← België

Arrest 185306 - Milieuvergunningen - 10/07/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 10 juli 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.185.306 Rolnummer: A. 117258/VII-25885 Zaak: Arrest 185306 - Milieuvergunningen - 10/07/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-07-16 Raadplegingen: 63 - laatst gezien 2026-06-29 08:23 Fiche Arrest nr 185.306 van 10 juli 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 185.306 van 10 juli 2008 in de zaak A. 117.258/VII-25.

  1. In zake : Wim VERBOVEN, die woonplaats kiest bij advocaat K. LUYCKX, kantoor houdende te ANTWERPEN, Amerikalei 122, vierde verdieping tegen : de deputatie van de provincie Antwerpen. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Wim VERBOVEN op 22 februari 2002 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen van 7 februari 2002 waarbij het beroep ingesteld door verzoeker tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Zandhoven van 12 december 2001, houdende ambtshalve wijziging van voorwaarden met betrekking tot de exploitatie te Zandhoven (Massenhoven), Liersebaan 251, van een carwash uitgebaat door verzoeker, niet wordt ingewilligd en de beroepen beslissing wordt bevestigd; Gelet op het arrest nr. 104.381 van 5 maart 2002 waarbij de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerleg- ging van het bestreden besluit wordt verworpen; Gezien het verzoekschrift tot voortzetting ingediend door verzoeker; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur E. LANCKSWEERDT; VII-25.885-1/11 Gelet op de beschikking van 13 juni 2006 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de laatste memorie van verzoeker; Gelet op de beschikking van 9 mei 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 12 juni 2008; Gehoord het verslag van kamervoorzitter L. HELLIN; Gehoord de opmerkingen van advocaat J. BERGÉ die, loco advocaat K. LUYCKX verschijnt voor verzoeker en van bestuurssecretaris M. MICHIELS die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. De feiten Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : Verzoeker baat te Zandhoven, aan de Liersebaan 251, een garage uit. Deze garage omvat eveneens een carwash. Voor deze carwash verkrijgt verzoeker op 20 februari 1995 een milieuvergunning. De carwash veroorzaakt problemen op het vlak van geluidshinder. Dit geeft aanleiding tot klachten vanwege de gebuur. Van 22 tot 25 juni 2001 wordt door het Provinciaal Instituut voor Hygiëne van Antwerpen in opdracht van de gemeente Zandhoven een akoestisch onderzoek uitgevoerd bij verzoeker. Uit dat onderzoek blijkt dat de grenswaarden voor het specifieke geluid in open lucht sterk worden overschreden en dat ook binnenshuis er 's avonds regelmatig overschrijdingen zijn. VII-25.885-2/11 Op 12 december 2001 beslist het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Zandhoven de exploitatievoorwaarden in die zin te wijzigen dat de exploitatie van de inrichting verboden is op werkdagen van 19 uur tot 7 uur, alsmede op zon- en feestdagen, en dit vanaf 12 december
  3. Verzoeker gaat tegen deze beslissing in beroep bij de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen. Deze neemt op 7 februari 2002 het thans bestreden besluit: het beroep wordt niet ingewilligd en de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Zandhoven van 12 december 2001 wordt bevestigd. Het bestreden besluit is als volgt gemotiveerd : "Overwegende dat het beroepschrift betrekking heeft op : 1) Exploitant is door het College van burgemeester en schepenen (CBS) niet gehoord voorafgaand aan de beslissing; er was bovendien geen hoog- dringendheid; verzoeker is nooit in kennis gesteld van de resultaten van het uitgevoerde akoestisch onderzoek; minder draconische maatregelen waren mogelijk geweest, nu de inkomsten van de carwash door de beperking van de openingsuren met de helft zullen dalen; 2) Het CBS heeft nagelaten de beroepstermijn aan exploitant mede te delen; Gelet op het advies dd. 11 januari 2002 (...) van de Afdeling Milieuvergun- ningen van de Administratie voor Leefmilieu, Natuurbehoud en Landinrichting; op volgende elementen uit dit advies :
  4. Bij besluit dd. 12.12.01 werd het vergunningsbesluit dd. 20.2.95 door het CBS ambtshalve aangevuld met volgende bijzondere voorwaarde: 'onver- minderd de bepalingen van hoofdstuk 4.5 is de exploitatie van de betrokken inrichting verboden op werkdagen van 19 tot 7 uur alsmede op zon- en feestdagen'.
  5. Exploitant baat ter plaatse naast zijn garage een selfcarwash type 'Dibo' met twee wasstraten uit sinds
  6. Uit info van de gemeente blijkt dat er reeds jarenlang klachten zijn m.b.t. geluidshinder veroorzaakt door de carwashes ter hoogte van de woning Liersebaan 245, voornamelijk 's avonds en 's nachts. Ondanks de bemiddelingspogingen van het CBS blijven de klachten zich herhalen. Het college besloot daarom om aan PIH de opdracht te geven om een akoestisch onderzoek uit te voeren ter hoogte van de tuin van klager. Uit dit akoestisch onderzoek is gebleken dat er zeer relevante geluidsoverschrijdingen zijn tijdens de avondperiode (tijdens de nacht konden er geen relevante gegevens worden opgetekend) (overschrijdingen tussen 15 en 20 dB(A)). Het college besloot hierop de vergunningsvoorwaar- den aan te vullen en de uitbatingsuren te beperken, zonder weliswaar hierover nog eerst exploitant te horen.
  7. De inrichting is gelegen in woongebied met landelijk karakter in functie van de weg, dieperliggend agrarisch gebied langsheen de drukke Liersebaan te Massenhoven. De carwash bevindt zich op amper 5 meter van de perceels- grens met klager. Deze zone van 5 meter is dan nog de inrit voor de voertuigen. De inplanting van de carwash (horizontale inrit) kan bijna niet anders dan voor geluidsoverlast zorgen. De geluidsvoorwaarden voor deze inrichting zijn dan nog relatief soepel omdat binnen een straal van 500 meter van de inrichting een zeer kleine KMO-zone is, zoniet zou de overschrijding de 20 dB(A) te boven gaan. VII-25.885-3/11
  8. Wat de beroepsargumenten betreft dient gesteld dat de beslissing inderdaad werd getroffen zonder uitbater hierover eerst te horen. De problematiek is uitbater echter reeds voldoende bekend; er kan dus niet gesteld, zoals beroepers' raadsman suggereert, dat deze beslissing als een complete verrassing uit de lucht valt. Dat de problematiek geen spoed vereist is evenmin duidelijk : het is niet omdat de zaak reeds jaren aansleept dat een plots optreden nu ongeoorloofd zou zijn. Bovendien blijkt uit de info van het college dat exploitant tot nogtoe nooit een ernstig voorstel heeft gedaan om de hinder daadwerkelijk aan te pakken (behalve het plaatsen van een bord met de vermelding 'gelieve radio's uit te zetten').
  9. Deze wijziging van voorwaarden kan exploitant ertoe aanzetten om een ernstig saneringsvoorstel uit te werken. Indien de resultaten van een sanering dit verrechtvaardigen, kan een uitbreiding van de openingsuren opnieuw worden overwogen.
  10. Het beroep is ongegrond; de bestreden beslissing dient bevestigd; Gelet op het stilzwijgend gunstig advies van het Bestuur voor Ruimtelijke Ordening van de Administratie voor Ruimtelijke Ordening en Infrastructuur; Gelet op het advies dd. 14 januari 2002 (...) van de Vlaamse Milieumaat- schappij; op volgende elementen uit dit advies : Gelet op het feit dat de wijziging van de milieuvergunningsvoorwaarden geen betrekking heeft op het lozen van afvalwaters of luchtemissies, heeft de VMM geen bevoegdheid in dit dossier; Gelet op de ligging van de inrichting in een gebied van het gewestplan Antwerpen, waarvoor volgende voorschriften van toepassing zijn : woongebied met landelijk karakter in functie van de weg, diep liggend agrarisch gebied; Overwegende dat het advies van AMV, hierboven in extenso weergegeven, integraal in aanmerking kan worden genomen; Overwegende dat er bijgevolg aanleiding toe bestaat het ingediende beroep niet in te willigen en het besluit van het college te bevestigen; Gehoord voor de exploitant Meester Dael, loco Meester Luyckx";
  11. Ten gronde 2.1.
  12. Overwegende dat verzoeker in het eerste middel de schending aanvoert van de hoorplicht, doordat de gemeentelijke overheid verzoeker niet heeft gehoord, niettegenstaande er geen spoedeisendheid was; dat hij hierbij stelt dat uit geen enkel element van het dossier blijkt dat hij in kennis was gesteld van de klachten van de buren, dat het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Zandhoven hem op geen enkele wijze heeft ingelicht over de resultaten van het uitgevoerde akoestisch onderzoek; 2.1.
  13. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord opmerkt dat het middel betrekking heeft op een beslissing die niet het voorwerp is van het annulatieberoep, met name de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Zandhoven van 12 december 2001, dat in het kader van de procedure overeenkomstig artikel 54 van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams VII-25.885-4/11 reglement betreffende de milieuvergunning (hierna : Vlarem I) de raadsman van verzoeker werd gehoord door de verwerende partij; 2.1.
  14. Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord betoogt dat het bestreden besluit de schending van de hoorplicht opzij heeft geschoven omdat de problematiek hem bekend was; dat verzoeker stelt dat deze problematiek evenwel niet aan hem bekend was; 2.1.
  15. Overwegende dat verzoeker in zijn laatste memorie stelt dat het punt van kritiek zich niet in de eerste plaats richt op de miskenning van de hoorplicht door de verwerende partij, maar wel op de gevolgen die de verwerende partij verbindt aan de miskenning door het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Zandhoven van de hoorplicht, dat indien de verwerende partij vaststelt dat de eerdere beslissing is genomen met een flagrante schending van de rechten van verdediging, zij deze beslissing had moeten vernietigen; 2.1.
  16. Overwegende dat het middel is gericht tegen de beslissing die in eerste aanleg door het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Zandhoven op 12 december 2001 is genomen; dat die beslissing niet het voorwerp van voorliggend annulatieberoep vormt; dat het middel aldus niet kan leiden tot de vernietiging van het bestreden besluit; dat met een schrijven van 23 januari 2002 verzoeker en zijn raadsman zijn uitgenodigd om te worden gehoord; dat uit de bewoordingen van het bestreden besluit blijkt dat de raadsman werd gehoord; dat verzoeker met een schrijven van 5 februari 2002, gericht aan de verwerende partij, de motivatie van zijn beroepschrift verder heeft aangevuld, zodat hij ook op deze manier de kans heeft gekregen zijn standpunt naar voor te brengen; dat het eerste middel, zoals het door verzoeker is ontwikkeld, niet gegrond is; 2.2.
  17. Overwegende dat verzoeker in het tweede middel de schending aanvoert van de zorgvuldigheidsplicht; dat hij in essentie stelt dat het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Zandhoven de beslissing zorgvuldig had moeten voorbereiden en daarom voorafgaand aan die beslissing had moeten informeren naar de mening van verzoeker, dat hij bereid was om in gezamenlijk overleg met de vergunningverlenende overheid de nodige maatregelen te treffen, dat hij niet op de hoogte werd gesteld van het voornemen van de gemeente om de vergunningsvoorwaarden te verstrengen, dat de gemeente hem niet op de hoogte heeft gebracht van het akoestisch onderzoek, dat er nochtans geen spoedeisendheid was, dat er minder draconische maatregelen mogelijk waren, dat het college van VII-25.885-5/11 burgemeester en schepenen van de gemeente Zandhoven deze alternatieven vooraf had moeten bespreken met verzoeker, dat het bestreden besluit niet aantoont waarom het geen rekening houdt met deze door verzoeker opgeworpen bezwaren, dat de verwerende partij in haar besluit niet aantoont waarom aan verzoeker niet de kans werd geboden om, voorafgaand aan de ambtshalve wijziging, een saneringsvoorstel in te dienen; 2.2.
  18. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord in essentie stelt dat het middel irrelevant is in zoverre het betrekking heeft op de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Zandhoven; dat zij met betrekking tot het bestreden besluit zelf aanstipt dat de exploitant in elk geval de kans had om zelf een concreet saneringsvoorstel in te dienen naar aanleiding van zijn administratief beroep, dat in het advies van de afdeling Milieuvergunningen, waarop zij haar motivering heeft gesteund, uitdrukke- lijk staat vermeld waarom werd geoordeeld dat de ambtshalve wijziging van de voorwaarden door het schepencollege kon worden bevestigd; 2.2.
  19. Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord nog betoogt dat een periode van anderhalve maand -tussen het beroepschrift en het bestreden besluit- te kort is om een saneringsvoorstel uit te werken, dat hij zich bovendien van in het begin bereid heeft verklaard een saneringsvoorstel uit te werken, dat hij de informatie van de gemeente, waarnaar het advies van de afdeling Milieuvergunningen verwijst, alleszins niet kent, dat er geen spoor van te bekennen is in het dossier, dat er nooit bemiddelingspogingen plaatsvonden, dat hij nooit klachten van de buurtbewoners heeft ontvangen, dat dit ook niet blijkt uit het dossier, dat de verwerende partij zich baseerde op een advies dat volledig vreemd is aan de aanwezige stukken in het dossier; 2.2.
  20. Overwegende dat verzoeker in zijn laatste memorie wederom stelt dat de periode van anderhalve maand te kort is om een volledig saneringsvoorstel uit te werken, dat het bestreden besluit werd genomen in het kader van artikel 54 van Vlarem I dat wordt gekenmerkt door zijn zeer korte termijnen, dat ofwel enkel voorstellen volstaan, gelet op de korte termijn, ofwel de voorstellen tevens moeten worden gerealiseerd, wat in deze korte tijdspanne onmogelijk is, dat hij steeds zijn bereidheid heeft geuit om geluidsisolerende wanden te plaatsen, dat het onaanvaard- baar is dat de termijnen die een publieke overheid zich gunt om enig initiatief te nemen, in wanverhouding staan met de termijnen die men de burger oplegt om VII-25.885-6/11 passende maatregelen te treffen, dat hij nog steeds onwetende is van enige bemiddelingspoging van het schepencollege; 2.2.
  21. Overwegende dat in zoverre het middel is gericht tegen de beslissing die in eerste aanleg door het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Zandhoven op 12 december 2001 is genomen, het onontvankelijk is, aangezien het niet is gericht tegen het thans bestreden besluit; dat de verwerende partij rekening moest houden met de stukken van het dossier; dat dit dossier een studie bevat waaruit blijkt dat er ernstige overschrijdingen van de geluidsnormen zijn, en waaruit ook blijkt dat er klachten zijn over geluidshinder vanwege de bewoner van de woning gelegen aan de Liersebaan 245; dat verzoeker in zijn beroepschrift en in zijn aanvullend schrijven van 5 februari 2002 geen enkel concreet voorstel doet om de problematiek van de geluidshinder aan te pakken; dat verzoekers argument als zou hij over te weinig tijd hebben beschikt om dat te doen, niet overtuigt; dat het mogelijk moet zijn om binnen een tijdspanne van zes weken bepaalde voorstellen te doen; dat verzoeker het bij de ontwikkeling van het middel over de mogelijkheid tot het plaatsen van geluidsisolerende wanden rond de inrichting heeft; dat een dergelijk voorstel geen maanden studiewerk vergt; dat het doen van bepaalde voorstellen om een probleem aan te pakken, niet hetzelfde is als het uitvoeren van die voorstellen; dat de verwerende partij eveneens over het advies van de afdeling Milieuvergunningen van 11 januari 2002 beschikt, waaruit blijkt dat er reeds jarenlang klachten zijn in verband met de geluidshinder, en dat er bemiddelingspogingen zijn geweest; dat de verwerende partij zich op dit stuk mocht steunen; dat in het dossier geen documenten worden aangetroffen waarin het gemeentebestuur er op wijst dat er klachten en/of bemiddelingspogingen waren; dat deze inlichtingen ook mondeling kunnen zijn gegeven; dat als de afdeling Milieuvergunningen stelt dat uit de informatie van de gemeente blijkt dat er klachten en bemiddelingspogingen waren, deze elementen op zich niet nogmaals bijkomend moeten worden gemotiveerd; dat, gelet op de voorhanden zijnde stukken, aan de verwerende partij geen gebrek aan zorgvuldigheid kan worden verweten; dat het tweede middel niet gegrond is; 2.3.
  22. Overwegende dat verzoeker in het derde middel de schending aanvoert van de "fair-play"; dat hij in essentie doet gelden dat in de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Zandhoven van 12 december 2001 niet was meegedeeld tot en met welke dag beroep kon worden ingesteld bij de bevoegde overheid, en dit niettegenstaande het om een zeer korte VII-25.885-7/11 beroepstermijn van slechts tien dagen ging, dat in het bestreden besluit niet wordt gemotiveerd waarom met dit argument geen rekening wordt gehouden; 2.3.
  23. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord stelt dat de aangevoerde tekortkoming verzoeker niet heeft belet om tijdig zijn administratief beroep in te dienen, dat het middel bovendien geen betrekking heeft op het bestreden besluit; 2.3.
  24. Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord betoogt dat de verwerende partij niet meedeelt waarom zij geen rekening hield met zijn argument; 2.3.
  25. Overwegende dat verzoeker geen belang heeft bij het middel, aangezien hij zijn administratief beroep op basis van artikel 54 van Vlarem I tijdig heeft ingesteld; dat het middel bijgevolg niet ontvankelijk is; 2.4.
  26. Overwegende dat verzoeker in het vierde middel de schending aanvoert van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en van de beginselen van behoorlijk bestuur, doordat het bestreden besluit naar een aantal feiten verwijst die ofwel onjuist zijn of minstens geen grondslag kunnen vinden in het dossier; dat verzoeker stelt dat de verwerende partij geen antwoord biedt op al zijn bezwaren, dat de verwerende partij erkent dat de resultaten niet aan verzoeker zijn meegedeeld maar niet motiveert waarom dat niet is gebeurd, dat de verwerende partij erkent dat een sanering ertoe kan leiden dat de ambtshalve wijziging van de milieuvergun- ningsvoorwaarden ongedaan kan worden gemaakt, dat zij evenwel niet motiveert waarom verzoeker niet werd uitgenodigd om minder draconische maatregelen te bespreken, dat de verwerende partij niet aangeeft waarom zij geen rekening hield met het feit dat het schepencollege heeft nagelaten de beroepstermijn mee te delen; dat verzoeker uit enkele arresten van de Raad van State citeert die volgens hem kunnen worden toegepast inzake milieuvergunningen; dat hij ten slotte stelt dat het bezwaar met betrekking tot de hoorplicht en de hoogdringendheid niet afdoende wordt beantwoord; 2.4.
  27. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord stelt dat de hoorplicht als dusdanig niet wettelijk is ingeschreven in de artikelen 45 en 54 van Vlarem I, dat dit niet wegneemt dat men het horen van een exploitant in dit kader als een beginsel van behoorlijk bestuur kan beschouwen, dat VII-25.885-8/11 zij vreemd is aan het feit dat het schepencollege naar aanleiding van haar beslissing de exploitant niet heeft gehoord, dat het een gegeven betreft dat zij enkel kon vaststellen, dat de exploitant in de beroepsprocedure wel degelijk de kans heeft gekregen om te worden gehoord, dat zij alleszins de hoorplicht heeft gerespecteerd, dat het bezwaar met betrekking tot de vermeende afwezigheid van hoogdringendheid evenmin terecht is; dat de verwerende partij hiervoor verwijst naar het advies van de afdeling Milieuvergunningen; dat zij voorts stelt dat verzoeker tegenstrijdig is in zijn argumentatie, dat hij niet ontkent dat er reeds jarenlang problemen zijn met de exploitatie van de carwash, dat hij dit gegeven, integendeel, juist toegeeft in het kader van zijn argumentatie dat het schepencollege nu niet plots een beslissing had moeten nemen, dat zij zich enkel kan baseren op de elementen die de exploitant in zijn beroepschrift weergeeft en in zijn verklaringen ter zitting meedeelt, op de gegevens van het schepencollege en op de uitgebrachte adviezen, dat verzoeker in zijn verzoekschrift toegeeft dat de problematiek en klachten rond de uitbating van zijn carwash hem sinds jaren niet onbekend zijn, dat hij al die tijd nalaat zelf concrete en ernstige saneringsvoorstellen te doen, zelfs in het kader van de beroepsprocedure, dat hiervan geen enkel spoor terug te vinden is in het dossier, en ook niet in de stukken die zijn neergelegd naar aanleiding van onderhavig verzoekschrift, dat een exploitant verplicht is de in de milieuvergunning opgelegde bijzondere voorwaarden, de voor de inrichting geldende algemene of per categorie van inrichtingen door de Vlaamse regering in toepassing van artikel 20 van het "decreet" vastgestelde milieuvergunningsvoorwaarden, alsmede alle andere op de exploitatie van de inrichting van toepassing zijnde wettelijke, decretale of reglementaire bepalingen, met betrekking tot de bescherming van het leefmilieu, van de oppervlaktewateren en van de externe veiligheid, na te leven, dat ongeacht de verleende vergunning, de exploitant steeds de nodige maatregelen moet treffen om schade en hinder te voorkomen, dat, zoals verzoeker in zijn verzoekschrift zelf bevestigt, de hinder van de betrokken inrichting een probleem betreft dat reeds jaren aansleept; 2.4.
  28. Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord nogmaals herhaalt dat de verwerende partij zich beroept op de feitelijke premissen die niet stroken met het dossier, dat een motivering gesteund op foutieve premissen nooit afdoende kan zijn, dat er totaal geen tegenstrijdigheid is in de argumentatie van verzoeker wanneer hij stelt dat hij nooit in kennis is gesteld van de geluidsproblema- tiek en de resultaten van het akoestisch onderzoek, dat er zelfs geen document in het dossier is dat wijst op enige klachten, dat aangezien verzoeker niet op de hoogte was gesteld van de jarenlange klachten noch van de resultaten van het akoestisch VII-25.885-9/11 onderzoek, het logisch is dat hij geen saneringsvoorstel opstelde, dat uit geen enkel element in het dossier blijkt dat hij in kennis was gesteld van de hinder en de schade die zijn exploitatie zou veroorzaken, dat hij pas adequaat kan reageren als hij wordt ingelicht door de overheid die blijkbaar wel in het bezit is van deze kennis; 2.4.
  29. Overwegende dat verzoeker in zijn laatste memorie stelt dat de verwerende partij de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Zandhoven van 12 december 2001 had moeten vernietigen wegens flagrante schending van de rechten van verdediging en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, dat het doel van de motiveringsplicht erin bestaat dat de betrokkene zou weten waarom een voor hem ongunstige beslissing is genomen, zodat hij zich kan verweren tegen die beslissing door aan te tonen dat de in de motivering aangebrachte motieven niet gegrond zijn, dat het aan de beslissing- nemende overheid is om een afdoende motivering op te bouwen waarbij de feitelijke grondslag van de genomen beslissing afdoende wordt bewezen, dat het niet opgaat om een niet-bewezen feit op te nemen in een advies waardoor het plotseling aan bewijswaarde zou winnen, dat de bewijswaarde van een advies evenmin kan blijken uit de afwezigheid van enige betichting van valsheid, dat op deze wijze de taak van de betrokken burger onrechtmatig wordt verzwaard, dat ook de houding van de betrokkene nadat de beslissing is genomen onmogelijk de bewijswaarde van deze motivering kan bepalen; 2.4.
  30. Overwegende dat de verwerende partij niet hoeft te motiveren waarom de overheid in eerste aanleg een aantal onregelmatigheden heeft begaan; dat zij trouwens zulks ook niet kan uitleggen; dat het volstaat dat de aangeklaagde onregelmatigheden in het kader van het administratief beroep zijn rechtgezet; dat dit te dezen is gebeurd; dat, wat de hoogdringendheid betreft, de verwerende partij er in de aanhef van het bestreden besluit op wijst dat het niet is omdat een zaak reeds jaren aansleept dat een plots optreden ongeoorloofd zou zijn; dat er in het advies van de afdeling Milieuvergunningen, dat de verwerende partij bijtreedt, op wordt gewezen dat uit informatie van de gemeente is gebleken dat er reeds jarenlang klachten zijn met betrekking tot geluidshinder; dat er geen redenen zijn om te twijfelen aan de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van dit adviesorgaan; dat verzoeker bovendien, bij de uiteenzetting van zijn eerste middel, er zelf op wijst dat het uitgevoerde akoestisch onderzoek het resultaat is van voorafgaande klachten door de buurman en dat het een probleem betreft dat reeds jarenlang aansleept; dat die uiteenzetting haaks staat op wat verzoeker in zijn vierde middel beweert; dat het vierde middel niet gegrond is, VII-25.885-10/11 BESLUIT: Artikel
  31. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  32. De kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, bepaald op 175 euro, komen ten laste van verzoeker. De kosten van het annulatieberoep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van verzoeker. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op tien juli tweeduizend en acht, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. L. HELLIN, kamervoorzitter, E. BREWAEYS, staatsraad, P. LEFRANC, staatsraad, Mevr. E. IMPENS, griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. L. HELLIN. VII-25.885-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.185.306 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2002:ARR.104.381 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.