← België

Arrest 185571 - Penitentiair recht - 31/07/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 31 juli 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.185.571 Rolnummer: A. 107835/IX-2944 Zaak: Arrest 185571 - Penitentiair recht - 31/07/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-08-11 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-06-29 08:26 Fiche Arrest nr 185.571 van 31 juli 2008 Justitie - Penitentiair recht Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 185.571 van 31 juli 2008 in de zaak A. 107.835/IX-

  1. In zake : Remi BLANKERS, die woonplaats kiest bij advocaat V. VEREECKE, kantoor houdende te BRUGGE, Elf Julistraat 32 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Justitie. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Remi BLANKERS op 24 juli 2001 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van de directeur van de strafinrichting Oudenaarde van 16 juli 2001, waarbij verzoekers tewerkstelling bij wijze van tuchtstraf wordt afgenomen; Gelet op het arrest nr. 98.176 van 7 augustus 2001 waarbij de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen; Gezien het verzoek tot voortzetting van de rechtspleging ingediend op 10 augustus 2001 door de verzoeker; Gelet op de beschikking van 5 juli 2001, waarbij aan de verzoeker het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur L. VERMEIRE; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verzoeker; IX-2944-1/14 Gelet op de beschikking van 3 juni 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 23 juni 2008; Gehoord het verslag van kamervoorzitter P. LEMMENS; Gehoord de opmerkingen van advocaat V. VEREECKE, die verschijnt voor de verzoeker, en van attaché K. VAN DRIESSCHE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur L. VERMEIRE; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : Feiten
  2. Op het ogenblik van de feiten verblijft de verzoeker in de strafinrichting te Oudenaarde. Hij werkt er in het werkhuis Poetslappen. Volgens de verzoeker heeft hij er de functie van “voorman”, een vertrouwensfunctie waardoor hij ook beter betaald zou zijn dan de andere gedetineerden in het werkhuis. Volgens de verwerende partij bestaat de functie van “voorman” niet in de gevangenis te Oudenaarde, is er geen vertrouwenspost, en wordt de verzoeker ook niet beter betaald dan de andere gevangenen.
  3. Op 13 juli 2001 doet zich in het werkhuis een incident voor, waarbij de verzoeker en een medegedetineerde, O., betrokken zijn. Volgens de verzoeker is O. naar hem toegelopen, nadat door een bewaarder was vastgesteld dat een gedeelte van het werk moest worden overgedaan, maar konden medegedetineerden O. tot bedaren brengen en is er geen confrontatie geweest. Volgens de verwerende partij daarentegen heeft de verzoeker een slag toegebracht aan O. Dat is ook wat is vermeld in het tuchtverslag dat dezelfde dag tegen de verzoeker is opgesteld: “Vermelde gedetineerde is slaags geraakt met medegedetineerde O. na een discussie over het werk, uitgelokt door O. Is op cel gestuurd.” Dezelfde dag wordt aan de verzoeker een individueel regime opgelegd, IX-2944-2/14 tot aan het “rapport”. Na drie dagen, op 16 juli 2001, wordt de verzoeker “op rapport” geroepen. Hem wordt mondeling kennis gegeven van de ten laste gelegde feiten, en hij wordt gehoord. Bij beslissing van dezelfde dag legt de directeur hem een tuchtstraf op, bestaande in de “afzetting” van zijn werk. Die beslissing vormt het voorwerp van het voorliggende beroep. Door de verwerende partij wordt gepreciseerd dat de tuchtstraf tot gevolg heeft dat een andere gedetineerde in de plaats van de verzoeker aan het werk gesteld wordt, en dat de verzoeker zijn beurt op de wachtlijst moet afwachten om opnieuw aan het werk gesteld te worden. In zijn memorie van wederantwoord deelt de verzoeker mee dat hij diende te wachten tot 24 september 2001 om opnieuw als “snijder” te kunnen werken. Ontvankelijkheid 3.
  4. Door de verwerende partij wordt een exceptie van onontvankelijkheid van het beroep opgeworpen, afgeleid uit de aard van de bestreden handeling. In hoofdorde voert de verwerende partij aan dat de bestreden handeling, als maatregel van inwendige orde, niet vatbaar is voor vernietiging daar ze geen gevolgen heeft op de rechtstoestand van de verzoeker. De omstandigheid dat de beslissing diens feitelijke toestand wijzigt doet daaraan niet af, aangezien de gedetineerden geen recht hebben op werk. Subsidiair voert de verwerende partij aan dat het tuchtrecht in de gevangenis niet gelijkgesteld kan worden met het tuchtrecht van bijvoorbeeld ambtenaren, daar de finaliteit ervan is de beheersbaarheid van het systeem via sanctionering van gedragingen die een gevaar betekenen voor de veiligheid van directie, personeel en medegedetineerden. Een tuchtmaatregel in de gevangenis wordt dus genomen in het belang van de overheid zelf. Het tuchtrecht moet onmiddellijk kunnen inspelen op ontoelaatbare situaties, bij gebreke waarvan een gevangenis onbeheersbaar, onleefbaar en onveilig zou worden. 3.
  5. Uit de bewoordingen zelf van de bestreden beslissing blijkt dat de bestreden maatregel genomen is op grond van een “tuchtverslag”. In artikel 82 van het koninklijk besluit van 21 mei 1965 houdende algemeen reglement van de strafinrichtingen wordt het ontzeggen van arbeid bovendien uitdrukkelijk opgesomd onder de tuchtsancties. De verwerende partij kan niet gevolgd worden in zoverre zij aanvoert dat de bestreden handeling een maatregel van inwendige orde is. IX-2944-3/14 Met betrekking tot de vraag of een aan een gedetineerde opgelegde tuchtstraf vatbaar is voor een beroep tot nietigverklaring, heeft de algemene vergadering van de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in het arrest nr. 116.899, inzake De Smedt, op 11 maart 2003 het volgende overwogen: “Overwegende dat de directeur van een strafinrichting belast is met de zorg voor de goede werking van, en de goede orde in, de strafinrichting; dat hij met het oog daarop ten aanzien van wie in de strafinrichting is opgenomen een veelheid van maatregelen kan beslissen die zekere ongemakken of onaangenaamheden kunnen meebrengen; dat evenwel, in zoverre die maatregelen uitsluitend of hoofdzakelijk zijn ingegeven door veiligheids- en voorzichtigheidsoverwegingen, zij zich voordoen als loutere maatregelen van inwendige orde, waartegen in principe geen annulatieberoep openstaat; dat het anders is wanneer de maatregel er uitsluitend of hoofdzakelijk toe strekt een gedetineerde te bestraffen wegens disciplinaire tekortkomingen; dat dan de maatregel in de eerste plaats gemotiveerd wordt door het schuldig bevonden gedrag van de gedetineerde, waarvoor hij wil doen boeten; dat dergelijke maatregel, zoals de bestreden beslissing er een is, wel voor vernietiging door de Raad van State in aanmerking komt.” Om de aangehaalde redenen kan de exceptie niet worden aangenomen. Ten gronde 4.
  6. De verzoeker roept een eerste middel in, afgeleid uit de schending van de omzendbrief 28/IV van de Minister van Justitie van 20 december 1991 in verband met de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, en van de formele motiveringsplicht. De verzoeker verwijst meer bepaald naar de volgende overweging in de omzendbrief van 20 december 1991, die onder meer betrekking heeft op beslissingen in tuchtzaken: “De beslissing moet samen met de motivatie ter kennis gebracht worden van de belanghebbende gedetineerde, hetzij door hem een afschrift te overhandigen, hetzij door de betrokkene te laten tekenen voor kennisname op het origineel geschrift.” De verzoeker wijst erop dat hij Franstalig is. Hij voert aan dat hem enkel mondeling, in het Nederlands, werd meegedeeld dat hij een gedetineerde zou hebben geslagen en dat hem zijn tewerkstelling werd ontnomen. Een afschrift van de beslissing heeft hij niet ontvangen. Er werd evenmin gereageerd op het schrijven IX-2944-4/14 van zijn raadsman van 23 juli 2001 waarbij een kopie van de tuchtbeslissing of minstens een schriftelijke kennisgeving van de motieven ervan werd gevraagd. 4.
  7. De verwerende partij antwoordt dat op 16 juli 2001 aan de verzoeker kennis gegeven werd van de ten laste gelegde feiten en verzamelde gegevens, dat de verzoeker vervolgens gehoord werd, en dat hem daarna de beslissing en de redenen ervan mondeling werden medegedeeld. De beslissing is voorts schriftelijk geacteerd op het tuchtrapport. De formele motiveringsplicht gaat niet zo ver dat aan de adressaat van de beslissing ook allerlei gegevens moeten worden meegedeeld welke hij redelijkerwijze vermoed kan worden reeds te kennen. In het verleden is de verzoeker overigens meermaals onderworpen aan dezelfde procedure, en dat heeft hem nooit belet verweer te voeren. De omzendbrief van 20 december 1991 is eigenlijk geen omzendbrief, maar een “collectieve brief”. Als zodanig heeft hij voor de administratie geen bindend karakter, en houdt hij enkel een interpretatie in van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. De verzoeker kan hieruit dan ook geen rechten putten, en hij kan de omzendbrief evenmin inroepen als grond tot vernietiging. Ten slotte moet een onderscheid gemaakt worden tussen de formele motivering van de beslissing en de kennisgeving van de beslissing. Te dezen volstaat het vast te stellen dat de bestreden beslissing wel degelijk is gemotiveerd. 4.
  8. De in het middel ingeroepen omzendbrief van 20 december 1991 somt een aantal gevallen op waarin de beslissingen steeds moeten worden gemotiveerd, inzonderheid de straffen opgelegd aan gedetineerden als bedoeld in de artikelen 82 en volgende van het koninklijk besluit van 21 mei 1965 houdende algemeen reglement van de strafinrichtingen. Die verplichting vloeit overigens ook rechtstreeks voort uit de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, die bepalen dat eenzijdige rechtshandelingen met individuele strekking die uitgaan van een bestuur en die beogen rechtsgevolgen te hebben voor één of meer bestuurden of voor een ander bestuur, uitdrukkelijk moeten worden gemotiveerd, dat in de akte de juridische en feitelijke overwegingen moeten worden vermeld die aan de beslissing ten grondslag liggen, en dat deze afdoende moeten zijn. IX-2944-5/14 IX-2944-6/14 Te dezen is de bestreden beslissing van 16 juli 2001 geacteerd onderaan het tuchtverslag van 13 juli 2001, overigens ook onder het advies van de kwartierchef van dezelfde dag en onder de beslissing die op die dag bij ordemaatregel is genomen (individueel regime tot aan het “rapport”). De verzoeker voert aan dat hij van de bestreden beslissing geen afschrift heeft ontvangen, en dat de beslissing hem slechts mondeling is meegedeeld, in een taal die niet de zijne is. Die grieven hebben echter, zoals de verwerende partij terecht opmerkt, betrekking op de kennisgeving van de bestreden beslissing, niet op de beslissing zelf. Zij kunnen dan ook niet leiden tot de vaststelling dat de wet van 29 juli 1991 of de omzendbrief van 20 december 1991 is geschonden. Het middel kan niet aangenomen worden. 5.
  9. Na kennisneming van het administratief dossier, en met name van de bestreden beslissing, voert de verzoeker in de memorie van wederantwoord bijkomende grieven aan in verband met de formele motiveringsverplichting. Die grieven doen zich voor als een nieuw middel, geënt op het eerste middel. In de eerste plaats voert de verzoeker aan dat de bestreden beslissing geen motivering bevat met betrekking tot de strafmaat. Volgens de verzoeker is dit verzuim te dezen des te erger, nu de kwartierchef zich in zijn advies ten gunste van de verzoeker had uitgesproken. Ook bevat de bestreden beslissing geen antwoord op het verweer van de verzoeker. Voorts wijst de verzoeker erop dat zich in het administratief dossier drie “verslagen” bevinden, na het indienen van het voorliggende beroep opgesteld door de directeur van de gevangenis, waarin nadere motieven worden gegeven voor het opleggen van de bestreden tuchtstraf. Met name stelt de directeur, enerzijds, dat het in de strafinrichting gebruikelijk is dat wie betrokken is bij een vechtpartij, afgezet wordt van het werk, teneinde de beheersbaarheid van een werkhuis te behouden, en anderzijds, dat de tuchtstraf mede verantwoord wordt door het “voortdurend querulant” gedrag van de verzoeker en de meerdere tuchttransfers die hij achter de rug heeft. Die motieven hadden volgens de verzoeker in de beslissing zelf opgenomen moeten worden, en kunnen achteraf niet toegevoegd worden aan de motieven die in de beslissing zelf zijn uitgedrukt. IX-2944-7/14 5.
  10. Nu de nieuwe grieven steunen op de motieven van de bestreden beslissing, en nu niet blijkt dat de verzoeker reeds vóór de inzage van het administratief dossier kennis had van die motieven, is het middel ontvankelijk. 5.
  11. Vanuit het oogpunt van de formele motivering is het nodig, maar ook voldoende, dat in de beslissing motieven worden vermeld die de beslissing kunnen dragen. Te dezen blijkt uit de bestreden beslissing dat de verzoeker is gestraft omdat hij slaags is geraakt met een medegedetineerde, na een discussie over het werk. Het bestaan zelf van dit feit biedt een voldoende verantwoording voor het opleggen van de bestreden tuchtstraf, zeker nu die straf, zoals het ten laste gelegde feit, verband houdt met de werkomgeving. De directeur was niet verplicht om nader te motiveren waarom zij opteerde voor het ontnemen van het werk als tuchtstraf, en niet voor een andere straf. Evenmin diende zij te antwoorden op het advies van de kwartierchef, dat trouwens geen suggestie bevatte in verband met de op te leggen straf. In zoverre de verzoeker aanvoert dat de bestreden beslissing niet antwoordt op zijn verweer, preciseert hij niet op welk verweer niet geantwoord zou zijn. De omstandigheid dat uit latere geschriften uitgaande van de directeur, met name e-mails die zij verstuurd heeft naar de centrale administratie van de federale overheidsdienst Justitie, blijkt dat er bijkomende redenen zijn die ter verantwoording van de bestreden beslissing kunnen worden ingeroepen, doet geen afbreuk aan het feit dat de bestreden beslissing verantwoord wordt door de reeds in de beslissing vermelde reden. Uit de formele motiveringsplicht kan niet afgeleid worden dat alle mogelijke motieven, op straffe van nietigheid van de betrokken beslissing, ook in de beslissing vermeld moeten worden. Het nieuwe middel kan niet aangenomen worden. 6.
  12. De verzoeker roept een tweede middel in, afgeleid uit de schending van de materiële motiveringsplicht, de zorgvuldigheidsnorm en het beginsel betreffende het recht van verdediging in tuchtzaken. IX-2944-8/14 In een eerste onderdeel voert de verzoeker aan dat de feiten waarop de bestreden beslissing steunt, moeten bestaan en juist moeten zijn. Deze feiten moeten bovendien zorgvuldig worden gewaardeerd, hetgeen tot gevolg heeft dat de overheid een zekere onderzoeksverplichting heeft. Te dezen steunt de bestreden beslissing op het feit dat de verzoeker een medegedetineerde, O., zou hebben geslagen. De verzoeker betwist formeel dat er een handgemeen zou zijn geweest. Volgens hem kon bij alle aanwezige gedetineerden gemakkelijk worden nagegaan wat er precies gebeurd is. Hij voert aan dat O., die zich achteraf bij hem is komen verontschuldigen, zelfs nooit heeft beweerd geslagen te zijn. De verwerende partij heeft nagelaten om enig feitelijk onderzoek te doen omtrent de precieze omstandigheden van het incident. In een tweede onderdeel voert de verzoeker aan dat hij vermoedt dat de bestreden beslissing steunt op het rapport van de dienstdoende bewaarder in de werkplaats. Hij voert aan dat dit rapport hem nooit is meegedeeld, waardoor zijn recht van verdediging is geschonden. 6.
  13. Met betrekking tot het eerste onderdeel antwoordt de verwerende partij dat de relevante gegevens en elementen wel degelijk werden onderzocht. Zij verwijst naar de verslagen van de directeur van de gevangenis van 26 en 30 juli 2001, waarin vermeld wordt, enerzijds, dat het verantwoordelijk personeel en andere gedetineerden in het wachthuis gezien hebben dat de verzoeker aan O. een slag toebracht, en anderzijds, dat O. bevestigd heeft dat hij een slag heeft gekregen. De verwerende partij verwijst ook naar een reeks precedenten waarbij de verzoeker steeds de agressieve component was en waarbij zijn querulant gedrag op de voorgrond treedt. Met betrekking tot het tweede onderdeel antwoordt de verwerende partij dat de verzoeker wel degelijk is gehoord en dat hij kennis heeft kunnen nemen van alle gegevens. Zij herinnert aan haar standpunt dat de bestreden beslissing een maatregel van inwendige orde is, waarvoor de garanties van het recht van verdediging niet gelden. In elk geval moet in een gevangenis snel en doelmatig kunnen worden ingegrepen, hetgeen verantwoordt dat er een minimum aan formaliteiten is. Ten slotte voert de verwerende partij aan dat uit het verzoekschrift blijkt dat de verzoeker wel degelijk kennis had van de inhoud van het rapport van de dienstdoende penitentiaire beambte en van de tenlastelegging: de verzoeker zet immers zelf uiteen dat hem werd meegedeeld dat hij werd ontslagen omdat hij O. een slag gegeven had. IX-2944-9/14 6.
  14. Na kennisneming van het administratief dossier voert de verzoeker in de memorie van wederantwoord aan, in verband met het eerste onderdeel, dat uit het verslag van de directeur van 30 juli 2001 blijkt dat deze het bewijs van het feit dat de verzoeker een slag heeft toegebracht steunt op getuigenissen van personeelsleden (in het meervoud) en medegedetineerden, en dat zij het de verzoeker voorts kwalijk neemt dat hij gepoogd heeft O. onder druk te zetten om de slag te ontkennen. De verzoeker betwist dat er getuigenissen tegen hem geweest zouden zijn; hij betwist ook dat hij O. onder druk gezet zou hebben. In elk geval kan voor de beoordeling van de wettigheid van de bestreden beslissing geen rekening worden gehouden met een verslag dat de directeur zelf heeft opgesteld, nadat de bestreden beslissing is genomen. De verzoeker herhaalt dat de directeur, in het licht van de formele betwisting van de feiten door de verzoeker, niet zorgvuldig gehandeld heeft. De directeur had de betrokken beambte -die achteraf aan de verzoeker heeft gezegd dat de woorden “slaags geraakt” ongelukkig gekozen waren- kunnen vragen om te verduidelijken wat hij precies gezien had, en zij had de medegedetineerden en O. om een verklaring kunnen vragen. In verband met het tweede onderdeel voert de verzoeker aan dat hij pas op het ogenblik van het verschijnen voor de directeur (het “rapport”) mededeling kreeg van wat hem ten laste werd gelegd, dat het hem niet mogelijk was om dan een nuttig verweer te voeren, en dat de sanctie ook onmiddellijk werd uitgesproken. Voorts voert hij aan dat niet enkel het tuchtrapport, maar ook de getuigenissen die vermeld worden in het genoemde verslag van de directeur van 30 juli 2001, hem nooit zijn meegedeeld. 6.4.
  15. In verband met het tweede onderdeel moet eraan herinnerd worden dat het algemeen beginsel betreffende het recht van verdediging in tuchtzaken inhoudt dat een tuchtstraf pas kan worden opgelegd nadat de betrokkene de gelegenheid heeft gekregen zich nuttig te verdedigen ten aanzien van de tegen hem ingebrachte beschuldigingen. Ook een gedetineerde kan zich op dat beginsel beroepen. Te dezen blijkt uit de bestreden beslissing dat de verzoeker gestraft is omdat hij een slag heeft toegebracht aan een medegedetineerde, O. De verzoeker heeft dit feit altijd ontkend. De vraag is of hij zich in de gegeven omstandigheden nuttig tegen de tenlastelegging heeft kunnen verdedigen. IX-2944-10/14 IX-2944-11/14 6.4.
  16. De verwerende partij betwist niet dat de verzoeker vooraf geen kennis gekregen heeft van het lastens hem opgestelde tuchtrapport. Zij ontkent niet dat de directeur de verzoeker pas tijdens de hoorzitting mondeling in kennis gesteld heeft van de tenlastelegging. De verzoeker heeft vóór de hoorzitting, en zelfs tot aan de inzage van het administratief dossier in de rechtspleging voor de Raad van State, dus geen kennis gekregen van de precieze inhoud van de verklaring van de penitentiaire beambte. Die verklaring is nochtans, blijkens de motivering van de bestreden beslissing, het enige element waarop de bestreden beslissing steunt. In beginsel diende het tuchtrapport dan ook vooraf aan de verzoeker te worden meegedeeld, zodat hij zich nuttig op zijn verhoor kon voorbereiden. Te dezen kon de verzoeker, aan wie na het incident in de werkplaats een voorlopige maatregel was opgelegd, echter niet onwetend zijn van het feit dat dit incident en zijn rol daarin het voorwerp van het verhoor zouden uitmaken. In de concrete omstandigheden van de zaak maakt de verzoeker dan ook niet aannemelijk dat het enkele feit dat hij op voorhand geen mededeling gekregen heeft van het tuchtrapport hem belet heeft om zich tegen de tenlastelegging te verdedigen. Het onderdeel, zoals geformuleerd in het verzoekschrift, kan niet aangenomen worden. 6.4.
  17. In de memorie van wederantwoord voert de verzoeker in verband met de miskenning van het recht van verdediging een nieuwe grief aan. In zoverre die grief steunt op gegevens waarvan de verzoeker pas door de lezing van de memorie van antwoord of de raadpleging van het administratief dossier kennis heeft kunnen nemen, is hij ontvankelijk. De verzoeker wijst er met name op dat de directeur in haar “verslag” van 30 juli 2001, zijnde een e-mail aan de centrale administratie van de federale overheidsdienst Justitie, in verband met het incident van 13 juli 2001 het volgende stelt: “Betrokkene heeft een medegedetineerde effectief een slag toegediend. Ondanks effectief getuige (sic) door personeelsleden en medegedetineerden, ontkende hij en trachtte (hij) het slachtoffer nog te drukken (sic) om de slag te ontkennen.” Ook in de memorie van antwoord stelt de verwerende partij dat de verzoeker, “ondanks het feit dat personeelsleden effectief getuige waren geweest van het feit dat door [hem] een slag was toegediend aan medegedetineerde O., [...] de feiten [betwistte] en [...] medegedetineerde O. [trachtte] te bewegen de IX-2944-12/14 gegeven slag te ontkennen.” Een en ander wekt op zijn minst de indruk dat de directeur mede gesteund heeft op verklaringen van andere personeelsleden dan de beambte die het tuchtrapport heeft opgesteld, alsmede op verklaringen van medegedetineerden, waaronder O. Het dossier bevat echter geen enkel stuk waaruit blijkt dat andere personeelsleden of medegedetineerden verklaringen hebben afgelegd, noch wat precies door wie verklaard is. A fortiori is van zulke belastende verklaringen geen kennis gegeven aan de verzoeker, voorafgaand aan zijn verdediging. De verzoeker kan in die omstandigheden met reden aanvoeren dat hij geen tegenspraak heeft kunnen voeren over gegevens die van essentieel belang konden zijn voor de beoordeling van de tenlastelegging en de geloofwaardigheid van zijn verweer. In zoverre is het tweede onderdeel, uitgebreid in de memorie van wederantwoord, gegrond. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  18. Vernietigd wordt de beslissing van de directeur van de strafinrichting Oudenaarde van 16 juli 2001, waarbij Remi BLANKERS zijn tewerkstelling bij wijze van tuchtstraf wordt afgenomen. Artikel
  19. De kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid en van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 347,06 euro, komen ten laste van de verwerende partij. IX-2944-13/14 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 31 juli 2008, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, D. MOONS, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. P. LEMMENS. IX-2944-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.185.571 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2001:ARR.98.176 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.