id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 15 juli 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.185.402 Rolnummer: A. 112632/VII-25008 Zaak: Arrest 185402 - Milieuvergunningen - 15/07/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-07-23 Raadplegingen: 53 - laatst gezien 2026-06-29 08:24 Fiche Arrest nr 185.402 van 15 juli 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 185.402 van 15 juli 2008 in de zaak A. 112.632/VII-25.008. In zake : Jan BOONE, die woonplaats kiest bij advocaat Ph. VAN WESEMAEL, kantoor houdende te BRUSSEL, Waterloosesteenweg 412 F tegen : de deputatie van de provincie Oost-Vlaanderen. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Jan BOONE op 9 november 2001 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen van 6 september 2001 houdende weigering van de aktename van de melding van verzoeker voor het veranderen van een landbouwbedrijf, gelegen aan de Legevoorde 20 te Waarschoot; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur J. CLEMENT; Gelet op de beschikking van 23 augustus 2006 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de laatste memorie van verzoeker; Gelet op de beschikking van 9 mei 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 12 juni 2008; Gehoord het verslag van kamervoorzitter L. HELLIN; VII-25.008-1/12 Gehoord de opmerkingen van advocaat M. MALFAIT die, loco advocaat Ph. VAN WESEMAEL verschijnt voor verzoeker en van bestuurssecreta- ris F. COCRIAMONT die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. De feiten Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.1. Op 11 maart 1993 neemt de verwerende partij akte van de aangifte door verzoeker van 55 gespeende runderen, 990 varkens van meer dan tien weken, de opslag van 1.100 m³ dierlijke mest en 20 ton kunstmest, voor een veeteeltbedrijf gelegen aan de Legevoorde 20 te Waarschoot. Deze aktename geldt als vergunning voor een termijn van twintig jaar. 1.2. Op 1 december 1993 doet verzoeker bij de verwerende partij melding van de verandering van zijn veeteeltbedrijf: het aantal varkens wordt uitgebreid tot 1.190 mestvarkens en 200 zeugen, en er is een vermindering met 55 gespeende runderen. Uit het meldingsformulier kan worden afgeleid dat verzoeker tot een "gesloten familiaal bedrijf" wil komen. 1.3. Op 23 maart 1995 weigert de verwerende partij de aktename van de melding voor de uitbreiding van verzoekers landbouwbedrijf. Deze weigering wordt als volgt gemotiveerd : "Overwegende dat de inrichting volgens het gewestplan 'Eeklo-Aalter' gelegen is in het agrarisch gebied; Overwegende dat de uitbreiding een toename met 400 varkens omvat en een afname met 55 gespeende runderen; dat door de toename van het aantal varkens de mestproduktie toeneemt; dat de inrichting bovendien gelegen is in de zone 'Beernem', een zone die bijzondere bescherming vraagt; Overwegende dat de totale mestopslagcapaciteit toeneemt met 1.448 m³; Overwegende dat door de gevraagde uitbreiding het bedrijf geen gesloten karakter krijgt; VII-25.008-2/12 Overwegende dat deze melding werd getoetst aan de thans algemeen gehanteerde technische, milieuhygiënische en ecologische criteria in het Vlaamse gewest, die onderbouwd zijn door de huidige wetenschappelijke inzichten; Overwegende dat de gemelde verandering bijkomende risico's voor de mens, en/of een aantasting van het leefmilieu en/of de bestaande hinder vergroot". 1.4. Bij arrest nr. 83.826 van 2 december 1999 vernietigt de Raad van State op vordering van verzoeker de voornoemde weigeringsbeslissing van 23 maart 1995. 1.5. Op 26 september 2000 stuurt de verwerende partij een brief aan de Vlaamse Landmaatschappij waarin, met verwijzing naar het vernietigingsarrest van de Raad van State, het volgende wordt gesteld : "Teneinde de Bestendige Deputatie, na deze vernietiging, toe te laten opnieuw te oordelen over de destijds gevraagde melding van verandering is inzicht in de reële toestand m.b.t. de mestafzet noodzakelijk. Gelieve informatie te verschaffen over de mestafzet en de aangiften van dit bedrijf". 1.6. Met een schrijven van 22 december 2000 herinnert de verwerende partij de Vlaamse Landmaatschappij aan voornoemde brief van 26 september 2000. 1.7. Op 16 januari 2001 stuurt de Vlaamse Landmaatschappij gegevens over de mestafzet en de mestaangiften van het betrokken landbouwbedrijf aan de verwerende partij. In de toegestuurde nota wordt het volgende besloten : "Derhalve werd in het verleden de opgegeven fosfaatproductie volledig afgezet conform de bepalingen van het Mestdecreet". 1.8. Op 14 februari 2001 vraagt verzoeker aan de verwerende partij om in de administratieve procedure te worden gehoord. Op 5 maart 2001 antwoordt de verwerende partij dat het horen niet is voorzien in de procedure tot aktename, maar dat verzoeker steeds zijn schriftelijke opmerkingen kan overmaken. 1.9. Nadat de verwerende partij een bijkomend advies heeft gevraagd over de toetsing van de aanvraag aan de huidige wetgeving, verleent de Vlaamse Landmaatschappij op 20 juni 2001 een ongunstig advies op grond van volgende overwegingen : VII-25.008-3/12 "Aangezien: - sedert 30/03/2000 de bepalingen van artikel 33ter, § 1, 1/,
- c)van het Mestdecreet van kracht zijn; - deze inrichting een vergunde mestproductie heeft van 7.504 kg P2O5 en 17.621 kg N overeenkomstig 4 beren, 120 zeugen en 866 mestvarkens en 22 runderen - niet voldaan wordt aan alle criteria van het Mestdecreet aangezien : - de vergunningsaanvraag een stijging van de vergunde mestproductie beoogt". 1.10. Op 6 september 2001 wordt het bestreden besluit genomen, waarin onder meer het volgende wordt overwogen : "Overwegende dat volgens de gegevens bij de VLM bekend de inrichting beschikt over een vergunde mestproductie van 7.504 kg/P2O5 en 17.621 kg N overeenkomstig 4 beren, 120 zeugen en 866 mestvarkens en 22 runderen jonger dan 1 jaar, 15 runderen van 1 tot 2 jaar en 18 melkkoeien; Overwegende dat met de melding het de bedoeling is om te komen tot een vergunde mestproductie van 9.004 kg P2O5 en 19.984 kg N overeenkomstig 4 beren, 170 zeugen en 1.216 andere varkens, wat derhalve een stijging van de vergunde mestproductie inhoudt; Overwegende dat de VLM derhalve een ongunstig advies verleende omwille van de strijdigheid met artikel 33ter, § 1, 1/,
- c)van het Mestdecreet"; 2. Ten gronde 2.1.1. Overwegende dat verzoeker in het eerste middel de schending aanvoert van de vereiste om binnen een redelijke termijn te beslissen en van het zorgvuldigheids-, het rechtszekerheids- en het vertrouwensbeginsel; dat hij stelt dat hij de aanvraag tot aktename van de melding bij de verwerende partij heeft ingediend op 6 december 1993, dat het arrest nr. 83.826 van de Raad van State, waarbij het besluit van de verwerende partij van 23 maart 1995 werd vernietigd, dateert van 2 december 1999, en aan de verwerende partij werd genotificeerd op 23 december 1999, dat het bestreden besluit werd genomen op 6 september 2001 en aan verzoeker ter kennis werd gebracht op 10 september 2001, dat de verwerende partij nochtans verplicht was binnen een redelijke termijn over de aanvraag te beschikken, dat een bestuur dat in beroep moet oordelen over een aanvraag tot het bekomen van een exploitatievergunning, ook bij afwezigheid van enige wettelijk voorgeschreven beslissingstermijn, een oordeel moet vellen binnen een "redelijke" termijn, dat deze vereiste "mutatis mutandis" opgaat voor de beslissingstermijn die moet worden gehanteerd inzake een aanvraag tot aktename van een melding van VII-25.008-4/12 verandering, dat het provinciebestuur vanaf het indienen van de aanvraag tot aktename van de melding van verandering in december 1993, reeds meer dan vijftien maanden heeft afgewacht om pas in maart 1995 een besluit te nemen, dat het bestuur vanaf het vernietigingsarrest van 2 december 1999 van de Raad van State nogmaals een jaar heeft gewacht om begin 2001 de verschillende besturen te raadplegen, dat ten slotte opnieuw negen maanden is afgewacht vooraleer op 6 september 2001 het bestreden besluit is getroffen, dat een tijdspanne van bijna negentien maanden tussen de notificatie van het vernietigingsarrest van de Raad van State en het nieuwe bestreden besluit, om op grond van de in aanmerking genomen feitelijke en juridische gegevens tot het bestreden besluit te komen, onredelijk lang is, dat daarbij nog komt dat het dossier van verzoeker geenszins doet blijken van enige bijzondere complexiteit die een zeer langdurig onderzoek wettigt, nu het bestreden besluit de vergunning weigert op grond van de enige, eenvoudige overweging dat de aanvraag niet voldoet aan de bepalingen van artikel 33ter § 1, 1/, c), van het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen (hierna : meststoffendecreet), nu de aanvraag een verhoging van de vergunde mestproductie inhoudt, dat de termijn die in acht moet worden genomen niet deze is tussen het tijdstip van ontvangst van de adviezen en het tijdstip van het bestreden besluit, maar wel de tijdspanne verlopen sinds het instellen van het administratief beroep, in casu de notificatie van het vernietigingsarrest van de Raad van State, en het nemen van het bestreden besluit, zeker wanneer, zoals te dezen, de adviesverlenende instanties besturen zijn die bestaan in de schoot van de overheid die het bestreden besluit neemt, dat een dergelijk lange termijn, reeds voorafgegaan door een lange periode van onzekerheid door het onwettig handelen van het provinciebestuur, in strijd is met het rechtszekerheids- en het vertrouwensbeginsel; 2.1.2. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord repliceert dat de lange behandelingstermijn te wijten is aan, enerzijds, een personeelswissel en, anderzijds, de onduidelijkheid die er bestond na het arrest van de Raad van State van 2 december 1999, dat aangezien daarover binnen het provinciebestuur geen eenduidigheid kon worden gevonden, advies werd gevraagd aan de Vlaamse Landmaatschappij, dat in een eerste advies de Vlaamse Landmaatschappij de melding evenwel niet toetste aan de vigerende wetgeving, zodat een tweede advies werd gevraagd, dat daaruit bleek dat de melding een verhoging van de vergunde mestproductie zou teweegbrengen, wat strijdig is met artikel 33ter, § 1, 1/, c), van het meststoffendecreet, dat men zich derhalve de vraag kan stellen welk belang verzoeker erbij heeft, indien de bestreden beslissing zou VII-25.008-5/12 worden vernietigd omwille van het feit dat ze binnen een onredelijk lange termijn zou zijn genomen; dat de verwerende partij voorts stelt dat de procedure voor de Raad van State lange tijd in beslag kan nemen, dat indien het besluit van de verwerende partij opnieuw zou worden vernietigd, de verwerende partij een nieuwe beslissing moet nemen, zodat de exploitant opnieuw in de onzekerheid zou verkeren over de uiteindelijke beslissing, dat, zelfs indien de verwerende partij vroeger een beslissing zou hebben genomen, zij tot dezelfde conclusie zou zijn gekomen dat er geen vergunning kan worden verleend omwille van de stijging van de vergunde mestproductie, dat uit het advies van de Vlaamse Landmaatschappij van 20 juni 2001 blijkt dat de bepalingen van artikel 33ter, § 1, 1/, c), van het meststoffendecreet sinds 30 maart 2000 van toepassing zijn, dat voorheen ook geen aktename zou hebben kunnen gebeuren, aangezien Waarschoot een "zwarte gemeente" betrof, waardoor een aanvraag die tot een stijging van de vergunde mestproductie zou leiden ook moest worden geweigerd; 2.1.3. Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord stelt dat bij de beoordeling van de redelijkheid van de termijn rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid voor het bestuur om over alle feitelijke gegevens, inlichtingen en adviezen te beschikken die het haar mogelijk moeten maken om met kennis van zaken te beslissen, dat de argumentatie van de verwerende partij, volgens dewelke de actuele toestand van het bedrijf ten opzichte van de vroegere toestand niet duidelijk was zodat advies moest worden ingewonnen bij de Vlaamse Landmaatschappij, nergens op slaat, nu uit het administratief dossier blijkt dat het provinciebestuur na de notificatie van het arrest van de Raad van State op 23 december 1999, het dossier nog bijna een jaar heeft laten liggen alvorens het advies van de Vlaamse Landmaatschappij in te winnen, dat het provinciebestuur pas meer dan anderhalf jaar na de notificatie van het vernietigingsarrest van de Raad van State een nieuwe beslissing heeft genomen, terwijl volgens de memorie van antwoord van de verwerende partij slechts één advies moest worden ingewonnen, dat hij het eens is met de verwerende partij dat een vernietigingsarrest van de Raad van State niet automatisch betekent dat men bij een nieuwe boordeling van het dossier een vergunning verkrijgt, dat het echter aan de vergunningverlenende overheid is om er voor te zorgen dat zij een beslissing neemt die niet voor vernietiging vatbaar is; 2.1.4. Overwegende dat verzoeker in zijn laatste memorie betoogt dat artikel 33ter, § 1, 1/, c), van het meststoffendecreet opnieuw is gewijzigd, dat in zijn recente versie het decreet een onderscheid maakt voor vergunningen voor en na VII-25.008-6/12 1 januari 2007, dat het meer bepaald in bepaalde gevallen na 1 januari 2007 weer mogelijk wordt om een vergunning te verkrijgen wanneer de vergunde mestproductie zou worden verhoogd, dat het valt te verwachten dat, in geval van een gebeurlijke vernietiging, het bestuur zich slechts opnieuw over deze aanvraag zal moeten buigen na 1 januari 2007, dat in de mate dat verzoeker aan de voorwaarden zou voldoen die in dit artikel staan opgesomd voor aanvragen na deze datum, hij wel degelijk de gevraagde vergunning alsnog zou kunnen bekomen, dat verzoeker zijn belang houdt bij het eerste middel; 2.1.5. Overwegende dat luidens artikel 33ter, § 1, 1/, c), van het meststoffendecreet, zoals het gold ten tijde van de bestreden beslissing, een algemene vergunningsstop bestond voor veeteeltinrichtingen, behoudens hernieuwing van bestaande en verplaatsing van lopende vergunningen; dat het aktenemen in dezen een verhoging van de mestproductie tot gevolg zou hebben; dat zulks in strijd zou zijn met de voornoemde dwingende bepaling van het meststoffendecreet die aan de overheid geen discretionaire bevoegdheid overlaat; dat bij een gebeurlijke vernietiging van de bestreden beslissing de overheid bijgevolg opnieuw de aktename zou moeten weigeren; dat verzoeker derhalve van in den beginne geen belang had bij het middel, zodat het reeds bij het instellen van zijn vordering niet-ontvankelijk was; dat latere wetswijzigingen niet vermogen de onontvankelijkheid van een middel, dat van in den beginne als zodanig was aangemerkt, op te heffen; dat het eerste middel bijgevolg niet ontvankelijk is; 2.2.1. Overwegende dat verzoeker in het tweede middel de schending aanvoert van de hoorplicht, van het recht van verdediging en van het zorgvuldigheidsbeginsel, doordat de verwerende partij een beslissing neemt waarbij aan verzoeker de uitbreiding van de exploitatie van de bestaande inrichting wordt geweigerd, zonder dat beroeper werd gehoord of gecontacteerd over de in het besluit weerhouden weigeringsgronden; dat verzoeker stelt dat zijn raadsman na het tussengekomen vernietigingsarrest van 2 december 1999 van de Raad van State bij aangetekend schrijven van 14 februari 2001 aan de verwerende partij heeft gevraagd om voor een passend rechtsherstel te zorgen, en minstens om verzoeker uit te nodigen om te worden gehoord over de concrete omstandigheden van het dossier, dat hoewel het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning en het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning dergelijke hoorplicht inzake de aanvraag tot aktename van de melding van een verandering nergens voorschrijft, het bestuur nochtans steeds verplicht is de aanvrager de gelegenheid te geven om zijn VII-25.008-7/12 standpunt te laten kennen wanneer de beslissing van aard zou zijn om de bestaande rechtstoestand van de aanvrager in ongunstige zin te wijzigen, dat de verwerende partij als bestuurlijke overheid er immers toe is gehouden de beginselen van behoorlijk bestuur te eerbiedigen, en dat één van deze beginselen de hoorplicht is, die een dubbel doel heeft : "enerzijds het vrijwaren van de belangen van de individuele burger, door hem de mogelijkheid te bieden een voor hem ongunstige beslissing te vermijden; anderzijds het vrijwaren van het belang van het bestuur, door te vermijden dat het bestuur zonder kennis van zaken onzorgvuldige beslissingen zou nemen", dat het horen van verzoeker het weigeringsmotief met betrekking tot de zogenaamde "ligging ten overstaan van gebieden die hindergevoelig zijn" vermeden zou kunnen hebben, aangezien verzoeker dan had kunnen aantonen dat hij tot 1995 op het bedrijf ook nog 55 runderen hield en dat de bijkomende 200 zeugen en 1.186 mestvarkens ongeveer het equivalent qua mestproductie vormen, zodat deze bewuste gebieden geen gevaar lopen door de verandering van zijn bedrijf, dat het bestuur hem nooit heeft aangezocht om zijn specifieke situatie toe te lichten, maar integendeel, in antwoord op het aangetekend schrijven van 14 februari 2001, bij brief van 5 maart 2001 laconiek heeft gesteld dat "in de procedure tot aktename van een melding het horen niet is voorzien", dat het provinciebestuur aldus duidelijk een beslissing heeft genomen zonder "zorgvuldige feitenvinding"; 2.2.2. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord repliceert dat aan verzoeker inderdaad werd meegedeeld dat het horen niet is voorzien in een procedure tot aktename van een melding, dat er ook werd gesteld dat steeds schriftelijke opmerkingen konden worden overgemaakt, dat verzoeker dit niet heeft gedaan, dat verzoeker stelt dat indien de verwerende partij hem zou hebben gehoord, hij zou kunnen hebben aantonen dat hij tot 1995 op het bedrijf ook nog 55 runderen hield, dat dit evenwel niet blijkt uit de aangiftes bij de Mestbank, dat uit de adviezen van de Vlaamse Landmaatschappij blijkt dat er voor het jaar 1995, 7 runderen werden aangegeven, met name één jonger dan één jaar, vijf tussen één en twee jaar en één melkkoe; dat de verwerende partij zich de vraag stelt hoe verzoeker dan zou kunnen aantonen dat er tot 1995, 55 runderen op de inrichting aanwezig waren; 2.2.3. Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord stelt dat de overheid die gevat is door een vergunningsaanvraag, de plicht heeft om het dossier met de vereiste zorgvuldigheid te onderzoeken, dat deze plicht er in welbepaalde omstandigheden kan in bestaan de aanvraag met "een zekere VII-25.008-8/12 soepelheid" en "met zin voor de werkelijkheid" te behandelen, en desgevallend "voeling te zoeken" met de aanvrager om een antwoord te verkrijgen op vragen of problemen die zich zouden stellen, dat de verwerende partij dus duidelijk een beslissing heeft genomen zonder "zorgvuldige feitenvinding", terwijl een correcte voorstelling van zaken nochtans had kunnen worden bekomen mits het horen van verzoeker op het geëigende tijdstip, dat een correcte uitvoering van het arrest van de Raad van State er met name in had bestaan dat het bestuur een onderzoek had gedaan naar de concrete milieuhinder en de effectieve bezetting van het bedrijf, en op basis van bijvoorbeeld een plaatsbezoek een besluit had genomen; 2.2.4. Overwegende dat het algemeen beginsel van behoorlijk bestuur van de hoorplicht enkel geldt bij de besluitvorming over een individuele bestuurshandeling die de rechtstoestand van de bestuurde in ongunstige zin wijzigt op grond van zijn persoonlijk gedrag dat hem als een tekortkoming wordt aangerekend; dat bij het nemen van een maatregel die een weigering inhoudt om een door de bestuurde gevraagd voordeel te verlenen, zoals te dezen, de overheid, behoudens andersluidende bepalingen, niet is gehouden tot het naleven van de hoorplicht; dat, aangezien niet wordt betwist dat het inwilligen van de aktename een verhoging van de vergunde mestproductie tot gevolg heeft en de verwerende partij er op grond van artikel 33, § 1, 1/, c), van het meststoffendecreet toe was gehouden de aktename te weigeren, niet valt in te zien in welke zin de verwerende partij onzorgvuldig heeft gehandeld; dat het tweede middel niet gegrond is; 2.3.1. Overwegende dat verzoeker in het derde middel de schending aanvoert van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en van het zorgvuldigheidsbeginsel omdat de aktename van de melding van een verandering wordt geweigerd, om reden dat "de inrichting rekening houdend met haar kenmerken en omvang, en rekening houdend met de ligging ten overstaan van gebieden die hindergevoelig zijn, een te grote negatieve impact zou hebben op mens en leefmilieu" en "de inrichting milieuhygiënisch niet verenigbaar is met de omgeving"; dat verzoeker stelt dat het van een gebrek in de motiveringsverplichting getuigt om een weigeringsbesluit inzake de aanvraag tot aktename van een melding van verandering te steunen op de loze bewering van "te grote negatieve impact" en "onverenigbaarheid met de omgeving", zonder in concreto te onderzoeken en weer te geven waarom dit dan wel zo is, niettegenstaande de integrale ligging van het bedrijf in agrarisch gebied, en het feit dat de hinder van de gevraagde bijkomende varkens ongeveer overeenkomt met de eerder op het bedrijf geëxploiteerde runderen, VII-25.008-9/12 dat de verwerende partij zelfs zo ver gaat om thans te stellen dat de volledige inrichting "milieuhygiënisch niet verenigbaar is met de omgeving", daarbij voorbijgaand aan het voorwerp van de aanvraag, dat de verwerende partij aldus bij de behandeling van het dossier van verzoeker tekort is geschoten in zijn motiveringsplicht, nu nergens wordt gezegd waarom en in welke mate de uitbreiding een negatieve impact zou hebben op de omgeving; 2.3.2. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord repliceert dat de weigeringsgrond de stijging van de vergunde mestproductie betrof, dat dit duidelijk blijkt uit het bestreden besluit, dat een stijging van de vergunde mestproductie uiteraard een negatieve impact heeft op de omgeving en een milieuhygiënisch aspect betreft, dat derhalve kon worden gesteld dat de inrichting milieuhygiënisch niet verenigbaar is met de omgeving; 2.3.3. Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord stelt dat volgens de verwerende partij een stijging van de vergunde mestproductie "uiteraard" een negatieve impact op de omgeving heeft, dat zulks nochtans niet uit het bestreden besluit blijkt, dat zonder verdere motivering wordt gesteld dat de inrichting "rekening houdend met haar kenmerken en omvang, en rekening houdend met de ligging ten overstaan van gebieden die hindergevoelig zijn, een te grote negatieve impact zou hebben op mens en leefmilieu" en de inrichting "milieuhygiënisch niet verenigbaar is met de omgeving", dat de verwerende partij nalaat in concreto te onderzoeken waarom dit dan wel zo is; 2.3.4. Overwegende dat verzoeker voorbijgaat aan het determinerend motief van het bestreden besluit, met name de strijdigheid met artikel 33ter, § 1, 1/, c), van het meststoffendecreet, op grond waarvan de verwerende partij ertoe was gehouden de aktename te weigeren; dat het derde middel niet gegrond is; 2.4.1. Overwegende dat verzoeker in het vierde middel de schending aanvoert van het gezag van gewijsde van het arrest van de Raad van State nr. 83.826 van 2 december 1999, doordat de verwerende partij in het bestreden besluit, na een tussengekomen vernietigingsarrest van de Raad van State, de aktename van de melding van de verandering weigert met verwijzing naar opnieuw ingewonnen adviezen en naar gegevens met betrekking tot de vergunde mestproductie, dat de verwerende partij zich, na een vernietiging door de Raad van State, terug moet verplaatsen in de tijd, met name naar het tijdstip waarop de vernietigde beslissing VII-25.008-10/12 werd genomen, dat de verwerende partij heeft gedaan alsof de aanvraag nog maar pas was ingediend en nieuwe adviezen heeft ingewonnen, en aldus alle eerder verleende adviezen buiten beschouwing heeft gelaten, dat ten tijde van het indienen van de aanvraag bij de verwerende partij, de bepalingen van het meststoffendecreet niet konden worden aangewend om een vergunningsaanvraag of een aanvraag tot aktename van de melding van verandering te weigeren, dat vaststaat dat "de overheid, na de vernietiging, verplicht is een beslissing te nemen waarbij aan de initiële aanvraag wordt voldaan en wel op zodanige wijze dat volledig rechtsherstel gegeven wordt, wat betekent dat aan de effecten van de rechtsherstellende beslissingen een terugwerking moet gegeven worden welke aan die beslissing eenzelfde uitwerking geeft als ze zou gehad hebben mocht de overheid die beslissing op het gepaste tijdstip genomen hebben", "indien in het vernietigingsmotief (evenwel) wordt vastgesteld dat de negatieve beslissing onrechtmatig is omdat een correcte toepassing van het passende voorschrift op de vaststaande gegevens van de zaak de aanvraag als gegrond doet verschijnen", dat de verwerende partij een verkeerde uitvoering heeft gegeven aan vernoemd arrest, door enerzijds de behandelingsprocedure helemaal opnieuw aan te vatten, en anderzijds geen rekening te houden met de door de Raad van State weerhouden vernietigingsmotieven; 2.4.2. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord repliceert dat bij een heroverweging van de vergunningsaanvraag na vernietiging, de vergunningverlenende overheid ertoe gehouden is de reglementering toe te passen die geldt op het ogenblik van de nieuwe uitspraak, dat de verwerende partij derhalve de toestand zoals die destijds werd gemeld moest toetsen aan de vigerende reglementering, maar wel volgens de procedure die gold ten tijde van het indienen van de melding, dat zij dit heeft gedaan, dat aangezien zij daarbij vaststelde dat de melding van verandering strijdig is met artikel 33ter, § 1, 1/, c), van het meststoffendecreet, zij niet anders kon dan de aktename weigeren; 2.4.3. Overwegende dat bij het nemen van het bestreden besluit de verwerende partij er als orgaan van het actief bestuur toe is gehouden de reglementering toe te passen die geldt op het ogenblik waarop zij uitspraak doet; dat niet valt in te zien hoe de verwerende partij in het bestreden besluit het gezag van gewijsde van het arrest van de Raad van State nr. 83.826 van 2 december 1999 heeft geschonden, nu het besluit is gesteund op artikel 33ter, § 1, 1/, c), van het meststoffendecreet, zijnde een bepaling die nog niet in werking was getreden toen voornoemd arrest is geveld; dat het vierde middel niet gegrond is, VII-25.008-11/12 BESLUIT: Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van verzoeker. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijftien juli tweeduizend en acht, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. L. HELLIN, kamervoorzitter, E. BREWAEYS, staatsraad, P. LEFRANC, staatsraad, Mevr. E. IMPENS, griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. L. HELLIN. VII-25.008-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.185.402 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div