id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 10 juli 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.185.311 Rolnummer: A. 185339/X-13478 Zaak: Arrest 185311 - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen - 10/07/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-08-14 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-06-29 08:23 Fiche Arrest nr 185.311 van 10 juli 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 185.311 van 10 juli 2008 in de zaak A. 185.339/X-13.
- In zake : de b.v.b.a. SORAF, die woonplaats kiest bij advocaat C. GYSEN, kantoor houdende te 2800 MECHELEN, Antwerpsesteenweg 16-18 tegen :
- de gemeente RUMST, die woonplaats kiest bij advocaten P. FLAMEY en P.J. VERVOORT, kantoor houdende te 2018 ANTWERPEN, Jan Van Rijswijcklaan 16,
- de deputatie van de provincieraad van ANTWERPEN. DE Wnd. VOORZITTER VAN DE Xe KAMER, Gezien het enig verzoekschrift dat de bvba SORAF op 1 oktober 2007 heeft ingediend, en waarin zij de schorsing van de tenuitvoerlegging vordert van het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan “Catenberg-Noord deel 1”, definitief aangenomen door de gemeenteraad van Rumst op 22 maart 2007 en goedgekeurd bij besluit van 10 mei 2007 van de deputatie van de provincieraad van Antwerpen; Gezien de nota’s van de verwerende partijen; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur T. DE WAELE; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 10 januari 2008 waarbij de terecht- zitting bepaald wordt op 1 februari 2008; Gehoord het verslag van staatsraad J. BOVIN; X-13.478-1/11 Gehoord de opmerkingen van advocaat G. LAENEN, die loco advocaat C. GYSEN verschijnt voor de verzoekende partij, van advocaat P.-J. VERVOORT, die verschijnt voor de eerste verwerende partij, en van bestuurssecretaris I. MARTENS, die verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur T. DE WAELE; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT :
- Over de feitelijke gegevens van de zaak 1.
- De verzoekende partij exploiteert aan de Hollebeekstraat te Rumst een inrichting voor de opslag en overslag en het sorteren van afvalstoffen. Zij huurt de terreinen van een n.v. Aannemingsbedrijf Janssens L. De uitbating gebeurt volgens de bestemmingsvoorschriften van het gewestplan Antwerpen deels in industriegebied, deels in bufferzone, en deels in natuurgebied met bijzondere voorschriften voor kleinijverheid. 2.
- In vergadering van 29 augustus 2006 gaat de gemeenteraad van Rumst over tot de voorlopige vaststelling van een ontwerp van gemeentelijk RUP “Catenberg Noord-deel 1”. Tijdens het openbaar onderzoek worden enkele tientallen bezwaarschriften ingediend, o.m. en vooral door bewoners van de Hollebeekstraat. Ook de raadsman van de verzoekende partij dient namens zijn cliënte bezwaar in, teneinde in het plan meer duidelijkheid in te schrijven dat op de site wel degelijk secundaire grondstoffen en afvalstoffen mogen aangevoerd en verwerkt worden. Op 30 januari 2007 verklaart de GECORO van Rumst het bezwaarschrift dat namens de verzoekende partij werd ingediend gedeeltelijk gegrond, en wordt voorgesteld de formulering van het betreffende stedenbouw- kundig voorschrift aan te passen. X-13.478-2/11 2.
- In vergadering van 22 maart 2007 beslist de gemeenteraad van Rumst het RUP definitief vast te stellen. In navolging van het advies van de GECORO past de gemeenteraad het stedenbouwkundig voorschrift aan, en wordt nu ingeschreven dat op het terrein o.m. de opslag, overslag en behandeling van inerte en niet-gevaarlijke grondstoffen, delfstoffen en bouw- en sloopafval mogelijk zijn. Tevens worden in de voorschriften nog een aantal andere wijzigingen doorgevoerd, ingaand op een aantal bezwaren die waren geformuleerd door de buurtbewoners. 2.
- De deputatie van de provincie Antwerpen keurt het gemeentelijk RUP op 10 mei 2007 goed. Van dit besluit wordt melding gemaakt in het Belgisch Staatsblad van 31 juli
- Over de ontvankelijkheid van de vordering De verwerende partijen betwisten de ontvankelijkheid van de vordering. Er bestaat vooralsnog geen noodzaak om over de opgeworpen excepties uitspraak te doen. Een onderzoek van en een uitspraak over die excepties zou zich slechts opdringen indien zou komen vast te staan dat de grondvoorwaarden voor het toewijzen van de vordering vervuld zijn, hetgeen, zoals hierna zal blijken, te dezen niet het geval is.
- Over de grondvoorwaarden tot schorsing 4.
- Krachtens artikel 17, § 2 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. X-13.478-3/11 Luidens artikel 17, § 3 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State dient de vordering tot schorsing een uiteenzetting van de middelen en de feiten te bevatten die volgens de indiener ervan het bevelen van de schorsing rechtvaardigen. Artikel 8, eerste lid, 3/ van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State, bepaalt dat de vordering tot schorsing dient te bevatten “een uiteenzetting van de feiten die van aard zijn aan te tonen dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte de verzoekende partij een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen, waarbij alle stukken worden gevoegd die het risico op dergelijk nadeel aantonen”. Uit deze bepaling volgt dat de verzoekende partij in haar verzoekschrift duidelijk en concreet dient aan te geven waarin precies het moeilijk te herstellen ernstig nadeel is gelegen dat zij ingevolge de onmiddellijke tenuitvoerlegging van het bestreden besluit ondergaat of dreigt te ondergaan, en dat met nadien bijgebrachte feiten en verklaringen en niet bij het verzoekschrift gevoegde stukken geen rekening kan worden gehouden. De verzoekende partij mag zich in haar uiteenzetting niet beperken tot vaagheden en algemeenheden, maar dient integendeel zeer concrete en precieze gegevens aan te brengen waaruit blijkt dat zij persoonlijk een moeilijk te herstellen ernstig nadeel ondergaat of dreigt te ondergaan. 4.
- Over het aangevoerde moeilijk te herstellen ernstig nadeel 4.2.
- In het verzoekschrift zet de verzoekende partij omtrent het moeilijk te herstellen ernstig nadeel uiteen wat volgt: “(...)
- a. Verzoekende partij ondergaat onmiskenbaar een moeilijk te herstellen ernstig nadeel ingeval van onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing. De bestreden beslissing brengt dusdanige beperkingen ten aanzien van de benutting der site met zich mee dat een rendabele exploitatie quasi onmogelijk zal blijken a fortiori wanneer blijkt dat het aanvragen van een vergunning, hetgeen gelet op het feitenrelaas noodzakelijk is, resulteren in de verplichting om het terrein af te graven. b. De stedenbouwkundige voorschriften van het definitief vastgestelde en goedgekeurde RUP stellen onder andere met betrekking tot zone A dat : - Silo’s kunnen in zone A, B en C toegestaan worden tot een maximale hoogte van 15m. - De tijdelijke opslag van afgegraven bodem, grondstoffen en recuperatie- materialen is enkel toegelaten in zone A, met een maximale hoogte van 10 m X-13.478-4/11 ten opzichte van het niveau van de Hollebeekstraat, gemeten loodrecht op de rooilijn. Door deze significante beperkingen ten aanzien van de hoogte zal een exploitatie op de site niet meer rendabel blijken. Ten aanzien van de aanpassing der opslaghoogte van 12 meter tot 10 meter, brengt zulks een verminderde benuttingsgraad van om en bij de 17% met zich mee. Hierdoor wordt de door alle partijen als noodzakelijk geachte uitbreiding van het perceel door inperking van de bufferzone, grotendeels teniet gedaan. C. Daarbovenop stelt de bestreden beslissing in de stedenbouwkundige voorschriften van het definitief vastgestelde en goedgekeurde RUP : ‘Voor de nivellering van het terrein gelden volgende voorwaarden: - Het terrein van zone A moet genivelleerd worden tot maximaal het niveau van de Hollebeekstraat, loodrecht op de rooilijn gemeten. - Het terrein in zone B moet genivelleerd worden tot maximaal het niveau van de Catenbergstraat, gemeten loodrecht op de rooilijn B1-B2, zoals weergegeven op het grafisch plan. Daar het huidige niveau van het terrein A nergens onder dat van de Hollebeekstraat ligt, komt deze voorwaarde neer op een verplichting tot afgraven van het integrale terrein. Enkel ten aanzien van zone A zou dit aan afzet van grond reeds een kost van om en bij de 1.916.070 EUR (excl. BTW) vertegenwoordigen. Ir. Johan D'Hooghe, extern milieucoördinator, stelt dienaangaande (...) : ‘ Het terrein heeft een oppervlakte volgens het kadaster van 6 ha 38 a 69 ca. Gesteld dat er gemiddeld 2 m (het huidige niveau van het terrein ligt nergens onder dat van de Hollebeekstraat!) dient afgegraven te worden om te nivelleren conform het RUP, dan spreken we over 127 738 m³ grond die dienen afgegraven te worden. Enkel de kost voor de afzet van deze grond bedraagt reeds 15 EUR/ton (excl. BTW) daar het in de meeste gevallen grond betreft die niet voldoet aan bijlage 8 van het VLAREBO. De kost voor de afzet van de grond zou dus in totaal reeds 1 916 070 EUR (excl. BTW) kunnen bedragen. Hierbij dienen dan nog de kosten voor het graafwerk en het transport gerekend te worden’. Daar tevens de graafwerken en het transport in rekening dienen te worden gebracht, net als de kosten verbonden aan zone B, zal de effectieve kostprijs nog significant hoger liggen. Vanzelfsprekend kan verzoekende partij zulks niet financieren, laat staan dat zulks gelet op de cijfers economisch aanvaardbaar zou zijn. De financiële gegevens onderbouwen deze stelling. (...)
- a. De bestreden beslissing ressorteert in een situatie waarbij verzoekende partij geen werkbare milieuvergunning kan bekomen, de heden hangende aanvraag zal tevens worden afgewezen, minstens resulteren in een situatie waarbij het bekomen van enige vergunning zal worden gekoppeld aan een afgraving dewelke niet kan worden gefinancierd. Zodoende zal verzoekende partij zich genoodzaakt zien haar activiteiten op de betreffende site te staken, minstens zal het heden bestaande gedogen in hoofde van de bevoegde overheden aangaande de exploitatie een einde nemen. b. Verzoekende partij benadrukt dat heden vergunningen werden en zullen worden ingediend teneinde op de site een werkbare exploitatie uit te bouwen. Deze zullen gezien de voorschriften van het bestreden besluit worden geweigerd, minstens zal ervoor geopteerd worden geen aanvraag in te dienen. Wat vast staat is dat de vereiste afgraving door verzoekende partij niet kan worden doorgevoerd. X-13.478-5/11 Zodoende zal het voor de site niet enkel quasi onmogelijk zijn om een werkbare vergunning te bekomen, doch zal huidige exploitatie onder andere tengevolge van de minimale hoogte van de opslag (10 meter vanaf de Hollebeekstraat) geen doorgang meer kunnen vinden. c. Zoals uit het feitenrelaas duidelijk naar voren komt, verleende de Minister op 6 mei 1996 milieuvergunning voor wat betreft de exploitatie in het industriegebied op het perceel met kadastraal nr. 34 Op 13 juli 2004 schorste de Vlaamse minister van Leefmilieu, Landbouw en Ontwikkelingssamenwerking totaal onverwacht in een periode van lopende zaken deze vergunning gedeeltelijk. Tegen deze beslissing is een annulatieprocedure (G/A 155.319/VII-32.714) hangende bij de Raad van State waarin het auditoraat het eerste middel gegrond acht en tot de vernietiging van deze beslissing adviseert. Daar de afdeling milieu-inspectie kennis kreeg van het opzet in hoofde van de bevoegde overheden om wel degelijk in een planologisch oplossing te voorzien door de bufferzone tot aanvaardbare proporties te herleiden werd de verdere exploitatie gedoogd op voorwaarde dat in het aanpalende natuurgebied geen enkele activiteit meer werd uitgevoerd. Aan deze laatste voorwaarde werd voldaan doch mocht de bestreden beslissing ten uitvoer worden gelegd zal de drijfveer in het gedogen wegvallen. Zulks zou resulteren in de stopzetting van de actuele exploitatie. d. Een verhuis naar een andere locatie is gelet op het ontbreken van geschikte gronden en de noodzakelijke vergunningen en erkenning niet mogelijk. Hierbij dient tevens verwezen naar de door verzoekende partij verkregen vergunningen en certificaten, onder andere het verkregen COPRO-certificaat. Deze zullen vervallen bij een langdurige inactiviteit en kunnen niet zonder meer worden overgedragen naar een potentiële nieuwe site. De Coprokeuring is een kwaliteitskeuring van granulaten door de onafhankelijke instelling vzw Controle Producten (of Copro). Alle inerte granulaten en asfaltgranulaten die men wenst te laten hergebruiken moeten overeenkomstig het Vlarea gekeurd worden door de vzw Copro. Bij deze kwaliteitsopvolging volgt de vzw Copro het principe van integraal ketenbeheer. Via het acceptatiereglement, vereisten inzake het verwerkingsproces, regelmatige analyses en een degelijke registratie worden de bouwtechnische en een deel van de milieuhygiënische kenmerken van gerecycleerde puingranulaten verzekerd (o.m. een beperking van fysische verontreinigingen zoals kunststoffen, hout, papier, glas, gips e.d.). Certificatie is gebaseerd op een continue industriële zelfcontrole door de producent van het gecertificeerde product. Deze zelfcontrole is van toepassing vanaf de grondstoffen over het volledige productieproces tot het eindproduct. Machtigingshouders worden periodiek onderworpen aan een evaluatie door een keuringsinstelling. Dit gaat o.a. gepaard met monsternemingen voor beproeving in erkende laboratoria. De resultaten van deze controleproeven dienen de resultaten van de zelfcontrole van de machtigingshouder te bevestigen. Indien uiteraard de controlerende instantie zulke evaluatie niet meer kan uitvoeren, wegens het niet meer exploiteren, hetgeen niet mogelijk meer is daar er geen afvalstoffen meer zouden mogen worden aangevoerd, vervalt het verkregen COPRO-certificaat. Uiteraard kan bij een later heropstarten een nieuwe aanvraag tot het bekomen van zulk een certificaat worden opgestart doch zulks vergt tijd, hetgeen een mogelijk heropstarten, indien de firma dan al niet het faillissement heeft moeten aanvragen, extra zal bemoeilijken en vertragen. Verzoekende partij benadrukt dat zulk een certificaat onontbeerlijk is voor de exploitatie dewelke verzoekende partij voert daar een verwerking in een niet X-13.478-6/11 copro gekeurde installatie, overeenkomstig de geldende wetgeving geen secundaire grondstof als resultaat oplevert.
- a. Een stopzetting komt, naast het verlies van alle cliënteel, marktaandeel en reputatie, neer op het verlies van alle jaarlijkse inkomsten. Dit is onmiskenbaar een moeilijk te herstellen en ernstig nadeel (...) in hoofde van beide verzoekende partijen. Volgens vaste rechtspraak van de Raad van State is een louter financieel nadeel in principe niet moeilijk te herstellen tenzij bijzondere redenen aanwezig zijn. Als bijzondere redenen kunnen worden aanvaard de vaststelling dat de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing het voortbestaan zelf (...) of het financieel evenwicht van het bedrijf ernstig in het gevaar brengt, zoals in casu. Het nadeel zal meer dan louter financieel zijn wanneer de bestreden beslissing voor gevolg heeft dat de activiteiten van de verzoekende partij op definitieve wijze in het gevaar wordt gebracht (...), qoud est in casu. Vanzelfsprekend zullen de aanwezige schulden, bijvoorbeeld 407.355 euro handelsschulden op ten hoogste één jaar aan leveranciers, niet meer ingelost kunnen worden. Tevens zullen de lopende contracten en verbintenissen niet meer kunnen worden uitgevoerd, hetgeen bijkomende kosten/schadevergoedingen tot gevolg zullen hebben. Tevens zullen in het komende jaar aanzienlijke verdedigingskosten moeten betaald worden, zoals hieronder zal worden uitgewerkt. Hierdoor zal reeds binnen het jaar het eigen vermogen van de vennootschap opgesoupeerd zijn en zal verzoekende partij zeer spoedig geconfronteerd worden met een negatief maatschappelijk kapitaal, waardoor uiteraard een faillissement onafwendbaar wordt. Daarenboven (wenst) verzoekende partij te wijzen op een hangend geding aangaande het betalen van bijkomende milieuheffing voor het jaar 2002 ten belopen van EUR 132.629,
- (...) Teneinde deze procedure dewelke hangende is voor de rechtbank van koophandel (...), tot een bevredigend einde te kunnen brengen dienen de kosten, onder andere de advocatenkosten (sic) te worden betaald. Bij gebreke hiervan zal de som van EUR 132.629,77 opeisbaar worden ten aanzien van verzoekende partij. Het dient geen uitleg dat zulks zonder de minste twijfel tot een onmiddellijk faillissement zal leiden bij het ontbreken van enige inkomsten. Indien de kosten op een af andere reden zouden kunnen worden betaald, qoud certe non indien niet kan worden geëxploiteerd, dan dient er uiteraard een provisie aangelegd te worden teneinde een mogelijke (gedeeltelijk) veroordeling de baas te kunnen. Zulks kan uiteraard ook niet indien er niet kan worden geëxploiteerd. Conform vaste rechtspraak van Uw Raad moet worden besloten tot het bestaan van een moeilijk te herstellen en ernstig nadeel wanneer, zoals in casu, de administratieve beslissing de levensvatbaarheid van een onderneming in het gedrang brengt (...) of haar naar de rand van het faillissement voert (...) of de beëindiging van de economische activiteit in het verschiet brengt (...). Wie een exploitatie moet staken en daarbij een niet louter pecuniair nadeel dat ernstig genoeg is kan inroepen, zal in beginsel van een MTHEN doen blijken (...). b. Onder andere in het arrest (...), beaamde de Raad de stelling van verzoekende partij dat in de loop van de annulatieprocedure haar cliënteel verloren zou gaan en er marktpositie verloren zou gaan, hetgeen als moeilijk te herstellen ernstig nadeel dient weerhouden te worden. X-13.478-7/11 Met andere woorden dat het onmogelijk (...) zal zijn om het reeds bestaand cliënteel te bedienen, bijkomend cliënteel, te verwerven en haar concurrentiële marktpositie te behouden of te verstevigen (...). Door de onmiddellijke uitvoering van de bestreden beslissing wordt de marktpositie van verzoekende partij dus teniet gedaan in het voordeel van anderen (...). Zulks kan onmogelijk worden opgevangen daar de site in kwestie de enige locatie is waar de bvba Soraf exploiteert. Deze stopzetting, afbouw of onmogelijkheid een bijkomende vergunning te bekomen, zal ongetwijfeld zwaarwegende gevolgen hebben voor het cliënteel van verzoekende partij. De klanten kunnen niet wachten met hun materiaal. Deze zullen evidenter een andere oplossing verkiezen. Bij ontstentenis van onmiddellijke schorsing zullen de potentiële klanten van verzoekende partij hun toevlucht elders gezocht hebben en zal de markt door anderen zijn ingepalmd (...). Het betreft in elk geval een nadeel dat niet kan worden hersteld aangezien de verloren gegane tijd niet kan worden ingehaald. De overheid kan immers de intussen naar de concurrentie overgestapte klanten niet terugbezorgen (...). Indien later terug met exploitatie zou begonnen kunnen worden en de onderneming terug zou kunnen worden opgericht, is het duidelijk dat het cliënteel volledig verloren zou gegaan zijn en dat andere berdrijven de cliënten zullen opgevist hebben. De concurrentiepositie van verzoekster is dan ook blijvend aangetast (...). Deze schade is niet te vergoeden in natura en is ook niet vatbaar voor de definitieve objectieve, a posteriori begroting. Verzoekende partij beschikt terzake over geen enkele vordering in herstel in natura. In casu is zulk ontegensprekelijk het geval, daar door de bestreden beslissing de activiteit op de site zullen dienen gestaakt te worden, worden stilgelegd, minstens tot een dergelijk niveau afgebouwd dat zulks economisch onredelijk onhoudbaar is.
- Bovendien mag niet vergeten worden dat de ernst van het nadeel door de Raad mede wordt beoordeeld in functie van de graad van ernst en de aard van de ingeroepen middelen (...).
- Uit het voorgaande blijkt duidelijk dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging een MTHEN veroorzaakt voor verzoekende partij. Alhoewel de duur van de annulatieprocedure op zich het MTHEN niet aantoont, staat het vast dat het i.c. ingeroepen nadeel niet hersteld kan worden door een annulatiearrest. Bij de uiteindelijke uitspraak over het annulatieberoep zal immers heel wat tijd verstreken zijn terwijl op korte termijn het voortbestaan van verzoekende partij in het gedrang komt. Een mogelijke heropstart of toevoeging van productiepotentieel van de inrichting, indien deze niet failliet zou zijn gegaan, zal op dat ogenblik, alleen al gelet op het volledig verdwenen zijn van alle cliënteel, haast ondenkbaar zijn. Het kan dan ook niet betwist worden dat verzoekende partij, ten gevolge van de bestreden beslissing, geconfronteerd wordt met een nadeel dat zeer moeilijk, zoniet onmogelijk te herstellen is, en dat veel meer is dan alleen een financieel nadeel. Zulks wordt door Uw Raad beschouwd als een moeilijk te herstellen ernstig nadeel X-13.478-8/11 ‘Indien een administratieve beslissing de levensvatbaarheid van een onderneming in het gedrang brengt of haar naar de rand van het faillissement voert, of nog indien zij haar plaats op de concurrentiemarkt zwaar aantast of de beëindiging van de economische activiteit in het verschiet brengt, mag men aannemen dat de bestuurshandeling een MTHEN veroorzaakt’. In casu kan niet ontkend worden dat de aangevochten akte het voortbestaan van de onderneming op ernstige wijze belemmert, zelfs in die mate dat een faillissement dreigt. (...)”. 4.2.
- In de nota met opmerkingen antwoordt de eerste verwerende partij onder meer dat het nadeel dat erin bestaat dat kosten gemaakt zullen moeten worden om de ophogingen te verwijderen geen legitiem nadeel uitmaakt nu deze ophogingen nooit vergund werden, dat de verzoekende partij het nadeel derhalve aan haar eigen handelen te wijten heeft, dat het wellicht niet de verzoekende partij, doch de eigenaar van de gronden is die zal moeten instaan voor de sanering, dat niet is aangetoond dat het aangevoerde financieel nadeel de continuïteit van de bedrijfsvoering in het gedrang zal brengen, dat de gemaakte berekening niet accuraat is en de kosten “zwaar overschat” worden, dat een beëindiging van de activiteiten op het terrein niet het gevolg kan zijn van het RUP gezien zelfs nu zonder vergunning geëxploiteerd wordt en de uitbating in de bewoordingen van de verzoekende partij zelf louter wordt “gedoogd”, dat een schorsing van de tenuitvoerlegging van het RUP zou betekenen dat de gewestplanvoorschriften terug herleven waardoor een deel van de uitbating terug in de bufferzone zal moeten plaatsvinden, en dat de eventuele ernst van de ingeroepen middelen geen invloed kan hebben op het al dan niet voorhanden zijn van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel. 4.2.
- De tweede verwerende partij voegt hieraan nog toe dat het RUP nergens voorziet in een rechtstreekse verplichting om de afgravingen onmiddellijk te doen, dat het nadeel eerder het gevolg is van “het opeenstapelen van wederrechtelijke handelingen” door de verzoekende partij, dat de mogelijke veroordeling tot het betalen van een aantal milieuheffingen geen uitstaans heeft met de tenuitvoerlegging van het RUP, dat dit RUP de verzoekende partij precies in de gelegenheid stelt een aantal inbreuken te regulariseren, en dat de houding van de verzoekende partij in het administratief kort geding als “tergend” en “roekeloos” te bestempelen is. 4.2.
- Onderzoek van het aangevoerde moeilijk te herstellen ernstig nadeel X-13.478-9/11 4.2.4.
- Met de verwerende partijen dient vastgesteld te worden dat het nadeel dat door de verzoekende partij wordt aangevoerd geen rechtstreeks verband houdt met de tenuitvoerlegging van het bestreden RUP, en dat de verzoekende partij anderzijds ook voor een groot deel zelf aan de oorzaak ligt van dit nadeel. 4.2.4.
- Op zicht van de voorliggende gegevens blijkt niet dat voor de ophogingen, waarvan de verzoekende partij stelt te vrezen dat zij deze ingevolge het RUP op korte termijn grotendeels zal dienen te verwijderen, toentertijd door haar en haar rechtsvoorganger de vereiste vergunningen werden verkregen, zodat het aangevoerde nadeel het gevolg lijkt te zijn van haar eigen onwettig handelen. Voorts dient te worden vastgesteld dat, ook zonder de voorschriften van het RUP, het gaat over handelingen en werken die niet zonder meer kunnen worden in stand gehouden. Het bestreden RUP biedt aan de verzoekende partij daarentegen de mogelijkheid om een deel van deze ophogingen te behouden en er een (regularisatie)vergunning voor aan te vragen. Er valt dan ook niet in te zien in welk opzicht het bestreden RUP aan de verzoekende partij in dit opzicht een moeilijk te herstellen ernstig nadeel zou kunnen berokkenen. 4.2.4.
- Ook voor een aantal andere activiteiten die de verzoekende partij ter plaatse hic et nunc zonder vergunning lijkt te ontplooien, opent het betrokken RUP de mogelijkheid tot regularisatie, teneinde de precaire situatie van “gedogen” die door de verzoekende partij zelf erkend wordt om te zetten in een vergunde uitbating. 4.2.4.
- Dat de verzoekende partij haar uitbating op de site zou moeten stopzetten ingevolge het aangevochten RUP, lijkt al evenzeer weinig waarschijnlijk. Ook nu reeds blijft zij immers de exploitatie al jaren ongestoord zonder vergunning verderzetten in afwachting van een eindarrest van de Raad van State in de procedure gekend onder G/A 155.319/VII-32.714, gericht tegen het ministerieel besluit waarbij de milieuvergunning voor het grootste deel van haar activiteiten werd geschorst. Het RUP wijzigt in dit opzicht weinig of niets voor de verzoekende partij, die integendeel zelfs de mogelijkheid krijgt om een aantal van deze onvergunde activiteiten en constructies in regel te brengen en te regulariseren. Gelet op hetgeen voorafgaat lijkt dan ook niet ernstig voorgehouden te kunnen worden dat het RUP de verzoekende partij er zou toe X-13.478-10/11 nopen om haar activiteiten ter plaatse te staken, en dat zij ten gevolge daarvan het verkregen COPRO-certificaat dreigt kwijt te spelen, haar schulden niet meer zal kunnen aflossen, en een faillissement zou dreigen. 4.2.4.
- Tenslotte is de wettelijke voorwaarde betreffende het moeilijk te herstellen ernstig nadeel een constitutieve en autonome schorsingsvoorwaarde. De aard evenals de graad van ernst van de ingeroepen middelen kunnen ter adstructie van het ernstig nadeel niet dienstig worden ingeroepen. 4.
- Uit hetgeen voorafgaat blijkt dat niet is voldaan aan de tweede door artikel 17, § 2 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarde om de schorsing van de tenuitvoerlegging te kunnen bevelen. Die vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op tien juli 2008, door : de H. J. BOVIN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. J. BOVIN. X-13.478-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.185.311 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.209.230 ECLI:BE:RVSCE:2011:ARR.213.381 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div