← België

Arrest 185404 - Varia (ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu) - 15/07/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 15 juli 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.185.404 Rolnummer: A. 113283/VII-25123 Zaak: Arrest 185404 - Varia (ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu) - 15/07/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-07-23 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-06-29 08:24 Fiche Arrest nr 185.404 van 15 juli 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Varia (ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu) Beslissing : Vernietiging Verwerping bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 185.404 van 15 juli 2008 in de zaak A. 113.283/VII-25.

  1. In zake : de NV WASSERIJ SNEEUWWITJE (in faling), die vertegenwoordigd wordt door curator G. WAETERLOOS, kantoor houdende te GENT, Willem van Nassaustraat 4 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat J. BERGÉ, kantoor houdende te LEUVEN, Naamsestraat
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de NV WASSERIJ SNEEUWWITJE op 23 november 2001 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw van 21 september 2001 waarbij het beroep ingesteld tegen de beslissing van de Openbare Afvalstoffenmaatschappij voor het Vlaamse Gewest (hierna : OVAM) van 1 juni 2001, waarbij OVAM de verzoekende partij aanmaant een bodemsanerings- project op te stellen op grond van artikel 23 van het decreet van 22 februari 1995 betreffende de bodemsanering, ongegrond wordt verklaard en de beroepen beslissing wordt bevestigd; Gezien de regelmatig gewisselde memorie van antwoord en de memorie van de verzoekende partij met verzoek tot voortzetting van het geding door de curator van de intussen in faling verklaarde verzoekende partij; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd M. LEFEVER; VII-25.123-1/13 Gelet op de beschikking van 5 december 2006 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 8 april 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 15 mei 2008; gelet op het feit dat de zaak op deze zitting werd uitgesteld naar de openbare terechtzitting van 12 juni 2008, waarop de zaak volledig wordt hernomen, gelet op de nieuwe samenstelling van de zetel; Gehoord het verslag van kamervoorzitter L. HELLIN; Gehoord de opmerkingen van advocaat J. FLO die, loco advocaat M. STORME en curator G. WAETERLOOS verschijnt voor de verzoekende partij en van advocaat J. BERGÉ die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur- afdelingshoofd M. LEFEVER; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  3. De feiten Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  4. De verzoekende partij baat sinds 1948 en tot aan haar faillissement op 14 maart 2002 een wasserij uit, en sinds 1986 ook een droogkuisbedrijf op de terreinen gelegen aan de Riemsesteenweg 47 te Ertvelde. 1.
  5. Op 4 april 2001 meldt de verzoekende partij aan OVAM dat zij wenst over te gaan tot de overdracht van vier percelen, kadastraal gekend als afdeling Evergem 4, afdeling Ertvelde, sectie A, nummers 0451 F (wasserij en droogkuis), 0451 E (bouwland), 0453 E 2 (huis) en 0453 B 3 (wasserij en droogkuis). VII-25.123-2/13 Bij deze melding wordt een verslag gevoegd van een geactualiseerd oriënterend bodemonderzoek van 30 maart
  6. Het oorspronkelijk verslag van het oriënterend bodemonderzoek dateert van 15 oktober
  7. Op 4 april 2001 wordt ook het eindverslag van het beschrijvend bodemonderzoek, opgemaakt op 30 maart 2001 met een aanvulling op 25 mei 2001, overgemaakt. Het wordt op 1 juni 2001 door OVAM conform verklaard. In die beslissing wordt de verzoekende partij tevens aangemaand om binnen een termijn van negen maanden een bodemsaneringsproject op te stellen. Tegelijkertijd worden ook bodemattesten overgemaakt betreffende de betrokken percelen. Het beschrijvend bodemonderzoek besluit inzake de verontreinigingssituatie : "Bodemverontreiniging: - Uit de horizontale afperking van de bodemverontreiniging blijkt dat we slecht(s) te maken hebben met een zeer beperkte bodemverontreiniging door stookolie t.h.v. boring SE-
  8. - Tijdens de uitvoering van het beschrijvend onderzoek werd er eveneens een verhoogd gehalte aan minerale olie in de bodem aangetroffen t.h.v. tank 4 (zie boring SE-22). Aangezien de bodemverontreiniging in februari 2000 werd vastgesteld kan men besluiten dat we te maken hebben met een nieuwe bodemverontreiniging. - De aanwezige bodemverontreiniging door minerale olie vormt geen humaan (...), ecologisch of verspreidingsrisico aangezien ze wordt afgesloten door een betonlaag van ca. 25 cm. Grondwaterverontreiniging : - We kunnen besluiten dat we te maken hebben met één grond- waterverontreinigingspluim, waar vermoedelijk twee bronnen de verontreiniging hebben aangeleverd, namelijk t.h.v. de opslag van gevaarlijke stoffen (zone I) en t.h.v. de droogkuismachine (zone II). - Tijdens de uitvoering van het beschrijvend bodemonderzoek werd er eveneens een verhoogd gehalte aan minerale olie in het grondwater aangetroffen t.h.v. tank 4 (zie boring SE-22). Aangezien de bodemverontreiniging in februari 2000 werd vastgesteld kan men besluiten dat we te maken hebben met een nieuwe bodemverontreiniging. - Gezien de hoge concentraties aan afbraakproducten (zoals cis+trans 1, 2-dichlooretheen, trichlooretheen en vinylchloride) t.o.v. lagere concentraties aan tetrachlooretheen en de bevindingen van het oriënterend bodemonderzoek, kunnen we besluiten dat we te maken hebben met een historische grondwaterverontreiniging. - Er is geen humaan en ecologisch risico voor de aangetroffen grondwaterverontreiniging. Wel is er een potentieel verspreidingsrisico voor tetrachlooretheen, trichlooretheen, cis+trans 1, 2-dichlooretheen en vinylchloride. - Er is wel een biodegradatie aanwezig op het onderzochte terrein, doch deze verbindingen worden anaëroob afgebroken tot het schadelijke vinylchloride (dat aëroob snel afbreekt en anaëroob heel traag afbreekt), waardoor het opstellen van een bodemsaneringsproject noodzakelijk is. • geschatte hoeveelheden verontreinigde grond : Minerale olie: 600 m3 verontreinigde bodem; • schatting van de grootte van de grondwatervlek voor de verschillende parameters : VII-25.123-3/13 VOCl: 5300 m3 verontreinigd grondwater, waarvan 1300 m3 sterk verontreinigd; Minerale olie: 645 m3 verontreinigd grondwater". De algemene conclusie van de bodemsaneringsdeskundige luidt als volgt : "Op basis van bovenstaande gegevens kan geconcludeerd worden dat de historische grondwaterverontreiniging door VOCl een onmiddellijk risico inhoudt voor verspreiding. De bodem- en grondwaterverontreiniging door minerale (oliën) houdt geen risico in, deze verontreiniging heeft evenwel een nieuw karakter waardoor sanering van de ondergrond noodzakelijk is". Deze conclusie blijft behouden na een door OVAM gevraagd bijkomend onderzoek. 1.
  9. De verzoekende partij tekent op 28 juni 2001 beroep aan tegen voornoemde beslissing van OVAM en ook tegen de bodemattesten. Zij argumenteert dat de verontreiniging door minerale olie ook een historische verontreiniging is aangezien ze reeds werd vastgesteld in 1987 toen er nieuwe gebouwen werden opgericht ter hoogte van de vervuilde plek, dat er in 2000 nog een incident met minerale olie is geweest maar dat deze onmiddellijk werd geruimd, en dat aangezien er geen onmiddellijk risico voor verspreiding is, er voor die historische verontreiniging met minerale olie geen saneringsplicht geldt. De verzoekende partij betwist ook de correctheid van het gebruik van de door OVAM uitgewerkte werkwijze waarbij de gewone bodemsaneringsnormen worden gehanteerd ter beoordeling van de ernst van historische verontreiniging. Volgens haar heeft dit tot gevolg dat, aangezien het grootste gedeelte van de gronden in Oost-Vlaanderen is aangeduid als kwetsbaar, het er op neerkomt dat ook voor de historische verontreiniging de saneringsverplichting de regel wordt. Verder vindt zij dat er in het besluit van OVAM geen "in- concreto-beoordeling" te vinden is van de ernst van de bedreiging, dat het risico op verspreiding in het grondwater dat wordt weerhouden louter hypothetisch is en dat er in het beschrijvend bodemonderzoek zelf wordt vastgesteld dat de in de omtrek gelegen waterwinningen niet bedreigd worden, zodat er geen sprake kan zijn van een ernstige bedreiging. In een op vraag van de verzoekende partij, na de conformverklaring van het beschrijvend bodemonderzoek, bijkomend uitgevoerd onderzoek van 4 september 2001, maakt dezelfde bodemsaneringsdeskundige een "inschatting van de natuurlijke afbraak en maximale concentraties op grote afstand" VII-25.123-4/13 waarin hij tot het besluit komt "dat door het optreden van aërobe en anaërobe afbraak de omliggende vergunde grondwaterwinningen niet worden bedreigd door de aanwezige grondwaterverontreiniging en dat met andere woorden er geen actueel verspreidingsrisico aanwezig is op het onderzochte terrein". Dit onderzoek wordt op 7 september 2001 overgemaakt aan de verwerende partij. 1.
  10. Bij besluit van 21 september 2001 verklaart de verwerende partij het beroep onontvankelijk voor zover het gericht is tegen de bodemattesten en ongegrond voor zover het gericht is tegen de beslissing van OVAM van 1 juni 2001 waarbij het beschrijvend bodemonderzoek conform wordt bevonden en waarbij een termijn van negen maanden wordt gegeven om een bodemsaneringsproject in te dienen. Dit is het thans bestreden besluit;
  11. Ten gronde 2.1.
  12. Overwegende dat de verzoekende partij in het eerste middel de schending aanvoert van de artikelen 1 en 30 van het decreet van 22 februari 1995 betreffende de bodemsanering (hierna : bodemsaneringsdecreet) en het verbod op machtsoverschrijding en machtsafwending; dat zij stelt dat voor de historische verontreiniging dezelfde criteria werden gebruikt als voor de nieuwe verontreiniging, terwijl het bodemsaneringsdecreet een duidelijk onderscheid maakt tussen de saneringsplicht bij historische verontreiniging en deze bij nieuwe verontreiniging, en het decreet noch aan OVAM, noch aan de Vlaamse regering enige delegatie terzake heeft verleend; dat zij uiteenzet dat OVAM het begrip "ernstige bedreiging" dat door het bodemsaneringsdecreet wordt vereist opdat historische verontreiniging zou moeten worden gesaneerd, aldus heeft ingevuld dat de facto de normen voor nieuwe bodemverontreiniging gelden, dat volgens OVAM er bij een historische bodemverontreiniging een "ernstige aanwijzing van een ernstige bedreiging" bestaat, indien één of meer analyseresultaten de volgende waarden overschrijden : "-voor gronden die op de grondwaterkwetsbaarheidskaarten zijn aangeduid als uiterst kwetsbaar en voor gronden gelegen in waterwingebieden en beschermingszones I, II en III: hiervoor gelden de bodemsaneringsnormen van nieuwe verontreiniging (met bodemsaneringsnormen wordt hieronder steeds bedoeld de normen bij nieuwe verontreiniging); - voor gronden die op de grondwaterkwetsbaarheidskaarten worden aangeduid als zeer kwetsbaar: - voor het vaste deel van de aarde: de bodemsaneringsnormen; - voor zware metalen in het grondwater: 2 x de bodemsaneringsnormen; VII-25.123-5/13 - voor organische verbindingen en gechloreerde solventen in grondwater: de bodemsaneringsnormen (...)"; dat zij voorts stelt dat haar terreinen op de waterkwetsbaarheidskaarten van Oost-Vlaanderen als zeer kwetsbaar zijn aangeduid, dat het overgrote deel van de gronden in Oost-Vlaanderen als zeer kwetsbaar is aangeduid, dat het door OVAM gehanteerde beoordelingskader tot gevolg heeft dat de gewone bodemsaneringsnormen als toetssteen werden genomen, dat aldus de verplichting tot sanering, die volgens de decreetgever de uitzondering moet zijn bij historische verontreiniging, de regel is geworden, dat het beoordelingskader van OVAM bovendien geen reglementair karakter heeft, dat het hoogstens kan gaan om een interne beleidslijn van OVAM die geen afbreuk kan doen aan de bepalingen van het decreet; 2.1.
  13. Overwegende dat de verwerende partij daarop antwoordt dat bij historische verontreiniging alleen tot sanering moet worden overgegaan indien de bodemverontreiniging een ernstige bedreiging vormt, dat dit laatste precies wordt vastgesteld door het beschrijvend bodemonderzoek, dat conform artikel 2, 3/, van het bodemsaneringsdecreet zij aldus rekening heeft gehouden met de kenmerken van de bodem, de aard en de concentratie van de stoffen of organismen, de functies die de bodem vervult en het gevaar op blootstelling van mensen, planten, dieren of waterwinningen, dat één van die elementen de mogelijkheid op verspreiding van de verontreiniging is, dat uit het beschrijvend bodemonderzoek blijkt dat er naar schatting 5.300 m3 grondwater verontreinigd is met VOCl (vluchtige organochloorverbindingen), waarvan 1.300 m3 sterk verontreinigd, en dat er ongeveer 645 m3 grondwater verontreinigd is met minerale olie, dat de bodemsaneringsdeskundige uitdrukkelijk stelt dat er sprake is van ernstige verontreiniging van het grondwater wanneer het gemiddelde gehalte in het grondwater in minimaal een volume van 100 m3 boven de bodemsaneringsnormen ligt, dat de potentiële toename van de verontreiniging 100 m3 per jaar drastisch overschrijdt zodat er sprake is van een actueel verspreidingsrisico, dat uit dit alles de noodzaak tot het opstellen van een bodemsaneringsproject blijkt; dat de verwerende partij voorts toegeeft dat bij deze analyse de bodemsaneringsnormen die gelden bij nieuwe bodemverontreiniging als toetssteen werden gehanteerd, omdat zij van mening is dat het omwille van de objectiviteit nodig is te werken met normen; dat zij niet inziet waarom dat dat niet deze normen zouden mogen zijn inzake nieuwe bodemverontreiniging, mits aanpassing waar nodig, zoals bijvoorbeeld in functie van de ligging op de grondwaterkwetsbaarheidskaart, en voor zover deze normen niet dwingend worden toegepast; dat de verwerende partij voorts VII-25.123-6/13 stelt dat er te dezen wordt verwezen naar de bodemsaneringsnormen om de ernst van de situatie te kunnen inschatten, dat de vastgestelde overschrijding dermate groot is dat de conclusie dat er een ernstige bedreiging is, gerechtvaardigd is, dat men immers niet uit het oog mag verliezen dat de bodemsaneringsnormen beantwoorden aan een niveau van verontreiniging bij overschrijding waarvan ernstige nadelige effecten kunnen optreden voor de mens of het milieu, gelet op de kenmerken van de bodem en de functies die deze vervult; dat de verwerende partij ten slotte van oordeel is dat het onjuist is dat de verplichting tot sanering bij historische verontreiniging eerder uitzondering zou zijn, dat wanneer bodemverontreiniging wordt vastgesteld, het uitgangspunt in het bodemsaneringsdecreet is dat deze in principe moet worden verwijderd, ongeacht of het om historische of om nieuwe verontreiniging gaat; 2.1.
  14. Overwegende dat het bodemsaneringsdecreet een onderscheid maakt tussen enerzijds historische bodemverontreiniging tot stand gekomen vóór de inwerkingtreding van het decreet, en anderzijds nieuwe bodemverontreiniging tot stand gekomen na de inwerkingtreding van het decreet; dat overeenkomstig artikel 7, § 2, van het bodemsaneringsdecreet, bij nieuwe bodemverontreiniging pas tot bodemsanering moet worden overgegaan indien de bodemverontreiniging de bodemsaneringsnormen overschrijdt; dat overeenkomstig artikel 30, § 1, van meergenoemd decreet, bij historische bodemverontreiniging bodemsanering wordt uitgevoerd indien "er ernstige aanwijzingen zijn dat de bodemverontreiniging een ernstige bedreiging vormt"; dat in artikel 2, 3/, van hetzelfde decreet "bodemverontreiniging die een ernstige bedreiging vormt" als volgt wordt gedefinieerd : "

(1)bodemverontreiniging waarbij er contact is of kan zijn tussen de verontreinigende stoffen of organismen en mensen, planten of dieren en waarbij dit contact zeker of waarschijnlijk schadelijke gevolgen zal hebben voor de gezondheid van mensen, planten of dieren;
(2)bodemverontreiniging die waterwinning nadelig kan beïnvloeden. Bij de evaluatie van de ernst van de bedreiging door bodemverontreiniging, houdt men in concreto rekening met : - kenmerken van de bodem; - de aard en de concentratie van de stoffen of organismen; - de mogelijkheid op verspreiding ervan; - de functies die de bodem vervult; - het gevaar op blootstelling van mensen, planten of dieren en waterwinningen"; dat hieruit blijkt dat, in tegenstelling tot nieuwe bodemverontreiniging, er bij historische bodemverontreiniging niet altijd moet worden gesaneerd; dat er slechts moet worden gesaneerd indien de overheid van oordeel is dat er ernstige VII-25.123-7/13 aanwijzingen zijn dat de bodemverontreiniging een ernstige bedreiging vormt zoals dit wordt omschreven in artikel 2, 3/, van het bodemsaneringsdecreet; dat het daarbij niet voldoende is dat er op basis van het hanteren van een objectief beoordelingskader op abstracte wijze wordt vastgesteld dat er ernstige aanwijzingen zijn dat de verontreiniging een ernstige bedreiging vormt; dat deze conclusie integendeel moet steunen op een individueel, concreet onderzoek met inachtneming van de in artikel 2, 3/, van het bodemsaneringsdecreet opgelegde criteria; Overwegende dat het feit dat de verwerende partij om de ernst van de bedreiging te bepalen mede gebruik heeft gemaakt van de normen die gelden voor nieuwe verontreiniging, op zich geen onregelmatigheid inhoudt, aangezien deze normen het niveau van verontreiniging aangeven bij overschrijding waarvan ernstige nadelige effecten kunnen optreden voor mens of milieu, gelet op de kenmerken van de bodem en de functies die deze vervult, en aldus pertinent zijn om mede de ernst van een bedreiging te bepalen; dat deze normen evenwel niet het enige element mogen zijn om te bepalen of er sprake is van ernstige aanwijzingen voor een ernstige bedreiging in de zin van het bodemsaneringsdecreet; dat in de richtlijn van OVAM de overschrijding van die normen in geval van historische verontreiniging niet het enige element is om de ernst van de bedreiging te bepalen, maar slechts tot een ernstige bedreiging in de zin van het decreet leidt indien daarenboven de verontreinigde grond is gelegen in een gebied dat als kwetsbaar voor de grondwaterkwaliteit wordt beschouwd; dat bij de beoordeling van de ernst van de bedreiging, de verwerende partij zich enerzijds heeft laten leiden door het beoordelingskader dat door OVAM werd uitgewerkt voor de beoordeling van de ernst van de bedreiging en anderzijds door de concrete situatie van de gronden wat betreft de kenmerken van de bodem, de aard en de concentratie van de stoffen of organismen, de mogelijke verspreiding ervan, de functies die de bodem vervult en het gevaar op blootstelling van mensen, planten of dieren en waterwinningen; dat de verwerende partij haar beslissing aldus niet uitsluitend heeft gesteund op een overschrijding van de bodemsaneringsnormen, maar tevens op grond van een concrete inschatting van het risico voor een bedreiging op grond van de kenmerken van de bodem, rekening houdend met de aard en de concentratie van de stoffen of organismen en de mogelijkheid op verspreiding ervan; dat het eerste middel niet gegrond is; 2.2.
  1. Overwegende dat de verzoekende partij in het tweede middel de schending aanvoert van de algemene motiveringsplicht, de zorgvuldigheidsplicht en het redelijkheidsbeginsel en van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 VII-25.123-8/13 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; dat zij in een eerste onderdeel betoogt dat er totaal wordt voorbijgegaan aan haar argumentatie betreffende de verontreiniging met minerale olie, zowel wat betreft de historische als de beweerde nieuwe verontreiniging; dat zij in een tweede onderdeel stelt dat er niet op een zorgvuldige en redelijke wijze werd geoordeeld over de nadeligheid van de VOCl-verontreiniging voor de waterwinning, dat in het beschrijvend bodemonderzoek wordt gesteld dat er een potentieel verspreidingsrisico is, dat dit totaal hypothetisch is aangezien er tevens wordt gezegd dat de grondwaterwinningen die zich in de nabijheid van de verontreiniging bevinden, niet worden bedreigd, de verontreiniging zeer beperkt is in de ruimte en er reeds een verregaand stadium van afbraak werd bereikt; dat de verzoekende partij ten slotte stelt dat de verwerende partij enerzijds, zonder motivering, de bevindingen en aanbevelingen van de bodemdeskundige volgt, en anderzijds, eveneens zonder motivering, de door dezelfde bodemdeskundige nadien uitgevoerde inschatting van de natuurlijke afbraak en maximale concentraties op grote afstand naast zich neerlegt, dat de verwerende partij in dat stadium van de behandeling van de zaak onzorgvuldig heeft gehandeld; 2.2.
  2. Overwegende dat de verwerende partij daarop antwoordt dat de verzoekende partij ten onrechte stelt dat de toetsingsgrond bij historische verontreiniging door VOCl de nadeligheid voor waterwinning is, dat zij hiermee immers het in het bodemsaneringsdecreet voorziene toetsingskader verengt waarbij, samengevat, wordt onderzocht of er een humaan of ecologisch risico is, en of er een risico op verspreiding bestaat, dat er een risico op verspreiding kan bestaan zonder dat er sprake is van een gevaar voor waterwinning, dat ook in dat geval moet worden beslist dat de verontreiniging een ernstige bedreiging vormt en er derhalve moet worden gesaneerd; dat zij voorts stelt dat de verzoekende partij moet toegeven dat ook de erkende bodemsaneringsdeskundige vaststelt dat er een onmiddellijk, minstens een potentieel risico op verspreiding van de verontreiniging bestaat, dat het onjuist is dat dit risico louter hypothetisch is, aangezien een verspreiding van de verontreiniging ook los van de beïnvloeding van grondwaterwinningen een ernstige bedreiging kan vormen, dat de verzoekende partij de feiten en conclusies van het beschrijvend bodemonderzoek tegenspreekt, waar zij de impact van de verontreiniging probeert te minimaliseren, dat de verzoekende partij aan "wishfull thinking" doet wanneer zij beweert dat reeds een verregaand stadium van afbraak werd bereikt, dat de bodemsaneringsdeskundige daarentegen zelf opmerkt dat er reeds afbraak van de VOCl plaatsgrijpt op het terrein maar tevens vermeldt dat er daardoor afbraakproducten worden gevormd die toxischer, vluchtiger en mobieler VII-25.123-9/13 zijn dan de oorspronkelijke contaminanten, dat het loutere feit dat de oorspronkelijke verontreinigende stoffen worden afgebroken dus niet betekent dat er geen verontreiniging meer is van de bodem; dat de verwerende partij voorts stelt dat het onjuist is dat zij geen rekening heeft gehouden met het aanvullend rapport van de bodemsaneringsdeskundige, aangezien zowel de adviserende instantie als zijzelf kennis hebben genomen van dat verslag, dat er uitdrukkelijk melding van werd gemaakt in het besluit en er terecht werd vastgesteld dat dit rapport de bevindingen van het vorige niet weerlegde, dat in het besluit van het aanvullend rapport enkel wordt herhaald dat de omliggende grondwaterwinningen niet worden bedreigd door de aanwezige verontreiniging, waaruit ten onrechte wordt afgeleid dat er geen actueel verspreidingsrisico zou bestaan; dat de verwerende partij op een rapport van de Vlaamse Instelling voor Technologisch Onderzoek (hierna : VITO) wijst dat het bijkomend verslag heeft onderzocht en dat besluit dat er twijfels zijn omtrent de grondigheid en de correctheid van het bijkomend verslag en van mening is dat het duidelijk is dat er een potentieel risico aanwezig is dat in rekening moet worden gebracht in de globale risico-evaluatie en dat uit de resultaten van het beschrijvend bodemonderzoek en van het bijkomend verslag moet worden geconcludeerd dat saneren van het grondwater noodzakelijk is op basis van potentiële verspreidingsrisico's; dat de verwerende partij ten slotte stelt dat zij het dossier van de verzoekende partij wel degelijk op een zorgvuldige wijze heeft behandeld en onderzocht, dat haar beoordeling ervan niet kennelijk onredelijk is en dat de vermelde motieven afdoende zijn; 2.2.
  3. Overwegende dat de verwerende partij in haar laatste memorie met betrekking tot het eerste onderdeel opmerkt dat zij niet diende in te gaan op elk argument van de verzoekende partij, dat het bestreden besluit wel voldoende motieven omvat om haar beslissing te ondersteunen, dat uit het bestreden besluit wel degelijk blijkt waarom zij heeft geoordeeld dat de verontreiniging met minerale olie een nieuwe verontreiniging was, dat zij op basis van het oriënterend en beschrijvend bodemonderzoek oordeelde dat het een nieuwe verontreiniging betrof, dat deze onderzoeken zijn opgesteld door deskundigen zodat men er van kan uitgaan dat zij met kennis van zaken oordelen, dat zulke verwijzing als motivering voldoende is, dat die objectieve en wetenschappelijke vaststellingen bovendien niet eenvoudig kunnen worden weerlegd met loutere vermoedens en niet-concrete beweringen; 2.2.4.
  4. Overwegende dat het bestreden besluit niet ingaat op de argumentatie van de verzoekende partij in verband met het historisch karakter van de verontreiniging door minerale olie; dat de bodemsaneringsdeskundige VII-25.123-10/13 daaromtrent stelt dat het een nieuwe verontreiniging betreft aangezien zij in 2000 werd vastgesteld; dat de verzoekende partij evenwel van oordeel is dat de verontreiniging door minerale olie reeds in 1987 in de grond achter het bedrijf aanwezig was en toen werd vastgesteld door de aannemer die er gebouwen oprichtte; dat hoewel de verwerende partij in het kader van een administratief beroep niet op alle argumenten moet antwoorden die door de beroeper worden aangevoerd, in het bestreden besluit toch moet blijken waarom zij van mening is de voorkeur te moeten geven aan de visie van de bodemsaneringsdeskundige boven deze van de verzoekende partij; dat dit te dezen niet het geval is; dat het eerste onderdeel van het tweede middel gegrond is; 2.2.4.
  5. Overwegende dat de verzoekende partij niet duidelijk maakt waarom het feit dat de grondwaterwinningen in de nabijheid niet worden bedreigd, zou tegenspreken dat de verontreiniging een ernstige bedreiging vormt; dat immers uit artikel 2, 3/, van het bodemsaneringsdecreet moet worden afgeleid dat een bodemverontreiniging een ernstige bedreiging vormt indien zij, gelet op de mogelijkheid op verspreiding ervan, de waterwinning nadelig kan beïnvloeden; dat de bodemsaneringsdeskundige in zijn beschrijvend bodemonderzoek zelf van oordeel is dat, ook al zijn de actueel bestaande grondwaterwinningen niet bedreigd, er toch een ernstige bedreiging is door de potentiële verspreiding van de verontreiniging in het grondwater die sanering noodzakelijk maakt; dat het niet is omdat de actueel bestaande waterwinningen niet worden bedreigd, er geen andere zouden kunnen worden bedreigd, gelet op de potentiële verspreiding van de verontreiniging in het grondwater; dat de bodemsaneringsdeskundige in zijn bijkomend onderzoek niet terugkomt op zijn eerste conclusie; dat hij zelfs na een bijkomende berekening van de natuurlijke afbraak en maximale concentraties op grote afstand, niet uitdrukkelijk stelt dat er geen potentieel verspreidingsrisico is doch enkel vaststelt dat er geen actueel verspreidingsrisico is; dat volgens het controleonderzoek dat door VITO werd uitgevoerd op de onderzoeken die door de bodemsaneringsdeskundige werden gedaan, er geen tegenspraak is tussen de conclusie dat er geen actueel verspreidingsrisico is en dat er op termijn een potentieel verspreidingsrisico zou zijn; dat de bodemsaneringsdeskundige nergens als dusdanig stelt dat de verontreiniging beperkt is in ruimte; dat het risico volgens hem niet bestaat in de actueel verontreinigde hoeveelheid maar in de potentiële verspreiding van de verontreiniging; dat het feit dat er reeds biodegradatie is op het terrein voor hem alleen maar een element is om de ouderdom van de verontreiniging vast te stellen en te besluiten dat het een historische verontreiniging betreft; dat zowel de adviserende instantie als de verwerende partij zelf kennis hebben genomen VII-25.123-11/13 van het aanvullend rapport van de bodemsaneringsdeskundige; dat de verwerende partij daar uitdrukkelijk melding van heeft gemaakt in het bestreden besluit en heeft aangegeven waarom zij van mening is dat dit verslag niet tot een ander besluit moet leiden; dat wanneer de Raad van State een administratieve beslissing aan de wet toetst, hij niet optreedt als rechter in hoger beroep die op vraag van de rechtzoekende de ware toedracht van de feiten gaat beoordelen; dat hij enkel onderzoekt of de overheid in redelijkheid is kunnen komen tot de door haar gedane vaststelling van feiten en of er in het dossier geen gegevens voorhanden zijn die daarmee onverenigbaar zijn; dat in het kader van een marginale toetsing de aangeklaagde onwettigheid slechts dan wordt gesanctioneerd wanneer daarover geen redelijke twijfel kan bestaan, met andere woorden wanneer de beslissing kennelijk onredelijk is; dat de verzoekende partij niet aantoont dat de motieven kennelijk onredelijk zijn; dat het tweede onderdeel van het tweede middel niet gegrond is; 2.2.
  6. Overwegende dat de vordering bijgevolg slechts gedeeltelijk gegrond is, met name in zoverre wordt aangevoerd dat het bestreden besluit zonder enige motivering aanneemt dat de verontreiniging door minerale oliën een nieuwe verontreiniging betreft, BESLUIT: Artikel
  7. Vernietigd wordt het besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw van 21 september 2001 waarbij het beroep ingesteld tegen de beslissing van de Openbare Afvalstoffenmaatschappij voor het Vlaamse Gewest (OVAM) van 1 juni 2001, waarbij OVAM de NV WASSERIJ SNEEUWWITJE aanmaant een bodemsaneringsproject op te stellen op grond van artikel 23 van het decreet van 22 februari 1995 betreffende de bodemsanering, ongegrond wordt verklaard en de beroepen beslissing wordt bevestigd, in zoverre het vaststelt dat de verontreiniging door minerale oliën een nieuwe verontreiniging betreft. Artikel
  8. Het beroep wordt voor het overige verworpen. Artikel
  9. VII-25.123-12/13 Dit arrest zal worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het gedeeltelijk vernietigde besluit. Artikel
  10. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijftien juli tweeduizend en acht, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. L. HELLIN, kamervoorzitter, E. BREWAEYS, staatsraad, P. LEFRANC, staatsraad, Mevr. E. IMPENS, griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. L. HELLIN. VII-25.123-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.185.404 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.