← België

Arrest 185310 - Onteigeningen - 10/07/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 10 juli 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.185.310 Rolnummer: A. 185738/X-14484 Zaak: Arrest 185310 - Onteigeningen - 10/07/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-07-14 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-06-29 08:23 Fiche Arrest nr 185.310 van 10 juli 2008 Overheidsopdrachten en openbare werken - Onteigeningen Beslissing : Verwerping Inkorting termijnen Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 185.310 van 10 juli 2008 in de zaak A. 185.738/X-13.

  1. In zake : Xaverius ROEFS, die woonplaats kiest bij advocaat C. GYSEN, kantoor houdende te 2800 MECHELEN, Antwerpsesteenweg 16-18 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat T. DE SUTTER, kantoor houdende te 9000 GENT, Koning Albertlaan
  2. tussenkomende partij : de Intercommunale Ontwikkelingsmaatschappij voor de Kempen (IOK), die woonplaats kiest bij advocaten J. BOUCKAERT en T. GERNAEY, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, Loksumstraat
  3. DE Wnd. VOORZITTER VAN DE Xe KAMER, Gezien het enig verzoekschrift dat Xaverius ROEFS op 5 november 2007 heeft ingediend, en waarin hij de schorsing van de tenuitvoerlegging vordert van het besluit van 1 augustus 2007 van de Vlaamse minister van Binnenlands Bestuur, Stedenbeleid, Wonen en Inburgering waarbij voor de verwerving van onroerende goederen gelegen te Beerse machtiging tot onteigening wordt verleend met toepassing van de spoedprocedure aan de dienstverlenende vereniging IOK met het oog op de realisatie van het onteigeningsplan “Gemengd Regionaal bedrijventerrein Beerse-Zuid”; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd F. DE BUEL; X-13.506-1/8 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 19 december 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 1 februari 2008; Gehoord het verslag van staatsraad J. BOVIN; Gehoord de opmerkingen van advocaat G. LAENEN, die loco advocaat C. GYSEN verschijnt voor de verzoeker, van advocaat W. LAMMENS, die loco advocaat T. DE SUTTER verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat T. GERNAEY, die verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur- afdelingshoofd F. DE BUEL; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT :
  4. Rechtspleging Met een verzoekschrift van 27 november 2007 heeft de Intercommunale Ontwikkelingsmaatschappij voor de Kempen (IOK) gevraagd om in het geding te mogen tussenkomen. Er is grond om het verzoek in te willigen.
  5. De feiten 2.
  6. De verzoeker is mede-eigenaar van gronden, gelegen te Beerse, kadastraal gekend sectie D, nrs. 176/b19 en 176/k
  7. 2.
  8. Blijkens het besluit van de Vlaamse regering van 4 juni 2004 houdende definitieve vaststelling van het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan afbakening regionaal stedelijk gebied Turnhout, komen voormelde percelen te liggen in een “gemengd regionaal bedrijventerrein I Beerse-Zuid ”(art. 3.1). Tegen dit besluit blijkt de verzoeker geen annulatieberoep te hebben ingesteld. X-13.506-2/8 2.
  9. Zowel bij de voorlopige goedkeuring op 19 april 2005 van het “onteigeningsplan Beerse-Zuid”, als bij definitieve goedkeuring van het voornoemd onteigeningsplan op 15 november 2005, verwijst de Intercommunale Ontwikkelingsmaatschappij voor de Kempen (IOK) naar voormeld besluit van de Vlaamse regering en naar het feit dat “onderdeel van het GRUP is de inrichting van een nieuw bedrijventerrein te Beerse ‘Beerse-Zuid’” en dat “de IOK werd aangeduid als ontwikkelaar”. 2.
  10. Bij het bestreden besluit van 1 augustus 2007 verleent de Vlaamse minister van Binnenlands Bestuur, Stedenbeleid, Wonen en Inburgering, met het oog op de realisatie van het onteigeningsplan “Gemengd Regionaal bedrijventerrein Beerse-Zuid” aan de dienstverlenende vereniging IOK de machtiging tot onteigening van onroerende goederen, gelegen te Beerse, met toepassing van de spoedprocedure. Blijkens het bij dit besluit horend onteigeningplan zijn de voor- melde kadastrale percelen waarvan de verzoeker mede-eigenaar is, begrepen in die onteigeningsmachtiging (de innemingen 1 en 29 volgens de onteigeningstabel). 2.
  11. Dit besluit werd bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 13 september
  12. 2.
  13. Verzoekster houdt voor, daarin niet tegengesproken door de verwerende en tussenkomende partij, van meergenoemd besluit kennis te hebben gekregen op 4 september
  14. Ontvankelijkheid Zowel de verwerende partij als de tussenkomende partij betwisten de ontvankelijkheid van de vordering. Er bestaat vooralsnog geen noodzaak om over de opgeworpen excepties uitspraak te doen. Een onderzoek van en een uitspraak over deze excepties zou zich slechts opdringen indien zou komen vast te staan dat de grondvoorwaarden voor het toewijzen van de vordering vervuld zijn, wat, zoals hierna zal blijken, te dezen niet het geval is. X-13.506-3/8
  15. De grondvoorwaarden tot schorsing 4.
  16. Krachtens artikel 17, § 2 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. Luidens artikel 17, § 3 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State dient de vordering tot schorsing een uiteenzetting van de middelen en de feiten te bevatten die volgens de indiener ervan het bevelen van de schorsing rechtvaardigen. Artikel 8, eerste lid, 3/ van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State, bepaalt dat de vordering tot schorsing dient te bevatten “een uiteenzetting van de feiten die van aard zijn aan te tonen dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte de verzoekende partij een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen, waarbij alle stukken worden gevoegd die het risico op dergelijk nadeel aantonen”. Uit deze bepaling volgt dat de verzoekende partij in haar verzoekschrift duidelijk en concreet dient aan te geven waarin precies het moeilijk te herstellen ernstig nadeel is gelegen dat zij ingevolge de onmiddellijke tenuitvoerlegging van het bestreden besluit ondergaat of dreigt te ondergaan, en dat met nadien bijgebrachte feiten en verklaringen en niet bij het verzoekschrift gevoegde stukken geen rekening kan worden gehouden. De verzoekende partij mag zich in haar uiteenzetting niet beperken tot vaagheden en algemeenheden, maar dient integendeel zeer concrete en precieze gegevens aan te brengen waaruit blijkt dat zij persoonlijk een moeilijk te herstellen ernstig nadeel ondergaat of dreigt te ondergaan. 4.
  17. Over het moeilijk te herstellen ernstig nadeel 4.2.
  18. De verzoeker zet het moeilijk te herstellen ernstig nadeel in het verzoekschrift uiteen als volgt: “(...) 3.- Dat verzoekende partij een moeilijk te herstellen ernstig nadeel zal lijden door de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit is overduidelijk. Immers, het betreft in casu een belangrijke onteigening die verzoekende partij confronteert met een aanzienlijke beperking van zijn rechten en met het gevaar voor een onomkeerbare toestand, zodat moet worden besloten tot het bestaan van het vereiste nadeel (M. DENYS, ‘Actuele problemen van het X-13.506-4/8 onteigeningsrecht’, in X., De onteigening ten algemene nutte, Leuven, Jura Falconis Libri, 1996, 74). Verzoekende partij kocht de percelen, samen met zijn echtgenote (zo'n 1,5 ha), reeds in 1989 van de Boerenbond met de bedoeling er zijn bedrijf (zijnde de NV B’NICE, waarvan de helft van de aandelen in handen is van verzoekende partij, voordien de BVBA JORIS IJS, ...) te vestigen gelet de verplichting tot herlokalisatie van het bedrijf (het terrein waar de firma thans gevestigd is, heeft immers een veel te kleine oppervlakte gelet de huidige en toekomstige bedrijvigheid van de NV). De uitbreiding van het bedrijf is op dit ogenblik acuut geworden voor het voortbestaan van deze zaak: de toekomst van het bedrijf en van de werkgelegenheid is afhankelijk van het kunnen uitbreiden van de NV. Deze uitbreiding kan echter onmogelijk geschieden op de huidige terreinen, gelet de beperkte omvang en de strikte uitbatingsvoorwaarden die aldaar bestaan en waaraan het bedrijf van verzoeker onmogelijk kan blijven voldoen. Hoewel het bestaan van een louter financieel nadeel in principe wordt geacht niet moeilijk te herstellen te zijn, kunnen er bijzondere redenen voorhanden zijn waaruit blijkt dat dit wel het geval is. Als bijzondere redenen worden aanvaard: de vaststelling dat de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing het voortbestaan zelf (...) of het financieel evenwicht van het bedrijf ernstig in het gevaar brengt, of tot sociale uitsluiting zou leiden (...). Conform vaste rechtspraak van Uw Raad moet worden besloten tot het bestaan van een moeilijk te herstellen en ernstig nadeel wanneer, zoals in casu, de administratieve beslissing de levenskwaliteit van verzoekende partij (en zijn gezinsleden) drastisch in het gedrang brengt (...). Het nadeel in hoofde van verzoeker zal meer dan louter financieel zijn aangezien de levenskwaliteit en de sociaal-economische positie van verzoekende partij en zijn gezinsleden in het gevaar wordt gebracht: ingevolge de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing zal verzoekende partij (evenals zijn echtgenote) zijn enige inkomsten verliezen, aangezien de thans in rekening genomen mogelijkheid tot uitbreiding van de firma onmogelijk zal zijn, zodat de firma gedoemd zal zijn haar boeken te sluiten. Het aankopen van een ander perceel is gelet de financiële situatie van verzoeker bovendien onmogelijk. Dat de uitbreiding van de firma in de startblokken staat, blijkt bovendien uit bijgevoegd (...) (contract met bouwfirma en architect met het oog op de oprichting van een bouwwerk omvattende 4610 m² ijsroomfabriek met productie eenheid,). 4.- Er dient ook te worden vermeld dat verzoekende partij (...) zich in het verleden steeds uitdrukkelijk bereid heeft verklaard om de ontwikkeling van het bedrijventerrein samen met de bevoegde overheid na te streven zonder dat een onteigening hiervoor noodzakelijk is, en dit in samenspraak met de andere betrokken bewoners. De bewoners vormen immers een homogene en evenwichtige groep waaronder zowel projectontwikkelaars/promotoren, financiers evenals geïnteresseerde bedrijven ressorteren. Geenszins exhaustief wijst verzoekende partij naar zijn inspanningen in het verleden om in overleg met AROHM en het Gemeentebestuur het gebied. te ontwikkelen. Hiertoe werden noch kosten noch moeite gespaard. Dienaangaande werden zelfs toezeggingen gedaan door het gemeentebestuur van Beerse. Verzoekende partij heeft dan ook in rechtmatig vertrouwen zijn ganse uitbreidingsplanning afgestemd op de betreffende percelen. 4.- Bovendien mag niet vergeten worden dat de ernst van het nadeel door de Raad mede wordt beoordeeld in functie van de graad van ernst en de aard van de ingeroepen middelen (...). X-13.506-5/8 5.- Uit het voorgaande blijkt duidelijk dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging een MTHEN veroorzaakt voor verzoekende partij. Alhoewel de duur van de annulatieprocedure op zich het MTHEN niet aantoont, staat het vast dat het in casu ingeroepen nadeel niet hersteld kan worden door het mogelijks verkrijgen van een annulatiearrest. Het kan dan ook niet betwist worden dat verzoekende partij, ten gevolge van de bestreden beslissing, geconfronteerd wordt met een nadeel dat zeer moeilijk, zoniet onmogelijk te herstellen is, en dat veel meer is dan louter een financieel nadeel. De situatie waarin het bedrijf van verzoekende partij zal belanden ten gevolge van het bestreden besluit komt erop neer dat verzoeker, gelet de onmogelijkheid tot herlokalisatie van zijn bedrijf en bijgevolg de stopzetting van de activiteiten van dit bedrijf, zijn enige inkomsten teloor ziet gaan, met een drastische aantasting van de zijn levenskwaliteit en deze van zijn gezinsleden tot gevolg. Er is dan ook duidelijk sprake van een moeilijk te herstellen en ernstig nadeel in hoofde van verzoekende partij’. 4.2.
  19. Onderzoek van de aangevoerde moeilijk te herstellen ernstig nadeel 4.2.2.
  20. Het moeilijk te herstellen ernstig nadeel dient zijn rechtstreekse oorzaak te vinden in de aangevochten akte. 4.2.2.
  21. Het thans aangevochten besluit heeft enkel de verklaring van openbaar nut van de verwerving van de betrokken gronden en de machtiging tot onteigening met mogelijke toepassing van de wet van 26 juli 1962 betreffende de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake onteigening ten algemenen nutte tot voorwerp. De door de verzoeker aangevoerde nadelen vinden derhalve hun rechtstreekse oorzaak, niet in het aangevochten besluit, maar in de onteigening van de betrokken percelen. De verzoeker zal evenwel pas uit zijn eigendom worden ontzet wanneer de vrederechter de onteigening zal hebben toegestaan. De vrederechter kan die onteigening pas uitspreken en de provisionele vergoeding slechts bepalen nadat hij het aangevochten besluit zowel op zijn interne als op zijn externe wettigheid heeft getoetst. De verzoeker zal de wettigheidsbezwaren die hij thans aanvoert, nog kunnen doen gelden voor de vrederechter. Deze zal er uitspraak moeten over doen en, indien zij gegrond worden bevonden, zal het risico van het verlies van zijn eigendom alsnog afgewend kunnen worden. Zonder te moeten nagaan of de dreiging van het verlies van de betrokken eigendom een ernstig nadeel betekent voor de verzoeker, dient alleszins te worden vastgesteld dat deze geen moeilijk te herstellen ernstig karakter heeft in de zin van artikel 17, § 2 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. X-13.506-6/8 4.2.2.
  22. De wettelijke voorwaarde betreffende het moeilijk te herstellen ernstig nadeel is een constitutieve en autonome voorwaarde. De aard evenals de graad van ernst van de ingeroepen middelen kunnen ter adstructie van het ernstig nadeel niet dienstig worden ingeroepen. 4.2.2.
  23. Uit hetgeen voorafgaat blijkt dat niet is voldaan aan één van de door artikel 17, § 2 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden om de schorsing van de tenuitvoerlegging te kunnen bevelen. Die vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen, OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  24. Het verzoek tot tussenkomst van de Intercommunale Ontwikkelingsmaatschappij voor de Kempen (IOK) wordt ingewilligd. Artikel
  25. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
  26. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de tussenkomst wordt uitgesteld. X-13.506-7/8 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op tien juli 2008, door : de H. J. BOVIN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. J. BOVIN. X-13.506-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.185.310 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.198.865 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.