← België

Arrest 185384 - Plaatselijk openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 14/07/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 juli 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.185.384 Rolnummer: A. 73395/XII-210 Zaak: Arrest 185384 - Plaatselijk openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 14/07/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-07-22 Raadplegingen: 63 - laatst gezien 2026-06-29 08:24 Fiche Arrest nr 185.384 van 14 juli 2008 Openbaar ambt - Plaatselijk openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 185.384 van 14 juli 2008 in de zaak A. 73.395/XII-

  1. In zake : Lieven LENAERTS, die woonplaats kiest bij advocaat J. Verbist, kantoor houdende te 1000 Brussel, Brederodestraat 13 tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken, die woonplaats kiest bij advocaat J. Temmerman, kantoor houdende te Gent, Sint-Martensstraat
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Lieven Lenaerts op 26 februari 1997 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het koninklijk besluit van 30 december 1996 waarbij hij uit zijn ambt van burgemeester van de stad Sint-Niklaas wordt afgezet en waarbij zijn ontslag uit dat ambt wordt geweigerd; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgesteld door eerste auditeur-afdelingshoofd R. Van Der Gucht; Gelet op de beschikking van 8 augustus 2000 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 7 maart 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 22 april 2008; XII-210-1/12 Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; Gehoord de opmerkingen van advocaat J. Verbist, die verschijnt voor verzoeker, en van advocaat R. Detollenaere, die loco advocaat J. Temmerman verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het andersluidend advies van eerste auditeur- afdelingshoofd R. Van Der Gucht; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : I. De voornaamste feiten
  3. Verzoeker is op 27 december 1994 tot burgemeester van de stad Sint-Niklaas benoemd. Op 23 september 1996 beslist de onderzoeksrechter hem aan te houden wegens valsheid in geschriften en gebruik ervan, oplichting en subsidiefraude. Verzoeker wordt er inzonderheid van verdacht als voorzitter van de Europese Middenstandsvereniging jarenlang de Europese Commissie te hebben opgelicht door het opstrijken van subsidies ten gevolge van het aanbieden van valse facturen. Verzoeker wordt op 4 november 1996 voorlopig in vrijheid gesteld. Met brieven van 7 en 20 november 1996 vraagt de gouverneur van de provincie Oost-Vlaanderen verzoeker naar zijn voornemens, respectievelijk inzichten met betrekking tot zijn positie als burgemeester. Blijkens de reactie van verzoeker op 25 en 26 november 1996, zal hij trachten voort het ambt uit te oefenen. Met een brief van 28 november 1996 deelt hij de gouverneur evenwel mee besloten te hebben eerstdaags zijn ontslag als burgemeester aan te bieden aan de minister van Binnenlandse Zaken, om te vermijden dat de stad in een bestuursvacuüm zou terechtkomen en dat de verhoudingen tussen de meerderheidspartijen zouden verzuren. XII-210-2/12 Het 3 december 1996 gedateerde ontslag wordt op 4 december 1996 door de minister van Binnenlandse Zaken ontvangen. Met een schrijven van 5 december 1996 roept de gouverneur, op verzoek van de minister van Binnenlandse Zaken, verzoeker op om in het kader van een tuchtrechtelijk onderzoek te worden gehoord op 23 december
  4. Op 24 december 1996 rapporteert de gouverneur aan de minister dat uit het proces- verbaal van het tuchtverhoor blijkt “dat in de tenlasteleggingen tenminste het vervalsen van facturen niet werd ontkend” en dat derhalve een sanctie aangewezen is. Bij koninklijk besluit van 30 december 1996 wordt verzoeker uit zijn ambt van burgemeester afgezet en wordt zijn ontslag uit het ambt van burgemeester geweigerd. Aangaande de afzetting wordt onder meer overwogen : “Evenmin kan de heer Lenaerts gevolgd worden wanneer hij aanvoert dat de fraude dateert van voor de datum waarop hij als burgemeester in functie is getreden; Dat er immers voor de toepassing van artikel 82 van de Nieuwe Gemeentewet niet vereist is dat de feiten als zodanig, die als kennelijk wangedrag moeten beschouwd worden, moeten gebeuren in de uitoefening van de functie van burgemeester, noch gedurende dat mandaat moeten gebeurd zijn. Dat het noodzakelijk is, maar voldoende, dat de feiten als zodanig verwerpelijk zijn en als kennelijk wangedrag beschouwd kunnen worden en derhalve de geloofwaardigheid van diegene die het ambt van burgemeester uitoefent ernstig in het gedrang brengt. Daarbij geldt ook dat deze feiten eerst na de benoeming van de heer Lenaerts aan het licht gekomen zijn zodat eerst dan de tuchtrechtelijke overheid kon ingrijpen. Bezwaarlijk kan aangenomen worden dat de tuchtrechtelijke overheid geen passende maatregel zou kunnen nemen wanneer de feiten op zich dateren van voor de benoeming en nog niet, of onvoldoende, zijn gekend op het ogenblik van die benoeming. Er anders over oordelen zou immers betekenen dat geen maatregelen kunnen genomen worden, ook al kan de betrokken burgemeester niet meer functioneren, gelet precies op dit wangedrag; [...] Dat de weerhouden subsidiefraude van dien aard en omvang is dat het daderschap ervan onmogelijk kan verenigbaar zijn met de functie van eerste Magistraat van de stad. De subsidiefraude houdt inderdaad in dat valse stukken door de heer Lenaerts werd opgesteld terwijl de handtekening van de burgemeester, wettelijk maar ook maatschappelijk, een bijzondere waarde heeft, onder andere wanneer het gaat om het authentiek verklaren dan wel het legitimeren van bepaalde documenten en verklaringen. Wanneer de handtekening van een burgemeester misbruikt werd voor het verkrijgen van subsidies is het evident dat de geloofwaardigheid van dezelfde handtekening zeer ernstig in gedrang komt. Daarenboven moet de burgemeester, zoals iedere bestuurder, waken over het correct gebruik van het overheidsgeld en XII-210-3/12 misbruiken tegengaan en door zijn falen ontbreekt het de heer Lenaerts aan het morele en politieke gezag om dit in de toekomst op een geloofwaardige wijze te doen; Dat dit alles samengenomen ertoe leidt dat een tijdelijke sanctie niet kan overwogen worden en de heer Lenaerts dan ook definitief uit zijn ambt moet ontzet worden. Dat dan ook enkel de afzetting de enige aanvaardbare sanctie is, rekening houdende met alle elementen ter zake, ook deze van humanitaire aard”. Met betrekking tot het ontslag van verzoeker wordt in het koninklijk besluit gesteld : “Dat evenwel niet kan ingegaan worden op zijn vraag om als burgemeester ontslagen te worden. Het komt de benoemende en de tuchtrechtelijke overheid toe de gepaste maatregelen te nemen die zich opdringen. Mede gelet op het feit dat zijn aanbod om ontslag zijn oorsprong vindt in dezelfde feiten als de tuchtprocedure, zoals door de heer Lenaerts medegedeeld aan de heer Gouverneur, komt het Ons toe te oordelen op de meest gepaste wijze die in deze aangelegenheid een tuchtstraf dient te zijn. Het aanvaarden van het ontslag zou immers leiden tot straffeloosheid op het disciplinaire vlak wat niet enkel strijdig is met de waardigheid van het ambt van burgemeester, het rechtsgevoel, het gelijkheidsbeginsel, maar daarenboven ook met de wil van de wetgever die klaar en duidelijk heeft voorgeschreven dat kennelijk wangedrag van een burgemeester dient gesanctioneerd te worden”. Op 7 januari 1997 trekt verzoeker zijn ontslag als burgemeester in omdat het geweigerd werd. In een verklaring van 13 januari 1997 kondigt hij aan de vernietiging te zullen vragen van zijn afzetting en de weigering van het ontslag, maar niet de schorsing ervan, en dat hij ook niet de schorsing of de vernietiging zal vragen van het koninklijk besluit tot benoeming van een nieuwe burgemeester. Bij koninklijk besluit van 6 februari 1997 wordt J. Foubert tot nieuwe burgemeester van Sint-Niklaas benoemd. XII-210-4/12 II. Het belang van verzoeker
  5. In de memorie van antwoord werpt verwerende partij het gebrek aan belang van verzoeker op. Verzoeker heeft de exceptie in de memorie van wederantwoord betwist en het bevoegd lid van het auditoraat heeft in zijn verslag op beargumenteerde wijze voorgesteld de exceptie te verwerpen. Verwerende partij is niettemin niet meer op de exceptie teruggekomen in de laatste memorie. Ter terechtzitting bevestigt zij niet meer in de exceptie te volharden. Gelet op de afstand moet over de exceptie geen uitspraak meer worden gedaan. III. Ten gronde Standpunt van de partijen
  6. Verzoeker voert in een eerste middel, eerste onderdeel, de schending van artikel 82 van de nieuwe gemeentewet aan, doordat het bestreden besluit de tuchtstraf oplegt van de afzetting, terwijl deze tuchtsanctie niet kan worden opgelegd voor feiten die gepleegd werden vóór de betrokkene het ambt van burgemeester bekleedde. Toegelicht wordt in de eerste plaats dat overeenkomstig artikel 82 van de nieuwe gemeentewet, de Koning een burgemeester slechts kan afzetten in geval van kennelijk wangedrag of grove nalatigheden, dat het kennelijk wangedrag in beginsel alleen slaat op feiten uit het privé-leven van de burgemeester die gepleegd werden tijdens de uitoefening van het ambt, wie het burgemeestersambt niet bekleedt, hoeft zich niet aan de bijzondere gedragscodes te houden, burgemeesters kunnen dan ook niet tuchtrechtelijk vervolgd worden voor feiten die begaan werden vóór de aanvang van het ambt. Voorts wijst verzoeker erop dat de omstandigheden in zijn zaak fundamenteel verschillen van de feiten in de zaak Renard, waarin de Raad van State XII-210-5/12 de stelling aanvaardde dat een tuchtmaatregel wegens kennelijk wangedrag toch gesteund mag worden op feiten die gepleegd werden vóór de uitoefening van het mandaat (arrest nr. 32.036 van 21 februari 1989). Tevens benadrukt verzoeker dat het tuchtrecht betreffende de burgemeesters en schepenen veel gelijkenis vertoont met het tuchtrecht betreffende magistraten, en dat het Hof van Cassatie in beginsel geen tuchtsancties oplegt voor feiten die gepleegd werden vóór de benoeming tot het gerechtelijk ambt.
  7. Verwerende partij reageert in de memorie van antwoord dat het, gelet op het arrest van de Raad van State inzake Renard, de tuchtoverheid zeker niet verboden is rekening te houden met laakbare feiten die vóór de aanvang van het mandaat van de verzoeker gepleegd werden, dat de tuchtrechtelijke sanctie verantwoord is van zodra de betrokkene zich heeft schuldig gemaakt aan kennelijk wangedrag.
  8. In de memorie van wederantwoord repliceert verzoeker dat hij principieel betwist dat een tuchtmaatregel zou kunnen worden opgelegd voor feiten uit het privé-leven van de betrokkene die dateren van vóór de ambtsaanvaarding, dat ook het Hof van Cassatie die zienswijze aankleeft in tuchtzaken met betrekking tot magistraten, en dat de Raad van State “enkel in het uitzonderlijk arrest Renard -op andersluidend advies van het auditoraat- van deze principiële stelling afgeweken [is]”.
  9. Verzoeker voegt daar in de laatste memorie onder meer aan toe : “Volgens de definitie van Mast omvat de tuchtregeling ‘het geheel van maatregelen waarover de leiders van een maatschappelijk groep, b.v. de administratie, beschikken om inbreuken begaan door leden van de groep op hun wegens dit lidmaatschap opgelegde verplichtingen, te bestraffen. (...) Alleen fouten die tijdens de uitvoering van het ambt werden gepleegd of die de waardigheid van het ambt in opspraak brengen kunnen door een disciplinaire actie bestraft worden.’ [...] Waar het tuchtrecht aldus voornamelijk feiten sanctioneert die gepleegd werden in de uitoefening van het beroep of ambt, zal het uitzonderlijk ook feiten uit het privé-leven viseren, met name wanneer deze feiten de waardigheid van het ambt aantasten. Deze beginselen vindt men terug in alle tuchtrechtelijke regimes, of zij nu betrekking hebben op ambtenaren, magistraten of vrije beroepen. Voor de burgemeesters en schepenen heeft de wetgever van deze beginselen niet willen afwijken wanneer hij een tuchtsanctie mogelijk heeft gemaakt voor het ‘kennelijk wangedrag’ en de ‘grove nalatigheden’. Het ‘kennelijk wangedrag’ viseert precies de feiten die niet gepleegd werden bij de XII-210-6/12 uitoefening van het ambt, doch die de waardigheid van dit ambt in het gedrang brengen. Uit het voorgaande volgt noodzakelijkerwijze dat feiten die gepleegd werden op een ogenblik dat het ambt nog niet werd uitgeoefend, niet in aanmerking kunnen worden genomen. Het betreft hier immers feiten die gepleegd werden op een ogenblik dat het tuchtrechtelijk regime nog niet toepasselijk was op de betrokkene, die er zijn gedrag bijgevolg ook niet kon op afstemmen”.
  10. In haar laatste memorie doet verwerende partij nog gelden : “Disciplinaire actie is mogelijk (en noodzakelijk) van zodra de waardigheid van het ambt in opspraak werd gebracht, ongeacht de datum waarop de feiten werden gepleegd. De waardigheid van het ambt vereist immers dat dit ambt bekleed wordt door ambtenaren die getuigen van het voor hun functie noodzakelijke gezag en geloofwaardigheid. Geen enkele wettelijke noch reglementaire bepaling voorziet in een verbod om, ter vrijwaring van dit gezag en die geloofwaardigheid, tuchtrechtelijk op te treden tegen een in functie zijnde ambtenaar waarvan lopende de uitoefening van het ambt is komen vast te staan dat hij -weze het tijdens de periode voorafgaand aan het opnemen van het ambt- handelingen stelde die aantonen dat hem bij de ambtsbekleding tenonrechte voldoende gezag en geloofwaardigheid werd toegemeten (ingevolge onwetendheid) en ook bij verdere uitoefening van het ambt een dergelijk gezag en geloofwaardigheid ontzeggen. Daar anders over oordelen zou betekenen dat de wetgeving terzake dusdanig wordt uitgehold dat een tuchtrechtelijke overheid machteloos zou staan tegenover enige ambtenaar waarvan lopende de uitoefening van het ambt is gebleken dat hij het ambt eigenlijk steeds onwaardig is geweest en ook in de verdere uitoefening ervan niet langer behoorlijk zal kunnen functioneren, en dit enkel en alleen omwille van het feit dat de feiten die tot dit besluit leiden (hoe ernstig ook) werden gepleegd voorafgaand aan de bekleding van dit ambt, en ongeacht het feit dat ze op datum van de toetreding tot het ambt door de betrokkene verborgen werden gehouden”. Beoordeling
  11. De bestreden beslissing zet verzoeker uit zijn ambt van burgemeester af op grond van het toenmalige artikel 82 van de nieuwe gemeentewet. Naar luid van de eerste zin van die bepaling, “kan” de Koning de burgemeester schorsen of afzetten “wegens kennelijk wangedrag of grove nalatigheid”. Wat de “grove nalatigheid” betreft, wordt algemeen aangenomen dat zij betrekking heeft op de specifieke uitoefening van het ambt zelf. Dit impliceert dat zij noodzakelijk verband houdt met feiten van ná de ambtsaanvaarding. XII-210-7/12 Evenmin lijdt het veel twijfel dat met het “kennelijk wangedrag” hoofdzakelijk, zo niet uitsluitend, gerefereerd wordt aan feiten uit de sfeer van het privé-leven. Minder zeker is evenwel of die feiten zich tijdens de ambtsuitoefening dienen te hebben voorgedaan, zoals uiteraard het geval is met de feiten die “grove nalatigheid” moeten bewijzen, dan wel of zij ook van vóór de ambtsuitoefening mogen dateren.
  12. Van wezenlijk belang voor een antwoord terzake is de vaststelling dat de afzetting op basis van artikel 82 van de nieuwe gemeentewet een tuchtstraf is en niet gewoon een ordemaatregel. Een ordemaatregel heeft als enig doel de verstoorde goede werking van de openbare dienst te verhelpen. Ze mag de betrokkene in principe dan ook geen nadeel toebrengen dat beduidend groter is dan nodig voor het herstel van de goede orde. Een tuchtstraf, daarentegen, bedoelt niet alleen de goede orde te herstellen, maar tevens een nadeel toe te brengen. Te dezen is dit nadeel voor verzoeker zowel moreel als pecuniair. Gelet op artikel 14, § 1, tweede lid, van de wet van 8 december 1976 tot regeling van het pensioen van sommige mandatarissen en van dat van hun rechtverkrijgenden, omvat het pecuniair nadeel zelfs het verlies van het recht op het rustpensioen dat uit hoofde van zijn gepresteerde diensten kon ontstaan. Indien het de verwerende partij alleen om het herstel van de goede orde te doen zou zijn geweest, en niet ook -of zelfs, vooral- om verzoeker in zijn belangen te treffen die hij als burgemeester en dus medewerker van de openbare dienst heeft, dan had zij ermee kunnen volstaan het ontslag te aanvaarden dat hij haar met een brief van 3 december 1996 had aangeboden.
  13. De loutere vaststelling dat de betrokken feiten de geloofwaardigheid en het morele en politieke gezag van verzoeker ernstig in het gedrang brengen, zodat hij niet meer in staat is naar behoren als burgemeester te functioneren, kan niet een tuchtstraf staven. De voormelde bijzondere aard van de tuchtstraf brengt mee dat het niet volstaat, opdat de aangevochten afzetting als rechtmatig kan worden aangezien, XII-210-8/12 dat de werking van de openbare dienst verstoord blijkt en dat de afzetting daarvoor een remedie zou zijn. Onder meer heeft die aard tot gevolg dat alleen in aanmerking kan worden genomen als de grondslag voor de tuchtstraf: een wettig als schuldig aangemerkte tekortkoming aan een verplichting die de betrokkene, in zijn hoedanigheid van medewerker van de openbare dienst, tegenover de dienst heeft. Deze beperking van de mogelijkheid om een tuchtstraf op te leggen tot de tekortkomingen aan de verplichtingen wegens het ambt, laat zich goed begrijpen in het licht van wat tuchtrecht wezenlijk is, namelijk een geheel van maatregelen waarin een groep heeft voorzien om te waken over de toepassing van de voorschriften van de groep. Zijn de voorschriften niet toepasselijk, dan kan er bezwaarlijk tegen gezondigd worden en komt een tuchtrechtelijk optreden niet aan de orde.
  14. Weliswaar is terzake van de voorschriften waaraan de titularis van een openbaar ambt zich vanwege dat ambt te houden heeft, niet vereist dat ze op voorhand precies gedefinieerd zijn. Eveneens is er geen wezenlijk bezwaar tegen dat die voorschriften gedragsregels in het privé-leven inhouden, en kunnen met andere woorden de ambtsverplichtingen zich ook tot in het privé-leven uitstrekken. Een en ander belet echter niet dat hoe dan ook, om bij de uitoefening van het ambt tekort te kunnen schieten -bijvoorbeeld door in het privé- leven niet de behoorlijke levenswandel aan de dag te leggen die van een ambtenaar verwacht mag worden en door op die manier aan de waardigheid van het ambt afbreuk te doen-, de betrokkene met het ambt bekleed moet zijn. Zonder ambt, geen ambtsplichten, en zonder ambtsplichten, geen tekortkoming eraan. Een tuchtstraf mist de rechtens vereiste grondslag wanneer ze wordt opgelegd wegens een feit dat geen ongehoorzaamheid aan de plichtenleer uitmaakt op het moment waarop het werd gepleegd, omdat de betrokkene op dat ogenblik nu eenmaal nog niet aan de plichtenleer onderworpen was. Het is een toepassing van de regel, die ook in het strafrecht geldt, van de niet-terugwerking van normen die in een -strengere- bestraffing voorzien. De omstandigheid dat het feit niettemin ongunstige voorwaarden doet ontstaan voor de uitoefening van het ambt dat de betrokkene intussen opnam XII-210-9/12 en de waardigheid van dat ambt nadelig beïnvloedt, is, zoals hiervoor al gezien, op zich ontoereikend om een tuchtstraf te verantwoorden.
  15. Gelet op het voorgaande komt voor bestraffing overeenkomstig het artikel 82 van de nieuwe gemeentewet dan ook alleen het “kennelijk wangedrag” in aanmerking waarmee een burgemeester in gebreke bleef zich aan de eisen van zijn ambt te houden, voornamelijk in zijn privé-leven.
  16. Te dezen is verzoeker afgezet wegens “kennelijk wangedrag van een burgemeester”. Het is niet betwist dat het wangedrag, meer bepaald het opstellen en gebruiken van valse facturen, vóór zijn ambtsaanvaarding te situeren is. Hij heeft dan ook niet, zoals de bestreden beslissing verkeerdelijk laat uitschijnen, “de handtekening van een burgemeester misbruikt” om op frauduleuze wijze subsidies te verkrijgen. Hoe laakbaar de fraude ook moge zijn en hoezeer ook de geloofwaardigheid en het morele en politieke gezag van verzoeker erdoor aangetast werd, met zijn handelwijze heeft verzoeker niét de eisen overtreden waartoe hij vanwege het ambt van burgemeester gehouden was, aangezien hij dan nog geen burgemeester was. Dat de feiten gebeurlijk zijn niet-benoeming tot burgemeester konden hebben verantwoord, wettigt als zodanig niet dat, nu de verwerende partij de feiten ten tijde van de benoeming blijkbaar niet kende, ze dan maar in aanmerking worden genomen om hem naderhand tuchtrechtelijk af te zetten. Een niet-benoeming, enerzijds, en een tuchtmaatregel, anderzijds, verschillen fundamenteel van aard. De overheid beschikt over een grotere bewegingsvrijheid wanneer zij nog moet kiezen wie zij als burgemeester in de gemeente zal aanstellen dan wanneer de betrokkene reeds met dat ambt is bekleed. In het laatste geval kunnen, anders dan in het eerste geval, alleen schuldige misdragingen in de levenswandel als burgemeester wettig in aanmerking genomen worden.
  17. De conclusie is dat, zo wellicht de fraude van verzoeker als kennelijk wangedrag bestempeld mag worden, ze niettemin geen kennelijk wangedrag is dat overeenkomstig artikel 82 van de nieuwe gemeentewet tot een disciplinaire sanctie tegen de burgemeester aanleiding kan geven. Hieruit volgt dat verzoekers afzetting onwettig is. XII-210-10/12 Dat geldt ook de weigering van zijn ontslag die juist hierdoor gemotiveerd wordt dat het aanvaarden van het ontslag zou leiden “tot straffeloosheid op het disciplinaire vlak wat niet enkel strijdig is met de waardigheid van het ambt van burgemeester, het rechtsgevoel, het gelijkheidsbeginsel, maar daarenboven ook met de wil van de wetgever die klaar en duidelijk heeft voorgeschreven dat kennelijk wangedrag van een burgemeester dient gesanctioneerd te worden”. Nog daargelaten dat het artikel 82 van de nieuwe gemeentewet niet voorschrijft dat de Koning wegens kennelijk wangedrag “moet” schorsen of afzetten, maar “kan” schorsen of afzetten, is er geen reden om te vrezen voor disciplinaire straffeloosheid in een geval waarin geen disciplinaire tekortkoming aannemelijk wordt gemaakt. Het eerste onderdeel van het eerste middel is in de besproken mate gegrond. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  18. Het koninklijk besluit van 30 december 1996 waarbij Lieven Lenaerts uit zijn ambt van burgemeester van de stad Sint-Niklaas wordt afgezet en waarbij zijn ontslag wordt geweigerd, wordt nietigverklaard. Artikel
  19. De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 99,16 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Artikel
  20. Dit arrest zal worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op veertien juli 2008, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, XII-210-11/12 J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-210-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.185.384 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.