← België

Arrest 185403 - Milieuvergunningen - 15/07/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 15 juli 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.185.403 Rolnummer: A. 110765/VII-24673 Zaak: Arrest 185403 - Milieuvergunningen - 15/07/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-07-23 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-06-29 08:24 Fiche Arrest nr 185.403 van 15 juli 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 185.403 van 15 juli 2008 in de zaak A. 110.765/VII-24.673. In zake : de VZW "ZUSTERS VAN DE H. VINCENTIUS A PAULO VAN DEFTINGE", die woonplaats kiest bij advocaat I. LIETAER, kantoor houdende te KORTRIJK, Pres. Rooseveltplein 1 tegen : de deputatie van de provincie Oost-Vlaanderen. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de VZW "ZUSTERS VAN DE H. VINCENTIUS A PAULO VAN DEFTINGE" op 26 september 2001 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen van 26 juli 2001 waarbij haar beroep ingesteld tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Lierde van 20 februari 2001, houdende weigering van de milieuvergunning voor het exploiteren van een grondwaterwinning op de terreinen van een kloostergemeenschap, gelegen aan de Kerkstraat 10 te Lierde, niet wordt ingewilligd en de beroepen beslissing wordt bevestigd; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur J. CLEMENT; Gelet op de beschikking van 4 juli 2006 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de laatste memorie van de verzoekende partij; VII-24.673-1/13 Gelet op de beschikking van 9 mei 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 12 juni 2008; Gehoord het verslag van kamervoorzitter L. HELLIN; Gehoord de opmerkingen van advocaat M. MALFAIT die, loco advocaat I. LIETAER verschijnt voor de verzoekende partij en van bestuurssecreta- ris F. COCRIAMONT die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. De feiten Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat: 1.1. De verzoekende partij is eigenaar van een klooster gelegen aan de Kerkstraat 10 te Lierde. Sinds 1952 wordt voor het huishoudelijk watergebruik van de kloosterlingen en van de op deze site gevestigde basisschool een grondwaterwinning uit één put van ongeveer 150 à 160 meter diep gebruikt. 1.2. Ingevolge een door de verzoekende partij ingediende aangifte voor de grondwaterheffing, vraagt de Vlaamse Milieumaatschappij op 30 juni 2000 naar de vergunning voor deze grondwaterwinning. 1.3. Op 23 oktober 2000 dient de verzoekende partij een milieuvergun- ningsaanvraag in met als voorwerp grondwaterwinning, rubriek 53 .8., 2/, van bijlage 1 bij het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning (hierna : Vlarem I), met een maximum jaardebiet van 4.400 m3 en een dagdebiet van ongeveer 12 m3. VII-24.673-2/13 1.4. Op 15 december 2000 geeft de afdeling Water een negatief advies. In dit advies wordt het volgende gesteld : "(...) de capaciteit van de watervoerende laag is onvoldoende om het gevraagde debiet te leveren - het waterpeil daalt in deze laag (zie grafiek van de peilput van het primair meetnet in bijlage) - in het goedgekeurde milieube- leidsplan is een stand still afgekondigd voor deze laag - het betreft een put die nog niet vergund is geweest". 1.5. Tijdens het openbaar onderzoek worden geen bezwaren ingediend. 1.6. Op 20 februari 2001 weigert het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Lierde de gevraagde vergunning met verwijzing naar het ongunstig advies van de afdeling Water. 1.7. Op 2 maart 2001 tekent de verzoekende partij beroep aan tegen voornoemde beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Lierde. 1.8. In het kader van de beroepsprocedure worden de volgende adviezen gegeven : (

  1. a)op 13 april 2001 stelt de afdeling Water haar principieel ongunstig advies van 15 december 2000 te behouden. In dit advies wordt het volgende gesteld : "1. De put bestaat 50 jaar: hij is nog nooit vergund geweest dus als nieuwe winning te beschouwen. 2. In feite is het enige alternatief het gebruik van leidingwater. 3. De VMM heeft geen bevoegdheid inzake vergunningen grondwaterwinnin- gen en weet trouwens niet welke wel en niet vergund zijn. 4. De meegestuurde grafiek is uit een peilput van het primair meetnet van Aminal uit dezelfde watervoerende laag in de omgeving van de winning. 5. Het enige alternatief is inderdaad leidingwater. 6. Er zijn reeds van in 1947 reglementeringen in verband met grondwater. De aanvraag komt ruim laat. 7. Het is goed dat reeds regenwater voor sommige toepassingen gebruikt wordt"; (
  2. b)op 13 april 2001 adviseert de administratie Ruimtelijke Ordening, Huisvesting en Monumenten & Landschappen gunstig omdat de inrichting verenigbaar is met de bestemming van het gebied; (
  3. c)op 24 april 2001 adviseert de afdeling Milieuvergunningen ongunstig voor het beroep. In dit advies wordt onder meer het volgende overwogen : VII-24.673-3/13 "M.b.t. de betreffende grondwaterwinning dient gewezen op 'actie 70' van het milieubeleidsplan 1997-2001, inzake het uitwerken van herstelprogramma's aangaande 'de sokkel' en het uitvoeren van deze programma's om de grondwa- terwinning in overeenstemming met de draagkracht te brengen. Het afdwingen van stand-still in waterwinning uit deze laag vormt hierbij de eerste stap, waarna het selectief uitbannen van bepaalde waterwinningen en/of geleidelijk verminderen van alle waterwinningen volgt. Er dient op gewezen dat de betreffende waterwinning, niettegenstaande de wettelijke verplichtingen ter zake in het verleden, nooit is vergund geweest, en bijgevolg ook niet als een bestaande winning kan worden beschouwd. Ten einde een consequent beleid te voeren dient inderdaad het stand-still principe toegepast". 1.9. Op 10 mei 2001 beslist de verwerende partij de behandelingster- mijn eenmalig te verlengen met één maand. In dit besluit wordt onder meer het volgende overwogen : "Overwegende dat het juridisch, administratief en technisch onderzoek van het beroepsdossier een vrij complexe aangelegenheid is, waardoor het niet mogelijk blijkt dit onderzoek binnen de normaal gestelde termijnen af te ronden; dat er derhalve redenen voorhanden zijn om de termijn van behandeling te verlengen". 1.10. Op 23 mei 2001 geeft de provinciale deskundige grondwater een voorwaardelijk gunstig advies voor het inwilligen van het beroep en het verlenen van de vergunning voor een termijn van maximum tien jaar. De provinciale deskundige grondwater stelt voor om als één van de bijzondere voorwaarden op te leggen dat het grondwaterpeil in de winningsput in geen geval mag dalen onder het dak van de laag. In dit advies wordt het volgende overwogen : " - Het betreft in hoofdzaak een hoogwaardige toepassing. - Het betreft een regularisatie van een bestaande toestand. De put wordt immers ca. 50 jaar gebruikt en vroeger werd een veel hoger debiet opge- pompt (cfr. aanwezigheid middelbare school tot 5 jaar geleden). - Het debiet wordt ten opzichte van de huidige toestand niet verhoogd, er kan dus niet echt worden gesproken van een 'nieuwe' winning die de stijghoogte verder nadelig zou kunnen beïnvloeden. - Het betreft een relatief gering debiet. - De capaciteit van de watervoerende laag is wel degelijk voldoende om het benodigde debiet te leveren. Het peil in rust bedraagt immers ca. +15 m TAW (cfr. peilmetingen naburige peilput primair meetnet) en het dak van de watervoerende laag is ter hoogte van de winning te situeren op ca. -20 m TAW. Met een dergelijk gering debiet is dan ook niet te verwachten dat het peil in werking zal dalen onder het dak van de laag. - Het aangevraagde debiet ligt ca. 12 % lager dan het werkelijke verbruik. Op basis van de tellerstand na 6 maand debietregistratie wordt het jaarverbruik immers geraamd op ca. 5.000 m³/j i.p.v. de aangevraagde 4.400 m³/j. Het verbruik van sokkelwater dient dan ook beperkt te worden via watersparende VII-24.673-4/13 maatregelen of via het inzetten van alternatieve waterbronnen (regenwater en/of leidingwater). - Mits naleving van de voorgestelde vergunningsvoorwaarden en maximale beperking van het opgepompte debiet via watersparende maatregelen en aanwending van alternatieve waterbronnen (bij voorkeur regenwater), kan de winning nog worden toestaan". 1.11. Op 28 mei 2001 geeft de provinciale milieudeskundige een voorwaardelijk gunstig advies voor het inwilligen van het beroep en het verlenen van de vergunning. In dit advies wordt het volgende overwogen : "(...) - dat tijdens het openbaar onderzoek geen bezwaren werden ingediend; - dat de door de exploitant aangehaalde beroepsargumenten deels gegrond zijn; - dat de milieuvergunningsaanvraag twee verschillende debieten m.b.t. de grondwaterwinning bevat nl. enerzijds 2.870 m³/jaar en anderzijds 4.400 m³/jaar; dat de bijlage 2 van de milieuvergunningsaanvraag m.b.t. de specificaties van de grondwaterwinning expliciet het debiet van 2.870 m³/jaar vermeldt; - dat het om een regularisatie van een bestaande winning (sinds 1950) met een beperkt debiet gaat, waarvan niet valt te verwachten dat het peil in werking zal dalen onder het dak van de laag". 1.12. Op 12 juni 2001 adviseert de Provinciale Milieuvergunningscom- missie "principieel ongunstig" voor het beroep. In dit advies wordt onder meer het volgende overwogen : "De provinciale deskundige grondwater en de provinciale milieudeskundige stellen dat de door de exploitant aangehaalde beroepsargumenten deels gegrond zijn. De milieuvergunningsaanvraag omvat twee verschillende debieten m.b.t. de grondwaterwinning, nl. enerzijds 2.870 m³/jaar en anderzijds 4.400 m³/jaar. De milieuvergunningsaanvraag bevat m.b.t. de specificaties van de grondwater- winning expliciet het debiet van 2.870 m³/jaar. De aanvraag betreft een regularisatie van een sinds 1950 bestaande winning. De grondwaterwinning uit de Sokkel betreft een beperkt debiet, waarvan niet valt te verwachten dat het peil in werking zal dalen onder het dak van de laag. De exploitant deed ook grote inspanningen om het waterverbruik te reduceren. Voor de watervoerende laag is dit wel degelijk een stand-still principe. De commissie merkt op dat de grondwaterwinning reeds jaren zonder vergunning geëxploiteerd wordt. De drinkwaterleiding is een alternatief. De commissie deelt het standpunt van de AMINAL-afdeling water en adviseert principieel ONGUNSTIG". 1.13. Op 26 juli 2001 wordt het bestreden besluit genomen, waarvan de motivering als volgt luidt : VII-24.673-5/13 "Overwegende dat de grondwaterwinning een winning betreft met een relatief gering debiet; dat het opgepompte grondwater in hoofdzaak voor een hoogwaardige toepassing gebruikt wordt; Overwegende dat er enerzijds dient gewezen op 'actie 70' van het milieube- leidsplan 1997 - 2001, inzake het uitwerken van herstelprogramma's aangaande 'de sokkel' en het uitvoeren van deze programma's om de grondwaterwinning in overeenstemming met de draagkracht te brengen; dat het afdwingen van standstill in de waterwinningen uit deze laag hierbij de eerste stap vormt, waarna het selectief uitbannen van bepaalde waterwinningen en/of geleidelijk verminderen van alle waterwinningen volgt; dat de betreffende waterwinning, niettegenstaande de wettelijke verplichtingen terzake in het verleden, nooit vergund geweest is, en bijgevolg ook niet als een bestaande winning kan worden beschouwd; dat het anderzijds de regularisatie betreft van een bestaande toestand; dat de put immers reeds ca. 50 jaar gebruikt wordt; dat er vroeger een veel hoger debiet opgepompt werd door de aanwezigheid van een middelbare school tot 5 jaar geleden; dat het debiet van 4.400 m³/jaar, op basis van de tellerstand na 6 maand debietregistratie en rekening houdend met de schoolvakantie, overeenkomt met het werkelijke verbruik; dat de aanvraag echter beperkt werd tot een debiet van 2.870 m³/jaar; dat het een nooit eerder vergunde waterwinning betreft waarop het stand-still-principe van toepassing is; Overwegende dat de beroepsargumenten als volgt geëvalueerd kunnen worden : de put wordt reeds 50 jaar gebruikt; het betreft hier geen exploitatie, daar het water voor huishoudelijk gebruik wordt aangewend en er geen winst wordt beoogd; dat er op gewezen dient dat de betreffende waterwinning, niettegenstaande de wettelijke verplichtingen terzake in het verleden, nooit vergund geweest is en bijgevolg ook niet als een bestaande winning kan beschouwd worden; dat de terminologie 'exploiteren' van een grondwaterwinning, gekoppeld is aan rubriek 53.8 van bijlage 1 van Vlarem-I, waarbij geen onderscheid wordt gemaakt tussen particulier of industrieel gebruik; in het kader van de heffingen op de waterverontreiniging werd op verzoek van de VMM een waterteller geplaatst; deze handeling wijst er op dat het de bedoeling is om de betreffende waterwinning te laten voortbestaan 'anders moesten zulke onnodige kosten van hogerhand niet worden opgelegd'; dat het plaatsen van een waterteller verband houdt met de berekening van de heffing op de waterverontreiniging, en geen uitstaans heeft met de vergunnings- aangelegenheid; dat het geenszins de bedoeling van de overheid is om de kwestige waterwinning te laten voortbestaan; door geen enkele instantie, genoemd in de negatieve beslissing (in casu de gemeente, provincie, VMM, OVAM, Milieu-Inspectie, Afdeling Water, Technische Inspectie, Aquafin) werd een plaatsbezoek afgelegd; Dat enkel Aminal, Afdeling Water voor de betreffende rubriek, overeenkom- stig de aanduiding, advies dient uit te brengen; dat de overige opgesomde instanties, overeenkomstig art. 36.5.b van Vlarem-I, enkel een eensluidend verklaard afschrift van de beslissing ontvangen; m.b.t. de grafiek van de peilput te Geraardsbergen wordt gewezen op de volgende punten : - de metingen over 8 jaar zijn veel te kort zijn om een beeld te vormen van de toestand sinds de ingebruikname van de put

(1950); - de zeer kleine invloed van de betreffende grondwaterwinning op het grondwaterpeil, en de grotere impact van de waterwinningen van de industrie in de regio Geraardsbergen; - er kan niet worden bewezen dat de peilput te Geraardsbergen betrekking heeft op dezelfde watervoerende laag (er wordt hierbij gewezen op het VII-24.673-6/13 verschil in bodemstructuur te Deftinge en te Geraardsbergen op een diepte van 150 -160 m); dat, op basis van metingen, ontegensprekelijk kan aangetoond worden dat het peil van het sokkelwater in het algemeen daalt; dat er wel dient aangenomen dat het verbruik van het sokkelwater door de industrie hoger ligt dan het particulier verbruik; het gebruik van eigen boorwater vermijdt het gebruik van dure ontkalkers, die voor spoeling op zich nodeloos veel water verbruiken; de financiële implicaties van een aansluiting op het openbaar rioleringsnet (oa. gratis waterbedeling aan mensen van de derde leeftijd komt in het gedrang). dat de financiële implicatie van een aansluiting op het leidingnet of waterbehandeling buiten de bevoegdheidssfeer van de milieuvergunning valt; het waterverbruik blijft ongewijzigd of er gebruik wordt gemaakt van het water uit de boorput of van het openbare net; dat het de exploitant vrijstaat een ondiepere grondlaag aan te boren, mits hiervoor voorafgaandelijk de vereiste milieuvergunning wordt verworven; hemelwater wordt zoveel mogelijk opgevangen en gebruikt; het waterver- bruik t.o.v. vroeger is verminderd; dat dit positief is; Overwegende dat de inrichting rekening houdend met haar kenmerken en omvang, en rekening houdend met de ligging ten overstaan van gebieden die hindergevoelig zijn, een te grote negatieve impact kou hebben op mens en leefmilieu; Overwegende dat de inrichting milieuhygiënisch niet verenigbaar is met de omgeving; dat de milieuvergunning dient geweigerd te worden";
  1. Ten gronde 2.1.
  2. Overwegende dat de verzoekende partij in het tweede middel, bestaande uit twee onderdelen, de schending aanvoert van artikel 50, 3/, b), van Vlarem I, van "het principe van de rechtens vereiste feitelijke grondslag" en "voor zoveel als nodig" van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, doordat het bestreden besluit in essentie is gemotiveerd door de overweging dat de bestaande grondwaterwinning van de verzoekende partij "rekening houdend met haar kenmerken en omvang, en rekening houdend met de ligging ten overstaan van gebieden die hindergevoelig zijn, een te grote negatieve impact zou hebben op mens en leefmilieu" en "de inrichting milieuhygiënisch niet verenigbaar is met de omgeving"; dat de verzoekende partij in een eerste onderdeel stelt dat, naar luid van voornoemde bepaling van Vlarem I, de motivering van het bestreden besluit een motivering moet bevatten aangaande de aanspraken en bezwaren die door de beroepsindiener werden gesteld, dat deze motiveringsverplichting strenger is dan de algemene motiveringsplicht die wordt opgelegd door de artikelen 2 en 3 van de voornoemde wet van 29 juli 1991, en er dan ook op primeert ingevolge de bepaling van artikel 6 van voornoemde wet, dat zij omtrent de door de afdeling Water meegedeelde meetgegevens in haar beroepschrift had laten gelden dat deze metingen op een veel te korte periode VII-24.673-7/13 betrekking hebben om representatief te kunnen zijn, dat deze metingen niet bewijzen dat haar grondwaterwinning enige invloed heeft op de aldus gemeten grondwaterla- gen, temeer daar het te dezen om een winning uit sokkelwater gaat, met een andere bodemstructuur, dat de diepte van de peilput te Geraardsbergen waarop de afdeling Water zich baseert, niet gekend is, dat zij daarin ook werd bijgetreden door de provinciale deskundige grondwater en de provinciale milieudeskundige, die in hun adviezen van mei 2001 hebben aangetoond waarom, in tegenstelling tot voornoemd advies van de afdeling Water, de capaciteit van de watervoerende laag wel voldoende is om het benodigde debiet te leveren, gezien het debiet en gezien de niveau's van het peil in rust en het dak van de watervoerende laag ter hoogte van de winning; dat de verzoekende partij voorts stelt dat de enkele overweging in het bestreden besluit als antwoord hierop, als zou op basis van metingen ontegenspreke- lijk kunnen worden aangetoond dat het peil van het sokkelwater in het algemeen daalt, en dat het verbruik van sokkelwater door de industrie hoger ligt dan het particulier verbruik, niet voldoet aan deze motiveringsverplichting, dat niet blijkt op welke metingen de auteurs van de bestreden beslissing zich hiervoor baseren, temeer daar er door de administratie Milieu,- Natuur-, Land- en Waterbeheer (hierna : AMINAL) geen dergelijke algemene metingen werden voorgelegd, en het tegendeel blijkt uit de geciteerde adviezen, en uit de argumentatie van het beroepschrift, dat de verwerende partij de verzoekende partij ook niet weerlegt, waar zij in het beroepschrift betoogt dat de standaard werkdruk van 5 BAR van de compressor van de grondwaterwinning bewijst dat het grondwater door eigen kracht van 160 meter tot ongeveer 50 meter diep komt, dat als deze werkdruk zich niet wijzigt, er ook geen daling van het grondwaterpeil in al die tijd is, hetgeen de door verwerende partij veronderstelde algemene daling ervan weerlegt, en het gebrek aan beantwoor- ding van de beroepsgrieven des te duidelijker aantoont; 2.1.
  3. Overwegende dat de verzoekende partij in het tweede onderdeel stelt dat het bestreden besluit niet afdoende in feite en in rechte is gemotiveerd, dat de motivering in de eerste plaats tegenstrijdig is, in de mate dat enerzijds wordt vastgesteld dat de grondwaterwinning een winning betreft met een relatief gering debiet en voor een in hoofdzaak hoogwaardige toepassing, en anderzijds wordt vastgesteld dat deze grondwaterwinning niet verenigbaar zou zijn met de omgeving en dat deze een te grote negatieve impact zou hebben op mens en leefmilieu, rekening houdend met haar kenmerken en omvang en rekening houdend met de ligging ten overstaan van gebieden die hindergevoelig zijn, dat het tegenstrijdig is dat een relatief gering debiet van grondwater voor hoogwaardig gebruik toch een te grote negatieve impact zou hebben, dat de bestreden beslissing verder ook niet VII-24.673-8/13 afdoende is gemotiveerd doordat deze stijlformules bevat, dat immers een dergelijke onprecieze motivering voor om het even welke weigeringsbeslissing kan worden aangewend en dus "uit den boze is" in het licht van de wettelijke vereiste van afdoende motivering naar de concrete feiten van elk milieuvergunningsdossier; dat zij voorts betoogt dat zij "het raden heeft" naar de precieze kenmerken, omvang en ligging opzichtens de hindergevoelige gebieden "die overigens niet worden aangeduid", dat er niet valt in te zien hoe een bestaande beperkte grondwaterwinning voor huishoudelijk gebruik voor andere gebieden hinder zou kunnen veroorzaken, mede gelet op de positieve, uitvoerig gemotiveerde adviezen van de provinciale deskundige, dat in de bestreden beslissing ook geen motivering terug te vinden is waaruit zou blijken waarom de verwerende partij geen rekening hield met de omstandig geformuleerde, gunstige adviezen van zowel de provinciale deskundige grondwater als de provinciale milieudeskundige, dat ook niet wordt gemotiveerd waarom er geen milieuvergunning kon worden verleend mits het opleggen van bijzondere milieuvoorwaarden en het beperken van de vergunningstermijn tot tien jaar, dat het voorgaande des te meer klemt, aangezien de andere ongunstige adviezen even kort waren, en dat in de gunstige adviezen van de voornoemde provinciale ambtenaren ook gemotiveerd werd weerlegd dat de capaciteit van de watervoerende laag onder de sokkel, waaruit de kwestige grondwaterwinning oppompt, wel voldoende is om het benodigde debiet te leveren, en waarbij werd verwezen naar andere peilmetingen uit een naburige peilput van het primair meetnet, dat er voorts ook ernstige twijfels rijzen over de juistheid van de feitelijke vaststellingen die de verwerende partij als uitgangspunt heeft genomen voor haar verdere redenering en besluitvorming, dat niet blijkt op welke metingen de verwerende partij zich hiervoor baseert, temeer daar er door AMINAL geen dergelijke, algemene metingen werden voorgelegd, en het tegendeel blijkt uit de geciteerde adviezen, en uit de argumentatie van het beroepschrift, dat uit de motivering van het bestreden besluit niet kan worden opgemaakt waarom met deze positieve adviezen precies geen rekening kon worden gehouden, zodat het bestreden besluit nietig is zowel wegens het gebrek aan gemotiveerd antwoord op de beroepsgrieven als wegens het gebrek aan afdoende motivering; 2.2.
  4. Overwegende dat de verwerende partij, met betrekking tot het eerste onderdeel, antwoordt dat volgens de Raad van State de bepaling van artikel 30, § 1, 3/ tot 5/, van Vlarem I, waarbij wordt gesteld dat er in de beslissing moet worden gemotiveerd waarom een of meerdere onderdelen in de uitgebrachte adviezen niet worden gevolgd, enkel slaat op beslissingen genomen in eerste aanleg, dat op de beslissingen genomen na beroep, artikel 52, 3/, van Vlarem I van VII-24.673-9/13 toepassing is, waarin wordt gesteld dat de uitspraak een gemotiveerde beslissing over de aanspraken of bezwaren van de beroepsindiener moet bevatten, dat uit een afdoende motivering wel moet blijken waarom de andersluidende adviezen niet worden gevolgd, dat uit het overwegende gedeelte van de beslissing blijkt dat de weigeringsbeslissing is gesteund op de toepassing van "actie 70" van het Vlaamse Milieubeleidsplan 1997-2001, inzake het uitvoeren van herstelprogramma's aangaande de "sokkel" en het standstill-principe dat van toepassing is op inrichting- en die nog nooit eerder werden vergund, dat de grondwaterwinning nog nooit eerder werd vergund, dat de beroepsargumenten expliciet en één voor één worden behandeld zodat bezwaarlijk kan worden gesteld dat de beroepen beslissing onvoldoende is gemotiveerd, dat er in het bestreden besluit niet zonder meer wordt voorbijgegaan aan de in de andersluidende adviezen opgenomen argumenten, dat het inderdaad een grondwaterwinning betreft die al jarenlang wordt geëxploiteerd, doch waarvoor nog nooit eerder een vergunning werd afgeleverd, zodat het standstill- principe moet worden toegepast; 2.2.
  5. Overwegende dat de verwerende partij, met betrekking tot het tweede onderdeel, antwoordt dat in het besluit wordt gesteld dat het een grondwater- winning met een beperkt debiet betreft en dat het opgepompte water in hoofdzaak voor een hoogwaardige toepassing wordt gebruikt, dat ondanks dit feit de grondwaterwinning wordt geweigerd, in toepassing van "actie 70" van het Vlaamse Milieubeleidsplan 1997-2001, dat er de feitelijke vaststellingen zijn dat de grondwaterwinning een beperkte impact heeft, maar dat anderzijds er in hoofde van de vergunningverlenende overheid de verplichting bestaat toepassing te maken van het standstill-principe voor nog nooit eerder vergunde grondwaterwinningen, dat de exploitant geen voordeel kan putten uit de uitbating van een jarenlange bestaande doch niet vergunde winning, dat deze redenering aldus niet strijdig is met de motivering van het besluit dat de inrichting een te grote negatieve impact op mens en leefmilieu zou hebben, daar de toepassing van het standstill-principe juist (het vermijden van een) te grote negatieve impact van grondwaterwinningen op mens en leefmilieu als doel heeft, dat de verzoekende partij ten onrechte stelt dat het besluit onvoldoende motiveert waarom het voorbijgaat aan de gunstige adviezen van diverse adviserende instanties; 2.
  6. Overwegende dat de verzoekende partij in haar memorie van wederantwoord stelt dat het eerste onderdeel niet steunt op de schending van artikel 52, 3/, van Vlarem I omdat dit artikel enkel van toepassing is op beslissingen van de Vlaamse minister bevoegd voor het leefmilieu over hogere beroepen tegen in eerste VII-24.673-10/13 aanleg door de deputatie genomen beslissingen, terwijl te dezen de deputatie van de provincie Oost-Vlaanderen in tweede en laatste aanleg heeft beslist over het beroep van de verzoekende partij tegen de weigeringsbeslissing die werd genomen in eerste aanleg, dat in het tweede onderdeel van dit middel verscheidene, duidelijke tegenstrijdigheden, "imprecisies" en lacunes qua motivering van het bestreden besluit worden aangetoond, die niet worden weerlegd in de stukken of de memorie van antwoord van de verwerende partij; 2.
  7. Overwegende dat uit de motivering van het bestreden besluit blijkt dat de verwerende partij de vergunning niet heeft geweigerd op grond van een discretionaire beoordeling van de impact op het leefmilieu van de concrete aanvraag, maar omdat zij er zich toe verplicht voelt elke nieuwe aanvraag tot waterwinning uit de sokkel te weigeren op grond van het standstill-beginsel en "actie 70" van het Vlaamse Milieubeleidsplan 1997-2001; dat artikel 1.2.1, § 2, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid als volgt luidt : "Op basis van een afweging van de verschillende maatschappelijke activiteiten streeft het milieubeleid naar een hoog beschermingsniveau. Het berust onder meer op het voorzorgsbeginsel en het beginsel van preventief handelen, het beginsel dat milieuaantastingen bij voorrang aan de bron dienen te worden bestreden, het standstill-beginsel en het beginsel dat de vervuiler betaalt"; dat deze bepaling geen afdwingbare regels inhoudt, doch enkel algemene principes op het vlak van het algemeen milieubeleid die nadere uitwerking in direct afdwingbare normen behoeven; dat "actie 70" van het Vlaamse Milieubeleidsplan 1997-2001, zoals goedgekeurd bij besluit van de Vlaamse regering van 8 juli 1997 houdende de vaststelling van het milieubeleidsplan overeenkomstig artikel 2.1.10, § 2, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, als volgt luidt : "Herstelprogramma's uitwerken en uitvoeren om grondwaterwinning in overeenstemming met de draagkracht te brengen • Herstelprogramma 'de sokkel'. Dit komt tot stand in overleg met de betrokken doelgroepen. Afdwingen van stand-still in de waterwinning uit deze laag vormt de eerste stap. Daarop volgt het selectief uitbannen van bepaalde waterwinningen en/of het gedeeltelijk verminderen van alle waterwinningen. Het waterpeil zal geheel geleidelijk omhoog worden gebracht om de waterkwaliteitsverandering door het contact van het water met drooggevallen gesteente onder controle te houden • Herstelprogramma 'de duinen'. Aansluitend op de uitwerking van het strategische plan op de watervoorziening wordt een uitvoeringsplan opgemaakt en uitgevoerd. Initiatiefnemer: Aminal VII-24.673-11/13 Betrokkenen: doelgroepen, gemeenten, IN, provincies, VMM, watervoorzie- ning"; dat krachtens artikel 2.1.11, § 1, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, de bepalingen van het milieubeleidsplan indicatief zijn, behoudens de bepalingen van het actieplan die door de Vlaamse regering als bindend zijn aangeduid; dat deze bepalingen bindend zijn voor de diensten van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, de instellingen die afhangen van het Vlaamse Gewest, de ondergeschikte besturen die onder het administratief toezicht staan van het Vlaamse Gewest en de publiekrechtelijke en privaatrechtelijke rechtspersonen die belast zijn met taken van openbaar nut inzake milieu; dat uit de tekst van "actie 70" van het Vlaamse Milieubeleidsplan 1997-2001 blijkt dat op initiatief van AMINAL herstelprogramma's om grondwaterwinning in overeenstemming met de draagkracht te brengen, moeten worden uitgewerkt en uitgevoerd; dat het citaat uit het milieubeleidsplan niet kan worden beschouwd als een nadere uitwerking van het standstill-beginsel in een direct afdwingbare norm; dat de vergunningverlenende overheid bij haar discretionaire beoordeling van de impact op het leefmilieu van een vergunningsaanvraag tot waterwinning uit de sokkel, rekening kan houden met het standstill-beginsel als een gegeven dat een kritisch onderzoek van de concrete elementen van de aanvraag verantwoordt; dat het evenwel niet zo is dat het standstill-beginsel of "actie 70" van het Vlaamse Milieubeleidsplan 1997-2001, de verwerende partij elke discretionaire beoordelings- bevoegdheid omtrent bepaalde vergunningsaanvragen ontneemt; dat noch artikel 1.2.1, § 2, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, noch "actie 70" van het Vlaamse Milieubeleidsplan 1997-2001 kunnen worden beschouwd als een vergunningsstop; dat, aangezien de formele motivering van het bestreden besluit er zich toe beperkt het principe tot uitdrukking te brengen dat de verwerende partij ertoe verplicht was de aanvraag te weigeren op grond van het standstill-beginsel en "actie 70" van het Vlaamse Milieubeleidsplan 1997-2001, het tweede middel in de beide onderdelen gegrond is, VII-24.673-12/13 BESLUIT: Artikel
  8. Vernietigd wordt het besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen van 26 juli 2001 waarbij het beroep ingesteld door de VZW "ZUSTERS VAN DE H. VINCENTIUS A PAULO VAN DEFTINGE" tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Lierde van 20 februari 2001, houdende weigering van de milieuvergunning voor het exploiteren van een grondwaterwinning op de terreinen van een kloostergemeenschap, gelegen aan de Kerkstraat 10 te Lierde, niet wordt ingewilligd en de beroepen beslissing wordt bevestigd. Artikel
  9. Dit arrest zal worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit. Artikel
  10. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van het Vlaamse Gewest. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijtien juli tweeduizend en acht, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. L. HELLIN, kamervoorzitter, E. BREWAEYS, staatsraad, P. LEFRANC, staatsraad, Mevr. E. IMPENS, griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. L. HELLIN. VII-24.673-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.185.403 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.