id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 10 juli 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.185.315 Rolnummer: A. 186587/V-1745 Zaak: Arrêt / Arrest 185315 - Règlements (justice) / Reglementen (justitie) - 10/07/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-07-14 Raadplegingen: 76 - laatst gezien 2026-06-29 08:23 Versie(s): Versie FR Fiche Arrest nr 185.315 van 10 juli 2008 Justitie - Reglementen (justitie) Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 185.315 van 10 juli 2008 in de zaak A. 186.587/V-1745. In zake : 1. het Algemeen Christelijk Vakverbond (ACV), 2. het Algemeen Belgisch Vakverbond (ABVV), 3. Doris VAN BECELAERE, 4. Michèle BAIWIR, 5. Johan VAN SNICK, 6. Karel HENDRICKX, 7. Harry BROXSON, 8. Katrien ADRIAENSSENS, die woonplaats kiezen bij advocaat S. GIBENS, kantoor houdende te ANTWERPEN, Nachtegaalstraat 47 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Justitie, die woonplaats kiest bij advocaat P. PEETERS, kantoor houdende te BRUSSEL, Terhulpsesteenweg 177/6. tussenkomende partijen : 1. l’Ordre des Barreaux Francophones et Germanophone (OBFG), die woonplaats kiest bij advocaat X. LEURQUIN, kantoor houdende te BRUSSEL, Tedescolaan 7 2. de Orde van Vlaamse Balies (OVB), die woonplaats kiest bij advocaat V. TOLLENAERE, kantoor houdende te GENT, Koning Albertlaan 128. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, Ve K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat het Algemeen Christelijk Vakverbond (ACV), het Algemeen Belgisch Vakverbond (ABVV), Doris VAN BECELAERE, Michèle BAIWIR, Johan VAN SNICK, Karel HENDRICKX, Harry BROXSON en Katrien ADRIAENSSENS, op 7 januari 2008 hebben ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van het koninklijk besluit van 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld V-1745-1/16 in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de artikelen 1 tot 13 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van de advocaat (B.S., 9 november 2007); Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door adjunct-auditeur I. VOS; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 22 februari 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 17 maart 2008, datum waarop de zaak voor onbepaalde tijd wordt uitgesteld; Gelet op de beschikking van 20 maart 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 22 april 2008; Gehoord het verslag van kamervoorzitter P. LEMMENS; Gehoord de opmerkingen van advocaat S. GIBENS, die verschijnt voor de verzoekende partijen, van advocaat J. MOSSELMANS die, loco advocaat P. PEETERS verschijnt voor de verwerende partij, van advocaat X. LEURQUIN, die verschijnt voor de eerste tussenkomende partij en van advocaten V. TOLLENAERE en E. JANSSENS, die verschijnen voor de tweede tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur W. WEYMEERSCH; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : Wettelijk en reglementair kader 1. Naar aanleiding van ontwikkelingen in de rechtspraak van het Hof van Cassatie en het Grondwettelijk Hof in verband met de mogelijkheid voor de V-1745-2/16 winnende partij in een proces om het ereloon van haar advocaat te verhalen op de verliezende partij, heeft de wetgever de wet van 21 april 2007 aangenomen, betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat. Artikel 7 van die wet, dat daarvan de essentiële bepaling is, voorziet in de vervanging van artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek. Het nieuwe artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek luidt als volgt: “Art. 1022. De rechtsplegingsvergoeding is een forfaitaire tegemoetkoming in de kosten en erelonen van de advocaat van de in het gelijk gestelde partij. Na het advies te hebben ingewonnen van de Orde van Vlaamse Balies en van de Ordre des barreaux francophones et germanophone, stelt de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad de basis-, minimum- en maximumbedragen vast van de rechtsplegingsvergoeding, onder meer in functie van de aard van de zaak en van de belangrijkheid van het geschil. Op verzoek van een van de partijen en op een met bijzondere redenen omklede beslissing, kan de rechter ofwel de vergoeding verminderen, ofwel die verhogen, zonder de door de Koning bepaalde maximum- en minimumbedragen te overschrijden. Bij zijn beoordeling houdt de rechter rekening met: - de financiële draagkracht van de verliezende partij, om het bedrag van de vergoeding te verminderen; - de complexiteit van de zaak; - de contractueel bepaalde vergoedingen voor de in het gelijk gestelde partij; - het kennelijk onredelijk karakter van de situatie. Indien de in het ongelijk gestelde partij van de tweedelijns juridische bijstand geniet, wordt de rechtsplegingsvergoeding vastgelegd op het door de Koning vastgestelde minimum, tenzij in geval van een kennelijk onredelijke situatie. De rechter motiveert in het bijzonder zijn beslissing op dat punt. Wanneer meerdere partijen de rechtsplegingsvergoeding ten laste van dezelfde in het ongelijk gestelde partij genieten, bedraagt het bedrag ervan maximum het dubbel van de maximale rechtsplegingsvergoeding waarop de begunstigde die gerechtigd is om de hoogste vergoeding te eisen aanspraak kan maken. Ze wordt door de rechter tussen de partijen verdeeld. Geen partij kan boven het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding worden aangesproken tot betaling van een vergoeding voor de tussenkomst van de advocaat van een andere partij.” In het kader van het voorliggende geschil is het van belang erop te wijzen dat ingevolge artikel 1022, eerste lid, enkel de partij die in het gelijk gesteld is en die door een advocaat vertegenwoordigd is, aanspraak kan maken op de rechtsplegingsvergoeding. Een partij die in persoon optreedt, of die vertegenwoordigd is door een andere procesvertegenwoordiger dan een advocaat, kan daarentegen geen aanspraak maken op de rechtsplegingsvergoeding. De wet van 21 april 2007 is bij artikel 10 van het bestreden koninklijk besluit van 26 oktober 2007 in werking gesteld op 1 januari 2008. V-1745-3/16 Tegen de genoemde wet zijn een aantal beroepen tot nietigverklaring ingesteld bij het Grondwettelijk Hof. Op het ogenblik dat de debatten in de voorliggende zaak zijn gesloten, was er daarover nog geen uitspraak. 2. Het bestreden koninklijk besluit van 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de artikelen 1 tot 13 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van de advocaat, is genomen ter uitvoering van artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek. De bepalingen van dat koninklijk besluit luiden als volgt: “Artikel 1. De basis-, minimum- en maximumbedragen van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek worden vastgesteld in dit besluit. De bedragen worden vastgesteld per aanleg. Geen vergoeding is verschuldigd wegens handelingen verricht voor een gerecht waaraan de zaak bij beslissing van de arrondissementsrechtbank is onttrokken. Zo ook is geen vergoeding verschuldigd indien de verweerder of de gedaagde in hoger beroep vóór de inschrijving van de zaak op de rol, de eis inwilligt en zijn verbintenissen kwijt in hoofdsom, interesten en kosten. Ingeval de verweerder, of de gedaagde in hoger beroep, na de inschrijving op de rol, de eis inwilligt en zijn verbintenissen kwijt in hoofdsom, interesten en kosten, is het bedrag van de vergoeding gelijk aan één kwart van de basisvergoeding, zonder hoger te kunnen zijn dan 1.000 euro. Art. 2. Met uitzondering van de aangelegenheden bedoeld in artikel 4 van dit besluit wordt de rechtsplegingsvergoeding voor geschillen die betrekking hebben op in geld waardeerbare vorderingen, vastgesteld als volgt: Basisbedrag Minimum-bedrag Maximum-bedrag Tot 250,00 i 150,00 i 75,00 i 300,00 i Van 250,01 i 200,00 i 125,00 i 500,00 i tot 750,00 i Van 750,01 i 400,00 i 200,00 i 1.000,00 i tot 2.500,00 i Van 2.500,01 i 650,00 i 375,00 i 1.500,00 i tot 5.000,00 i Van 5.000,01 i 900,00 i 500,00 i 2.000,00 i tot 10.000,00 i Van 10.000,01 i 1.100,00 i 625,00 i 2.500,00 i tot 20.000,00 i V-1745-4/16 Van 20.000,01 i 2.000,00 i 1.000,00 i 4.000,00 i tot 40.000,00 i Van 40.000,01 i 2.500,00 i 1.000,00 i 5.000,00 i tot 60.000,00 i Van 60.000,01 i 3.000,00 i 1.000,00 i 6.000,00 i tot 100.000,00 i Van 100.000,01 i 5.000,00 i 1.000,00 i 10.000,00 i tot 250.000,00 i Van 250.000,01 i 7.000,00 i 1.000,00 i 14.000,00 i tot 500.000,00 i Van 500.000,01 i 10.000,00 i 1.000,00 i 20.000,00 i tot 1.000.000,00 i Boven 15.000,00 i 1.000,00 i 30.000,00 i 1.000.000,01 i Voor de toepassing van dit artikel wordt het bedrag van de vordering vastgesteld overeenkomstig de artikelen 557 tot 562 en 618 van het Gerechtelijk Wetboek in verband met de bepaling van de bevoegdheid en de aanleg. Wanneer het geschil betrekking heeft op de titel van een uitkering tot onderhoud, wordt in afwijking van artikel 561 van hetzelfde Wetboek het bedrag van de vordering berekend, ter bepaling van de rechtsplegingsvergoeding, op basis van het bedrag van de annuïteit of van twaalf maandelijkse termijnen. Art. 3. Voor de geschillen die betrekking hebben op niet in geld waardeerbare vorderingen bedraagt het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding 1.200 euro, het minimum bedrag 75 euro en het maximum bedrag 10.000 euro. Art. 4. In afwijking van de artikelen 2 en 3 worden de basis-, minimum- en maximumbedragen van de rechtsplegingsvergoeding voor rechtspleging bedoeld in artikelen 579 en 1017, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek vastgesteld als volgt: Basisbedrag Minimum-bedrag Maximum-bedrag Voorzitter van de arbeidsrechtbank Tot 249,99 i 36,46 i 26,46 i 46,46 i Van 250 tot 619,99 i 36,46 i 26,46 i 46,46 i Van 620 tot 2.500 i 36,46 i 26,46 i 46,46 i en voor de vorderingen die betrekking hebben op niet in geld waardeerbare eisen Boven 2.500 i 72,86 i 57,86 i 87,86 i V-1745-5/16 Arbeidsrechtbank Tot 249,99 i 36,46 i 26,46 i 46,46 i Van 250 tot 619,99 i 72,86 i 57,86 i 87,86 i Van 620 tot 2.500 i 109,32 i 89,32 i 129,32 i en voor de vorderingen die betrekking hebben op niet in geld waardeerbare eisen Boven 2.500 i 218,64 i 188,64 i 248,64 i Arbeidshof Tot 249,99 i 48,61 i 38,61 i 58,61 i Van 250 tot 619,99 i 97,17 i 82,17 i 112,17 i Van 620 tot 2.500 i 145,78 i 120,78 i 160,78 i en voor de vorderingen die betrekking hebben op niet in geld waardeerbare eisen Boven 2.500 i 291,50 i 251,50 i 331,50 i Art. 5. Voor de overeenkomstig artikel 1340 van het Gerechtelijk Wetboek ingediende vorderingen zijn de in artikel 2 bedoelde minimumvergoedingen van toepassing voor de fase van de procedure omschreven in de artikelen 1340 tot 1343, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek. Art. 6. Wanneer de zaak wordt afgesloten met een beslissing gewezen bij verstek, en geen enkele in het ongelijk gestelde partij ooit is verschenen, is het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding dat van de minimumvergoeding. Art. 7. Geen rechtsplegingsvergoeding wordt toegekend voor rechtsplegingen die rechtsbijstand beogen. Voor het overige doet het gegeven dat rechtsbijstand wordt verleend geenszins afbreuk aan de toekenning van de in de vorige artikelen bedoelde vergoedingen. Art. 8. De basis-, minimum- en maximum bedragen zijn gekoppeld aan het indexcijfer van de consumptieprijzen dat overeenstemt met 105,78 punten (basis 2004); telkens als het indexcijfer met 10 punten stijgt of daalt, worden de sommen bedoeld in de artikelen 2 tot en met 4 van dit besluit met 10 procent vermeerderd of verminderd. Art. 9. Het koninklijk besluit van 30 november 1970 tot vaststelling van het tarief van de invorderbare kosten bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek wordt opgeheven. Art. 10. Treden in werking op 1 januari 2008: V-1745-6/16 - De artikelen 1 tot en met 13 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat - Dit besluit. Art. 11. Onze minister van Justitie is belast met de uitvoering van dit besluit.” In het kader van het voorliggende geschil is het van belang erop te wijzen dat de rechtsplegingsvergoeding ook verschuldigd is in geschillen die aanhangig zijn gemaakt voor de arbeidsgerechten. Voor geschillen over onder meer arbeidsovereenkomsten is de gewone regeling van toepassing (artikelen 2 en 3); voor geschillen over arbeidsongevallen (artikel 579 van het Gerechtelijk Wetboek) en sociale zekerheidsbijdragen en -uitkeringen (artikel 1017, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek) wordt de rechtsplegingsvergoeding op een lager bedrag vastgesteld (artikel 4). De verzoekers wijzen erop dat de vroegere regeling, vervat in het koninklijk besluit van 30 november 1970 tot vaststelling van het tarief van de invorderbare kosten bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek, voorzag in een lager bedrag van de rechtsplegingsvergoeding voor alle geschillen die aanhangig waren gemaakt bij de arbeidsgerechten, ongeacht het voorwerp van het geschil. 3. De voorliggende vordering is ingesteld door acht verzoekers: - de eerste twee verzoekende partijen zijn vakorganisaties; - de derde tot de zevende verzoeker zijn personeelsleden van de vakorganisaties die leden in rechte vertegenwoordigen. Zij verklaren op te treden in de hoedanigheid zowel van gevolmachtigde als van rechtzoekende; - de achtste verzoekster is een rechtzoekende die een procedure heeft lopen voor een arbeidshof. Over de verzoeken tot tussenkomst 4. Met een op 26 februari 2008 ter post aangetekend verzoekschrift vraagt de “Ordre des Barreaux Francophones et Germanophone” om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen. Met een op 27 februari 2008 ter post aangetekend verzoekschrift vraagt de Orde van Vlaamse Balies eveneens om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen. Er is grond om die verzoeken in te willigen. V-1745-7/16 Ontvankelijkheid van de vordering 5.1. De verwerende partij en de tussenkomende partijen werpen een aantal excepties van onontvankelijkheid van de vordering op. In zoverre de vordering wordt ingesteld door de eerste twee verzoekende partijen, wordt opgeworpen dat niet blijkt dat de organen die volgens de statuten van deze feitelijke verenigingen bevoegd zijn om te beslissen tot het instellen van een beroep tot nietigverklaring en een vordering tot schorsing, ook effectief een dergelijke beslissing hebben genomen. Voor het overige wordt in verband met alle verzoekende partijen, zij het op grond van uiteenlopende redenen, betwist dat zij een eigen belang zouden hebben bij het instellen van een beroep tot nietigverklaring en een vordering tot schorsing. 5.2. Uit hetgeen hierna volgt zal blijken dat in elk geval niet voldaan is aan de grondvoorwaarden voor het inwilligen van de vordering tot schorsing. In die omstandigheden is het niet nodig om de opgeworpen excepties te onderzoeken. Onderzoek van de vordering 6. Overeenkomstig artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. 7.1. In verband met het moeilijk te herstellen ernstig nadeel voeren de verzoekende partijen het volgende aan: “De onmiddellijke tenuitvoerlegging van het koninklijk besluit van 26 oktober 2007 leidt ertoe dat verzoekers niet alleen een moreel nadeel lijden, maar tevens een materieel en financieel (nadeel). Zij worden onmiddellijk geraakt door het koninklijk besluit. De vertegenwoordigingsbevoegdheid in artikel 728, § 3, van het Gerechtelijk Wetboek wordt door de nieuwe wet van 21 april 2007 op de verhaalbaarheid en de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand alsook door het koninklijk besluit van 26 oktober 2007 tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de artikelen 1 tot 13 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de V-1745-8/16 bijstand van de advocaat, aangetast waarbij eerste en tweede verzoekers niet meer de dienstverlening kunnen garanderen zoals voorheen, en dit tevens een schending uitmaakt van het recht op vereniging. Voor de gevolmachtigden van de vakorganisaties betekent dit dat zij in hun bestaan worden bedreigd -wat repercussies heeft op de tewerkstelling- en zij bovendien in een onevenwichtige procesverhouding komen te staan met de advocaat, die in geval van het verlies van de zaak door de tegenpartij vergoed zal worden voor zijn tussenkomst via de rechtsplegingsvergoeding, wat een moreel nadeel is. De rechtzoekende wordt in zijn keuzerecht tot juridische bijstand beperkt. Als hij zich laat vertegenwoordigen door een gevolmachtigde van de vakorganisaties, dan loopt hij een ernstig financieel risico. Als hij de zaak verliest, dan zal hij gehouden zijn tot het vergoeden van de rechtsplegingsvergoeding van de advocaat, wat gelet op de aard van de bedragen in het sociaal contentieux om aanzienlijke bedragen gaat, terwijl als hij de zaak wint, (hij) geen recht heeft op deze vergoeding, wat tevens een financieel nadeel meebrengt. Daarenboven zijn de rechtsplegingsvergoedingen voorzien in het koninklijk besluit van 26 oktober 2007 niet geproportioneerd, belemmeren zij de toegang tot de rechter, zeker inzake sociaalrechtelijke geschillen waar voorheen, een aparte rechtsplegingsvergoeding werd voorzien. Bijgevolg brengen zij de rechtszekerheid in het gedrang. De nadelen zijn niet hypothetisch. Zij betreffen een reëel nadeel, aangezien de wet op de verhaalbaarheid onmiddellijk uitwerking heeft van 1 januari 2008 op alle lopende en hangende zaken voor de arbeidsrechtbanken en arbeidshoven. Enkel de schorsing van het bestreden besluit kan het nadeel derhalve doen ophouden. De ingeroepen middelen zijn ernstig en uw zetel heeft al geoordeeld dat ‘eensdeels hoe ernstiger de door de verzoekende partij aangevoerde middelen, hoe groter de kans op een uiteindelijke vernietiging van de bestreden beslissing, en hoe moeilijker te verantwoorden de verzoekende partij het door haar beschreven nadeel -mits het minimaal aan de vereisten van ernst en moeilijke herstelbaarheid voldoet - te laten ondergaan in afwachting van de uitspraak over de grond van de zaak; dat anderdeels hoe zwaarwichtiger de onrechtmatigheid die in het ernstig bevonden middel wordt aangeklaagd, hoe harder die geacht kan worden aan te komen voor de verzoekende partij’ (R.v.St., De Schrijver, nr. 85.427, 21 februari 2000). Overigens werd reeds door uw zetel geoordeeld dat grove onwettigheden het nadeel zo zeer kunnen verergeren dat het, naar redelijkheid, niet gepast is om een verzoeker langer dan strikt nodig te belasten met de nadelige gevolgen van het bestreden besluit (R.v.St., Voortmans, nr. 103.134, 4 februari 2002; R.v.St., Verstraete, nr. 86.862, 25 april 2000).” 7.2. Het door de verzoekers aangevoerde nadeel heeft, voor alle partijen, te maken met de effecten die zij verwachten op de mogelijkheid voor de afgevaardigden van een representatieve organisatie van arbeiders of bedienden om, op grond van artikel 728, § 3, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, “voor de arbeidsgerechten ... de arbeider of bediende, partij in het geding, (
Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.