id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 10 juli 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.185.285 Rolnummer: A. 185809/IX-5787 Zaak: Arrest 185285 - Organisatie van de dienst - 10/07/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-08-04 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-06-29 08:23 Fiche Arrest nr 185.285 van 10 juli 2008 Openbaar ambt - Organisatie van de dienst Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 185.285 van 10 juli 2008 in de zaak A. 185.809/IX-
- In zake : Krist BULTYNCK, die woonplaats kiest bij advocaat M. DECRAMER, kantoor houdende te WERVIK, Nieuwstraat 23 tegen : de lokale Politiezone Menen - Ledegem - Wevelgem, die woonplaats kiest bij advocaat B. STAELENS, kantoor houdende te BRUGGE, Stockhouderskasteel Gerard Davidstraat 46 bus
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Krist BULTYNCK op 12 november 2007 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 13 september 2007 van zijn korpschef waarbij hij bij ordemaatregel herplaatst wordt; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgesteld door auditeur H. COLIN, op grond van artikel 93 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State; Gelet op de beschikking van 19 mei 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 9 juni 2008; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; IX-5787-1/6 Gehoord de opmerkingen van advocaat M. DECRAMER, die verschijnt voor verzoeker, en van advocaat B. STAELENS, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur H. COLIN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : De feiten 1.
- Verzoeker is inspecteur van politie bij de lokale politiezone Menen-Ledegem-Wevelgem. Vooraleer hij bij de bestreden beslissing werd herplaatst in de operationele groep, maakte hij deel uit van de recherche-afdeling. 1.
- Met een brief van 3 september 2007 deelt de dienst Intern Toezicht van de politiezone ARRO Ieper aan verzoekers korpschef mee dat verzoeker op 31 augustus 2007 werd opgepakt door een interventieploeg van de politiezone ARRO Ieper, dat de vaststellingen en verhoren van de getuigen en de verdachten het voorwerp uitmaken van een aanvankelijk proces-verbaal en dat de procureur des Konings dezelfde dag werd ingelicht van de feiten. 1.
- Met een nota van 6 september 2007, betiteld “voorstel tot herplaatsing bij ordemaatregel”, deelt de korpschef aan verzoeker mee dat hij overweegt hem in het belang van de goede werking van de lokale recherche te herplaatsen naar de operationele groep. Eveneens op 6 september 2007, deelt de procureur des Konings aan de korpschef mee dat er tegen verzoeker een opsporingsonderzoek loopt. 1.
- Met een brief van 10 september 2007 wordt verzoeker uitgenodigd om op 13 september 2007 zijn eventueel verweer mondeling toe te lichten in het kader van het dossier “voorstel tot herplaatsing bij ordemaatregel”. Op 12 september IX-5787-2/6 2007 dient verzoeker een verweerschrift in. Op 13 september 2007 wordt hij, bijgestaan door zijn verdediger, door de korpschef gehoord. 1.
- Op 13 september 2007 beslist de korpschef verzoeker te herplaatsen. Deze beslissing luidt : “Gelet op artikel 44 WGP en artikel VI.II.85, 8/ RPPol. Gelet op de analyse van de feitelijkheden zoals ze zich nu voordoen ongeacht de schuldvraag. Gelet op de analyse van uw verweerschrift. Gelet op uw verhoor dd. 13 september
- Beslis ik als korpschef tot herplaatsing in de operationele groep. De herplaatsing zal ingang vinden vanaf maandag 17 september 2007, zodat u van 14 tot 16 september 2007 in de mogelijkheid gesteld wordt u praktisch te organiseren.” De ontvankelijkheid
- De verwerende partij stelt in haar memorie van antwoord dat de vordering tot schorsing van de bestreden beslissing verworpen is bij arrest nr. 179.259 van 1 februari 2008 en dat het haar nog niet duidelijk is of verzoeker wel de voortzetting van het geding gevraagd heeft.
- De vordering tot schorsing van het bestreden besluit is inderdaad verworpen bij het arrest nr. 179.259 van 1 februari 2008, om reden dat de vordering ingediend was met een van het verzoekschrift onderscheiden akte, hetgeen niet overeenstemde met het door de wet van 15 september 2006 gewijzigde artikel 17, § 3, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. In tegenstelling tot wat de verwerende partij stelt, diende verzoeker in dat geval niet om de voortzetting van de rechtspleging te vragen. De exceptie wordt verworpen. De grond van de zaak
- In het eerste middel roept verzoeker de schending in van het legaliteitsbeginsel. Hij stelt dat artikel 44 van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus (hierna: WGP), krachtens hetwelk elk lokaal politiekorps onder de leiding staat van een korpschef, aan de korpschef verregaande bevoegdheden verleent. De tucht van het politiepersoneel daarentegen wordt geregeld door de wet van 13 mei 1999 houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten (hierna: de tuchtwet) en het koninklijk besluit van 26 november 2001 tot uitvoering van die wet. IX-5787-3/6 Daarin wordt specifiek bepaald op welke wijze een tuchtmaatregel wordt opgelegd en over welke verhaalmiddelen de betrokkene beschikt. De tuchtregeling -artikel 59 van de tuchtwet- voorziet in de mogelijkheid om aan het personeel een ordemaatre- gel op te leggen, maar er is nog niet bepaald op welke wijze deze ordemaatregelen worden opgelegd en welke verhaalmogelijkheden er te dien aanzien bestaan; er is enkel bepaald dat de ordemaatregel beperkt moet zijn tot een voorlopige en bewarende maatregel van een tijdelijke schorsing. De bestreden beslissing waarbij verzoeker naar een operationele dienst wordt overgeplaatst is meer dan een in de tijd beperkte voorlopige schorsing en de maatregel voldoet niet aan de voorschriften van de tuchtregeling. Het gaat om een verkapte tuchtstraf die eigenlijk neerkomt op een wedde-inhouding.
- In zijn memorie van wederantwoord herhaalt verzoeker in essentie nog dat artikel 44 WGP de korpschef enkel toelaat de dagelijkse werking van de dienst te organiseren en dat die bepaling aldus geen grondslag kan vormen voor het treffen van een ordemaatregel tegen hem omdat ordemaatregelen een plaats hebben binnen artikel 59 van de tuchtwet.
- Artikel 44 WGP verleent aan de korpschef de bevoegdheid om elke maatregel te treffen die noodzakelijk is om de goede werking van het korps te verzekeren. De aanwijzing van een personeelslid voor een bepaalde dienst is een dergelijke maatregel.
- Dergelijke maatregel kan zijn oorzaak vinden in een bepaalde misdraging van het personeelslid. Het gaat dan niet noodzakelijk om een tuchtmaat- regel. Dat zal enkel het geval zijn wanneer het bestuur het personeelslid op die wijze wil bestraffen voor zijn gedrag en niet wanneer de maatregel er enkel toe strekt de goede werking van de dienst te verzekeren. Kadert een maatregel in de sfeer van het tuchtrecht, dan kan hij evident slechts opgelegd worden met inachtneming van de bepalingen van het tuchtstatuut. Zo bevat artikel 59 van de tuchtwet een regeling van de voorlopige maatregelen die aan een personeelslid dat in een tuchtzaak betrokken is, opgelegd kunnen worden. De bepalingen inzake het tuchtrecht verhinderen evenwel niet dat de korpschef in het kader van zijn bevoegdheden op grond van artikel 44 WGP en in toepassing van artikelen VI.II.85, 8/, en VI.II.86, buiten het tuchtrecht om, de dienstaanwijzing van een personeelslid wijzigt. IX-5787-4/6
- Om uit te maken of een bepaalde maatregel bedoeld is om het personeelslid te straffen, dan wel louter om de goede werking van de dienst te verzekeren, moet de bedoeling van het bestuur nagegaan worden. Zo aan de hand van overeenstemmende gegevens van het dossier aannemelijk gemaakt kan worden dat het bestuur de bestraffing van zijn personeelslid voor ogen had, dan wordt een overplaatsing wegens de miskenning van de reglementering inzake de tucht onregelmatig bevonden.
- Te dezen verwijst het bestreden besluit uitdrukkelijk naar de omstandigheid dat de schuldvraag buiten beschouwing gelaten is. De uiteenzetting van verzoeker en de gegevens van het dossier brengen de Raad van State niet tot de overtuiging dat die stellingname niet met de waarheid strookt. Er blijkt derhalve niet dat de korpschef zijn bevoegdheid op grond van artikel 44 WGP te buiten gegaan zou zijn. Het middel is niet gegrond.
- In het tweede middel voert verzoeker de schending aan van het evenredigheidsbeginsel, doordat artikel 44 WGP aan de korpschef niet het recht verleent om andere -verdergaande- ordemaatregelen op te leggen dan deze bepaald door of overeenkomstig artikel 59 van de tuchtwet -thans enkel de voorlopige tijdelijke schorsing- en doordat ook in het tuchtrecht elke ambtenaar onschuldig is tot het tegendeel bewezen is.
- Zoals reeds aangegeven bij het onderzoek van het eerste middel staat enerzijds de bevoegdheid van de korpschef met betrekking tot de organisatie van de dienst los van de tuchtregeling en van de voorlopige maatregelen die in dat kader getroffen kunnen worden en laat anderzijds artikel 44 WGP de korpschef toe om, in zoverre die maatregel uitsluitend de goede werking van de dienst beoogt, een politieambtenaar die zich misdragen heeft, op een andere dienst tewerk te stellen. In die zin vormen de artikelen 44 WGP en 59 van de tuchtwet geen geheel. Verzoeker kan er geen argumenten uit putten om de bestreden beslissing onevenredig zwaar te vinden. Het middel is niet gegrond. IX-5787-5/6 OM DIE REDENEN BESLIST DE Wnd. VOORZITTER : Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 175 euro, komen ten laste van verzoeker. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 10 juli 2008, door : de HH. A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. A. VANDENDRIESSCHE. IX-5787-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.185.285 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.