← België

Arrest 185574 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 31/07/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 31 juli 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.185.574 Rolnummer: Zaak: Arrest 185574 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 31/07/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-08-12 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-29 08:26 Fiche Arrest nr 185.574 van 31 juli 2008 Openbaar ambt - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 185.574 van 31 juli 2008 in de zaken I. A. 74.954/IX-2130 II. A. 76.322/IX-

  1. In zake : I.+II. Bart SCHOBBEN, die woonplaats kiest bij advocaat F. JUDO, kantoor houdende te BRUSSEL, Keizerslaan 3 tegen : I.+II. het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, vertegenwoordigd door de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, dat woonplaats kiest bij advocaat Chr. RONSE, kantoor houdende te BRUSSEL, Havenlaan 86 C B
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Bart SCHOBBEN op 11 juli 1997 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 29 mei 1997 waarbij de Brusselse Hoofdstedelijke Regering onder meer de aanwerving goedkeurt van Brusselse economische en handelsattachés, met name R. MERTENS voor de standplaats Montevideo, N. GALANT voor de standplaats Boedapest, C. MOUVET voor de standplaats Londen, V. VAN DE VIJVER voor de standplaats Lyon, A. JAICHI voor de standplaats Casablanca, W. DELSEMME voor de standplaats Sao Paulo, I. KORSAK voor de standplaats Shangaï, G. NALE voor de standplaats Tel Aviv, M. KILANI voor de standplaats Koeweit (zaak A. 74.954/IX-2130); Gezien het verzoekschrift dat Bart SCHOBBEN op 6 november 1997 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 11 september 1997 van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering houdende wijziging van haar beslissing van 29 mei 1997 en waarbij onder meer V. VAN DE VIJVER, aangeduid voor de standplaats Lyon, in de wervingsreserve blijft, N. GALANT wordt aangeduid voor de standplaats Lyon in plaats van de standplaats Boedapest, IX-2130/2172-1/9 en P. PAUWELS wordt aangeworven als Brusselse economische en handelsattaché voor de standplaats Boedapest (zaak A. 76.322/IX-2172); Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door adjunct-auditeur H. COLIN; Gelet op de beschikking van 17 maart 2000 tot voeging van de zaken; Gelet op de beschikking van 5 juli 2000 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van de dossiers gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 7 april 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 5 mei 2008; Gehoord het verslag van kamervoorzitter P. LEMMENS; Gehoord de opmerkingen van advocaat F. JUDO die verschijnt voor de verzoeker en van advocaat W. TIMMERMANS die, loco advocaat Chr. RONSE verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur H. COLIN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, IX-2130/2172-2/9 OVERWEEGT WAT VOLGT : Feiten
  3. Op 13 september 1994 wordt in het Belgisch Staatsblad meegedeeld : - dat het Brussels Hoofdstedelijk Gewest overweegt zes nieuwe economische en handelsvertegenwoordigingen op te richten, met name in Londen, Malmö, Milaan, München, Wenen en China; - dat er hiervoor zes gewestelijke economische en handelsattachés in dienst worden genomen die in hun standplaats dienen te verblijven in die steden of landen; - dat, naast de indienstnemingen die thans geschieden, er een wervingsreserve wordt aangelegd met het oog op de vervanging van attachés en de eventuele oprichting van nieuwe handelsvertegenwoordigingen; - dat de attachés worden geselecteerd door middel van een vergelijkend examen dat in de loop van het tweede semester van 1994 door het Vast Wervingssecretariaat wordt georganiseerd. Op 24 april 1995 deelt het Vast Wervingssecretariaat aan de verzoeker mee dat hij geslaagd is voor het vergelijkend examen met het oog op de indienstneming per arbeidsovereenkomst van economische en handelsattachés bij de Dienst Buitenlandse Handel voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Voor het gemeenschappelijk examengedeelte heeft de verzoeker de negende plaats in de rangschikking behaald. Hij heeft bovendien voor het gedeelte over de talenkennis deelgenomen aan het examen over het Duits, en is daarvoor de tweede in de rangschikking. Aan de verzoeker wordt ten slotte meegedeeld dat de Dienst Buitenlandse Handel, die instaat voor de indienstnemingen, een aparte eindrangschikking per standplaats zal opmaken, afhankelijk van de vereiste taalkennis die verschilt per standplaats, en dat voor het bepalen van deze eindrangschikking een totaal zal gemaakt worden van de resultaten die de verzoeker voor het gemeenschappelijk examengedeelte behaalde en - indien deze kennis vereist is voor de betrokken standplaats -van het resultaat dat hij behaalde voor het bijkomend gedeelte over de taalkennis. De verzoeker wordt niet aangeworven voor één van de zes nieuwe vestigingen, en wordt derhalve opgenomen in de wervingsreserve. IX-2130/2172-3/9
  4. Op 16 januari 1997 keurt de Brusselse Hoofdstedelijke Regering een uitbreiding van het net van de Brusselse handelsvertegenwoordigers in het buitenland met acht standplaatsen goed, te weten Montevideo, Tel-Aviv, Johannesburg, Beiroet, Montreal, Boedapest, Sao Paulo en Kuala Lumpur. De regering belast de Minister van Buitenlandse Handel met de uitvoering van de geobjectiveerde recruteringsprocedure voor acht economische en handelsattachés. Met een brief van onbekende datum deelt de verzoeker aan de Minister van Buitenlandse Handel mee dat hij via de media vernomen heeft dat het net van handelsattachés zal uitgebreid worden, en stelt hij zich kandidaat voor deze functie. De verzoeker benadrukt dat hij reeds eerder slaagde voor het examen voor handelsattachés en dus nog steeds in de wervingsreserve zit. Hij vermeldt ook de troeven die hij naar zijn mening bezit. Op 29 mei 1997 keurt de Brusselse Hoofdstedelijke Regering de aanwerving van Brusselse economische en handelsattachés goed. Vijf reeds in dienst zijnde attachés worden gemuteerd, onder meer naar vier van de acht nieuwe standplaatsen. Daarnaast worden negen nieuwe attachés aangeworven, waarvan vijf voor de vroegere standplaats van een gemuteerde attaché en vier voor een nieuwe standplaats. Voor het onderzoek van de voorliggende zaak zijn vooral van belang de aanwervingen van N. Galant voor de standplaats Boedapest, W. Delsemme voor de standplaats Sao Paulo, G. Nale voor de standplaats Tel Aviv en M. Kilani voor de standplaats Koeweit. De verzoeker wordt niet aangeworven. De beslissing tot aanwerving van de negen nieuwe attachés maakt het voorwerp uit van het beroep tot nietigverklaring in de zaak A. 74.954/IX-2130, ingesteld op 11 juli
  5. Ondertussen heeft de verzoeker een brief van 17 juni 1997 gericht tot de Minister van Buitenlandse Handel, waarin hij zijn ontgoocheling en zijn ongenoegen in verband met de genoemde beslissing van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 29 mei 1997 uitdrukt. De verzoeker beklaagt zich in het bijzonder over het feit dat de post te Boedapest, waarvoor de Dienst Buitenlandse Handel de kennis van het Duits als een vereiste gesteld had, is toegewezen aan een persoon, N. Galant, die voor het Vast Wervingssecretariaat geen bewijs geleverd heeft van de kennis van het Duits, terwijl de verzoeker wel geslaagd is voor het examen Duits. De verzoeker stelt voorts met verbazing vast dat er drie personen zijn aangeworven die het examen voor het Vast Wervingssecretariaat zelfs helemaal niet hebben afgelegd (uit latere geschriften blijkt dat het gaat om W. Delsemme, G. Nale en M. Kilani), terwijl er luidens eerdere regeringsbeslissingen IX-2130/2172-4/9 geput zou worden uit de bestaande wervingsreserve en, mocht deze wervingsreserve niet de geschikte kandidaten opleveren, er een nieuw examen ingericht zou worden, hetgeen naar verzoekers weten niet is gebeurd. In fine van zijn brief deelt de verzoeker nog mee dat hij tevergeefs een logische verklaring voor de gang van zaken tracht te vinden, dat er misschien elementen in het dossier zijn die hem zijn ontgaan, en dat hij dan ook hoopt op een antwoord. Op 11 september 1997 neemt de Brusselse Hoofdstedelijke Regering een nieuwe reeks beslissingen: - de beslissing van 29 mei 1997 wordt gewijzigd, in die zin dat V. Van de Vijver, toen aangeduid voor de standplaats Lyon, in de wervingsreserve blijft, en dat N. Galant, op 29 mei 1997 aangewezen voor de standplaats Boedapest, wordt aangewezen voor de standplaats Lyon; - P. Pauwels wordt aangeworven als Brusselse economisch en handelsattaché voor de standplaats Boedapest. Deze beslissingen maken het voorwerp uit van het beroep tot nietigverklaring in de zaak A. 76.322/IX-
  6. In de loop van de voorliggende procedure, op 1 juni 1999, is de verzoeker als attaché aangeworven, met standplaats te Malmö. Op 6 juli 2006 keurde de Brusselse Hoofdstedelijke Regering zijn aanwijzing voor de standplaats Boedapest goed. Ook de toestand in verband met een aantal andere standplaatsen is in de loop van de procedure gewijzigd. Zo is de standplaats Sao Paulo (waarvoor W. Delsemme was aangewezen) ingevolge een beslissing van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 14 december 2000 opgeheven. Op het ogenblik van de sluiting der debatten was er daarentegen geen wijziging in de toestand van de standplaatsen te Tel Aviv (waarvoor G. Nale is aangewezen) en te Koeweit (waarvoor M. Kilani is aangewezen). Over de ontvankelijkheid van de beroepen
  7. In haar laatste memorie werpt de verwerende partij een exceptie van onontvankelijkheid van de beroepen op, afgeleid uit het ontbreken van enig actueel belang. Die exceptie wordt, in het licht van de laatste gegevens, ter terechtzitting geactualiseerd. IX-2130/2172-5/9 Volgens de verwerende partij is de verzoeker, die in wezen enkel kandidaat was voor een aanwijzing te Boedapest, ondertussen ook effectief op die standplaats aangewezen. Een vernietiging van de bestreden beslissingen kan de verzoeker in die omstandigheden geen voordeel meer opleveren. Weliswaar voert de verzoeker in zijn laatste memorie aan dat hij, doordat hij pas in 1999, en niet reeds in 1997, is aangewezen als attaché (aanvankelijk met standplaats te Malmö), gedurende twee jaar een financieel verlies heeft geleden en de kans heeft gemist om in die periode relevante ervaring op te doen. Volgens de verwerende partij volstaat een financieel belang echter niet voor de ontvankelijkheid van een beroep bij de Raad van State, en kan het gemis aan ervaring hoe dan ook niet goedgemaakt worden door een vernietiging van de aanwijzingen van bepaalde concurrenten.
  8. Artikel 19 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State bepaalt dat de beroepen tot nietigverklaring voor de afdeling bestuursrechtspraak kunnen worden gebracht door elke partij die doet blijken van een benadeling of een belang. Het belang moet bestaan, niet alleen op het ogenblik van het instellen van het beroep, maar ook bij de uitspraak daarover.
  9. De voornaamste betrachting van iemand die, zoals de verzoeker, voor de Raad van State een rechtshandeling aanvecht waardoor hij niet wordt aangesteld in een betrekking waarvoor hij zich kandidaat heeft gesteld maar waarin integendeel iemand anders wordt aangesteld, is door de nietigverklaring ervan te verkrijgen dat die betrekking opnieuw open verklaard wordt en dat hij aldus de kans krijgt om zelf, in de plaats van degene wiens aanstelling nietig verklaard is, in die betrekking te worden aangesteld en om ze daadwerkelijk waar te nemen. In de laatste memorie geeft de verzoeker aan dat hij “in wezen kandidaat (was) voor een aanstelling met standplaats Boedapest”. Hij voegt eraan toe dat “hij ... zich hiertoe op verschillende wijzen (had) voorbereid en ... er minstens moreel belang bij (had) aangesteld te worden op een standplaats waar hij zijn specifieke kennis van de Duitse taal nuttig kon aanwenden”. Ook uit zijn reactie van 17 juni 1997 op de beslissing van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 29 mei 1997 bleek reeds dat zijn belangstelling toen met name uitging naar de standplaats te Boedapest. Dat hij later, toen de standplaats te Boedapest door een IX-2130/2172-6/9 concurrent bezet was, een aanwijzing op de standplaats Malmö heeft aangenomen, verandert aan die vaststelling niets. Het feit dat de verzoeker inmiddels zelf is aangewezen voor de standplaats te Boedapest heeft tot gevolg dat het oorspronkelijk met de beroepen tegen de beslissingen van 29 mei en 11 september 1997 nagestreefde doel in feite verwezenlijkt is. Een vernietiging van die beslissingen is overbodig geworden. Weliswaar was de verzoeker kandidaat voor een betrekking als attaché in het algemeen, zonder enige beperking inzake de mogelijke standplaats. In zijn reactie op de beslissing van 29 mei 1997 en in zijn verzoekschriften heeft hij met name kritiek op de aanwijzingen voor de posten te Sao Paulo, Tel Aviv en Koeweit. De post te Sao Paulo is inmiddels echter opgeheven. Voor het overige blijkt uit geen enkel gegeven dat de verzoeker, die thans als attaché werkzaam is te Boedapest -de standplaats die zijn voorkeur geniet- nog geïnteresseerd zou zijn in een aanwijzing op de standplaats Tel Aviv of Koeweit. Nog minder blijkt uit het dossier hoe een vernietiging van de aanwijzing van de betrokken attachés in Tel Aviv of Koeweit hem thans nog enig voordeel zou kunnen verschaffen. A fortiori gelden deze laatste vaststellingen voor de aanwijzingen op de andere standplaatsen, waartegen de verzoeker geen specifieke bezwaren heeft geuit. Derhalve moet geconcludeerd worden dat het materieel belang, dat de verzoeker onmiskenbaar had bij het indienen van de beroepen tegen de bestreden beslissingen, in de loop van het geding is teloorgegaan.
  10. In zijn laatste memorie en ter terechtzitting voert de verzoeker aan dat hij, niettegenstaande zijn aanwijzing als attaché, eerst te Malmö en thans te Boedapest, een belang blijft behouden bij zijn beroepen. Hij voert met name aan dat hij twee jaar heeft moeten wachten op een aanwijzing waarvoor hij reeds in 1997 in aanmerking kwam, dat hij daardoor gedurende twee jaar de kans verloor om relevante ervaring op te doen, en dat hij in die periode ook een financieel verlies leed, doordat zijn wedde als bestuurssecretaris bij het Brussels Hoofdstedelijk Gewest aanzienlijk minder bedroeg dan de vergoeding als attaché. De verzoeker concludeert dat, ook al was de verwerende partij in 1997 niet verplicht om hem als attaché aan te werven, zij hem toen in elk geval de kans heeft ontnomen op een interessantere positie en het aldus veroorzaakte nadeel niet is goedgemaakt door hem twee jaar later alsnog aan te werven als attaché. IX-2130/2172-7/9 De verzoeker voert niet aan, en de Raad van State ziet niet in, dat de verwerende partij in 1997 verplicht was om hem als attaché aan te werven. Uit een eventuele vernietiging van de bestreden aanwijzingen zou dan ook niet volgen dat de verwerende partij verplicht zou zijn om, bij wijze van rechtsherstel, de verzoeker met terugwerkende kracht als attaché aan te wijzen en zijn loopbaan aldus te reconstrueren. Het belang dat hij afleidt uit het feit dat hij niet de kans heeft gekregen om gedurende twee jaar relevante ervaring op te doen, kan dan ook niet als een zeker belang in aanmerking worden genomen. Door te wijzen op het financieel nadeel ten gevolge van het verlies van een kans op een hogere bezoldiging, beroept de verzoeker zich op een financieel belang. Dit is een belang dat hij kan doen gelden in het kader van een vordering tot schadevergoeding. Een dergelijke vordering behoort tot de uitsluitende bevoegdheid van de hoven en rechtbanken. Mocht de verzoeker bedoelen dat zijn belang erin bestaat om de bestreden beslissingen bij een arrest van de Raad van State onwettig te horen verklaren, om op grond van deze met gezag van gewijsde beklede uitspraak een vordering tot schadevergoeding voor de gewone rechter kracht bij te zetten, dan zou opgemerkt moeten worden dat het in een dergelijk geval gaat om een voordeel dat niet verbonden is met het doen verdwijnen van de bestreden beslissingen uit het rechtsverkeer, maar enkel met het gegrond horen verklaren van één of meer middelen. Een dergelijk belang is een onrechtstreeks belang, dat niet volstaat voor de ontvankelijkheid van de voorliggende beroepen.
  11. De verzoeker toont niet aan dat hij nog een actueel belang heeft bij de vernietiging van de bestreden handelingen. De exceptie van onontvankelijkheid is dan ook gegrond.
  12. Gelet op de omstandigheden van de zaak, past het de verwerende partij te verwijzen in de kosten. IX-2130/2172-8/9 OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  13. De beroepen worden verworpen. Artikel
  14. De kosten van de beroepen tot nietigverklaring, bepaald op 347,06 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 31 juli 2008, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, D. MOONS, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. P. LEMMENS. IX-2130/2172-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.185.574 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.