id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 10 juli 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.185.313 Rolnummer: A. 185545/X-13497 Zaak: Arrest 185313 - Plannen van aanleg - 10/07/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-07-14 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-06-29 08:23 Fiche Arrest nr 185.313 van 10 juli 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Plannen van aanleg Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 185.313 van 10 juli 2008 in de zaak A. 185.545/X-13.497. In zake : de gemeente WINGENE, die woonplaats kiest bij advocaat B. ROELANDTS, kantoor houdende te 9000 GENT, Kasteellaan 141 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat P. AERTS, kantoor houdende te 9000 GENT, Coupure 5. DE Wnd. VOORZITTER VAN DE Xe KAMER, Gezien het enig verzoekschrift dat de gemeente WINGENE op 18 oktober 2007 heeft ingediend, en waarin zij de schorsing van de tenuitvoer- legging vordert van het besluit van 27 juli 2007 van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening, waarbij de goedkeuring wordt onthouden aan het bijzonder plan van aanleg “Ambachtelijke zone Hille-West” van de gemeente Wingene; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur T. DE WAELE; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 17 januari 2008 waarbij de terecht- zitting bepaald wordt op 1 februari 2008; Gehoord het verslag van staatsraad J. BOVIN; X-13.497-1/13 Gehoord de opmerkingen van advocaat P.-J. DEFOORT, die loco advocaat B. ROELANDTS verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat K. DE MULDER, die loco advocaat P. AERTS verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur T. DE WAELE; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT : 1. Over de feitelijke gegevens van de zaak 1.1. De gemeente Wingene wenst op haar grondgebied bijkomende ruimte te voorzien voor lokale bedrijvigheid. Voor de deelgemeente Wingene zelf werd deze beleidsoptie vertaald in een bijzonder plan van aanleg “Ambachtelijke zone Verrekijker uitbreiding”, dat werd goedgekeurd bij ministerieel besluit van 23 november 2005 (B.S. 8 december 2005). 1.2. Ook voor de deelgemeente Zwevezele wenst de gemeente een nieuw lokaal bedrijventerrein te voorzien, en wordt een planprocedure opgestart voor de opmaak van een bijzonder plan van aanleg “Ambachtelijke zone Hille-West”, waarvan het plangebied zich over ongeveer 5 hectare uitstrekt langs de N 50 Brugge-Kortrijk, in de nabijheid van de reeds bestaande bedrijvenzones Den Akker, Hille-Noord en Hille-Zuid. De betreffende gronden zijn door het gewestplan Roeselare-Tielt voor het grootste deel gelegen in agrarisch gebied, en voor het overige in woongebied. 1.3. De gemeenteraad van Wingene gaat op 22 augustus 2005 over tot de definitieve aanvaarding van voornoemd BPA, doch onder meer mede ingevolge een ongunstig advies van de deputatie van de provincie West-Vlaanderen wordt door de bevoegde Vlaamse minister op 23 november 2005 besloten om het plan niet goed te keuren, in hoofdzaak omdat het planinitiatief strijdig zou zijn met de opties van het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen en van het provinciaal ruimtelijk X-13.497-2/13 structuurplan, en omdat de voorgestelde inplanting een noordelijke restruimte zou doen ontstaan waarvan het vermoedelijk de bedoeling zou zijn om deze op termijn ook aan te snijden, hetgeen “geen blijk geeft van zorgvuldig ruimtegebruik”. 1.4. De verzoekende partij vecht dit ministerieel besluit in rechte niet aan, doch beslist om de planprocedure te hernemen, zich daarbij steunend op een geactualiseerde behoeftenstudie en op een herwerkte en aangevulde memorie van toelichting. In vergadering van 30 oktober 2006 wordt het nieuwe ontwerp van bijzonder plan van aanleg voorlopig aangenomen. 1.5. Tijdens het openbaar onderzoek over het plan wordt één bezwaarschrift ingediend door een bewoner van de Brugsesteenweg. In vergadering van 12 februari 2007 adviseert de GECORO van Wingene dit bezwaar te verwerpen. 1.6. De gemeenteraad van Wingene gaat op 26 februari 2007 over tot de definitieve aanvaarding van het bijzonder plan van aanleg “Ambachtelijke zone Hille-West”. Het plandossier wordt ter goedkeuring aan de bevoegde Vlaamse minister overgemaakt. 1.7. In vergadering van 29 maart 2007 beslist de deputatie van West-Vlaanderen het plan ditmaal wel gunstig te adviseren. Met verwijzing naar de door de gemeente aangereikte aanvullende toelichting, motiveert de deputatie dat een afwijking van de opties van het provinciaal ruimtelijk structuurplan kan toegestaan worden, nu de gemeente aantoont dat een reële behoefte bestaat aan bijkomende bedrijfsterreinen. 1.8. Met een ministerieel besluit van 27 juli 2007 wordt aan het betreffende bijzonder plan van aanleg andermaal de goedkeuring onthouden. Dit besluit is gemotiveerd als volgt: “Overwegende dat volgens het gewestplan Roeselare - Tielt het plangebied gelegen is in agrarische gebied en woongebied; dat door het voorzien van een lokaal bedrijventerrein en multifunctionele zone het bestemmingsplan afwijkt van de bestemming van het gewestplan; dat deze afwijking niet wordt gemotiveerd; Overwegende dat Wingene in het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen geselecteerd is als specifiek economisch knooppunt; dat de provincie tot taak X-13.497-3/13 heeft om voor het economisch knooppunt Wingene een ruimtelijk-economische visie op te maken; dat de mogelijkheid om in Wingene een bijkomend lokaal bedrijventerrein te ontwikkelen moet getoetst worden aan de ruimtelijk economische visie van de provincie; dat deze ruimtelijk-economische visie en de toetsing essentieel zijn voor de beoordeling van het dossier; dat uit het feit dat in de ruimtelijk-economische visie geen uitspraak is gedaan over lokale bedrijventerreinen, niet zonder meer geconcludeerd kan worden dat de locatie Hille-West in aanmerking komt voor bijkomende lokale bedrijvigheid; Overwegende dat het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan van de gemeente Wingene zich in voorontwerpfase bevindt; dat de inplanting van een lokaal bedrijventerrein een bepalend element is in de gewenste ruimtelijke ontwikkeling van de gemeente en de betrokken kern Zwevezele; dat over het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan nog geen besluitvorming heeft plaatsgehad; dat voorliggend plan derhalve vooruitloopt op de visie op de gewenste ontwikkeling van Zwevezele; dat een verdere onderbouwing en motivering in het kader van het gemeentelijk ruimtelijk structuurplanningsproces noodzakelijk is; Overwegende dat voorliggende dossier wordt gemotiveerd als een afwijking van het provinciaal ruimtelijk structuurplan; dat deze motivatie door de Bestendige Deputatie werd aanvaard; dat hierbij wel werd gesteld dat, gezien Wingene reeds in geruime mate heeft kunnen putten uit het provinciaal reservepakket aan bedrijven, dit vanaf heden dient beperkt te worden tot er een nieuwe taakstelling is toegewezen; dat echter de afwijking van het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen onvoldoende werd gemotiveerd; Overwegende dat op basis van bovenstaande redenering het plan van goedkeuring wordt onthouden; Overwegende dat het gebied niet gelegen is in overstromingsgebied; dat de stedenbouwkundige verordening inzake he me l wa terputten, infiltratievoorzieningen, buffervoorzieningen en gescheiden lozing van afvalwater en hemelwater bij de vergunningverlening toepasbaar is en een antwoord biedt op de vraag vanuit het waterbeleid; dat bijgevolg in alle redelijkheid kan worden geoordeeld dat eventuele schadelijke effecten beperkt zullen blijven”. 1.9. Op 31 juli 2007 zendt de administratie van de minister aan de gemeente een voor eensluidend verklaard afschrift van het ministerieel besluit. Van het ministerieel besluit wordt melding gemaakt in het Belgisch Staatsblad van 21 augustus 2007. 3. Over de grondvoorwaarden tot schorsing 3.1. Krachtens artikel 17, § 2 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. X-13.497-4/13 Luidens artikel 17, § 3 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State dient de vordering tot schorsing een uiteenzetting van de middelen en de feiten te bevatten die volgens de indiener ervan het bevelen van de schorsing rechtvaardigen. Artikel 8, eerste lid, 3/ van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State, bepaalt dat de vordering tot schorsing dient te bevatten “een uiteenzetting van de feiten die van aard zijn aan te tonen dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte de verzoekende partij een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen, waarbij alle stukken worden gevoegd die het risico op dergelijk nadeel aantonen”. Uit deze bepaling volgt dat de verzoekende partij in haar verzoekschrift duidelijk en concreet dient aan te geven waarin precies het moeilijk te herstellen ernstig nadeel is gelegen dat zij ingevolge de onmiddellijke tenuitvoerlegging van het bestreden besluit ondergaat of dreigt te ondergaan, en dat met nadien bijgebrachte feiten en verklaringen en niet bij het verzoekschrift gevoegde stukken geen rekening kan worden gehouden. De verzoekende partij mag zich in haar uiteenzetting niet beperken tot vaagheden en algemeenheden, maar dient integendeel zeer concrete en precieze gegevens aan te brengen waaruit blijkt dat zij persoonlijk een moeilijk te herstellen ernstig nadeel ondergaat of dreigt te ondergaan. 3.2. Over het aangevoerde moeilijk te herstellen ernstig nadeel 3.2.1. In het verzoekschrift zet de verzoekende partij het moeilijk te herstellen ernstig nadeel uiteen als volgt: “Het MTHEN van verzoekende partij is dubbel. 1) De normale uitoefening van de door het DRO en het RSV aan de verzoekende partij toegekende bevoegdheden inzake ruimtelijk-economisch beleid wordt gedurende een lange periode onmogelijk gemaakt. 2) Het geplande ruimtelijke beleid van verzoekende partij inzake het voeren van een lokaal aanbodbeleid, herlokalisatie en ruimtelijke bundeling van (zonevreemde) bedrijven wordt door de onwettige weigeringbeslissing verhinderd, met alle negatieve ruimtelijke gevolgen vandien. 1) Verzoekende partij kan zijn wettelijke bevoegdheden inzake ruimtelijke economie gedurende een periode van zeven à tien jaar niet uitoefenen. Uw Raad erkent dat een publiekrechtelijke rechtspersoon waarvan het bestaan en de bevoegdheden door en krachtens de Grondwet zijn vastgelegd (in de aangehaalde arresten gaat het om de Vlaamse en de Franse gemeenschap), een specifiek karakter vertoont. Een normale ongehinderde uitoefening van de door of krachtens de Grondwet toegekende bevoegdheden door de organen van een dergelijke publiekrechtelijke rechtspersoon, belangt de openbare orde aan. De omstandigheid dat die bevoegdheden gedurende een periode langer dan in geval de schorsing niet wordt uitgesproken gehinderd worden of onmogelijk X-13.497-5/13 worden gemaakt, moet worden geacht een MTHEN nadeel uit te maken voor de publiekrechtelijke rechtspersoon. Er zijn geen redenen om aan te nemen dat deze rechtspraak niet mutatis mutandis van toepassing zou zijn voor de gemeenten, die immers eveneens publiekrechtelijke rechtspersonen zijn, waarvan de bevoegdheden door en krachtens de Grondwet zijn vastgelegd: S Hoofdstuk VIII van de Grondwet draagt als titel: ‘De provinciale en gemeentelijke instellingen’; S Artikel 162, 2/ van de Grondwet bepaalt de gemeentelijke bevoegdheden. In casu wijst het RVS duidelijke bevoegdheden inzake het ruimtelijke beleid voor bedrijvigheid in de specifieke economische knooppunten toe aan de gemeenten. Zie RSV, gecoördineerde versie april 2004, p. 435-436: ‘Er worden economische knooppunten geselecteerd die voor Vlaanderen structuurbepalend zijn. In deze voor Vlaanderen strategische locaties worden de economische ontwikkelingen gestimuleerd en geconcentreerd. Daardoor worden de economische potenties geoptimaliseerd binnen de bestaande economische structuur. Het creëren van een ruimtelijk aanbod aan bedrijventerreinen in de economische knooppunten maakt het mogelijk dat economische en ruimtelijke strategieën elkaar ondersteunen. Gezien hun belang voor Vlaanderen gebeurt de selectie door het Vlaams Gewest. Op basis van hun belang voor de economische structuur moeten als economische knooppunten beschouwd worden: - de stedelijke gebieden; - de gemeenten gelegen in het economisch netwerk van het Albertkanaal, - de specifieke economische knooppunten. Voor de economische activiteiten van lokaal belang en historisch gegroeide bedrijven bepalen de gemeenten rekening houdend met het ruimtelijk kader op Vlaams en provinciaal niveau, zelf de krachtlijnen van het ruimtelijk beleid’ Dit is een ‘krachtens de Grondwet’ aan de gemeente toegekende bevoegd- heid. Het RSV is immers te beschouwen als wetgeving, aangezien het werd vastgesteld door een besluit van de Vlaamse regering, in uitvoering van artikel 20, § 9 DRO. Het decreet heeft aldus de opmaak van het RSV toegewe- zen aan de uitvoerende macht, conform artikel 78 van de Bijzondere Wet tot Hervorming van de Instellingen. De bevoegdheden die door het RSV worden toegekend aan de gemeenten zijn aldus te beschouwen als ‘krachtens’ de Grondwet toegekende bevoegdheden. Hierbij wordt nogmaals onderstreept dat de bevoegdheidsregels van openbare orde zijn. Uit de hierboven aangehaalde arresten blijkt dat Uw Raad aanneemt dat het feit dat een geschil betrekking heeft op een materie van openbare orde invloed heeft op het ernstige karakter van het nadeel. Door de onwettige beslissing tot onthouding van goedkeuring van het BPA Hille-West kan de verzoekende partij op geen enkele manier nog een ruimtelijk-economisch beleid voeren, een beleid dat er uit bestaat om, overeenkomstig de principes van het RSV, in een aanbodbeleid te voorzien voor ruimte voor lokale bedrijven. Het voeren van een aanbodbeleid in de specifieke economische knooppunten is precies één van de essentiële principes van het RSV inzake specifiek economische knooppunten (RSV, gecoördineerde versie april 2004, p. 447): ‘Dit ‘aanbodbeleid’ in de economische knooppunten is essentieel om verdere uitzwerming, lintbebouwing en wildgroei van allerhande activiteiten daarbuiten te vermijden’; Dat het voeren van een aanbodbeleid ook inderdaad zeer actief nagestreefd werd en wordt door de verzoekende partij blijkt uit de volgehouden X-13.497-6/13 inspanningen van de gemeente om bedrijven aan te trekken, zoals o.a. kan worden aangetoond met de volgende elementen: S Reeds in 2004 werd een eerste poging gedaan om het BPA ‘Hille-West’ op te maken (definitieve aanvaarding gemeenteraad 22 augustus 2005), samen met het BPA ‘Verrekijker’. Deze eerste poging werd echter onthouden van goedkeuring (...). S Uit het voorontwerp van het GRS blijkt heel duidelijk de doelstelling om een ruimtelijk aanbodbeleid te voeren voor bedrijven (...): ‘De ligging halfweg de as Kortijk-Brugge (N50) en de bestaande economische verscheidenheid dwingen Wingene ertoe zich op een breed economisch vlak te profileren. Wingene moet mogelijkheden en kansen bieden aan zowel regionaal gerichte als lokaal gerichte bedrijven, aan traditionele productiebedrijven, maar ook aan allerlei nieuwe lokale bedrijven in de sfeer van software-ontwikkeling, sociaal-medische sector, kleine multimediakantoren, distributiesector, enz. Op het vlak van bedrijventerreinen is het belangrijk kwaliteitsvolle locaties met veel mogelijkheden aan te bieden, zodanig dat een breed gamma aan type bedrijven aangetrokken kan worden. Zij het wel dat ieder (deel van een ) terrein een zeker ambitieniveau moet nastreven’. En verder: ‘d. Voorbereiden aanbod vanaf 2007 De grote vraag gedurende de voorbije jaren, het nog beperkte aanbod en de lange ontwikkelingsduur (3-5 jaar) van nieuwe bedrijventerreinen noodzaken het nu reeds de nodige initiatieven voor nieuwe of reserve-zones te ontwikkelen. De intenties van de gemeente worden beschreven in ‘5.2.4 Specifiek afwegingskader voor beleidsopties qua bedrijven buiten de bestaande economische structuur’. En nog (...): ‘5.2.4.2. ZOEKZONE VOOR LOKALE BEDRIJVENTERREINEN: GEMEENTELIJKE BEVOEGDHEID Daar zowel Wingene als Zwevezele weerhouden zijn als structuurondersteunend hoofddorp en de ijzeren voorraad in beide locaties slechts strekt tot eind 2005 dient in beide deelgemeenten een nieuw lokaal bedrijventerrein ontwikkeld. Deze behoefte ontstaat enerzijds doordat er ruimte nodig is om de potentieel hinderlijke bedrijven eventueel op middellange termijn te kunnen herlocaliseren. Anderzijds om aan nieuwe lokale bedrijven de mogelijkheid te bieden zich op een geordende manier te kunnen vestigen en de expansie van reeds gevestigde bedrijvigheid op te vangen ( .. )’', In het bindende gedeelte van het voorontwerp van het GRS staat uitdrukkelijk een actie ingeschreven voor de ‘opmaak van een BPA voor de realisatie van het nieuw lokaal bedrijventerrein Hille-West (ca 5ha)’ (...). - Ook in de beleidsnota ‘Beleidsopties bij de begroting 2005’ d.d. 14 december 2004 staat het volgende te lezen (...): ‘2. Lokale economie en werkgelegenheid Onze gemeente is erkend als economisch knooppunt en ligt met Hille op de oude as Brugge-Kortrijk langs de N50. We willen deze mogelijkheid verder benutten. Sedert 2000 werden er in onze gemeente 52 bouwrijpe percelen bedrijventerreinen verkocht via de WVI op Verrekijker en Hille. (...) Bedrijventerreinen - Uitbreiding Hille-West X-13.497-7/13 Hille Zuid LO is nagenoeg uitverkocht. Er dient bijgevolg een nieuw terrein ontwikkeld voor kleinschalige bedrijven niet een ruimtebehoefte van minder d 5000 m². Als structuurondersteunend hoofddorp kan Zwevezele een uitbreiding met 5ha verantwoorden. Op Hille zijn er enkel nog zuidelijke en oostelijke uitbreidingsmogelijkheden. Deze worden voorbehouden voor grootschalige bedrijven met een ruimtebehoefte van meer dan 5000 m². De locatie tussen de Kortrijksesteenweg, Pastorijstraat en Zonnebekestraat sluit zowel aan bij het centrum van Zwevezele als Hille: ze is gelegen langs de Gewestweg N50 en heeft een bruto oppervlakte van 7 ha’. Gelijkaardige passages zijn terug te vinden in de beleidsnota d.d. 15 december 2005 bij de begroting van 2006 (...) en in de beleidsnota d.d. 8 december 2007 bij de begroting van 2007 (...) (...). Uit de cijfers blijkt heel duidelijk dat de verzoekende partij als economisch knooppunt steeds een zeer actief ruimtelijk-economisch aanbodbeleid heeft gevoerd, maar dat de beschikbare voorraad uitgeput is (...): S in de laatste vijf jaar (2002-2006) werd 15,80 ha regionaal en lokaal bedrijventerrein verkocht, S de beschikbare voorraad is echter geslonken van 16,6 ha in 2002 tot 2,2 ha in 2006, waarvan slechts 0,4 ha voor lokale bedrijventerreinen S door het gebrek aan voorraad zijn de verkoopcijfers dramatisch gezakt tussen 2003 (7,66
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.