op basis van dezelfde proeven die op gelijke wijze beoordeeld moeten worden, maar in dit geval zijn de kandidaten beoordeeld door een selectiecommissie waarvan de samenstelling gewijzigd is, hetgeen tot andere meningen leidt zodat er nog amper sprake is van een gelijke beoordeling.
  13. De verwerende partij antwoordt daarop, wat de samenstelling van de examencommissie betreft, dat alle leden van de selectiecommissie aanwezig waren op de mondelinge proef, dat verzoekster geen belang heeft bij het betwisten van de samenstelling van de selectiecommissie voor de psychotechnische proef omdat zij voor die proef geslaagd is en zij in ieder geval gezakt is voor de voorafgaande mondelinge proef, dat de omstandigheid dat de selectiecommissie anders samen-gesteld was voor de verbetering van de schriftelijke proef of voor de psychotechnische proef geen schending van het gelijkheidsbeginsel inhoudt, zolang alle kandidaten maar per proef door dezelfde personen beoordeeld worden.
  14. De verwerende partij merkt terecht op dat verzoekster geen belang heeft bij het betwisten van de samenstelling van de selectiecommissie die haar op 3 september 2007 het mondeling gedeelte van de psychotechnische tests afgenomen heeft, aangezien zij voor die proef geslaagd was -16/20-. Hetzelfde geldt ook voor de leden van de selectiecommissie die belast waren met de verbetering van de schriftelijke analyseproef -verzoekster behaalde 12,25/20-. IX-5863-8/14 Verzoekster heeft er daarentegen wel belang bij om, vaststellende dat de personen die belast waren met de verbetering van de schriftelijke proef niet aanwezig waren op het mondeling gedeelte van de proef, de miskenning van artikel 11, § 2, van het ministerieel besluit van 8 juli 2005 aan te voeren doordat niet alle leden van de selectiecommissie deelgenomen hebben aan haar mondelinge proef, waarin zij onvoldoende punten behaalde.
  15. De samenstelling van de selectiecommissie, belast met het afnemen van de proeven bedoeld in artikel 13 van het koninklijk besluit van 7 juli 2003 en de bijlage D bij het ministerieel besluit van 8 juli 2005, is bepaald in artikel 17 van het genoemd koninklijk besluit. Los daarvan voorziet artikel 19 van hetzelfde besluit in een selectiecommissie voor het afnemen van de psychotechnische tests, bedoeld in die bepaling. De samenstelling van die selectiecommissie verschilt van deze bedoeld in artikel
  16. Krachtens artikel 11, § 1, van het ministerieel besluit van 8 juli 2005 corrigeren twee leden van de selectiecommissie, bedoeld in artikel 17, één of meer schriftelijke proeven. Krachtens artikel 11, § 2, wonen alle leden van de commissie de mondelinge proeven bij. Evident slaat de laatstgenoemde bepaling op de mondelinge proeven waarvoor de bedoelde selectiecommissie bevoegd is, te dezen de mondelinge proef bedoeld in de bijlage D bij het ministerieel besluit van 8 juli
  17. Uit de door de tweede verwerende partij overgelegde stukken, blijkt dat de selectiecommissie belast met het afnemen van de proeven bedoeld in artikel 13 van het koninklijk besluit van 7 juli 2003, bestond uit GenMaj CORNE- LIS, voorzitter, BAERVOETS, selectieadviseur SELOR, kol IMM ROTSAERT, gemachtigde van de chef ACOS-IS, hoofdcommissaris BERTREM en maj MASUREEL, chef van de divisie Inlichtingen. Die samenstelling is conform aan artikel 17 van het koninklijk besluit van 7 juli
  18. Uit de uiteenzetting van verzoekster blijkt dat zij erkent dat die personen ook daadwerkelijk aanwezig waren toen zij de mondelinge proef aflegde waarvoor zij niet slaagde.
  19. Verzoekster stelt wel dat haar schriftelijke analyseproef verbeterd is door maj. MASUREEL en kapitein-commandant PLAETSIER en dat laatstge- noemde niet aanwezig was bij dezelfde mondelinge proef. IX-5863-9/14 Uit de door de auditeur-verslaggever ingewonnen inlichtingen blijkt dat de chef van de algemene dienst Inlichtingen en Veiligheid op 2 juli 2007 aan de directeur-generaal human ressources meegedeeld heeft dat CPN PLAETSIER aan de selectiecommissie werd toegevoegd teneinde samen met het commissielid MASUREEL de schriftelijke analyseproef te verbeteren, maar dat hij vervolgens niet zou deelnemen aan de mondelinge proef.
  20. De selectiecommissie bestond uit vijf leden waarvan de namen sub 10 vermeld zijn. Er was dan ook geen ruimte om CPN PLAETSIER, die niet tot de commissie behoorde, aan te wijzen om de schriftelijke analyseproef te verbeteren. In het kader van dit middel volstaat het evenwel vast te stellen dat alle leden die aangewezen waren als lid van de selectiecommissie, ook aanwezig waren bij de mondelinge proef van verzoekster.
  21. Verzoekster vraagt ter terechtzitting dat de Raad van State ambtshalve de regelmatige samenstelling van de examencommissie, zoals zij daar uiteenzet, zou onderzoeken. Aangezien die problematiek de openbare orde niet raakt, houdt de Raad van State zich aan het onderzoek van het middel, zoals in het verzoekschrift aangevoerd. Het eerste onderdeel van het middel is niet ernstig.
  22. Verzoekster betwist niet dat, bekeken per proef -te weten de schriftelijke beroepsproeven, de mondelinge beroepsproef en het mondeling gedeelte van de psychotechnische tests- alle kandidaten door dezelfde personen beoordeeld zijn. De omstandigheid dat, zoals de reglementering voorschrijft, de psychotechni- sche tests door een andere commissie beoordeeld werd, houdt geen schending van het gelijkheidsbeginsel in. Het tweede onderdeel van het middel is niet ernstig.
  23. In het tweede middel voert verzoekster de schending aan van artikel 5 van het ministerieel besluit van 8 juli 2005, van de vermeldingen in de oproeping tot de kandidaten, van het zorgvuldigheidsbeginsel en van het beginsel “patere legem quam ipse fecisti”. Zij is van oordeel dat er ten onrechte geen rekening gehouden is met de volgorde van de proeven zoals deze opgesomd is in de oproeping tot de kandidaten: volgens de bekendmaking moesten vijf proeven afgelegd worden en op iedere proef moest de minimumscore behaald worden om aan de volgende te mogen deelnemen. Welnu, in dit geval is proef 4 -de mondelinge proef- omgewisseld met proef 5 -de psychotechnische test. IX-5863-10/14
  24. Verzoekster toont niet aan op welke wijze haar belangen geschaad zijn doordat het mondeling gedeelte van de psychotechnische proef, waarop zij 16/20 behaalde en dus geslaagd was, afgenomen is vooraleer zij het mondeling gedeelte van de beroepsproef afgelegd heeft. Een vernietiging op grond van dit middel kan haar derhalve geen voordeel opleveren. Het middel is niet ontvankelijk.
  25. In het derde middel voert verzoekster de schending aan van het zorgvuldigheids- en het redelijkheidsbeginsel, in samenhang met de schending van de formele en de materiële motiveringsplicht. Zij betoogt dat er, wat de mondelinge beroepsproef betreft, geen score opgegeven is voor de verschillende deelproeven en dat zij bijgevolg niet weet of zij een onvoldoende haalde voor het onderdeel “testcase” of voor het onderhoud in het Engels of voor beide. Voorts kon de selectiecommissie in redelijkheid haar geen 20 punten op 40 toekennen. Enerzijds gebruikte zij als woordvoerster en voorheen op haar dienst geregeld het Engels zodat het vreemd zou zijn indien haar verweten zou worden die taal onvoldoende te beheersen en bovendien blijkt nergens uit dat de leden van de selectiecommissie zelf over de functionele kennis van het Engels beschikten om dit te beoordelen. Anderzijds is het evenzeer onwaarschijnlijk dat zij op de testcase -spreken in het openbaar- een onvoldoende zou behaald hebben, omdat zij woordvoerster is van Defensie en daarover zelfs onderwezen heeft. Los van die twee gegevens kan een onvoldoende enkel steunen op haar beoordeling voor de factor “motivatie”. Evenwel, een ondervraging in dat kader is geen kennisproef, zodat het resultaat niet gezocht kan worden in de toegekende punten alleen, en er is te dien aanzien geen bijkomende motivering gegeven.
  26. De verwerende partij betoogt in haar nota met opmerkingen wat volgt: de mondelinge proef bestond niet uit deelproeven zodat er kon volstaan met verzoekster één score toe te kennen. De proef bevatte wel een aantal onderdelen, maar het haar niet ter kennis brengen van de punten voor die onderdelen houdt geen onzorgvuldigheid in die de wettigheid van de beslissing aantast. Verzoekster heeft overigens alleen om uitleg gevraagd over de wettelijke kennis van het Engels door de examinatoren en dus mocht het bestuur ervan uitgaan dat de beslissing voor haar voldoende duidelijk was. In ieder geval is de bestreden beslissing terdege gemotiveerd: er wordt vastgesteld dat om te slagen minstens 24 punten op 40 behaald moet worden en dat verzoekster 20/40 behaalde. Die motieven zijn juist, concreet en pertinent en laten verzoekster toe de beslissing te begrijpen. De punten die verzoekster behaalde zijn het resultaat van de optelling van de punten voor elk onderdeel van de proef en het bestuur is niet verplicht de motieven van de motieven IX-5863-11/14 kenbaar te maken. In verband met de redelijkheid van de toegekende punten, kan vastgesteld worden dat verzoekster voor de kennis van het Engels 1,5 op 2 behaalde -de op één na maximumscore- en dat zij voor het tweede onderdeel -voorstelling van het dossier/analyseproef- met 8 punten op 15 eveneens een voldoende haalde. Zij behaalde voor het onderdeel “motivatie” 3 punten op 8 omdat de selectiecommissie moest vaststellen dat zij geen bijzondere interesse had voor de functie, maar slechts solliciteerde om statutair ambtenaar te kunnen worden. De geringe punten voor dit “fundamenteel onderdeel” van de proef kunnen om die reden niet onredelijk genoemd worden.
  27. Het beroep is gericht tegen de beslissing van 17 oktober 2007 van de selectiecommissie waarbij zij niet geslaagd verklaard is voor de mondelinge proef, waarin aan de hand van een testcase en het onderzoek van de functionele kennis van het Engels nagegaan wordt of de kandidaat blijk geeft van voldoende motivatie en of hij de vereiste vaardigheden bezit. Dergelijk examen vormt een geheel. De selectiecommissie beoordeelt eigenmachtig het relatieve belang dat zij aan de verschillende aspecten van het onderzoek hecht en komt op grond daarvan tot het besluit dat de kandidaat al dan niet geslaagd is voor de proef. Overigens heeft te dezen de selectiecommissie vooraf de relatieve waardeschaal bepaald van de verschillende aspecten die zij moest onderzoeken, hetgeen de objectiviteit waarmee de selectiecommissie tewerk gegaan is onderstreept. Dat de kennis van het Engels daarin slechts een waarde heeft gekregen van 2 op 25 strijdt niet met de finaliteit van het examen en is ook niet kennelijk onredelijk.
  28. De tweede verwerende partij legt in het administratief dossier de “motivatiefiche” met betrekking tot het examen van verzoekster voor. De inhoud ervan is weergegeven sub 1.
  29. Verzoekster betwist niet dat deze vermeldingen het resultaat zijn van een collegiale beslissing van de selectiecommissie. De commissie heeft aldus voor de verschillende aspecten die zij moest onderzoeken een deugdelij- ke verantwoording gegeven, ook voor de aspecten waarin niet louter de kennis werd getest. De toegekende punten zijn niet in tegenspraak met de aldus gemaakte vaststellingen.
  30. De Raad van State stelt in de huidige stand van de rechtspleging vast dat de motivatiefiche de uitslag van verzoekster terdege onderbouwt. De verwerende partij heeft zorgvuldig en op redelijke wijze haar discretionaire beoordelingsbevoegdheid uitgeoefend. IX-5863-12/14 Het middel is niet ernstig.
  31. In het vierde middel voert verzoekster de schending aan van de zorgvuldigheidsverplichting en van het onpartijdigheidsbeginsel. De selectiecom- missie is onzorgvuldig tewerk gegaan vooreerst omdat zij heeft moeten antwoorden op vragen over de werkwijze van de voormalige minister en over haar actuele bezigheid, hetgeen geen relevantie had voor de te begeven functie en vervolgens omdat de juryleden zeker geen betere kennis van het Engels hebben dan zijzelf. Daarnaast heeft de selectiecommissie bij het interview, en met name door steeds terug te komen op haar actuele functie van woordvoerster van het ministerie, ook blijk gegeven van vooringenomenheid tegen haar.
  32. De verwerende partij stelt dat verzoekster haar bewering aangaande de vragen die haar gesteld werden niet hard maakt en dat zij niet aantoont dat de gestelde vragen niet kaderden in het onderzoek van haar competenties. Daargelaten de vaststelling dat verzoekster geslaagd is voor de kennis van het Engels, toont zij ook niet aan dat de selectiecommissie niet in staat was haar kennis van het Engels te beoordelen. Verzoekster voert ook geen enkel precies feit aan dat erop wijst dat een of meer leden van de selectiecommissie vooringenomen waren.
  33. Met de verwerende partij wordt aangenomen dat verzoekster geen enkele concrete aanwijzing verschaft die kan doen besluiten dat de vraagstelling geen verband hield met het onderzoek van haar motivatie en geschiktheid voor de functie of dat enig lid van de selectiecommissie vooringenomen was tegen haar. Het middel is niet ernstig. OM DIE REDENEN BESLIST DE Wnd. VOORZITTER : Artikel
  34. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
  35. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. IX-5863-13/14 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 10 juli 2008, door : de HH. A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. A. VANDENDRIESSCHE. IX-5863-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.185.279 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.205.127 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.