← België

Arrest 185388 - Detectives - 14/07/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 juli 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.185.388 Rolnummer: A. 161210/XII-4417 Zaak: Arrest 185388 - Detectives - 14/07/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-07-24 Raadplegingen: 76 - laatst gezien 2026-06-29 08:24 Fiche Arrest nr 185.388 van 14 juli 2008 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Detectives Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 185.388 van 14 juli 2008 in de zaak A. 161.210/XII-4417. In zake : XXXX tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken. -------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat XXXX op 25 maart 2005 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 20 januari 2005 van de minister van Binnenlandse Zaken waarbij hem de vergunning wordt geweigerd om het beroep van privé-detective uit te oefenen; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgesteld door eerste auditeur-afdelingshoofd W. Van Noten; Gelet op de mededeling van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van verzoeker; Gelet op de beschikking van 24 januari 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 8 april 2008; Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; XII-4417-1/33 Gehoord de opmerkingen van verzoeker, en van attaché P. Cornette, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd W. Van Noten; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : I. De feitelijke gegevens 1. Verzoeker dient op 7 januari 2003 bij de federale overheids- dienst Binnenlandse Zaken een aanvraag in voor het verkrijgen van een vergunning van privé-detective. Hij doet die aanvraag vanwege zijn werkzaam- heden als inspecteur bij een verzekeringsmaatschappij. In de aanvraag laat hij gelden dat het bijgevoegd getuigschrift van goed zedelijk gedrag niet is “aangepast aan de realiteit”, omdat er geen rekening is gehouden met zijn vrij- spraak in een zaak van dierenmishandeling. Bovendien is er verkeerdelijk sprake van een veroordeling wegens “bedreiging door gebaren of zinnebeelden art. 329 SWB”, terwijl het ging om een opschorting van veroordeling wegens smaad. De procureur-generaal bij het hof van beroep te Brussel verleent op 17 april 2003 een ongunstig advies. Ook de minister van Justitie verleent een ongunstig advies, op 23 april 2003. Het advies luidt : “Ik sluit mij aan bij het ongunstig advies van de gerechtelijke autoriteiten omdat niet voldaan is aan de voorwaarden gesteld door artikel 3, § 1, 1, 2, 3 en 5 van de wet van 19 juli 1991 tot regeling van het beroep van privé-detective. Uit de bijgeleverde pv’s blijkt immers duidelijk dat de betrokkene al te vaak met de politie in aanraking is gekomen omwille van XII-4417-2/33 allerlei problemen waaruit een agressieve tot gewelddadige attitude naar voor komt, ook ten opzichte van de politie zelf, wat hem een veroordeling wegens smaad opleverde. Een van de zaken waarbij hij betrokken was, werpt wel een heel merkwaardig licht op zijn werk als schade-inspecteur, wat hem deontologisch niet bepaald geschikt maakt voor deze functie”. 2. Met een aangetekende brief van 18 maart 2004 wordt aan verzoeker medegedeeld dat de minister van Binnenlandse Zaken overweegt om de vergunning als privé-detective niet te verlenen : ”Ik baseer mij hiervoor op het ongunstige advies van de Minister van Justitie en PV’s waaruit blijkt dat u gekend bent bij de politiediensten voor diverse feiten waaruit een agressieve en gewelddadige attitude naar voor komt, ook ten opzichte van de politie zelf, wat u een veroordeling wegens smaad opleverde. Een dergelijke agressieve houding blijkt niet compatibel met het beroep van privé-detective. Op 21 juni 2002 werd u de opschorting gedurende een termijn van drie jaar verleend door de correctionele rechtbank te Brussel in verzet tegen een verstekvonnis d.d. 15 februari 2001 wegens smaad van een politieagent in de uitoefening of ter gelegenheid van de uitoefening van zijn bediening, door woorden, daden of bedreigingen daterend van 25 mei 2000. Op 7 mei 2001 werd eveneens ter uwer laste een PV BR 41.14.004081/01 opgesteld wegens smaad en weigering van het vertonen van uw identiteitskaart. Overwegende dat in juni 1997 een PV BR 43.25.004606/97 lastens u opgesteld werd wegens het plegen van een vluchtmisdrijf. Na een aanrijding zou u weggevlucht zijn en zou u een vluchtmisdrijf gepleegd hebben zonder dat er gewonden vielen. Dit dossier werd geseponeerd, mogelijk wegens onvoldoende bezwaren. Op 27 december 1997 was u betrokken bij een verkeersongeval waarna u vluchtmisdrijf pleegde. Op 4 februari 1999 werd u, in beroep tegen een vonnis van de Politierechtbank te Brussel d.d. 27 november 1998, door de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel veroordeeld omwille van het door u gepleegde vluchtmisdrijf. Meer bepaald ontstond er tussen u en de bestuurder van een andere wagen onenigheid waarna u uiteindelijk achteruit gereden bent om daarna direct vooruit te rijden zodat de andere bestuurder over de wagen gerold is, waardoor hij zijn hoofd gestoten heeft aan de bagagedrager. Daarna heeft u uw weg verder gezet en bent u ingereden op de flank van een regelmatig geparkeerd voertuig waarna u opnieuw uw weg vervolgd heeft. De bestuurder van de andere wagen verklaarde dat u, toen hij naast uw wagen kwam staan om met u te discussiëren, een mes getoond heeft en uw portier tegen zijn knie gestoten heeft waarna hij tegen uw portier geschopt heeft. Toen hij zag dat u vooruit reed naar hem toe, is hij op de motorkap van XII-4417-3/33 uw wagen gesprongen waarna hij zich geblesseerd heeft aan uw bagagedrager en daarna op de grond gevallen is. Uzelf verklaarde dat betrokkene naast uw voertuig kwam staan en met u wou vechten, dat u daar niet wou op ingaan en hem gebaarde om u met rust te laten en dat hij daarna met volle kracht in uw linker portier stampte. U verklaarde dat u koste wat kost de plaats van het gebeuren wou verlaten en dat betrokkene u dit wou verhinderen en dat hij op uw rijdende wagen is gesprongen met de bedoeling om te vermijden dat u zou wegrijden. Betreffende de aanrijding nadien met de geparkeerde auto waarbij u verder gereden bent, verklaarde u dat u dit aangegeven heeft bij uw verzekeringen. De voornoemde feiten werpen een negatief licht op uw deontologische geschiktheid voor de functie van schade-inspecteur”. Aan verzoeker wordt eveneens medegedeeld dat hij over vijftien werkdagen beschikt om inzage te nemen van het administratief dossier, dat hij zich mag laten bijstaan of vertegenwoordigen door een raadsman naar keuze en dat hij over een termijn van dertig werkdagen beschikt om zijn standpunt met een aangetekende brief aan de directie Private Veiligheid van de federale overheidsdienst Binnenlandse Zaken kenbaar te maken. Met een brief van 30 april 2004 deelt verzoeker zijn opmerkingen mee. Hij schrijft onder meer : “Samenvattend kan het volgende gesteld worden : van de vier aangehaalde feiten zijn er 2 ronduit irrelevant (PV 7 mei 2001 en PV juni 1997) wegens schending van de algemene rechtsbeginselen ‘vermoeden van onschuld en rechten van de verdediging), de 2 andere aangelegenheden werden aangedikt, uit hun context gehaald, en subjectief geïnterpreteerd en kunnen de toets van een ‘normale appreciatiebevoegdheid’ niet doorstaan (geen verband met de uitoefening van het beroep van privé-detective en miskenning van het proportionaliteitsbeginsel). Wat de aangelegenheid ‘smaad’ betreft (opschorting van de uitspraak) wordt kwaadwillig de uitdrukkelijke motivering van de rechter over de gevolgen van de uitspraak miskend. De enige veroordeling wegens vluchtmisdrijf dateert bovendien van meer dan 5 jaar geleden (voor feiten van meer dan 6 jaar geleden) en werd intussen uitgewist”. XII-4417-4/33 3. Op 20 januari 2005 beslist de minister van Binnenlandse Zaken dat de vergunning als privé-detective aan verzoeker wordt geweigerd. Hoofdzakelijk wordt gemotiveerd wat volgt : “Overwegende dat de onderstaande feiten in samenhang moeten beschouwd worden; 1. opschorting van de uitspraak van de veroordeling voor een periode van drie jaar wegens smaad van een politieagent Vonnis van de Correctionele Rechtbank te Brussel d.d. 21/06/2002 Overwegende dat de heer XXXX op 21 juni 2002 de opschorting van de uitspraak van een veroordeling voor een periode van drie jaar verleend werd door de Correctionele Rechtbank te Brussel in verzet tegen een verstekvonnis van 15 februari 2001 wegens smaad van een politieagent in de uitoefening of ter gelegenheid van de uitoefening van zijn bediening, door woorden, daden of gebaren of bedreigingen daterend van 25 mei 2000; Overwegende dat de feiten, zoals weergegeven in het voornoemd vonnis een negatief licht werpen op de deontologische geschiktheid van betrokkene voor het uitoefenen van het beroep van privé-detective; Overwegende dat de heer XXXX in het kader van zijn verweer opmerkt dat in het justitieadvies verkeerdelijk wordt gerefereerd naar een veroordeling wegens smaad; dat betrokkene op 21 juni 2002 de opschorting van de uitspraak van de veroordeling werd verleend en dat er bijgevolg geen sprake is van een veroordeling; Dat betrokkene in zijn verweer refereert naar het feit dat wanneer voor een bepaald feit de opschorting van de uitspraak van de veroordeling werd toegekend, dit betekent dat er nooit een veroordeling is geweest; dat de privé-detective dus ook in dit geval voldoet aan de voorwaarde inzake ‘afwezigheid van veroordeling’ (Cappelle Jan, Het statuut van de privé-detective, Politeia, p.40); Overwegende echter dat de voorwaarden bepaald in artikel 3, § 1 van de wet van 19 juli 1991 gelden als minimumvoorwaarden die verplichte weigerings-motieven uitmaken; dat ongeacht het feit of de aanvrager voldoet aan de voorwaarden opgesomd in artikel 3 § 1 van de wet, de Minister van Binnenlandse Zaken gebruik kan maken van zijn appreciatiebevoegdheid zoals omschreven in artikel 3,§4 van de wet en de vergunning kan weigeren; Overwegende dat in dit kader de Raad van State heeft geoordeeld dat de feiten afdoende vaststaan indien aan de betrokkene de gunst van opschorting van de uitspraak van de veroordeling is verleend (R.v.St. Laperre, n 44.728, 26 oktober 1993; Kuhne, n 45.548, 30 december 1993) of de veroordeling is uitgewist (R.v.St. Bert; n 53.885, 14 december 1993); Overwegende dat de correctionele rechtbank te Brussel aan aanvrager de opschorting van de uitspraak toestond; dat deze opschorting impliceert dat de rechter de feiten bewezen acht maar geen veroordeling uitspreekt; dat bijgevolg vaststaat dat aanvrager de feiten heeft gepleegd ook al is hij niet veroordeeld; XII-4417-5/33 Dat uit de bewoordingen van het vonnis blijkt dat de heer XXXX de feiten niet ontkent, ‘dat de houding van de beklaagde op het ogenblik van de interpellatie zeer zeker te betreuren valt wat trouwens bevestigd wordt door de beklaagde zelf die totaal ontdaan was door de vastberadenheid van de verbalisant. Dat hij niet ontkent dat zijn bewoordingen misschien wel smadend aanvoelden ten aanzien van de verbalisant en dan ook ter zitting zijn verontschuldigingen aanbiedt’; ‘Dat de feiten van de tenlastelegging smaad, gepleegd zijnde op 25 mei 2000 bewezen zijn door de objectieve vaststellingen van het strafdossier, en trouwens door de beklaagde niet betwist worden’; ‘dat de feiten, hoewel op zich allesbehalve banaal, blijken beperkt te zijn tot een éénmalig incident’, Overwegende dat de heer XXXX aangaande deze feiten in zijn verweer d.d. 30 april 2004 zelf stelt dat ‘over de uiteindelijke kwalificatie smaad, heb ik reeds gesteld dat ik ter zitting de zaak juridisch niet op de spits heb willen drijven, aangezien ik op dat ogenblik reeds wist dat de voorzitster een opschorting vooropstelde. Ze begreep ten volle dat ik verkeerd gereageerd had omwille van de beschuldigingen; bovendien had ik mij hiervoor verontschuldigd ter zitting’; Overwegende dat de heer XXXX in het voornoemd verweer stelt dat: ‘zelfs indien men ervan uitgaat dat de aangehaalde feiten als bewezen voorkomen, dan nog houdt de interpretatie door de ambtenaar van de dienst een manifeste schending in van het proportionaliteitsbeginsel, aangezien deze feiten niet voldoende zwaarwichtig zijn om een weigering te rechtvaardigen aangezien deze feiten op geen enkele wijze verband houden met het uitoefenen van taken van een privé-detective. De wet op de privé-detective heeft immers tot doel ‘... de sector van de privé-detectives te saneren door er personen uit te verwijderen die moreel of professioneel niet betrouwbaar zijn, van wie het huidige of vroegere gedrag niet waarborgt dat ze aan het beroep van privé-detective eigen methodes en opdrachten met voldoende bekwaamheid en nauwgezet rekening houdend met de openbare orde, veiligheid en bescherming van het privé-leven zullen uitvoeren; dat deze doelstelling onder andere bereikt moet worden door het invoeren van een vergunningsplicht...’ (motivering Belg. Staat op p.4, par. 2, Arr. Rvs, Belg. Staat vs Laperre danny, arrest 53.472 van 31 mei 1995).’ Overwegende dat nergens gesteld wordt dat bovenvernoemde opschorting op zich resulteert in de weigering van de vergunning als privé-detective; dat het bovenstaande feit in samenhang moet beschouwd worden met de overige aangehaalde feiten; Overwegende dat de heer XXXX in zijn verweer stelt dat ‘de rechter stelde uitdrukkelijk: ‘een veroordeling, zelfs met uitstel, zou van aard kunnen zijn om de reclassering van beklaagde in het gevaar te brengen’ Dat de rechter dit inderdaad zei en daarbij als aanvulling gaf dat ‘beklaagde werkt als verzekeringsinspecteur en vreest voor problemen als hij geen blanco bewijs van goed gedrag en zeden kan voorleggen’; dat anderzijds in het kwestieus vonnis gerefereerd wordt naar het feit dat de houding van de beklaagde op het ogenblik van de interpellatie zeer zeker te betreuren valt en dat de rechter aanhaalt dat de feiten op zich alles behalve banaal zijn; XII-4417-6/33 Dat betrokkene de vergunning als privé-detective aanvraagt in het kader van zijn werk als verzekeringsinspecteur; dat de wet van 19 juli 1991 van openbare orde is, dat de problematiek van de privé-detectives heel nauw samenhangt met de problematiek van de openbare orde en veiligheid en dat de vergunning betrekking heeft op het specifieke beroep van privé-detective; dat de doelstelling van de wet bijgevolg voorrang moet hebben op het doel van de opschorting van de veroordeling; Overwegende dat de feiten, zoals weergegeven in het vonnis het gedrag van aanvrager typeren; dat meer bepaald hier uiting wordt gegeven van een negatieve attitude jegens een drager van het openbaar gezag; Overwegende dat deze feiten in samenhang dienen te worden gezien met de hiernavolgende punten; 2. proces verbaal BR 41.14.004081/01 wegens smaad en weigering van het vertonen van de identiteitskaart Overwegende dat op 7 mei 2001 eveneens lastens de Heer XXXX een procesverbaal met referentie BR 41.14.004081/01 werd opgesteld wegens smaad en weigering van het vertonen van zijn identiteitskaart; Dat betrokkene aan een agente die een inbreuk op het verkeersreglement vaststelde, zou gezegd hebben dat ‘je n'étais qu’une grosse vache’ en dat hij nadien nog verschillende zaken in het Nederlands gezegd zou hebben die de agente niet begrepen heeft; ‘ il m’a également dit que je n'étais qu'une illettrée. Il se plaçait entre moi et son véhicule, de sorte que je ne puisse pas en lire la marque d'immatriculation, et a refusé de s'éloigner de moi lorsque je lui ai demandé, à plusieurs reprises. ...’ Overwegende dat de heer XXXX in zijn verweer aanvoert dat: ‘ik ben in die aangelegenheid zelfs nooit verhoord. Ik heb dus ook nooit de gelegenheid gekregen om enig verweer te voeren. De zaak werd onmiddellijk, zonder de minste onderzoeksverrichtingen door de parketmagistraat geklasseerd zonder gevolg,...’ De heer XXXX stelt dat ‘het feit dat deze feiten worden ingeroepen om een weigeringsbeslissing te rechtvaardigen, houdt een manifeste schending in van de rechten van verdediging en het vermoeden van onschuld, aangezien ik nooit werd verhoord en dus nooit mijn versie van de feiten heb kunnen geven; Overwegende echter dat betrokkene in het kader van de procedure tot weigering van zijn vergunning als privé-detective op de hoogte werd gebracht van de feiten die hem ten laste worden gelegd en dat hij op 26 maart 2004 het administratief dossier heeft kunnen inkijken waarop deze weigeringsbeslissing gebaseerd is; dat de heer XXXX een kopie van het administratief dossier heeft gekregen en nadien zijn verweer heeft kunnen overmaken; dat hij in zijn verweer aangaande de inhoud van het vernoemde PV geen bijkomende uitleg gegeven heeft; Overwegende dat de heer XXXX in zijn verweer schrijft dat ‘daarenboven zijn hulpagenten niet gemachtigd proces- verbaal op te stellen over misdrijven van gemeen recht. De eenzijdige verklaringen onder de vorm van processen-verbaal uit het dossier hebben slechts de waarde van een loutere inlichting en genieten zeer zeker niet van de bijzondere bewijswaarde van processen-verbaal opgesteld door bevoegde personen. Tenslotte hebben ook XII-4417-7/33 deze feiten geen enkel uitstaans met de uitoefening van het beroep van privé-detective;’ Overwegende dat deze feiten wel degelijk uitstaans hebben met het uitoefenen van het beroep van privé-detective en dit vooral wanneer ze samen bekeken worden met de feiten die aanleiding gegeven hebben tot het vonnis van 21 juni 2002 over de opschorting van de uitspraak van een veroordeling voor een periode van drie jaar verleend door de Correctionele Rechtbank te Brussel in verzet tegen een verstekvonnis van 15 februari 2001 wegens smaad van een politieagent in de uitoefening of ter gelegenheid van de uitoefening van zijn bediening, door woorden, daden of gebaren of bedreigingen; dat de heer XXXX de mogelijkheid gekregen heeft om in zijn verweer de inhoud van het proces verbaal van 7 mei 2001 te weerleggen; dat betrokkene in zijn verweer gesteld heeft dat ‘... overschrijdt de ambtenaar van dienst zijn bevoegdheid in dit dossier door te verwijzen naar feiten waarvan niet eens bewezen is dat ik er bij betrokken ben.’ 3. Vonnis van de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel d.d. 4 februari 1999 (hoger beroep tegen een vonnis van de Politierechtbank te Brussel d.d. 27 november 1998) Overwegende dat de heer XXXX op 27 december 1997 betrokken was bij een verkeersongeval, waarna hij vluchtmisdrijf pleegde; dat op 4 februari 1999 betrokkene in beroep, tegen een vonnis van de Politierechtbank te Brussel d.d. 27 november 1998, door de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel veroordeeld werd omwille van het gepleegde vluchtmisdrijf; Overwegende dat in het kader van de voornoemde zaak uit de processen-verbaal blijkt dat er tussen aanvrager en de bestuurder van een andere wagen onenigheid ontstond waarna aanvrager uiteindelijk achteruit zou zijn gereden, om daarna direct vooruit te rijden zodat de andere bestuurder over de wagen gerold is, waardoor hij zijn hoofd zou hebben gestoten aan de bagagedrager; dat daarna aanvrager zijn weg heeft verder gezet en ingereden is op de flank van een regelmatig geparkeerd voertuig waarna hij opnieuw zijn weg vervolgd heeft; Overwegende dat de bestuurder van de andere wagen verklaarde dat betrokkene, toen hij naast zijn wagen kwam staan om met hem te discussiëren, een mes getoond heeft en het portier van betrokkene tegen zijn knie gestoten heeft waarna hij tegen het portier van betrokkene heeft geschopt; dat toen hij zag dat betrokkene vooruit reed naar hem toe, hij op de motorkap van de wagen van betrokkene is gesprongen, waarna hij zich geblesseerd heeft aan de bagagedrager van betrokkene en daarna op de grond is gevallen; Overwegende dat in dit kader aanvrager heeft verklaard dat de bestuurder van de andere wagen naast zijn voertuig kwam staan en met hem wou vechten, dat aanvrager daar niet wou op ingaan en hem gebaarde om hem met rust te laten en dat hij daarna met volle kracht in het linker portier van aanvrager stampte; dat aanvrager verklaarde dat hij koste wat kost de plaats van het gebeuren wou verlaten en dat de bestuurder van de andere wagen dit wou verhinderen en dat hij bijgevolg op de rijdende wagen van betrokkene is gesprongen met de bedoeling om te vermijden dat hij zou wegrijden; XII-4417-8/33 Overwegende dat betreffende de aanrijding nadien met de geparkeerde auto waarbij betrokkene is verder gereden, aanvrager verklaard heeft dat hij dit heeft aangegeven bij zijn verzekering; Overwegende dat uit het proces-verbaal d.d. 27 december 1997 van de politie van Elsene blijkt dat ‘Tijdens de vlucht heeft XXXX een andere wagen aangereden in de Dillenstraat. Ik dacht dat het voertuig een Renault R4 van witte kleur was. XXXX heeft doorgereden. Hij is niet ter plaatse gestopt. Ik heb een ruzie met XXXX gehad omdat hij niet gestopt is...’; Overwegende dat betrokkene desbetreffend het volgende stelt ‘ten eerste gaat het hier over feiten van meer dan 6 jaar oud. Het is correct dat de rechtbank een veroordeling heeft uitgesproken wegens vluchtmisdrijf, nadat de rechtbank ook geweigerd heeft om twee zaken te voegen. De eerste zaak, zijnde de onenigheid met een andere bestuurder, de tweede zaak, zijnde de feitelijke aanrijding met een geparkeerd voertuig. Tot mijn verbazing volgt de behandelende ambtenaar thans wel de stelling dat beide zaken samen horen en dus eigenlijk tegelijkertijd hadden dienen behandeld te worden voor de rechtbank. Immers de ambtenaar voegt beide zaken op eigen'initiatief in zijn motivering thans samen, daar waar de rechtbank deze stelling voorheen niet volgde.’ Overwegende dat de veroordeling effectief enkel betrekking heeft op het vluchtmisdrijf maar dat in het kader hiervan PV's bestaan met betrekking tot de onenigheid met de andere bestuurder; dat over deze onenigheid de visie van beide partijen aan bod komt; Overwegende dat betrokkene in zijn verweer stelt dat ‘Onverminderd de grond van deze zaak waarover de ambtenaar in kwestie thans zelf niet vermag te oordelen, wens ik er toch nog aan toe te voegen dat de veroordeling wegens vluchtmisdrijf het gevolg is van de niet voeging van beide zaken voor de rechtbank. Ik was het slachtoffer van verkeersagressie vanwege een andere bestuurder, niet de dader, reden waarom ik in paniek ben weggereden en tegen een geparkeerde wagen ben gereden. Blijkbaar heeft de parketmagistraat deze stelling gevolgd en werd ik niet als dader vervolgd.’ Overwegende dat de veroordeling wegens vluchtmisdrijf van belang is en de reden waarom dit vluchtmisdrijf werd gepleegd, niet in beschouwing dient te worden genomen; Overwegende dat de heer XXXX stelt ‘wat de effectieve veroordeling betreft voor het vluchtmisdrijf, wens ik te benadrukken dat rekening houdend met de concrete omstandigheden, deze feiten eveneens niets te maken hebben met het uitoefenen van het beroep van privé-detective. ... Het slachtoffer van deze aanrijding werd trouwens vergoed en de veroordeling werd intussen uitgewist’; Overwegende dat in het vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brussel d.d. 4 februari 1999 wordt gerefereerd naar het feit dat de houding van de beklaagde op het ogenblik van de feiten getuigt van een afkeurenswaardig sociaal gedrag en een gevaar betekent voor de andere weggebruikers; Overwegende dat enerzijds kan herhaald worden dat de Raad van State heeft geoordeeld dat de feiten afdoende vaststaan indien aan de betrokkene de XII-4417-9/33 gunst van opschorting van de uitspraak van de veroordeling is verleend (R.v.St. Laperre, n 44.728, 26 oktober 1993; Kuhne, n 45.548, 30 december 1993) of de veroordeling is uitgewist (R.v.St. Bert; n 53.885, 14 december 1993); dat de feiten bijgevolg vaststaan: dat anderzijds deze feiten wel degelijk in verband kunnen gebracht worden met de beslissing om de vergunning als privé-detective te weigeren; dat ook deze feiten in samenhang met de overige feiten moeten beschouwd worden; dat een privé-detective in het uitoefenen van zijn activiteiten immers een voorbeeldfunctie heeft; Overwegende dat betrokkene stelt dat hij op het ogenblik van zijn veroordeling omwille van het verkeersongeval van 27 december 1997 nog advocaat was aan de Balie te Brussel en hiervoor geen enkele deontologische sanctie opliep en dat nu zes jaar later, deze veroordeling plots wel aanleiding zou kunnen geven tot een sanctie, onder de vorm van het weigeren van de vergunning tot privé-detective en dit terwijl hij bijna vijf jaar zijn beroep als inspecteur-generalist uitoefent; Overwegende dat de weigering van de vergunning als privé-detective geen sanctie uitmaakt; Overwegende dat de voornoemde feiten een negatief licht werpen op de deontologische geschiktheid van betrokkene voor de functie van schade-inspecteur; 4. Proces-verbaal van 24 juni 1997 (BR.43.25.004606/97) wegens verkeersongeval met vluchtmisdrijf. Overwegende dat aanvrager stelt dat hij in dit kader nooit werd verhoord; Overwegende echter dat betrokkene in het kader van de procedure tot weigering van zijn vergunning als privé-detective op de hoogte werd gebracht van de feiten die hem ten laste worden gelegd en dat hij op 26 maart 2004 het administratief dossier heeft kunnen inkijken waarop deze weigeringsbeslissing gebaseerd is; dat de heer XXXX een kopie van het administratief dossier heeft gekregen en nadien zijn verweer heeft kunnen overmaken; dat hij in zijn verweer aangaande de inhoud van het vernoemde PV geen bijkomende uitleg gegeven heeft; Overwegende dat dit feit in samenhang dient te worden gezien met de voornoemde feiten; [...] Overwegende dat een privé-detective opsporingen mag doen en dat het naleven van de bepalingen van de detectivewet daarbij uiterst belangrijk is; dat uit de aangehaalde feiten blijkt dat betrokkene weinig respect heeft voor zijn medemens; dat dit ondermeer blijkt uit het feit dat betrokkene smaad en vluchtmisdrijf heeft gepleegd; dat bovendien voor een privé-detective die deze activiteiten in het kader van zijn beroep als verzekeringsinspecteur wenst uit te oefenen, het vluchtmisdrijf waarvoor hij veroordeeld werd en wat er aan vooraf ging, een negatief licht werpt op zijn deontologische geschiktheid voor het beroep van privé-detective; Overwegende dat de algemene doelstelling van de wet van 19 juli 1991 uitgaat van het principe het beroep van privé-detective enkel toegankelijk te maken voor betrouwbare personen die geen ongeoorloofde methodes gebruiken en van het groot belang van de betrouwbaarheidsvereiste (Gedr. St. Senaat, 1990-1991, nr. 1259/1, p.1 en 2); dat dit voor XII-4417-10/33 verzekeringsmensen nog gevoeliger ligt en dat zeker bij schadegevallen men er moet op kunnen rekenen dat de privé-detective ten volle betrouwbaar is; Overwegende dat de Minister van Binnenlandse Zaken over een appreciatiebevoegdheid beschikt betreffende de door de detective gepleegde feiten die zelfs als ze niet het voorwerp hebben uitgemaakt van een strafrechtelijke veroordeling, een ernstige tekortkoming van de beroeps-deontologie uitmaken en daarom raken aan het vertrouwen in de betrokkene (art. 3, §4 van de voornoemde wet van 19 juli 1991); dat de hogervermelde feiten en de houding van de betrokkene dusdanig zijn dat ze dit vertrouwen ernstig raken doordat ze de morele integriteit en betrouwbaarheid aantasten in het licht van de wet van 19 juli 1991; Overwegende dat de Minister van Binnenlandse Zaken zijn appreciatie-bevoegdheid heeft aangewend en hierbij heeft geoordeeld dat voornoemde feiten, zelfs diegene waarvoor betrokkene niet effectief werd veroordeeld, voldoende zijn om vast te stellen dat betrokkene niet voldoet aan de vereiste moraliteitsvoorwaarden”. II. Eerste middel Standpunt van verzoeker 4. Een eerste middel, “Schending van de rechten van verdediging”, bestaat uit drie onderdelen. XII-4417-11/33 In de eerste plaats doet verzoeker gelden dat hij nooit werd gehoord, alhoewel hij verschillende keren heeft aangedrongen op een onderhoud. Daardoor heeft hij bepaalde zaken niet kunnen rechtzetten. Uit het administratief dossier blijkt dat in de bijlage bij het politieverslag een achterhaald uittreksel uit het strafregister te vinden is en het is meer dan waarschijnlijk dat de minister van Justitie, het parket-generaal en de Veiligheid van de Staat zich bij het uitbrengen van hun advies op dat politieverslag gebaseerd hebben. Bovendien heeft het parket zich in verband met zijn veroordeling bij verstek wegens dieren- mishandeling en smaad vergist in de kwalificatie smaad, door artikel 329 SW te vermelden in plaats van artikel 276 SW. Verzoeker had hieromtrent toelichting kunnen geven, maar dit werd hem nooit toegestaan. In de tweede plaats stelt verzoeker dat hem wel een kopie van het administratief dossier overhandigd werd maar dat hij het dossier zelf nooit heeft kunnen inzien, zodat hij niet heeft kunnen verifiëren of het dossier dat hem overhandigd werd, overeenstemt met het dossier waarop de minister van Binnenlandse Zaken zich gesteund heeft. In het advies van het parket wordt verwezen naar ingewonnen inlichtingen, maar verzoeker heeft er het raden naar op welke ingewonnen inlichtingen het advies gebaseerd is. Voorts is er ook geen spoor van het verslag van de Veiligheid van de Staat dat eveneens negatief was. Het feit dat verzoeker geen inzage heeft gehad van het volledig dossier maakt een schending uit van de rechten van verdediging. Ten slotte voert verzoeker nog aan dat het vermoeden van onschuld werd geschonden doordat in de bestreden beslissing wordt verwezen naar de inhoud van strafdossiers die zonder gevolg geklasseerd werden. Volgens verzoeker is de verwerende partij uitermate onzorgvuldig tewerk gegaan bij de feitenvinding en gaan de conclusies van de minister regelrecht in tegen de gegevens van het strafdossier en de conclusie van de parketmagistraat. 5. In de memorie van wederantwoord en de laatste memorie betoogt verzoeker nog dat het negatief advies van de minister van Justitie enkel XII-4417-12/33 kan worden verklaard door de vermeldingen op het foutief uittreksel uit het strafregister, dat hij niet de mogelijkheid heeft gehad om hierover een onderhoud te hebben met de verwerende partij, dat hij slechts een kopie van het dossier heeft ontvangen zonder dat hij in de mogelijkheid was om te verifiëren of de overhandigde kopies overeenstemden met het dossier van de minister van Binnenlandse Zaken en of alle documenten “ook nog in dezelfde volgorde zaten als in het ‘originele dossier’, zoals aangewend door de Minister van Binnenlandse Zaken in casu”, dat hij geen enkele zekerheid heeft over de inhoud van het originele dossier, en dat het vermoeden van onschuld werd geschonden doordat de minister van Binnenlandse Zaken zich gebaseerd heeft op twee strafdossiers waarvoor hij nooit werd veroordeeld. Beoordeling 6. De bestreden beslissing weigert verzoeker de vergunning als privé-detective op grond van feiten die zijn morele integriteit en betrouwbaarheid aantasten, en daardoor ook het vertrouwen in hem. Was de verwerende partij met het oog op het nemen van die beslissing weliswaar niet er toe gehouden de rechten van de verdediging te eerbiedigen, krachtens een beginsel van behoorlijk bestuur diende zij hem dan toch in de gelegenheid te stellen om terzake nuttig zijn standpunt te doen gelden. Dit vergt dat hij kennis heeft van de wezenlijke gegevens waarop het bestuur zich voorneemt te steunen. Het vereist evenwel niet dat hij noodzakelijk mondeling moest worden gehoord. 7. Verzoeker werd met een aangetekende brief van 18 maart 2004 in kennis gesteld van het voornemen van de minister van Binnenlandse Zaken om de vergunning van privé-detective te weigeren alsmede van de feiten die aan de basis lagen van dat voornemen. Er werd hem medegedeeld dat hij over vijftien werkdagen beschikte om inzage te nemen van het administratief dossier, dat hij zich mocht laten bijstaan of vertegenwoordigen door een raadsman naar keuze en dat hij over een termijn van dertig werkdagen beschikte om zijn standpunt met een aangetekende brief aan de directie Private Veiligheid van de federale XII-4417-13/33 overheidsdienst Binnenlandse Zaken kenbaar te maken. Blijkens een door verzoeker ondertekende verklaring heeft hij op 26 maart 2004 het administratief dossier kunnen inkijken en heeft hij er een kopie van gekregen. Op 30 april 2004 heeft hij een uitvoerig gemotiveerd verweerschrift ingediend. Derhalve werd aan verzoeker de gelegenheid geboden om op een nuttige wijze zijn standpunt kenbaar te maken, zowel ten aanzien van de voorgenomen weigering als ten aanzien van de feiten die daartoe eventueel in aanmerking zouden worden genomen. Het volstaat dat hij zijn standpunt schriftelijk kon uiteenzetten. Overigens heeft verzoeker, wat meer in het bijzonder de onjuiste vermeldingen op zijn getuigschrift van goed zedelijk gedrag betreft, niet alleen in zijn verweerschrift maar reeds in zijn aanvraag van 7 januari 2003 doen gelden dat in dat getuigschrift ten onrechte geen rekening werd gehouden met zijn vrijspraak in een zaak van dierenmishandeling en daarin verkeerdelijk sprake was van een veroordeling wegens “bedreiging door gebaren of zinnebeelden art. 329 SWB”, terwijl het ging om een opschorting van veroordeling wegens smaad. 8. Het eerste onderdeel van het middel is ongegrond. 9. Zoals hiervoor gezien, heeft verzoeker blijkens een door hem zonder voorbehoud ondertekende verklaring op 26 maart 2004 het administratief dossier kunnen inkijken en heeft hij er een kopie van gekregen. Tot in de laatste memorie blijft verzoeker betogen dat hij niet het originele dossier heeft kunnen inzien en derhalve niet heeft kunnen nagaan of hij van alle dossierstukken een kopie heeft gekregen. Op grond van artikel 21 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van artikel l6 van het algemeen procedurereglement is de verwerende partij verplicht het administratief dossier neer te leggen. Dit XII-4417-14/33 administratief dossier bevat de stukken die tijdens de administratieve voorbereiding van de beslissing werden opgesteld. Verwerende partij heeft ook effectief aan deze verplichting voldaan, en het administratief dossier bij de memorie van antwoord gevoegd. Verzoeker kon dus wel degelijk de stukken die hij in kopie overhandigd kreeg, vergelijken met het zogenaamde originele dossier van de verwerende partij. Behalve wat de hierna vermelde punten betreft verduidelijkt hij evenwel niet van welke relevante stukken hem geen afschrift zou zijn verleend. 10. In zoverre verzoeker stelt dat in het dossier geen spoor te vinden zou zijn van het verslag van de Veiligheid van de Staat “dat eveneens negatief was”, kan worden verwezen naar zijn eigen stuk 5.3, tweede blad. Op de adviesaanvraag van de minister van Binnenlandse Zaken is op 5 februari 2003 door de diensten van de Veiligheid van de Staat de stempel “niets ongunstigs v.s.” aangebracht. Er bestaat dus geen negatief verslag van de Veiligheid van de Staat. Voorts is hij ten onrechte van mening dat het niet duidelijk is naar welke “ingewonnen inlichtingen“ wordt verwezen in het ongunstig advies van de procureur-generaal bij het hof van beroep te Brussel. Bij het advies van de procureur-generaal waren een politieverslag gevoegd, alsmede een kopie van het vonnis van 21 juni 2002 van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel en een aantal processen-verbaal. Het zijn kennelijk deze inlichtingen, die verzoeker ook zelf bijbrengt als zijn stukken 5.4 tot en met 5.13, waarnaar in het ongunstig advies van de procureur-generaal wordt verwezen. 11. Het tweede onderdeel van het middel is ongegrond. XII-4417-15/33 12. Artikel 3, § 4, van de wet van 19 juli 1991 tot regeling van het beroep van privé-detective, zoals gewijzigd door de wet van 30 december 1996, luidt : “Onafhankelijk van de verificatie van de in §§ 1 tot 3 opgesomde voorwaarden, beschikt de minister van Binnenlandse Zaken over een appreciatiebevoegdheid betreffende de door de detective of de kandidaat detective gepleegde feiten die, zelfs als ze niet het voorwerp hebben uitgemaakt van een strafrechtelijke veroordeling, een ernstige tekortkoming van de beroepsdeontologie uitmaken en daarom raken aan het vertrouwen in de betrokkene”. Aan de minister van Binnenlandse Zaken is derhalve door de wet een appreciatiebevoegdheid toegekend, waarbij feiten in aanmerking genomen kunnen worden die, zelfs als ze niet geleid hebben tot een strafrechtelijke veroordeling, een ernstige tekortkoming aan de beroeps- deontologie uitmaken en daarom raken aan het vertrouwen in de betrokkene. De minister kan derhalve rekening houden met strafrechtelijke feiten die niet tot een veroordeling hebben geleid of zelfs door het parket geseponeerd werden. 13. Vanzelfsprekend moeten de feiten die niet het voorwerp hebben uitgemaakt van een strafrechtelijke veroordeling genoegzaam vaststaan en zou de weigering van een vergunning niet op de loutere tenlastelegging van bepaalde feiten mogen steunen. De vraag of de feiten die te dezen tegen verzoeker in aanmerking zijn genomen, als voldoende vaststaand mochten worden beschouwd, komt in het tweede middel aan de orde. Wat het derde onderdeel van het eerste middel betreft, volstaat het vast te stellen dat het vermoeden van onschuld er niet aan in de weg staat dat de minister bij zijn beoordeling van de vergunningsaanvraag strafrechtelijke feiten in aanmerking neemt die niet tot een veroordeling hebben geleid. Ook het derde en laatste onderdeel van het eerste middel is ongegrond. XII-4417-16/33 XII-4417-17/33 III. Tweede middel Standpunt van verzoeker 14. Een tweede middel, “Schending van het zorgvuldigheids- beginsel - meer bepaald schending van de materiële motiveringsverplichting”, omvat twee onderdelen. Verzoeker stelt in de eerste plaats dat “het recht op rechtzetting van materiële vergissingen” werd geschonden, doordat de minister van Binnen- landse Zaken nooit geantwoord heeft op zijn opmerking dat de overheden aan wie advies werd gevraagd zich gebaseerd hebben op achterhaalde strafrechtelijke informatie en doordat de minister die overheden nooit om een rechtzetting heeft gevraagd. Volgens verzoeker kan de beweerde “agressieve tot gewelddadige attitude, ook ten aanzien van de politie zelf” die hem in het ongunstig advies van de minister van Justitie wordt toegeschreven, worden verklaard door de foutieve vermelding op het attest van goed zedelijk gedrag dat hij een correctionele veroordeling heeft opgelopen wegens “bedreiging door gebaren of zinnebeelden art. 329 SW”. Verzoeker heeft geen veroordeling opgelopen en uit geen enkel stuk blijkt dat hij zich gewelddadig zou hebben gedragen. Volgens verzoeker moet de burger er kunnen op vertrouwen dat de overheid alles eraan doet om de materiële vergissingen die haar worden gemeld, te verhelpen, maar is de minister van Binnenlandse Zaken hier in gebreke gebleven. In de tweede plaats betoogt verzoeker dat de materiële motiveringsplicht en het vermoeden van onschuld werden geschonden. Volgens verzoeker gaat de minister enerzijds wel bijzonder ver in de concrete herinterpretatie van bepaalde feiten en stelt hij zich in de plaats van de parketmagistraten, terwijl hij anderzijds slechts in abstracto naar andere feiten verwijst zonder de concrete achtergrond ervan te vermelden. De minister maakt aldus misbruik van de marginale appreciatiebevoegdheid die hem is toegekend. Verzoeker zet zijn grieven terzake als volgt uiteen : XII-4417-18/33 “2.1 In abstracto-beoordeling (twee van vier feiten)

  1. a)met betrekking tot de opschorting van de uitspraak wegens smaad : ‘dat deze opschorting impliceert dat de rechter de feiten bewezen acht maar geen veroordeling uitspreekt : ‘dat bijgevolg vaststaat dat aanvrager de feiten heeft gepleegd ook al is hij niet veroordeeld’; ‘overwegende dat de feiten zoals weergegeven in het vonnis het gedrag van aanvrager typeren ; dat meer bepaald hier uiting wordt gegeven van een negatieve houding jegens een drager van openbaar gezag’. Het is opvallend hoe de Minister van Binnenlandse Zaken angstvallig vermijdt melding te maken van de ware onderliggende, concrete omstandigheden die aanleiding gegeven hebben tot deze strafzaak en de uitdrukkelijke motivering van de rechter : ‘een veroordeling, zelfs met uitstel, zou van aard kunnen zijn om de reclassering van beklaagde in het gedrang te brengen’ Nochtans stelt een leidend ambtenaar bij Binnenlandse Zaken in zijn boek: ‘Wanneer voor een bepaald feit de opschorting van de uitspraak van de veroordeling werd toegekend, betekent dit dat er nooit een veroordeling is geweest. De Privé Detective voldoet dus ook in dit geval aan de voorwaarde inzake ‘afwezigheid van veroordeling’. (Cappelle, J. Het Statuut van de Privé-detective, Politeia. p. 40, punt 7!). Enige andere argumentatie ontbreekt. Verzoeker verwijst uitdrukkelijk naar de vrijspraak wegens dierenmishandeling in deze zelfde zaak. Uiteindelijk was die beschuldiging de concrete aanleiding van de verhitte discussie, waarbij verzoeker zich dermate gekrenkt voelde door de vastberadenheid van de ‘verbalisant’ over deze mishandeling dat : ‘Hij (verzoeker) niet ontkent dat zijn bewoordingen misschien wel smalend aanvoelden ten aanzien van de verbalisant en ook ter zitting zijn verontschuldigingen aanbiedt’ (vonnis d.d. 25 mei 2002).
  2. b)met betrekking tot de veroordeling vluchtmisdrijf : ‘overwegende dat de veroordeling wegens vluchtmisdrijf van belang is en de reden waarom dit vluchtmisdrijf werd gepleegd, niet in beschouwing dient te worden genomen’ Hiermee geeft de Minister van Binnenlandse Zaken zelfs expliciet toe dat een in concreto-beoordeling van feiten hem niet interesseert, dat alleen de veroordeling zelf voldoende is en niet de concrete onderliggende omstandigheden en feiten In verscheidene arresten, stelt de Raad van State ‘dat het bestaan van een uitwissing of eerherstel tot doel heeft om in de maatschappij te reïntegreren. Door de vergunning te weigeren heeft de overheid hem de plaats doen verliezen die hij terug had ingenomen in de maatschappij’. (Art. RvS, 14 juni 1994, nr. 47940 en 26 oktober 1993 nr. 44725). Nochtans had verzoeker toch mogen verwachten van de Minister van Binnenlandse Zaken dat de motieven die worden aangehaald, één voor één op zichzelf zouden standhouden en deugdelijk zijn, vooraleer men de zaken in samenhang gaat bekijken. XII-4417-19/33 In beide aangehaalde casussen gaat de Minister van Binnenlandse Zaken manifest in tegen de redenering van de Raad van State in het arrest Pennie (RvS, 18 feb. 1997, nr. 64.562). Dit arrest behandelt uitvoerig de problematiek van uitwissing van veroordelingen en de motivering in concreto. Het is correct dat de Minister van Binnenlandse Zaken in huidige zaak beschikt over een negatief advies vanwege een aantal overheidsdiensten. Verzoeker heeft ook toegelicht waarom dit advies negatief was. Het arrest Pennie daarentegen stelt : ‘Alhoewel het advies van de Minister van Justitie niet echt bindend is, zal er wel wel terdege rekening gehouden worden met een negatief advies... dat de wetgever dus minder of niet bedacht blijkt geweest te zijn op of beducht voor de eventualiteit dat een, vanuit een strafrechtelijk oogpunt, gunstig advies van de Minister van Justitie in de Minister van Binnenlandse Zaken, de vergunning zou weigeren, dat dit een reden te meer is om maar in extreme gevallen aan te nemen dat de Minister van Binnenlandse Zaken in strafrechtelijk opzicht strenger zou beoordelen dan de Minister van Justitie, dat in het bestreden besluit op geen manier tot uiting komt dat men zich in zulk een extreem geval bevindt’ (p. 6 o.c.) Gelet op de specifieke context waarin het advies van overheidsdiensten over de persoon van verzoeker tot stand gekomen is (achterhaald uittreksel uit het strafregister) had de Minister van Binnenlandse Zaken na de schriftelijke opmerkingen van verzoeker d.d. 30 april 2004 niets onverlet mogen laten om deze fout recht te zetten en had de Minister om bijkomend advies moeten vragen. Het is evident dat verzoeker qua omstandigheden zich in deze zaak eveneens in een ‘extreme situatie’ bevond en dat de Minister van Binnenlandse Zaken dus uiterst attent en voorzichtig had dienen te zijn in zijn beoordeling en zich niet gemakshalve had mogen verschuilen achter deze negatieve adviezen. Het meest tergende is evenwel dat de Minister van Binnenlandse Zaken, niets, maar dan ook helemaal niets ondernomen heeft in die zin en ook zijn argumentatie na de opmerkingen van verzoeker niet heeft gewijzigd, doch enkel wat heeft herkauwd. Het is blijkbaar niet de eerste keer dat de Minister van Binnenlandse Zaken zich bezondigt aan een dergelijke - men zou bijna zeggen - kwaadwillige houding, zoals hierna verwoord met een uitvoerig citaat uit het Pennie-arrest.’ ‘Overwegende dat voor het tweede en het derde annulatiemiddel verzoeker zich in de hypothese plaatst, dat, in weerwil van wat hij zijn eerste annulatiemiddel staande houdt, de minister ondanks het herstel in eer en rechten de feiten waarop de desbetreffende veroordelingen waren gebaseerd in aanmerking kan nemen om, discretionair oordelend toch de gevraagde machtiging te weigeren; dat hij stelt dat de minister die discretionaire bevoegdheid dan wel in concreto uit moet oefenen; dat hij meent dat de minister dat niet gedaan heeft ; dat hij zich uitsluitend gebaseerd heeft op de strafrechtelijke kwalificatie van de feiten ... dat hij van zijn geschiktheid voor het beroep van privé-detective getuigende attesten heeft overgelegd, dat hij geen nieuwe strafrechtelijke XII-4417-20/33 veroordelingen heeft opgelopen ... Dat hij concludeert dat het bestreden besluit een type-besluit is met als enige concrete elementen zijn naam en de tegen hem ingebrachte strafrechtelijke kwalificaties.. ... Overwegende dat, zich plaatsend in dezelfde hypothese als verzoeker, de Raad het tweede en derde annulatiemiddel ernstig acht... ... dat gesteld dat dit eerherstel de verwerende partij niet verhindert de feiten die tot de veroordelingen hebben geleid in aanmerking te nemen voor haar beoordeling van verzoekers geschiktheid voor het specifieke beroep van privé-detective, toch blijft dat het enige concrete gegeven zijn die zij tegen verzoeker inbrengt die feiten zijn, dat zij derhalve verzoeker fundamenteel hetzelfde lot doet ondergaan als hij vanwege het bepaalde in art. 3, eerste lid, 1, van de Wet van 19 juli 1991 zou ondergaan - moeten ondergaan - wanneer hij geen herstel in eer en rechten had verkregen; dat door zo te handelen de verwerende partij haar discretionaire bevoegdheid niet uitoefent zoals discretionaire bevoegdheid hoort uitgeoefend te worden, namelijk in concreto ; dat zij integendeel een regel hanteert die hierop neerkomt dat wie, -verzoeker of een ander - strafrechtelijke veroordelingen heeft opgelopen èn er eerherstel voor gekregen heeft, evenmin een vergunning kan krijgen als wie dergelijke veroordeling heeft opgelopen zonder eerherstel te krijgen ; dat de algemene beschouwingen die de verwerende partij in het bestreden besluit ontwikkelt, de ontstentenis van een beoordeling in concreto van verzoekers geval alleen maar nog helderder in het daglicht stellen’ (RvS, 18 februari 1997, nr. 64.562). Een gelijkaardige redenering wordt opgebouwd in het arrest Dereymaeker van de Raad van State (RvS., 24 januari 1995, nr. 51.278). Dat de redenering in verband met uitgewiste veroordelingen uiteraard ook opgaat met betrekking tot een opschorting van de uitspraak, is niet meer dan logisch, aangezien de wetgever met beide maatregelen eenzelfde maatschappelijke doelstelling nastreeft, zijnde de reclassering ; Specifiek naar de uitwissing toe stelt de Raad van State trouwens : ... ‘Het weigeren van een vergunning enkel en alleen op basis van dit (uitgewiste veroordeling) feit, betekent eigenlijk dat betrokkene behandeld wordt alsof de straf nooit werd uitgewist’ ... (Arr. RvS. 24 januari 1995, nr. 51278). Dat in casu in beide gevallen (opschorting wegens smaad en uitgewiste veroordeling wegens vluchtmisdrijf) het overduidelijk is dat de Minister van Binnenlandse Zaken zich er mee tevreden heeft gesteld louter in abstracto te verwijzen naar deze (opgeschorte en uitgewiste) strafrechtelijke kwalificaties, zonder in concreto rekening te houden met de onderliggende omstandigheden van deze zaken en zonder het verband aan te tonen met de uitoefening van het specifieke beroep van privé-detective. 2.2 In concreto-beoordeling (twee van de vier feiten) : Wat de twee andere aangehaalde motieven betreft (vluchtmisdrijf geklasseerd zonder gevolg en smaad aan de politie) gaat het om zonder gevolg geklasseerde strafdossiers, waarbij de Minister van Binnenlandse Zaken zo ver gaat in zijn (her)interpretatie van de feiten dat hij XII-4417-21/33 uiteindelijk lijnrecht ingaat tegen de beslissing van de parketmagistraten die de zaak destijds hebben behandeld. Deze manier van argumenteren valt niet meer te rijmen met een behoorlijk, objectief en inhoudelijk correct discours die van een overheidsdienst kan verwacht worden. Verzoeker durft zelfs te stellen dat er sprake is van een kwaadwillige vooringenomenheid ten aanzien van zijn persoon. De Raad van State heeft dan ook terecht geoordeeld : ‘...Overwegende dat het kwalijk met het begrip rechtsstraat te verzoenen valt dat men op grond van deze tekst (een verwijzing naar een geklasseerd strafdossier) voetstoots voor bewezen zou moeten houden hetgeen erin ‘aangetoond’ heet te zijn - en zulks hoewel de erin ter zake gebrachte zaak werd geklasseerd en met niet weet waarom ze is geklasseerd; dat de verwerende partij (Belg. Staat) nochtans van dit bewezen zijn uitgaat om tot het ‘risico’ te besluiten dat ze beschrijft...’ ‘...’ (Motivering RvS. op p. 8, par. 1, Arr. RvS, Belg. Staat vs Laperre Danny, arrest 53.472 van 31 mei 1995). De aangehaalde feiten zijn niet bewezen en de Minister van Binnenlandse Zaken kan zich daarop dan ook niet baseren. Bovendien blijkt uit geen enkel stuk van het administratief bundel van verzoeker dat er speciale aandacht moet worden gehouden met betrekking tot de hier aangehaalde feiten. Het politieverslag zelf (stuk 5.13 blz. 2) stelt zelfs : ‘In het heden : onze diensten hebben voor het ogenblik geen negatieve elementen wat het huidig gedrag van betrokkene betreft. ... Staat hij bekend als een betrouwbaar persoon ? Ja, geen negatieve zaken gekend.’ Verzoeker ervaart de verwijzing naar deze geklasseerde strafdossiers, waarbij het proces als het ware wordt overgedaan om uiteindelijk tot een andere conclusie te komen dan die van de behandelende parketmagistraat als een grove schending van het vermoeden van onschuld. (zie ook eerder bij dat middel op p. 11). De Minister verwijst op een bepaald ogenblik naar de scheiding der machten in zijn weigeringsbeslissing, dat hij niet gebonden zou zijn door beslissingen van de rechterlijke macht. Hij zou er beter aan doen in deze context dit begrip te hanteren. Het vermoeden van onschuld is een algemeen erkend rechtsprincipe (ook in het EVRM). 2.3 Concrete band tussen aangehaalde inbreuken met de uitoefening beroep van privé-detective wordt niet aangetoond. Alle feiten waarop de Minister van Binnenlandse Zaken zich steunt om de vergunning te weigeren, hebben niets te maken met de uitoefening van het beroep van privé-detective. Een nuchtere, objectieve benadering van voormelde feiten, rekening houdend met de concrete elementen van elke aangelegenheid afzonderlijk, houdt geen enkele tekortkoming in van de beroepsdeontologie, integendeel, nu geen enkel van deze feiten verband houdt met de uitoefening van het beroep van Privé-Detective, zelfs niet wanneer men de doelstellingen van de Wet op de Privé-detectives onder de loep neemt (zie onmiddellijk hierna bij het volgend middel : schending van het gelijkheidsbeginsel. XII-4417-22/33 Daar wordt verder ingegaan op de geschiktheid van verzoeker om de vergunning te bekomen. De argumentatie aldaar dient ook hier als hernomen te worden beschouwd. Het is overduidelijk dat de Minister van Binnenlandse Zaken hier misbruik heeft gemaakt van zijn marginale appreciatiebevoegdheid. Nergens werden immers criteria bepaald waaraan men dient te voldoen om binnen de niet uitgetekende krijtlijnen van Binnenlandse Zaken te blijven. Op die manier heerst er rechtsonzekerheid en komt in concreto de job en functie van verzoeker op de helling te staan”. 15. In de memorie van wederantwoord en de laatste memorie voegt verzoeker daar, met betrekking tot het eerste onderdeel, onder meer aan toe dat de minister van Binnenlandse Zaken zich sterk maakt dat de minister van Justitie zich bij het uitbrengen van zijn advies niet op een foutieve juridische kwalificatie van de feiten heeft gesteund, maar dat uit geen enkel stuk blijkt dat de minister van Justitie hieromtrent om verduidelijking is gevraagd, dat het proces-verbaal met betrekking tot smaad en de weigering zijn identiteitskaart te tonen een geklasseerd strafdossier betreft en de minister van Justitie in zijn advies melding maakte van een daadwerkelijke veroordeling wegens smaad en niet van een opschorting van de veroordeling, dat het feit dat de minister van Justitie zich gebaseerd heeft op het niet-geactualiseerd strafregister waarop op dat ogenblik nog een veroordeling geregistreerd stond op grond van artikel 326 SW, de enige logische verklaring vormt voor diens ongunstig advies, en dat zelfs op 14 september 2006 het attest van goed zedelijk gedrag nog steeds een foutieve vermelding bevat. Aangaande het tweede onderdeel beklemtoont verzoeker in de memorie van wederantwoord en de laatste memorie nog dat het niet volstaat, teneinde aan de materiële motiveringsplicht te voldoen, een aantal feiten naar voor te schuiven die dan “in samenhang” worden beschouwd, dat de motieven niet inhoudelijk zijn onderzocht, noch op een objectieve manier getoetst aan de concrete omstandigheden, dat de minister van Binnenlandse Zaken duidelijk met twee maten en twee gewichten heeft gewerkt, dat hij bij de zogenaamde “vaststaande feiten”, voorwerp van een strafrechtelijke uitspraak, geen rekening houdt met de concrete, onderliggende omstandigheden en een beoordeling in XII-4417-23/33 abstracto maakt, terwijl hij de “niet-vaststaande feiten” in concreto toelicht, beoordeelt en herinterpreteert, in die mate zelfs dat loutere tenlasteleggingen als vaststaande feiten worden beschouwd, zulks onder het mom van de uitoefening van een appreciatiebevoegdheid, zonder het bewijs te leveren dat de feiten vaststaan. Beoordeling 16. In zijn advies van 23 april 2003 sluit de minister van Justitie zich bij het ongunstig advies van de procureur-generaal aan, in essentie omdat (“immers”) “[u]it de bijgeleverde pv’s” blijkt dat verzoeker “al te vaak met de politie in aanraking is gekomen omwille van allerlei problemen waaruit een agressieve tot gewelddadige attitude naar voor komt, ook ten opzichte van de politie zelf”. De toevoeging daaraan van de woorden “wat hem een veroordeling wegens smaad opleverde”, mag dan wel onjuist zijn -aan verzoeker werd terzake de opschorting van de uitspraak van de veroordeling verleend-, die onjuistheid is niet van aard het advies wezenlijk te vitiëren. De opschorting belet niet dat de ten laste gelegde feiten voor bewezen zijn gehouden, en spreekt aldus in generlei mate tegen dat, zoals de procureur-generaal meende, de aan verzoeker toegeschreven attitude “ook ten opzichte van de politie zelf” is gebleken. 17. Voorts is verzoeker ten onrechte van mening dat de vermelding in het ongunstig advies van de minister van Justitie dat hij blijk geeft van “een agressieve tot gewelddadige attitude [...], ook ten opzichte van de politie” terug te voeren is op het feit dat op het uittreksel uit het centraal strafregister de onjuiste vermelding “bedreiging door gebaren of zinnenbeelden art. 329 SWB” voorkomt. Blijkens de bewoordingen zelf van het advies leidt de minister van Justitie de “agressieve tot gewelddadige attitude” van verzoeker immers af uit “de bijgeleverde pv’s”. XII-4417-24/33 18. Ten slotte wordt door verzoeker niet beweerd, laat staan nog aangetoond, dat het bestreden besluit zelf verkeerde strafrechtelijke gegevens aanvoert. 19. Het eerste onderdeel van het middel wordt afgewezen. 20. De materiële motiveringsplicht houdt in dat iedere administratieve rechtshandeling moet steunen op motieven waarvan het feitelijk bestaan naar behoren bewezen is en die in rechte ter verantwoording van die handeling in aanmerking genomen kunnen worden. Het bestreden besluit steunt op vier feiten die naar het oordeel van de minister van Binnenlandse Zaken in hun samenhang moeten worden beschouwd: 1) smaad aan een politieagent waarvoor aan verzoeker opschorting van de uitspraak van de veroordeling voor een periode van drie jaar werd toegekend (vonnis van de correctionele rechtbank te Brussel van 21 juni 2002), 2) smaad aan een agente die een inbreuk op het verkeersreglement vaststelde en weigering van het vertonen van de identiteitskaart (proces-verbaal BR 41.14.004081/01), 3) veroordeling wegens vluchtmisdrijf (vonnis van de recht- bank van eerste aanleg te Brussel van 4 februari 1999), 4) proces-verbaal van 24 juni 1997 (BR.43.25.004606/97) wegens verkeersongeval met vluchtmisdrijf. 21. Het eerste feit betreft smaad aan een politieagent waarvoor aan verzoeker bij vonnis van 21 juni 2002 van de correctionele rechtbank te Brussel de opschorting van de veroordeling werd verleend. Volgens verzoeker zou de minister dat feit slechts “in abstracto” beoordeeld hebben en geen rekening gehouden hebben met de concrete omstandigheden. Verzoeker kan evenwel niet ontkennen dat de bestreden beslissing een getrouwe weergave bevat van de concrete omstandigheden zoals ze in het vonnis beschreven zijn. De omstandigheid dat de rechtbank voor die feiten -“op zich allesbehalve banaal” genoemd- de opschorting van de XII-4417-25/33 veroordeling had verleend, diende voor de minister geen beletsel te vormen om met de feiten rekening te houden. Het was vanwege de minister niet foutief om in het voorval een uiting te zien “van een negatieve attitude jegens een drager van het openbaar gezag”. XII-4417-26/33 22. Het bezwaar dat verwerende partij zich tot een beoordeling in abstracto beperkte, laat verzoeker eveneens gelden met betrekking tot het derde feit, met name het vluchtmisdrijf waarvoor hij bij vonnis van 4 februari 1999 van de correctionele rechtbank te Brussel veroordeeld werd. Volgens verzoeker heeft de minister door te oordelen “dat de veroordeling wegens vluchtmisdrijf van belang is en de reden waarom dit vluchtmisdrijf werd gepleegd, niet in beschouwing dient te worden genomen”, ten onrechte geen rekening gehouden met “de concrete onderliggende omstandigheden en feiten”. Ook hier dient evenwel te worden vastgesteld dat de feiten die aanleiding gaven tot de veroordeling in de bestreden beslissing gedetailleerd zijn beschreven. Daarbij wijst verwerende partij erop dat luidens het vonnis van de rechtbank “de houding van [verzoeker] op het ogenblik van de feiten getuigt van een afkeurenswaardig sociaal gedrag en een gevaar betekent voor de andere weg- gebruikers”. Tevergeefs tracht verzoeker, in de laatste memorie, die appreciatie van de rechter af te doen als standaard gebruikte “algemeen vermanende bewoordingen”. Integendeel gebruikte de rechtbank die woorden om, concreet, de straffen die de eerste rechter had uitgesproken bij te vallen en de ontzetting van verzoeker uit het recht om te sturen “volkomen gewettigd” te noemen. In de gegeven omstandigheden kon de minister, zonder verder te moeten onderzoeken welke precieze redenen verzoeker tot het plegen van het vluchtmisdrijf mogelijk hebben aangezet, terecht van oordeel zijn dat de feiten “een negatief licht werpen op de deontologische geschiktheid van betrokkene voor de functie van schade-inspecteur”. De omstandigheid dat de veroordeling zou zijn uitgewist, staat er niet aan in de weg dat de minister de feiten, in samenhang met de andere aan verzoeker ten laste gelegde feiten, in aanmerking mocht nemen om hem de vergunning te weigeren. 23. Ten aanzien van de twee andere feiten waarop de bestreden weigeringsbeslissing steunt, stelt verzoeker dat de minister van Binnenlandse Zaken ten onrechte tot een beoordeling in concreto zou zijn overgegaan en het XII-4417-27/33 vermoeden van onschuld zou hebben geschonden aangezien hij voor die feiten niet vervolgd werd. Zoals evenwel gezien, beschikt de minister van Binnenlandse Zaken gelet op artikel 3, § 4, van de wet van 19 juli 1991 over een appreciatie- bevoegdheid betreffende de door de detective of de kandidaat-detective gepleegde feiten die, zelfs als ze niet het voorwerp hebben uitgemaakt van een strafrechtelijke veroordeling, een ernstige tekortkoming uitmaken van de beroepsdeontologie en daarom raken aan het vertrouwen in de betrokkene. Bijgevolg kon de minister feiten waarvoor door het parket niet vervolgd werd, bij zijn veroordeling in aanmerking nemen. 24. Eén van de aldus door verwerende partij bij de bestreden beslissing betrokken feiten is het feit dat op 7 februari 2001 ten laste van verzoeker een proces-verbaal (BR. 41.14.004081/01) werd opgesteld wegens smaad en weigering van het vertonen van zijn identiteitskaart. Door de brief van 18 maart 2004 van verwerende partij ermee geconfronteerd dat het feit een negatief licht op zijn deontologische geschiktheid voor de functie van schade-inspecteur wierp, antwoordde verzoeker in zijn verweerschrift van 30 april 2004 alleen dat hij nooit zijn versie van de feiten heeft kunnen geven, dat hulpagenten niet gemachtigd zijn om een proces-verbaal op te stellen over misdrijven van gemeen recht en dat de feiten niets uit te staan hebben met de uitoefening van het beroep van privé-detective. De bestreden beslissing merkt terzake pertinent op dat hij de mogelijkheid heeft gekregen om in zijn verweer de inhoud van het proces-verbaal te weerleggen, maar dat hij aangaande de inhoud geen bijkomende uitleg heeft gegeven, en dat de feiten “wel degelijk uitstaans hebben met het uitoefenen van het beroep van privé-detective en dit vooral wanneer ze samen bekeken worden met de feiten die aanleiding gegeven hebben tot het vonnis van 21 juni 2002 over de opschorting van de uitspraak van een veroordeling [...] wegens smaad van een XII-4417-28/33 politieagent in de uitoefening of ter gelegenheid van de uitoefening van zijn bediening, door woorden, daden of gebaren of bedreigingen”. Bijgevolg mocht de minister de in het genoemd proces-verbaal ten laste van verzoeker vastgestelde feiten als vaststaand beschouwen en als een relevant gegeven in aanmerking nemen om de vergunning van privé-detective te weigeren. 25. Een ander feit dat volgens verzoeker te zeer in concreto is bezien, gaat terug op een proces-verbaal van 24 juni 1997 (BR.43.25.004606/97) wegens verkeersongeval en vluchtmisdrijf. Ook hieromtrent overweegt de bestreden beslissing op goede grond dat verzoeker, ofschoon in de gelegenheid gesteld om zijn verweer te doen kennen, in dat verweer geen bijkomende uitleg aangaande de inhoud van het proces-verbaal heeft gegeven. Een klacht mag dan wel, zoals verzoeker in zijn verweerschrift van 30 april 2004 betoogt, niet “per definitie” uitwijzen dat de betrokkene een laakbare handeling heeft gepleegd, evenmin is een klacht “per definitie” ongegrond. Waar verzoeker, gelet op de uitdrukkelijke uitnodiging om zijn standpunt over het feit kenbaar te maken, geen toelichting erbij verschafte, noch het betwistte, was het vanwege de minister niet verkeerd het feit voor vaststaand te houden. 26. Volgens verzoeker zou in de bestreden beslissing ook de concrete band tussen de aangehaalde inbreuken en het beroep van privé-detective onvoldoende zijn aangetoond. In de bestreden beslissing wordt evenwel terecht opgemerkt dat de minister van Binnenlandse Zaken overeenkomstig artikel 3, § 4, van de wet van 19 juli 1991 over een appreciatiebevoegdheid beschikt betreffende de door XII-4417-29/33 de detective gepleegde feiten die zelfs als ze niet het voorwerp hebben uitgemaakt van een strafrechtelijke veroordeling, een ernstige tekortkoming van de beroeps-deontologie uitmaken en daarom raken aan het vertrouwen in de betrokkene. Zoals hierna, sub nr. 31, nader beargumenteerd wordt, heeft de minister terecht de betrokken feiten en houding van verzoeker kunnen betrekken bij de beoordeling van zijn geschiktheid voor het beroep van privé-detective en namelijk bij de beoordeling van zijn morele integriteit en betrouwbaarheid “in het licht van de wet van 19 juli 1991”. De minister van Binnenlandse Zaken blijft binnen zijn wettelijke appreciatiebevoegdheid door te oordelen “dat de hogervermelde feiten en de houding van de betrokkene dusdanig zijn dat ze dit vertrouwen ernstig raken doordat ze de morele integriteit en betrouwbaarheid aantasten in het licht van de wet van 19 juli 1991”. 27. Het tweede onderdeel van het tweede middel wordt eveneens verworpen. IV. Derde middel Standpunt van verzoeker 28. Volgens een derde middel zijn het gelijkheidsbeginsel evenals het redelijkheids- en proportionaliteitsbeginsel geschonden. Verzoeker zet vooreerst uiteen dat hij door de niet-toekenning van de vergunning als privé-detective ernstig benadeeld wordt en dat hij als burger met een blanco strafregister anders wordt behandeld dan de andere burgers met een blanco strafregister. Hij meent dat de minister weliswaar over een marginale appreciatiebevoegdheid beschikt, maar dat er geen concrete en objectieve criteria voorhanden zijn die bepalen aan welke voorwaarden de aanvrager van een vergunning moet voldoen. Hij meent dat hij aan de XII-4417-30/33 betrouwbaarheidsvereiste voldoet en dat hem ten onrechte een negatieve houding ten aanzien van de gezagsdragers wordt verweten. Bovendien, zo vervolgt verzoeker, zou hij door het niet bezitten van de vergunning zijn werk kunnen verliezen. Verzoeker zou dus een ernstig nadeel lijden dat niet in verhouding staat tot de inbreuken die hem worden verweten. Hij liep destijds, toen hij nog advocaat was, voor de feiten geen enkele sanctie op en de minister hanteert dus duidelijk andere deontologische normen dan de balie. Voorts gaat de minister voorbij aan de doelstellingen van de wetgever met betrekking tot de gevolgen van de opschorting van de uitspraak en de uitwissing van veroordelingen. Waar de rechter oordeelde dat een veroordeling, zelfs met uitstel, zijn reclassering in gevaar zou kunnen brengen, zet de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken verzoekers professionele toekomst op het spel. 29. In de memorie van wederantwoord en de laatste memorie blijft verzoeker van oordeel dat hij gediscrimineerd wordt ten opzichte van andere burgers, aangezien geklasseerde strafdossiers normaal geen enkele invloed hebben op het beroepsleven van de betrokkene en aangezien burgers ervan mogen uitgaan dat een dossier op een behoorlijke manier wordt samengesteld, wat te dezen niet het geval was. Hij herhaalt ook dat de minister van Binnenlandse Zaken een totaal onredelijke beslissing heeft genomen en zich verschuilt achter het advies van de minister van Justitie die verwijst naar een veroordeling die er geen was. Hij meent dat uit de rechtspraak van de Raad van State blijkt dat aanvragers die veel ernstiger feiten hadden gepleegd, wel een vergunning hebben verkregen. Beoordeling 30. Wat het beroep op het gelijkheidsbeginsel betreft, toont verzoeker niet aan dat hij anders behandeld werd dan andere kandidaat-detectives XII-4417-31/33 die zich in een vergelijkbare toestand bevinden. In zoverre verzoeker stelt dat hij, in tegenstelling tot andere burgers, in zijn beroepsleven nadeel ondervindt van feiten die niet tot een strafrechtelijke veroordeling aanleiding gaven, levert hij, zoals de verwerende partij pertinent opmerkt, kritiek op de appreciatie- bevoegdheid die door artikel 3, § 4, van de wet van 19 juli 1991 aan de minister van Binnenlandse Zaken is toegekend. Op grond van die bepaling kan de minister, zoals reeds meer opgemerkt, bij de weigering van een vergunning van privé-detective feiten in aanmerking nemen die niet tot een strafrechtelijke veroordeling hebben geleid. 31. Wat de aangevoerde schending van het redelijkheids- en proportionaliteitsbeginsel betreft, wordt vastgesteld -zoals de Raad van State recentelijk nog deed in zijn arrest inzake Giacomelli, nr. 179.175 van 31 januari 2008- dat de wet van 19 juli 1991 tot regeling van het beroep van privé-detective het beroep heeft willen saneren door het te onderwerpen aan een zeer specifieke en beperkende regeling en door de uitoefening ervan voor te behouden aan personen van wie mag worden aangenomen dat zij in ieder opzicht voldoende waarborgen bieden, en dat de minister van Binnenlandse Zaken terzake over een zeer ruime discretionaire bevoegdheid beschikt. Te dezen heeft verwerende partij gemeend dat de in aanmerking genomen feiten en houding van verzoeker dusdanig zijn dat ze het vertrouwen in hem ernstig raken doordat ze zijn morele integriteit en betrouwbaarheid aantasten. Meer bepaald wordt in de bestreden beslissing geargumenteerd : “Overwegende dat een privé-detective opsporingen mag doen en dat het naleven van de bepalingen van de detectivewet daarbij uiterst belangrijk is; dat uit de aangehaalde feiten blijkt dat betrokkene weinig respect heeft voor zijn medemens; dat dit ondermeer blijkt uit het feit dat betrokkene smaad en vluchtmisdrijf heeft gepleegd; dat bovendien voor een privé-detective die deze activiteiten in het kader van zijn beroep als verzekeringsinspecteur wenst uit te oefenen, het vluchtmisdrijf waarvoor hij veroordeeld werd en wat er aan vooraf ging, een negatief licht werpt op zijn deontologische geschiktheid voor het beroep van privé-detective; XII-4417-32/33 Overwegende dat de algemene doelstelling van de wet van 19 juli 1991 uitgaat van het principe het beroep van privé-detective enkel toegankelijk te maken voor betrouwbare personen die geen ongeoorloofde methodes gebruiken en van het groot belang van de betrouwbaarheidsvereiste (Gedr. St. Senaat, 1990-1991, nr. 1259/1, p. 1 en 2); dat dit voor verzekeringsmensen nog gevoeliger ligt en dat zeker bij schadegevallen men er moet op kunnen rekenen dat de privé-detective ten volle betrouwbaar is”. Hoe streng deze beoordeling ook moge overkomen, het maakt de beslissing geenszins ipso facto onredelijk of disproportioneel. Een ruime discretionaire beoordelingsbevoegdheid impliceert nu eenmaal een ruime beoordelingsmarge. Naar het oordeel van de Raad van State is de verwerende partij bij de uitoefening van haar appreciatievrijheid niet de redelijkheidsgrenzen ervan te buiten gegaan door op grond van de in aanmerking genomen feiten, in hun samenhang beschouwd, te hebben besloten dat verzoeker “niet voldoet aan de vereiste moraliteitsvoorwaarden”. De feiten zijn immers niet zo onbeduidend als verzoeker wil doen voorkomen. Dat mogelijkerwijs een andere, voor verzoeker gunstiger, beslissing evengoed binnen de perken van de redelijkheid zou zijn gebleven, doet daaraan geen afbreuk. Het is inherent aan de uitoefening van discretionaire beoordelingsbevoegdheid dat uiteenlopende beoordelingen denkbaar zijn die elk door de beugel van de redelijkheid kunnen. 32. Het derde middel wordt in zijn geheel verworpen. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. XII-4417-33/33 Artikel 2. De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 175 euro, komen ten laste van verzoeker. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op veertien juli 2008, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-4417-34/33 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.185.388 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.