← België

Arrêt / Arrest 185315 - Règlements (justice) / Reglementen (justitie) - 10/07/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 10 juli 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.185.315 Rolnummer: A. 186587/V-1745 Zaak: Arrêt / Arrest 185315 - Règlements (justice) / Reglementen (justitie) - 10/07/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-07-14 Raadplegingen: 76 - laatst gezien 2026-06-29 08:23 Versie(s): Versie FR Fiche Arrest nr 185.315 van 10 juli 2008 Justitie - Reglementen (justitie) Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 185.315 van 10 juli 2008 in de zaak A. 186.587/V-1745. In zake : 1. het Algemeen Christelijk Vakverbond (ACV), 2. het Algemeen Belgisch Vakverbond (ABVV), 3. Doris VAN BECELAERE, 4. Michèle BAIWIR, 5. Johan VAN SNICK, 6. Karel HENDRICKX, 7. Harry BROXSON, 8. Katrien ADRIAENSSENS, die woonplaats kiezen bij advocaat S. GIBENS, kantoor houdende te ANTWERPEN, Nachtegaalstraat 47 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Justitie, die woonplaats kiest bij advocaat P. PEETERS, kantoor houdende te BRUSSEL, Terhulpsesteenweg 177/6. tussenkomende partijen : 1. l’Ordre des Barreaux Francophones et Germanophone (OBFG), die woonplaats kiest bij advocaat X. LEURQUIN, kantoor houdende te BRUSSEL, Tedescolaan 7 2. de Orde van Vlaamse Balies (OVB), die woonplaats kiest bij advocaat V. TOLLENAERE, kantoor houdende te GENT, Koning Albertlaan 128. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, Ve K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat het Algemeen Christelijk Vakverbond (ACV), het Algemeen Belgisch Vakverbond (ABVV), Doris VAN BECELAERE, Michèle BAIWIR, Johan VAN SNICK, Karel HENDRICKX, Harry BROXSON en Katrien ADRIAENSSENS, op 7 januari 2008 hebben ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van het koninklijk besluit van 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld V-1745-1/16 in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de artikelen 1 tot 13 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van de advocaat (B.S., 9 november 2007); Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door adjunct-auditeur I. VOS; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 22 februari 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 17 maart 2008, datum waarop de zaak voor onbepaalde tijd wordt uitgesteld; Gelet op de beschikking van 20 maart 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 22 april 2008; Gehoord het verslag van kamervoorzitter P. LEMMENS; Gehoord de opmerkingen van advocaat S. GIBENS, die verschijnt voor de verzoekende partijen, van advocaat J. MOSSELMANS die, loco advocaat P. PEETERS verschijnt voor de verwerende partij, van advocaat X. LEURQUIN, die verschijnt voor de eerste tussenkomende partij en van advocaten V. TOLLENAERE en E. JANSSENS, die verschijnen voor de tweede tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur W. WEYMEERSCH; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : Wettelijk en reglementair kader 1. Naar aanleiding van ontwikkelingen in de rechtspraak van het Hof van Cassatie en het Grondwettelijk Hof in verband met de mogelijkheid voor de V-1745-2/16 winnende partij in een proces om het ereloon van haar advocaat te verhalen op de verliezende partij, heeft de wetgever de wet van 21 april 2007 aangenomen, betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat. Artikel 7 van die wet, dat daarvan de essentiële bepaling is, voorziet in de vervanging van artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek. Het nieuwe artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek luidt als volgt: “Art. 1022. De rechtsplegingsvergoeding is een forfaitaire tegemoetkoming in de kosten en erelonen van de advocaat van de in het gelijk gestelde partij. Na het advies te hebben ingewonnen van de Orde van Vlaamse Balies en van de Ordre des barreaux francophones et germanophone, stelt de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad de basis-, minimum- en maximumbedragen vast van de rechtsplegingsvergoeding, onder meer in functie van de aard van de zaak en van de belangrijkheid van het geschil. Op verzoek van een van de partijen en op een met bijzondere redenen omklede beslissing, kan de rechter ofwel de vergoeding verminderen, ofwel die verhogen, zonder de door de Koning bepaalde maximum- en minimumbedragen te overschrijden. Bij zijn beoordeling houdt de rechter rekening met: - de financiële draagkracht van de verliezende partij, om het bedrag van de vergoeding te verminderen; - de complexiteit van de zaak; - de contractueel bepaalde vergoedingen voor de in het gelijk gestelde partij; - het kennelijk onredelijk karakter van de situatie. Indien de in het ongelijk gestelde partij van de tweedelijns juridische bijstand geniet, wordt de rechtsplegingsvergoeding vastgelegd op het door de Koning vastgestelde minimum, tenzij in geval van een kennelijk onredelijke situatie. De rechter motiveert in het bijzonder zijn beslissing op dat punt. Wanneer meerdere partijen de rechtsplegingsvergoeding ten laste van dezelfde in het ongelijk gestelde partij genieten, bedraagt het bedrag ervan maximum het dubbel van de maximale rechtsplegingsvergoeding waarop de begunstigde die gerechtigd is om de hoogste vergoeding te eisen aanspraak kan maken. Ze wordt door de rechter tussen de partijen verdeeld. Geen partij kan boven het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding worden aangesproken tot betaling van een vergoeding voor de tussenkomst van de advocaat van een andere partij.” In het kader van het voorliggende geschil is het van belang erop te wijzen dat ingevolge artikel 1022, eerste lid, enkel de partij die in het gelijk gesteld is en die door een advocaat vertegenwoordigd is, aanspraak kan maken op de rechtsplegingsvergoeding. Een partij die in persoon optreedt, of die vertegenwoordigd is door een andere procesvertegenwoordiger dan een advocaat, kan daarentegen geen aanspraak maken op de rechtsplegingsvergoeding. De wet van 21 april 2007 is bij artikel 10 van het bestreden koninklijk besluit van 26 oktober 2007 in werking gesteld op 1 januari 2008. V-1745-3/16 Tegen de genoemde wet zijn een aantal beroepen tot nietigverklaring ingesteld bij het Grondwettelijk Hof. Op het ogenblik dat de debatten in de voorliggende zaak zijn gesloten, was er daarover nog geen uitspraak. 2. Het bestreden koninklijk besluit van 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de artikelen 1 tot 13 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van de advocaat, is genomen ter uitvoering van artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek. De bepalingen van dat koninklijk besluit luiden als volgt: “Artikel 1. De basis-, minimum- en maximumbedragen van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek worden vastgesteld in dit besluit. De bedragen worden vastgesteld per aanleg. Geen vergoeding is verschuldigd wegens handelingen verricht voor een gerecht waaraan de zaak bij beslissing van de arrondissementsrechtbank is onttrokken. Zo ook is geen vergoeding verschuldigd indien de verweerder of de gedaagde in hoger beroep vóór de inschrijving van de zaak op de rol, de eis inwilligt en zijn verbintenissen kwijt in hoofdsom, interesten en kosten. Ingeval de verweerder, of de gedaagde in hoger beroep, na de inschrijving op de rol, de eis inwilligt en zijn verbintenissen kwijt in hoofdsom, interesten en kosten, is het bedrag van de vergoeding gelijk aan één kwart van de basisvergoeding, zonder hoger te kunnen zijn dan 1.000 euro. Art. 2. Met uitzondering van de aangelegenheden bedoeld in artikel 4 van dit besluit wordt de rechtsplegingsvergoeding voor geschillen die betrekking hebben op in geld waardeerbare vorderingen, vastgesteld als volgt: Basisbedrag Minimum-bedrag Maximum-bedrag Tot 250,00 i 150,00 i 75,00 i 300,00 i Van 250,01 i 200,00 i 125,00 i 500,00 i tot 750,00 i Van 750,01 i 400,00 i 200,00 i 1.000,00 i tot 2.500,00 i Van 2.500,01 i 650,00 i 375,00 i 1.500,00 i tot 5.000,00 i Van 5.000,01 i 900,00 i 500,00 i 2.000,00 i tot 10.000,00 i Van 10.000,01 i 1.100,00 i 625,00 i 2.500,00 i tot 20.000,00 i V-1745-4/16 Van 20.000,01 i 2.000,00 i 1.000,00 i 4.000,00 i tot 40.000,00 i Van 40.000,01 i 2.500,00 i 1.000,00 i 5.000,00 i tot 60.000,00 i Van 60.000,01 i 3.000,00 i 1.000,00 i 6.000,00 i tot 100.000,00 i Van 100.000,01 i 5.000,00 i 1.000,00 i 10.000,00 i tot 250.000,00 i Van 250.000,01 i 7.000,00 i 1.000,00 i 14.000,00 i tot 500.000,00 i Van 500.000,01 i 10.000,00 i 1.000,00 i 20.000,00 i tot 1.000.000,00 i Boven 15.000,00 i 1.000,00 i 30.000,00 i 1.000.000,01 i Voor de toepassing van dit artikel wordt het bedrag van de vordering vastgesteld overeenkomstig de artikelen 557 tot 562 en 618 van het Gerechtelijk Wetboek in verband met de bepaling van de bevoegdheid en de aanleg. Wanneer het geschil betrekking heeft op de titel van een uitkering tot onderhoud, wordt in afwijking van artikel 561 van hetzelfde Wetboek het bedrag van de vordering berekend, ter bepaling van de rechtsplegingsvergoeding, op basis van het bedrag van de annuïteit of van twaalf maandelijkse termijnen. Art. 3. Voor de geschillen die betrekking hebben op niet in geld waardeerbare vorderingen bedraagt het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding 1.200 euro, het minimum bedrag 75 euro en het maximum bedrag 10.000 euro. Art. 4. In afwijking van de artikelen 2 en 3 worden de basis-, minimum- en maximumbedragen van de rechtsplegingsvergoeding voor rechtspleging bedoeld in artikelen 579 en 1017, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek vastgesteld als volgt: Basisbedrag Minimum-bedrag Maximum-bedrag Voorzitter van de arbeidsrechtbank Tot 249,99 i 36,46 i 26,46 i 46,46 i Van 250 tot 619,99 i 36,46 i 26,46 i 46,46 i Van 620 tot 2.500 i 36,46 i 26,46 i 46,46 i en voor de vorderingen die betrekking hebben op niet in geld waardeerbare eisen Boven 2.500 i 72,86 i 57,86 i 87,86 i V-1745-5/16 Arbeidsrechtbank Tot 249,99 i 36,46 i 26,46 i 46,46 i Van 250 tot 619,99 i 72,86 i 57,86 i 87,86 i Van 620 tot 2.500 i 109,32 i 89,32 i 129,32 i en voor de vorderingen die betrekking hebben op niet in geld waardeerbare eisen Boven 2.500 i 218,64 i 188,64 i 248,64 i Arbeidshof Tot 249,99 i 48,61 i 38,61 i 58,61 i Van 250 tot 619,99 i 97,17 i 82,17 i 112,17 i Van 620 tot 2.500 i 145,78 i 120,78 i 160,78 i en voor de vorderingen die betrekking hebben op niet in geld waardeerbare eisen Boven 2.500 i 291,50 i 251,50 i 331,50 i Art. 5. Voor de overeenkomstig artikel 1340 van het Gerechtelijk Wetboek ingediende vorderingen zijn de in artikel 2 bedoelde minimumvergoedingen van toepassing voor de fase van de procedure omschreven in de artikelen 1340 tot 1343, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek. Art. 6. Wanneer de zaak wordt afgesloten met een beslissing gewezen bij verstek, en geen enkele in het ongelijk gestelde partij ooit is verschenen, is het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding dat van de minimumvergoeding. Art. 7. Geen rechtsplegingsvergoeding wordt toegekend voor rechtsplegingen die rechtsbijstand beogen. Voor het overige doet het gegeven dat rechtsbijstand wordt verleend geenszins afbreuk aan de toekenning van de in de vorige artikelen bedoelde vergoedingen. Art. 8. De basis-, minimum- en maximum bedragen zijn gekoppeld aan het indexcijfer van de consumptieprijzen dat overeenstemt met 105,78 punten (basis 2004); telkens als het indexcijfer met 10 punten stijgt of daalt, worden de sommen bedoeld in de artikelen 2 tot en met 4 van dit besluit met 10 procent vermeerderd of verminderd. Art. 9. Het koninklijk besluit van 30 november 1970 tot vaststelling van het tarief van de invorderbare kosten bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek wordt opgeheven. Art. 10. Treden in werking op 1 januari 2008: V-1745-6/16 - De artikelen 1 tot en met 13 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat - Dit besluit. Art. 11. Onze minister van Justitie is belast met de uitvoering van dit besluit.” In het kader van het voorliggende geschil is het van belang erop te wijzen dat de rechtsplegingsvergoeding ook verschuldigd is in geschillen die aanhangig zijn gemaakt voor de arbeidsgerechten. Voor geschillen over onder meer arbeidsovereenkomsten is de gewone regeling van toepassing (artikelen 2 en 3); voor geschillen over arbeidsongevallen (artikel 579 van het Gerechtelijk Wetboek) en sociale zekerheidsbijdragen en -uitkeringen (artikel 1017, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek) wordt de rechtsplegingsvergoeding op een lager bedrag vastgesteld (artikel 4). De verzoekers wijzen erop dat de vroegere regeling, vervat in het koninklijk besluit van 30 november 1970 tot vaststelling van het tarief van de invorderbare kosten bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek, voorzag in een lager bedrag van de rechtsplegingsvergoeding voor alle geschillen die aanhangig waren gemaakt bij de arbeidsgerechten, ongeacht het voorwerp van het geschil. 3. De voorliggende vordering is ingesteld door acht verzoekers: - de eerste twee verzoekende partijen zijn vakorganisaties; - de derde tot de zevende verzoeker zijn personeelsleden van de vakorganisaties die leden in rechte vertegenwoordigen. Zij verklaren op te treden in de hoedanigheid zowel van gevolmachtigde als van rechtzoekende; - de achtste verzoekster is een rechtzoekende die een procedure heeft lopen voor een arbeidshof. Over de verzoeken tot tussenkomst 4. Met een op 26 februari 2008 ter post aangetekend verzoekschrift vraagt de “Ordre des Barreaux Francophones et Germanophone” om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen. Met een op 27 februari 2008 ter post aangetekend verzoekschrift vraagt de Orde van Vlaamse Balies eveneens om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen. Er is grond om die verzoeken in te willigen. V-1745-7/16 Ontvankelijkheid van de vordering 5.1. De verwerende partij en de tussenkomende partijen werpen een aantal excepties van onontvankelijkheid van de vordering op. In zoverre de vordering wordt ingesteld door de eerste twee verzoekende partijen, wordt opgeworpen dat niet blijkt dat de organen die volgens de statuten van deze feitelijke verenigingen bevoegd zijn om te beslissen tot het instellen van een beroep tot nietigverklaring en een vordering tot schorsing, ook effectief een dergelijke beslissing hebben genomen. Voor het overige wordt in verband met alle verzoekende partijen, zij het op grond van uiteenlopende redenen, betwist dat zij een eigen belang zouden hebben bij het instellen van een beroep tot nietigverklaring en een vordering tot schorsing. 5.2. Uit hetgeen hierna volgt zal blijken dat in elk geval niet voldaan is aan de grondvoorwaarden voor het inwilligen van de vordering tot schorsing. In die omstandigheden is het niet nodig om de opgeworpen excepties te onderzoeken. Onderzoek van de vordering 6. Overeenkomstig artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. 7.1. In verband met het moeilijk te herstellen ernstig nadeel voeren de verzoekende partijen het volgende aan: “De onmiddellijke tenuitvoerlegging van het koninklijk besluit van 26 oktober 2007 leidt ertoe dat verzoekers niet alleen een moreel nadeel lijden, maar tevens een materieel en financieel (nadeel). Zij worden onmiddellijk geraakt door het koninklijk besluit. De vertegenwoordigingsbevoegdheid in artikel 728, § 3, van het Gerechtelijk Wetboek wordt door de nieuwe wet van 21 april 2007 op de verhaalbaarheid en de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand alsook door het koninklijk besluit van 26 oktober 2007 tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de artikelen 1 tot 13 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de V-1745-8/16 bijstand van de advocaat, aangetast waarbij eerste en tweede verzoekers niet meer de dienstverlening kunnen garanderen zoals voorheen, en dit tevens een schending uitmaakt van het recht op vereniging. Voor de gevolmachtigden van de vakorganisaties betekent dit dat zij in hun bestaan worden bedreigd -wat repercussies heeft op de tewerkstelling- en zij bovendien in een onevenwichtige procesverhouding komen te staan met de advocaat, die in geval van het verlies van de zaak door de tegenpartij vergoed zal worden voor zijn tussenkomst via de rechtsplegingsvergoeding, wat een moreel nadeel is. De rechtzoekende wordt in zijn keuzerecht tot juridische bijstand beperkt. Als hij zich laat vertegenwoordigen door een gevolmachtigde van de vakorganisaties, dan loopt hij een ernstig financieel risico. Als hij de zaak verliest, dan zal hij gehouden zijn tot het vergoeden van de rechtsplegingsvergoeding van de advocaat, wat gelet op de aard van de bedragen in het sociaal contentieux om aanzienlijke bedragen gaat, terwijl als hij de zaak wint, (hij) geen recht heeft op deze vergoeding, wat tevens een financieel nadeel meebrengt. Daarenboven zijn de rechtsplegingsvergoedingen voorzien in het koninklijk besluit van 26 oktober 2007 niet geproportioneerd, belemmeren zij de toegang tot de rechter, zeker inzake sociaalrechtelijke geschillen waar voorheen, een aparte rechtsplegingsvergoeding werd voorzien. Bijgevolg brengen zij de rechtszekerheid in het gedrang. De nadelen zijn niet hypothetisch. Zij betreffen een reëel nadeel, aangezien de wet op de verhaalbaarheid onmiddellijk uitwerking heeft van 1 januari 2008 op alle lopende en hangende zaken voor de arbeidsrechtbanken en arbeidshoven. Enkel de schorsing van het bestreden besluit kan het nadeel derhalve doen ophouden. De ingeroepen middelen zijn ernstig en uw zetel heeft al geoordeeld dat ‘eensdeels hoe ernstiger de door de verzoekende partij aangevoerde middelen, hoe groter de kans op een uiteindelijke vernietiging van de bestreden beslissing, en hoe moeilijker te verantwoorden de verzoekende partij het door haar beschreven nadeel -mits het minimaal aan de vereisten van ernst en moeilijke herstelbaarheid voldoet - te laten ondergaan in afwachting van de uitspraak over de grond van de zaak; dat anderdeels hoe zwaarwichtiger de onrechtmatigheid die in het ernstig bevonden middel wordt aangeklaagd, hoe harder die geacht kan worden aan te komen voor de verzoekende partij’ (R.v.St., De Schrijver, nr. 85.427, 21 februari 2000). Overigens werd reeds door uw zetel geoordeeld dat grove onwettigheden het nadeel zo zeer kunnen verergeren dat het, naar redelijkheid, niet gepast is om een verzoeker langer dan strikt nodig te belasten met de nadelige gevolgen van het bestreden besluit (R.v.St., Voortmans, nr. 103.134, 4 februari 2002; R.v.St., Verstraete, nr. 86.862, 25 april 2000).” 7.2. Het door de verzoekers aangevoerde nadeel heeft, voor alle partijen, te maken met de effecten die zij verwachten op de mogelijkheid voor de afgevaardigden van een representatieve organisatie van arbeiders of bedienden om, op grond van artikel 728, § 3, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, “voor de arbeidsgerechten ... de arbeider of bediende, partij in het geding, (

  1. te)vertegenwoordigen, in zijn naam alle handelingen (
  2. te)verrichten die bij deze vertegenwoordiging behoren, (
  3. te)pleiten en alle mededelingen (
  4. te)ontvangen betreffende de behandeling en de berechting van het geschil”. V-1745-9/16 De vraag rijst of het bedoelde nadeel wel het gevolg is van het bestreden koninklijk besluit, dan wel of dat nadeel niet het gevolg is van de wet van 21 april 2007. Die vraag kan te dezen open blijven, nu het aangevoerde nadeel, zoals hierna zal blijken, alleszins niet van die aard is dat het een schorsing kan verantwoorden. 7.3. Een rechtzoekende die overweegt om een zaak bij een arbeidsrechtbank aanhangig te maken, of die door een andere partij betrokken is in een geschil voor een arbeidsrechtbank, heeft de keuze tussen een advocaat en een gevolmachtigde van een vakorganisatie om zijn belangen te verdedigen. De partij die in het ongelijk wordt gesteld zal al dan niet de rechtsplegingsvergoeding moeten betalen, naargelang de in het gelijk gestelde tegenpartij al dan niet door een advocaat is vertegenwoordigd. De verzoekers gaan ervan uit dat, bij geschillen tussen een werknemer en een werkgever, de werknemer in de regel staat tegenover een werkgever die door een advocaat wordt vertegenwoordigd, zodat de werknemer als hij in het ongelijk wordt gesteld het risico loopt om de rechtsplegingsvergoeding te moeten betalen. Als hij in het gelijk gesteld wordt, zal de werkgever daarentegen slechts tot het betalen van de rechtsplegingsvergoeding veroordeeld kunnen worden als de werknemer door een advocaat is vertegenwoordigd, niet als hij in persoon is opgetreden of door een gevolmachtigde van een vakorganisatie is vertegenwoordigd zoals, het doorgaans het geval is. Kortom, bekeken vanuit het oogpunt van de partijen die in aanmerking komen om door een gevolmachtigde van een vakorganisatie te worden vertegenwoordigd (werknemers), is de toestand aldus in de regel de volgende: als die partijen ervoor opteren om een beroep te doen op een zodanige gevolmachtigde, lopen zij het risico de rechtsplegingsvergoeding te moeten betalen, terwijl zij geen aanspraak kunnen maken op het verkrijgen ervan; als zij er daarentegen voor opteren om een beroep te doen op een advocaat, blijven zij het risico lopen om de rechtsplegingsvergoeding te moeten betalen, maar kunnen zij ook hopen dat zij de rechtsplegingsvergoeding zullen verkrijgen. Het is met inachtneming van deze gegevens dat het nadeel voor elke categorie van verzoekers beoordeeld moet worden. 7.4. De eerste twee verzoekende partijen voeren aan dat hun vertegenwoordigingsbevoegdheid wordt aangetast en dat zij niet meer dezelfde dienstverlening kunnen garanderen als voorheen. V-1745-10/16 Deze verzoekers lichten het aangevoerde nadeel niet nader toe. Uit de wijze waarop zij hun belang bij de vordering omschrijven kan echter afgeleid worden dat zij vrezen dat een eerlijke concurrentie met de advocaten onmogelijk wordt. Het nadeel zou er aldus op neerkomen dat de aantrekkelijkheid van hun diensten in het gedrang komt doordat hun dienstverlening geen rechtsplegingsvergoeding genereert, terwijl dat voor de dienstverlening door advocaten wel het geval is. Aldus gaan de verzoekende partijen ervan uit dat de keuze van een raadsman door een rechtzoekende in grote mate steunt op financiële overwegingen. Alhoewel financiële overwegingen zeker niet vreemd zullen zijn aan de gemaakte keuze, komt het de Raad van State voor dat de keuze van een gevolmachtigde van een vakorganisatie als procesvertegenwoordiger in een arbeidsrechtelijk geschil ook, en vooral, op andere gronden steunt. Een werknemer wendt zich tot een vakorganisatie omdat hij daarvan lid is, en hij wordt lid van een vakorganisatie omdat hij verwacht dat het geheel van zijn belangen als werknemer dan verdedigd zullen worden, zo nodig ook in rechte. De verzoekende partijen maken niet aannemelijk dat het enkele feit dat de werknemer voor het optreden van de gevolmachtigde geen rechtsplegingsvergoeding kan krijgen, hem ertoe zal aanzetten om niet langer een beroep te doen op de dienstverlening door de vakorganisatie waarvan hij lid is. Wat betreft de financiële overwegingen zelf, mag niet uit het oog verloren worden, zoals het Grondwettelijk Hof heeft opgemerkt in zijn arrest nr. 113/99 van 14 oktober 1999, dat een partij die door een advocaat wordt verdedigd in de regel aan haar raadsman kosten en erelonen betaalt die de advocaat vrij bepaalt, terwijl van een partij die door een vakbondsafgevaardigde wordt verdedigd noch door haar vakbondsorganisatie noch door de afgevaardigde ervan sommen worden gevorderd waarvan de aard en het bedrag vergelijkbaar zijn met de kosten en erelonen van een advocaat (overweging B.8). Het door de eerste twee verzoekende partijen aangevoerde nadeel is dan ook een hypothetisch nadeel. 7.5. De derde tot de zevende verzoeker, optredend in hun hoedanigheid van gevolmachtigde van een vakorganisatie, voeren in de eerste plaats aan dat zij een materieel en financieel nadeel lijden, doordat zij door de bestreden regeling in hun bestaan worden bedreigd. Zij voeren voorts een moreel nadeel aan, doordat zij in een onevenwichtige procesverhouding komen te staan met de advocaten. 7.5.1. Het aangevoerde materieel en financieel nadeel valt in grote mate samen met het nadeel dat door de eerste twee verzoekende partijen wordt aangevoerd. V-1745-11/16 De beschouwingen in verband met het hypothetisch karakter van dat nadeel gelden ook voor de derde tot de zevende verzoeker. Daar komt nog bij dat een louter financieel nadeel in beginsel niet moeilijk te herstellen is. Dit is slechts anders als bijzondere redenen aannemelijk maken dat dit wel het geval is. Te dezen voeren de verzoekers aan dat zij in hun bestaan bedreigd worden. Mocht dat risico aannemelijk gemaakt worden, dan zou dit een bijzondere reden kunnen uitmaken. De verzoekers maken echter in het geheel niet aannemelijk dat de bestreden regeling een zodanig risico met zich brengt. Zo leggen de verzoekers geen concrete gegevens voor in verband met het aantal zaken waarin zij thans optreden of met de waarde van de betrokken vorderingen. Zij geven ook geen enkele indicatie over de concrete weerslag van de bestreden regeling op hun activiteiten als procesvertegenwoordiger. Het aangevoerde materieel en financieel nadeel is een hypothetisch nadeel. In elk geval wordt niet aangetoond dat het een moeilijk te herstellen nadeel is. 7.5.2. Het aangevoerde moreel nadeel bestaat erin dat het optreden van de verzoekers als procesvertegenwoordiger geen aanleiding kan geven tot het betalen van de rechtsplegingsvergoeding door de tegenpartij, terwijl dat voor het optreden van een advocaat wel het geval kan zijn. Volgens de verzoekers heeft dit verschil in behandeling tot gevolg dat zij in een “onevenwichtige procesverhouding” komen te staan met de advocaten. Uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 21 april 2007 blijkt dat het systeem van de terugvorderbaarheid van de rechtsplegingsvergoeding beperkt is gebleven tot de kosten en erelonen van de advocaten, en dus niet is uitgebreid tot de kosten verbonden met het optreden van een vakbondsafgevaardigde, op grond dat het bij het optreden van een advocaat en het optreden van een vakbondsafgevaardigde voor de cliënt om twee verschillende situaties gaat, zoals dat door het Grondwettelijk Hof in zijn genoemde arrest nr. 113/99 van 14 oktober 1999 is uiteengezet (verslag namens de Commissie voor de Justitie, Parl. St., Senaat, 2006-07, nr. 3-1686/5, p. 25). Aldus blijkt dat het feit dat de vakbondsafgevaardigde geen rechtsplegingsvergoeding genereert, en de advocaat wel, niets te maken heeft met enig verschil in de kwaliteit van de dienstverlening of de bekwaamheid van de betrokken procesvertegenwoordigers, maar enkel te verklaren is door de verschillende wijze waarop de dienstverlening door beide categorieën procesvertegenwoordigers georganiseerd en door de cliënt betaald V-1745-12/16 wordt. Het door de verzoekers aangevoerde verschil in behandeling blijkt met andere woorden niet het gevolg te zijn van enige nadelige beoordeling van de wijze waarop de verzoekers de belangen van hun cliënten verdedigen. Daargelaten of de door de wetgever ingeroepen reden het verschil in behandeling tussen vakbondsafgevaardigden en advocaten kan verantwoorden, ziet de Raad van State in elk geval niet in hoe de verzoekers door een op die reden gesteund verschil in behandeling een moreel nadeel zouden lijden. De verzoekers maken dus niet aannemelijk dat zij een moreel nadeel lijden, laat staan dat zij aantonen dat dit nadeel ernstig is. 7.6. De tweede tot de zevende verzoeker, optredend in hun hoedanigheid van rechtzoekende, en de achtste verzoekster, eveneens optredend als rechtzoekende, voeren aan dat zij beperkt worden in hun recht om een procesvertegenwoordiger te kiezen: als zij een beroep doen op een gevolmachtigde van een vakorganisatie, lopen zij immers het risico de rechtsplegingsvergoeding aan de tegenpartij te moeten betalen, terwijl zij in geval van succesvolle afloop van de zaak geen recht hebben op die vergoeding. Bovendien is het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding van die aard dat zij de toegang tot de rechter belemmert, zeker in de sociaalrechtelijke geschillen waarvoor er vroeger een afzonderlijke rechtsplegingsvergoeding was. 7.6.1. In verband met de beperking van de vrije keuze van een procesvertegenwoordiger kan verwezen worden naar wat hiervóór is overwogen in verband met het nadeel aangevoerd door de eerste en de tweede verzoekende partij. Daar is opgemerkt dat de verzoekende partijen niet aannemelijk maken dat het enkele feit dat de werknemer voor het optreden van de gevolmachtigde van een vakorganisatie geen rechtsplegingsvergoeding kan krijgen, hem ertoe zal aanzetten om niet langer een beroep te doen op de dienstverlening door de vakorganisatie waarvan hij lid is. Voor het overige kan de omstandigheid dat de werknemer in geval van verlies de rechtsplegingsvergoeding zal moeten betalen aan de tegenpartij, als die door een advocaat vertegenwoordigd wordt, niet geacht worden een invloed te hebben op de keuze van de eigen procesvertegenwoordiger, nu de verplichting tot betaling van de rechtsplegingsvergoeding niet afhangt van het feit of de werknemer zelf al dan niet door een advocaat wordt vertegenwoordigd. Het aangevoerde nadeel is in dit opzicht niet bewezen. V-1745-13/16 7.6.2. In verband met de belemmering van de toegang tot de rechter begrijpt de Raad van State de uiteenzetting van de verzoekers in die zin dat het risico op een veroordeling tot betaling van de rechtsplegingsvergoeding aan de tegenpartij, gelet op het bedrag ervan, de rechtzoekende ertoe zal aanzetten om geen vordering in te stellen of om geen verweer te voeren. Aldus zou de bestreden regeling tot gevolg hebben dat de verzoekers, als rechtzoekenden, hun rechten niet meer zouden kunnen uitoefenen zoals voorheen. De kwestie van de gevolgen van de verhaalbaarheid van een gedeelte van de kosten en erelonen van de advocaat op het recht van toegang tot de rechter is uitdrukkelijk ter sprake gebracht bij de parlementaire voorbereiding van de wet van 21 april 2007. Nadat de regering, die aanvankelijk weigerachtig stond tegenover een belangrijke verhoging van het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding, met de tussenkomende partijen overleg gevoerd had, diende zij amendementen in. Die amendementen, die aangenomen zijn, laten een substantiële verhoging van het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding toe. Deze in het vooruitzicht gestelde verhoging wordt echter gecompenseerd door een aantal “waarborgen”, onder meer de toekenning van een bevoegdheid aan de rechter om het bedrag te verminderen in de gevallen waarin een onverkorte toepassing van het basisbedrag zou leiden tot onrechtvaardige gevolgen voor personen die zich in een moeilijke financiële situatie bevinden (zie de uiteenzettingen van de Minister van Justitie in de verslagen namens de Commissies voor de Justitie, Parl. St., Senaat, 2006-07, nr. 3-1686/5, pp. 31-32, en Parl. St., Kamer, 2006-07, nr. 51-2891/2, pp. 4-5). De vraag of de bestreden regeling het recht van toegang tot de rechter eerbiedigt dan wel schendt, dient onderscheiden te worden van de vraag of de uitvoering van die regeling het risico inhoudt van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel. Te dezen kan de Raad van State echter niet voorbijgaan aan de vaststelling dat de wetgever van oordeel was dat het door hem ontworpen stelsel waarborgen inhield om te vermijden dat het recht van toegang tot de rechter geschonden zou worden. In het licht van dat standpunt kan van de verzoekers, die aanvoeren dat de bestreden regeling niet enkel het bedoelde grondrecht schendt, maar zelfs een moeilijk te herstellen ernstig nadeel veroorzaakt, verwacht worden dat ze precies en concreet aangeven hoe dat nadeel, ondanks de uitdrukkelijk bedoelde wettelijke waarborgen, kan ontstaan. De verzoekers beperken zich echter tot een algemene uiteenzetting. In het kader van de bespreking van het moeilijk te herstellen V-1745-14/16 ernstig nadeel gaan zij niet in op de concrete basis-, minimum- en maximumbedragen die in het bestreden besluit worden vastgesteld. In die omstandigheden maken zij niet aannemelijk dat zij door de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit een nadeel lijden, laat staan dat zij aantonen dat dit nadeel ernstig is. 7.7. Uit het voorgaande volgt dat ten aanzien van geen enkele verzoeker is aangetoond dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van het bestreden besluit een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. 8. Aldus is niet voldaan aan een van de bij artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden om de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing te kunnen bevelen. Die vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel 1. De verzoeken tot tussenkomst van l’Ordre des Barreaux Francophones et Germanophone (OBFG) en de Orde van Vlaamse Balies (OVB) in het administratief kort geding worden ingewilligd. Artikel 2. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel 3. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. De kosten van de tussenkomsten, bepaald op 250 euro, komen ten laste van de tussenkomende partijen, elk voor de helft. V-1745-15/16 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op tien juli 2008, door de Ve kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. ANDERSEN, eerste voorzitter van de Raad van State, P. LEMMENS, kamervoorzitter, D. MOONS, staatsraad, W. GEURTS, griffier. De griffier, De eerste voorzitter van de Raad van State, W. GEURTS. R. ANDERSEN. V-1745-16/16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.185.315 Gerelateerde publicatie(
  5. s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2011:ARR.216.702 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.