← België

Arrest 185383 - Plaatselijk openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 14/07/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 juli 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.185.383 Rolnummer: Zaak: Arrest 185383 - Plaatselijk openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 14/07/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-07-24 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-06-29 08:24 Fiche Arrest nr 185.383 van 14 juli 2008 Openbaar ambt - Plaatselijk openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 185.383 van 14 juli 2008 in de zaken A. 90.808/XII-

  1. A. 90.809/XII-
  2. A. 90.810/XII-
  3. In zake : Kathleen MOBOUCK, die woonplaats kiest bij advocaten T. Vandenput en P. De Maeyer, kantoor houdende te 1160 Brussel, Tedescolaan 7 tegen : de STAD WERVIK, die woonplaats kiest bij advocaat B. Staelens, kantoor houdende te Brugge, Stockhouderskasteel, Gerard Davidstraat 46, bus
  4. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Kathleen Mobouck op 7 april 2000 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 11 december 1999 van de examenjury van de stad Wervik waarbij zij niet geslaagd wordt verklaard voor het examen voor de betrekking van sportfunctionaris-diensthoofd sport (A1-A3) (A. 90.808/XII-2558); Gezien het verzoekschrift dat Kathleen Mobouck op 7 april 2000 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 13 december 1999 van het college van burgemeester en schepenen van de stad Wervik waarbij de examenresultaten voor de betrekking van sportfunctionaris-diensthoofd sport (A1-A3) worden bekrachtigd (A. 90.809/XII-2559); Gezien het verzoekschrift dat Kathleen Mobouck op 7 april 2000 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 19 januari 2000 van het college van burgemeester en schepenen van de stad Wervik houdende de nieuwe taakverdeling binnen de sportdienst (A. 90.810/XII-2560); XII-2558-1/11 Gelet op het arrest nr. 90.006 van 3 oktober 2000 waarbij de zaken A. 90.808/XII-2558, A. 90.809/XII-2559 en A. 90.810/XII-2560 worden gevoegd, en waarbij de vorderingen tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissingen worden verworpen; Gezien de verzoekschriften van 2 november 2000 tot voortzetting van het geding ingediend door verzoekster; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgesteld door eerste auditeur-afdelingshoofd R. Van Der Gucht; Gelet op de beschikking van 29 april 2003 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van de dossiers gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 7 februari 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 11 maart 2008; Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; Gehoord de opmerkingen van advocaat P. De Maeyer, die verschijnt voor verzoekster, en van advocaat B. Staelens, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur- afdelingshoofd R. Van Der Gucht; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : De gegevens van de zaken XII-2558-2/11
  5. Verzoekster, licentiaat lichamelijke opvoeding, is als sportanimator in statutair dienstverband verbonden aan de sportdienst van Wervik. Zij is er, volgens de memorie van antwoord, sinds 1 januari 1995 “functioneel diensthoofd”. Op deze dienst is ook André Bille, regent lichamelijke opvoeding, tewerkgesteld als sportfunctionaris. Beiden hebben dezelfde functionele loopbaan C
  6. Op 21 september 1999 besluit de gemeenteraad een statutaire betrekking van sportfunctionaris-diensthoofd sport (A1-A3) vacant te verklaren en die betrekking bij aanwervingsexamen te begeven. Eén van de aanwervingsvoorwaarden bestaat erin houder te zijn van het diploma licentiaat in de lichamelijke opvoeding. Verzoeker stelt zich hiervoor kandidaat. Op 21 september 1999 beslist de gemeenteraad ook een voltijdse statutaire betrekking van sportfunctionaris (weddeschaal B1 - B3) vacant te verklaren en die betrekking na een bevorderingsexamen te begeven. Op 27 oktober 1999 besluit het college van burgemeester en schepenen dat enkel verzoekster voldoet aan de voorwaarden om aan het aanwervingsexamen voor sportfunctionaris-diensthoofd deel te nemen. Blijkens het proces-verbaal van 11 december 1999 van de examenjury is verzoekster evenwel niet geslaagd. Zij behaalt 25,5/30 voor de theoretische vakken, 18/30 voor de gevalstudie en 16/40 voor het mondeling gedeelte. Als motivering voor haar resultaat op het mondeling gedeelte wordt in bijlage bij die deliberatiebeslissing geacteerd : “Positieve elementen: - Aandacht voor kwaliteitszorg. Negatieve elementen: - Te weinig dynamisch. - Geen visieontwikkeling in verband met de sportieve ontwikkeling van Wervik”. Dit is de met het eerste beroep tot nietigverklaring bestreden beslissing. Op 13 december 1999 bekrachtigt het college van burgemeester en schepenen voormelde beslissing. Dit is de met het tweede beroep tot nietigverklaring bestreden beslissing. XII-2558-3/11 Op 19 januari 2000 besluit het college van burgemeester en schepenen, op grond van de vaststelling dat verzoekster niet slaagde voor het aanwervingsexamen terwijl André Bille op 21 december 1999 tot sportfunctionaris niveau B werd bevorderd en op grond van de overweging dat “de hoogste in graad ook de taken met de meeste verantwoordelijkheid tot zich dient te nemen”, André Bille te belasten met onder meer de algemene leiding van de sportdienst. Dit is de met het derde beroep tot nietigverklaring bestreden beslissing. De grond van de zaken Standpunt van de partijen
  7. Verzoekster voert in haar verzoekschriften, in het derde onderdeel van een tweede middel, aan dat de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen werden geschonden. Namelijk zijn de eerste en de tweede bestreden beslissing gesteund op twee negatieve elementen die haar zouden moeten worden verweten, zonder dat daarvan een concreet voorbeeld wordt aangehaald. Elke bestuurshandeling met individuele strekking dient evenwel uitdrukkelijk en afdoende te worden gemotiveerd. De motieven waarom verzoekster niet is geslaagd voor het aanwervingsexamen zijn gelegen in de door de examenjury ingeroepen negatieve elementen. Deze motieven stroken evenwel geenszins met de werkelijkheid en worden tegengesproken door eerdere beslissingen van verwerende partij. Bovendien bevatten noch de beslissing van de examenjury zelf, noch de bekrachtingsbeslissing van het college van burgemeester en schepenen voorbeelden waaruit zou kunnen blijken dat er van haar inderdaad te weinig dynamiek uitgaat of dat zij in verband met de sportieve ontwikkeling van de stad Wervik geen visieontwikkeling heeft. De motivering moet meer zijn dan een louter abstracte en vormelijke stijlformule en moet pertinent zijn. Daarenboven moet de motivering draagkrachtig zijn : volstaan om de beslissing te schragen en de betrokkene in staat stellen met nuttig gevolg tegen de bestuurshandeling op te komen. De motieven mogen niet tegenstrijdig zijn en er mag geen tegenstrijdigheid zijn tussen de motieven en het dictum. De motivering mag niet vaag, onduidelijk of nietszeggend zijn. Dit alles is te dezen nochtans het geval.
  8. Verwerende partij antwoordt dat de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen niet vereist dat XII-2558-4/11 van de in een beslissing vermelde redenen voorbeelden worden aangehaald. Het is noodzakelijk, doch voldoende dat concreet te kennen wordt gegeven om welke redenen de beslissing werd genomen. Te dezen werd bijgevolg overduidelijk voldaan aan de formele motiveringsverplichting. Verzoekster scoorde negatief op het mondeling gedeelte van het examen omdat zij geen toekomstvisie had en omdat zij onvoldoende dynamisch was, twee pertinente motieven die de beslissing rechtvaardigen. De juistheid hiervan wordt niet betwist. Integendeel poogt verzoekster in andere middelen aan te tonen waarom ze geen voldoende visie heeft, namelijk bij gebrek aan vorming.
  9. Verzoekster repliceert in de memorie van wederantwoord onder meer dat de summiere vermeldingen “weinig dynamisch” en “geen visie- ontwikkeling in verband met de sportieve ontwikkeling van Wervik” geen duidelijke, niet tegenstrijdige, juiste, pertinente, concrete, precieze en volledige motivering vormen. Dit blijkt reeds uit het feit dat verwerende partij ter griffie een nieuw stuk heeft neergelegd met de titel “Motivatie mondeling examen sportfunctionaris-diensthoofd sport (Al - A3)”, waaruit impliciet doch zeker blijkt dat de beslissing die verzoekster bekend was geenszins de motivering bevatte. Een achteraf in een procedurestuk gegeven verantwoording kan het gebrek aan formele motivering in de beslissing zelf niet goedmaken, tenzij die verantwoording zodanig vanzelfsprekend is dat zij niet uitdrukkelijk dient te worden verwoord en bijgevolg kan worden aangenomen ook al werd zij in de beslissing zelf niet tot uitdrukking gebracht. Uit het neerleggen van dit stuk blijkt dat verwerende partij alsnog een deugdelijke motivering aan haar beslissing poogt te geven. Een motivering achteraf is evenwel niet duldbaar. De formele motivering heeft tot doel betrokkene toe te laten op grond van het formeel te motiveren besluit te beslissen of het zin heeft zich daartegen rechtens op het stuk van de motieven te verweren. Bijgevolg kan geen rekening worden gehouden met een na de bestreden beslissing opgemaakte nota of met motiveringen die achteraf in procedurestukken worden gegeven. Het is onjuist dat verzoekster zou erkennen geen visieontwikkeling te hebben. Het louter aangeven van niet onderbouwde kwaliteiten die aan een kandidaat worden toegeschreven, is geen formele motivering in de zin van de formele-motiveringswet. Voor het bepalen van het al dan niet afdoende karakter van de motivering, moet te dezen rekening worden gehouden met het feit dat er op verwerende partij een strenge motiveringsplicht rustte aangezien het examen geen betrekking had op kennisvragen, er een niet-evidente beslissing diende te worden genomen omtrent de enige kandidaat voor een functie die de facto reeds gedurende jaren door voormelde XII-2558-5/11 persoon werd uitgeoefend, en er derhalve twijfel kon bestaan over het verantwoord zijn van de gegeven punten. Daarenboven dient bij het beoordelen van de inhoud van de formele motiveringsplicht rekening te worden gehouden met de opdracht van de examenjury. Te dezen werd de jury gevraagd: “Evaluatie van de overeenstemming van het profiel van de kandidaten, met de specifieke vereisten van de functie, evenals van de motivatie en van zijn interesse voor het werkterrein”. Voorts omvatten het functieprofiel en de functieomschrijving zestien duidelijke en concrete punten, die evenveel toetsstenen voor de beoordeling uitmaakten. Uit de opgegeven redenen blijkt geen verwijzing naar het functieprofiel, de functieomschrijving of haar motivatie en interesse. De motivering is bijgevolg niet afdoende in het licht van de opdracht van de jury. Zij mocht verwachten te worden geëvalueerd binnen die opdracht en binnen het omschreven kader waarbij functieomschrijving en -profiel werden vooropgesteld.
  10. In de laatste memorie argumenteert verwerende partij dat uit het dossier niet blijkt dat er kan worden getwijfeld aan de ernst van de toegekende punten. Zij heeft zich voor elke subjectiviteit gehoed. Er was een vooraf gekend examenprogramma en de examenproeven werden afgenomen en beoordeeld door een onafhankelijke, externe jury van deskundigen. Er is bijgevolg geen enkel element dat aanleiding zou kunnen geven tot een strengere motiveringsplicht, behalve dan dat de mondelinge proef geen betrekking had op kennisvragen, doch een evaluatie inhield van de overeenstemming van het profiel van de kandidaat met de vereisten van de functie, alsook van zijn motivatie en interesse voor het werkterrein. Het werkverslag van de externe jury werd pas later ter griffie neergelegd omdat verwerende partij het oorspronkelijk niet in haar bezit had. Zij steunde zich voor het nemen van haar beslissing op de examencijfers en de motivering ervan door de jury; er was geen enkele reden om aan de examencijfers of de motivering ervan te twijfelen. Het werkverslag is een weergave van de bevindingen van de jury. Uit het document blijkt voldoende welke de negatieve elementen waren en waarom. De formele motivering is een samenvatting en evaluatie van het werkingsverslag dat het feitelijk bestaan van de motieven vaststelt en verantwoordbaar vastlegt. Verwerende partij beweert niet dat het werkingsverslag als formele motivering kan gelden. De ingeroepen motieven kunnen bezwaarlijk als niet-afdoende worden beschouwd. De formele motivering geeft voldoende te kennen waarom verzoekster niet geslaagd is. Zij is niet dynamisch en heeft geen visieontwikkeling terwijl het één van de hoofdtaken van de sportfunctionaris is sport te promoten en te stimuleren. De formele motivering XII-2558-6/11 hoeft niet verder te gaan. Ten onrechte wordt vereist dat de motieven van de motieven zouden worden verstrekt. Men moet wel kunnen nagaan of de formele motieven deugdelijke materiële motieven formaliseren. Dit hoeft evenwel niet in de beslissing te worden geëxpliciteerd. Deze mogelijkheid wordt door het werkverslag geboden. Beoordeling
  11. De eerste bestreden beslissing, bekrachtigd door de tweede bestreden beslissing, verklaart verzoekster niet geslaagd voor de examens voor de betrekking van sportfunctionaris-diensthoofd sport (A1-A3) omdat zij slechts 16 op 40 punten behaalde voor de mondelinge proef, hetzij minder dan de vereiste 50 % van de punten voor dat examengedeelte. Verzoekster behaalde daardoor voor het geheel van het examen maar 59,5 op 100 punten, waar zij minstens 60 % diende te scoren.
  12. Met de mondelinge proef werd beoogd de overeenstemming na te gaan “van het profiel van de kandidaten met de specifieke vereisten van de functie, evenals van de motivatie en van zijn interesse voor het werkterrein”. De gemeenteraadsbeslissing van 21 september 1999, die de betrokken betrekking vacant verklaarde, beschrijft het functieprofiel waaraan het personeelslid moet voldoen, evenals de inhoud van de betrekking.
  13. Blijkens de bijlagen aan het proces-verbaal van 11 december 1999 van de examenjury wordt de quotering van verzoekster voor het mondeling gedeelte verantwoord door: “aandacht voor kwaliteitszorg” (positieve elementen) en “te weinig dynamisch” en “geen visieontwikkeling in verband met de positieve ontwikkeling van Wervik” (negatieve elementen). Als zodanig laten die elementen zich niet duidelijk linken aan de vereisten waaraan verzoekster volgens het functieprofiel moest voldoen, aan de functieomschrijving voor de betrekking, haar motivatie of interesse. Vooral echter gaat het om motieven die zodanig lapidair en algemeen zijn dat zij, zonder enige toelichting of duiding, als inhoudsloze en daardoor raadselachtige leuzen voorkomen. XII-2558-7/11
  14. Een dergelijke, onbevattelijke, formele redengeving is niet de afdoende motivering die verzoekster op grond van de in het middel aangevoerde formele-motiveringswet mocht verwachten. Waar de mondelinge proef geen kennisexamen betrof, waarbij de beoordeling ertoe beperkt was de gegeven antwoorden met de oplossingen te vergelijken, kan een louter cijfer niet volstaan om het niet-geslaagd zijn te motiveren. Er is dan een bijkomende redengeving vereist. Daar komt te dezen nog bij dat verzoekster ten gevolge van de toegekende score, in het aanwervingsexamen voor sportfunctionaris-diensthoofd sport mislukt terwijl zij de enige kandidaat was én al vijf jaar “functioneel diensthoofd” van de sportdienst. Met andere woorden was, zoals verwerende partij zelf in de laatste memorie schrijft, de aanstelling van verzoekster “als het ware de evidentie”. In zulke omstandigheden mag de jury ter formele motivering van de barslechte score van verzoekster voor de mondelinge proef, des te minder volstaan met vage, niet-geconcretiseerde slogantaal.
  15. Naar verwerende partij beweert, zou de formele motivering slechts “een evaluatie en samenvatting” zijn van een “werkverslag met de bevindingen van de examenjury, waarop de leden zich ondermeer gebaseerd hebben bij de beraadslaging, motivatie en beslissing voor het aanwervingsexamen sportfunctionaris niveau A”. Dit “werkverslag” beslaat een volle bladzijde en houdt wél een duidelijke toetsing aan de specifieke vereisten van de functie in, namelijk aan vier onderdelen van de functieomschrijving en aan één onderdeel van het functieprofiel.
  16. Het “werkverslag”, dat verwerende partij in de loop van de procedures bij de Raad van State toegestuurd kreeg vanwege jurylid A. Celis, is niet gedagtekend. Het is onduidelijk of het vóór of na de beslissing van 11 december 1999 is opgesteld. Het is de Raad van State twee keer meegedeeld. Op een eerste versie komt naast de voorgetypte namen van de juryleden geen enkele handtekening voor. Nadat verwerende partij in het auditoraatsverslag kon lezen dat het “werkverslag” niet genaamtekend blijkt te zijn “zodat niet valt uit te maken of het wel degelijk aan de bedoelde examencommissie valt toe te schrijven”, wordt een tweede versie toegezonden. Het “werkverslag” blijkt nu ondertekend door, alleen, jurylid A. Celis. XII-2558-8/11 Het is aldus betwijfelbaar of het stuk wel aan de examenjury kan worden toegerekend en of het geacht kan worden aan diens beslissing ten grondslag te liggen. Toegegeven wordt bovendien dat het college van burgemeester en schepenen geen kennis ervan had of -tenminste- kón hebben, toen het op 13 december 1999 de jurybeoordeling van 11 december 1999 bekrachtigde en tot de zijne maakte.
  17. Zelfs in de veronderstelling echter dat niettemin in het stuk de bijkomende verduidelijking moet worden gelezen van de formele motieven die verzoekster zijn meegedeeld, blijkt niet dat verzoekster er vóór het instellen van haar beroepen kennis van had of zelfs maar kennis van had kúnnen hebben. Het enkele feit dat zij in haar verzoekschriften lukraak de veruitwendigde motieven van gebrek aan dynamiek en visieontwikkeling op de korrel neemt, spreekt dat niet tegen. Kennelijk heeft verzoekster dus de beroepen moeten instellen zonder dat zij een afdoende inzicht had in de motieven van de jurybeslissing van 11 december 1999 en van de bekrachtiging bij collegebesluit van 13 december
  18. Noch de formele motivering van die beslissingen, noch overigens enig ander stuk waarop verzoekster acht sloeg of kon slaan, maakte haar met een minimum aan precisie duidelijk waarom de jury, daarin gevolgd door het schepencollege, haar prestaties tijdens de mondelinge proef als danig ondermaats beoordeelde.
  19. Alleszins is het essentiële doel van de formele-motiveringswet niet bereikt. Het besproken onderdeel is gegrond. Het verantwoordt de vernietiging van de beslissingen die in de eerste twee beroepen aangevochten worden, evenals, bij gevolgtrekking, de annulatie van de beslissing van 19 januari 2000 van het college van burgemeester en schepenen, die met het derde beroep wordt bestreden. De nieuwe taakverdeling binnen de sportdienst, waartoe het college op 19 januari 2000 overging, steunt zo niet uitsluitend, dan toch op doorslaggevende wijze mee op verzoeksters niet-slagen in het aanwervingsexamen voor sprotfunctionaris- diensthoofd sport (niveau A). OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  20. XII-2558-9/11 Vernietigd worden : S het besluit van 11 december 1999 van de examenjury van de stad Wervik waarbij Kathleen Mobouck niet geslaagd wordt verklaard voor het examen voor de betrekking van sportfunctionaris-diensthoofd sport (A1-A3); S het besluit van 13 december 1999 van het college van burgemeester en schepenen van de stad Wervik waarbij de examenresultaten voor de betrekking van sportfunctionaris-diensthoofd sport (A1-A3) worden bekrachtigd; S het besluit van 19 januari 2000 van hetzelfde college houdende de nieuwe taakverdeling binnen de sportdienst. XII-2558-10/11 Artikel
  21. De kosten van de vorderingen tot schorsing en van de beroepen tot nietigverklaring, bepaald op 1041,18 euro, komen ten laste van verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op veertien juli 2008, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-2558-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.185.383 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.