id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 31 juli 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.185.577 Rolnummer: A. 79068/IX-5918 Zaak: Arrest 185577 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 31/07/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-08-11 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-06-29 08:26 Fiche Arrest nr 185.577 van 31 juli 2008 Openbaar ambt - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 185.577 van 31 juli 2008 in de zaak A. 79.068/IX-
- In zake :
- Karel VAN DIJCK,
- Raf VOLDERS,
- Leopold VAN HEUCKELOM (overleden), die woonplaats kiezen bij advocaten W. VAN DER GUCHT en F. DIEU, kantoor houdende te GENT, Sint-Denijslaan 201 tegen : het Algemeen Ziekenhuis Sint-Dimpna te Geel, dat woonplaats kiest bij advocaat L. VAN HOUT, kantoor houdende te BERLAAR, Markt
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Karel VAN DIJCK, Raf VOLDERS en Leopold VAN HEUCKELOM op 22 juni 1998 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van de raad van beheer van het Algemeen Ziekenhuis Sint-Dimpna te Geel van 23 april 1998 inzake de algemene baremaherziening; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur B. THYS; Gelet op de beschikking van 3 december 2001 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie door de verwerende partij; IX-5918-1/19 Gelet op de beschikking van 21 mei 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 23 juni 2008; Gehoord het verslag van kamervoorzitter P. LEMMENS; Gehoord de opmerkingen van advocaat F. DIEU, die verschijnt voor de verzoekende partijen, en van advocaat K. RONSE, die loco advocaat L. VAN HOUT verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur B. THYS; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : Over de gegevens van de zaak 1.
- Op het ogenblik van de bestreden beslissing waren de verzoekers allen vastbenoemde personeelsleden van het Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn (hierna: OCMW) van Geel en werden zij tewerkgesteld in het Sint-Elisabeth-ziekenhuis dat onder dat centrum ressorteerde. 1.
- Bij notariële akte van 3 februari 1989 werd er tussen het OCMW van Geel en de v.z.w. Gemeenschap Augustinessen Geel een vereniging opgericht zoals bedoeld in hoofdstuk XII van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn (hierna: de OCMW-wet), met de naam “Algemeen Ziekenhuis Sint-Dimpna”. De statuten van deze vereniging zijn bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 10 maart
- Het doel van deze vereniging bestaat erin de ziekenhuisactiviteiten uit te oefenen die voorheen werden uitgeoefend door het OCMW-ziekenhuis Sint- Elisabeth eensdeels en door de Onze-Lieve-Vrouwkliniek van de v.z.w. Gemeenschap Augustinessen Geel anderdeels. IX-5918-2/19 De personeelsleden van de beide voornoemde ziekenhuizen, waaronder de verzoekers, werden overgedragen aan de ziekenhuisvereniging. 2.
- In het kader van sectorale onderhandelingen komt op 18 juni 1993 tussen de overheid en de representatieve vakorganisaties van het personeel van de lokale en regionale sector van de Vlaamse Gemeenschap een “globaal akkoord” tot stand dat een algemene herziening van de weddeschalen van het personeel van de lokale en regionale besturen verbindt aan kwalitatieve maatregelen op het vlak van het administratief en het geldelijk statuut van dat personeel. Krachtens het akkoord, dat geldt voor “het geheel van het personeel”, zullen de lokale en regionale besturen, ten vroegste met ingang van 1 januari 1994, welbepaalde nieuwe weddeschalen voor hun personeel kunnen invoeren, mits zij terzelfder tijd een aantal kwalitatieve maatregelen nemen met betrekking tot het administratief en geldelijk statuut van hun personeel. Die laatste maatregelen maken het voorwerp uit van een nota van 18 juni 1993, met als opschrift “Gemeenschappelijke krachtlijnen voor een samenhangend personeelsbeleid in de lokale en regionale besturen”. Die nota vormt één van de vier documenten die samen het sectoraal akkoord vormen. 2.
- Met omzendbrief nr. B.A. 93/07 van 14 juli 1993 betreffende algemene weddeschaalherziening en gemeenschappelijke krachtlijnen voor een samenhangend personeelsbeleid in de lokale en regionale besturen stellen de Vlaamse minister van Financiën en Begroting, Gezondheidsinstellingen, Welzijn en Gezin en de Vlaamse minister van Openbare Werken, Ruimtelijke Ordening en Binnenlandse Aangelegenheden de provinciegouverneurs en de vice-gouverneur van de provincie Brabant in kennis van de historiek, het toepassingsgebied, de inhoud en de verdere invulling van het bereikte sectoraal akkoord, zoals dat zijn neerslag heeft gevonden in de vier documenten van 18 juni 1993, waaronder de genoemde “gemeenschappelijke krachtlijnen”. De vier bedoelde documenten worden als bijlage bij de omzendbrief gevoegd. De omzendbrief, met de bijlagen, wordt ter kennisgeving ook gezonden naar de leden van de bestendige deputaties, de colleges van burgemeester en schepenen en de voorzitters van de OCMW’s. De omzendbrief, met de bijlagen, wordt ook bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 3 september
- IX-5918-3/19 Met betrekking tot het toepassingsgebied van het sectoraal akkoord vermeldt de omzendbrief onder meer dat het akkoord “een uniforme toepassing” (zal) krijgen op het personeel van de lokale en regionale besturen, met inbegrip van het personeel van de OCMW’s (punt A, III), en dat voor de functies binnen het OCMW die niet bestaan op gemeentelijk vlak, “binnen de wettelijk gestelde perken”, dezelfde krachtlijnen gelden (punt F). 2.
- Met een omzendbrief van 20 december 1993 (“Sectoraal akkoord van 18 juni 1993 - omzendbrief van 14 juli 1993 - B.A. 93/07 - Errata en verduidelijkingen”) verstrekken de voornoemde ministers “verduidelijkingen” bij een aantal onderdelen van hun omzendbrief nr. B.A. 93/07 van 14 juli
- De omzendbrief is gericht tot dezelfde overheden als omzendbrief nr. B.A. 93/
- Hij wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 18 februari
- De voornoemde ministers delen onder meer mee dat, ingevolge de “belangrijke financiële inspanning” die de invoering van de nieuwe weddeschalen van de besturen vergt en de onduidelijkheid over de mate waarin de weddeschaalherziening in de ziekenhuizen en de andere verzorgingsinstellingen beheerd door de OCMW’s gefinancierd zal kunnen worden via het RIZIV (punt 8.2), de toezichthoudende overheid zich niet zal verzetten “wanneer de overheden in het kader van hun beslissingsbevoegdheid zouden besluiten de toepassing van het sectoraal akkoord van 18 juni 1993 niet onmiddellijk integraal, maar procentueel gefaseerd uit te voeren”. Luidens de omzendbrief moet een dergelijk besluit gemotiveerd zijn, rekening houdend met de financiële toestand van het betrokken bestuur. “De eventuele aanwezigheid op het grondgebied van een ziekenhuis of verzorgingsinstelling kan uiteraard deel uitmaken van zulke motivering” (punt 8.3). 2.
- Met een omzendbrief van 8 maart 1994 (“Sectoraal akkoord van 18 juni 1993 betreffende het personeel van de provinciale en lokale besturen van de Vlaamse Gemeenschap”) voegen de voornoemde ministers daaraan toe dat “de besturen de opeenvolgende percentages die zij wensen toe te passen en de timing die ter zake zal worden aangehouden, vooraf (zullen) vastleggen derwijze dat duidelijk is wanneer de toepassing van het stelsel volledig zal zijn” (punt 2, b). De genoemde toelichtingen verstrekt in de omzendbrieven van 20 december 1993 en 8 maart 1994 worden verder verduidelijkt, specifiek naar de OCMW’s toe, in de omzendbrief WEL-96/3 van de Vlaamse minister van Cultuur, Gezin en Welzijn van 19 maart 1996 betreffende het sectoraal akkoord van 18 juni IX-5918-4/19 1993 voor het personeel van de lokale en provinciale besturen. De omzendbrief van 19 maart 1996 wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 18 juli
- Ondertussen heeft de raad voor maatschappelijk welzijn van het OCMW van Geel zich op 30 juni 1994 “principieel akkoord” verklaard met de invoering van een nieuw administratief en geldelijk statuut voor het statutair personeel van het centrum. Onder verwijzing onder meer naar de omzendbrief nr. B.A. 93/07 van 14 juli 1993, verleent de raad voor maatschappelijk welzijn op 14 maart 1995 zijn goedkeuring aan dat nieuw administratief en geldelijk statuut.
- Op 23 april 1998 neemt de raad van beheer van het Algemeen Ziekenhuis Sint-Dimpna de thans bestreden beslissing. Deze luidt als volgt: “Besluit: de Raad van Beheer formeel om het huidige statuut van het personeel A.Z. St.-Dimpna niet te wijzigen, doch dit statuut te actualiseren aan de hand van de C.A.O.-Kelchtermans als richtinggevend standpunt en dus met de verlaagde barema's zoals vermeld in het voorstel van de Raad van Beheer d.d. 27.11.
- Binnen dezelfde gedachtengang en in de geest van de omzendbrief WEL-96/3 betreffende het sectoraal akkoord van 18 juni 1993 voor het personeel van de lokale en provinciale besturen d.d. 19.03.1996, zal deze actualisering aldus op gefaseerde wijze geschieden.” Over de rechtspleging
- Uit een uittreksel uit het bevolkingsregister van de stad Turnhout blijkt dat de derde verzoeker, Leopold VAN HEUCKELOM, op 25 februari 2004 is overleden. Zijn rechthebbenden hebben het rechtsgeding niet hervat. Ten aanzien van de derde verzoeker dient de zaak dan ook van de rol van de Raad van State te worden afgevoerd. Over de ontvankelijkheid van het beroep 6.
- De verwerende partij werpt in haar memorie van antwoord een eerste exceptie van onontvankelijkheid van het beroep op, afgeleid uit de onbevoegdheid van de Raad van State. IX-5918-5/19 Zij betoogt dat de verzoekers haar verwijten dat zij de omzendbrief nr. B.A. 93/07 van 14 juli 1993 van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting, Gezondheidsinstellingen, Welzijn en Gezin en de Vlaamse minister van Openbare Werken, Ruimtelijke Ordening en Binnenlandse Aangelegenheden, inzonderheid de daarin bedoelde algemene weddeschaalherziening, niet op hen toepast. Een dergelijke betwisting behoort volgens de verwerende partij niet tot het objectieve contentieux. Het geschil heeft daarentegen een subjectief recht tot voorwerp, en de beslechting ervan behoort tot de uitsluitende bevoegdheid van de hoven en rechtbanken. 6.
- De verzoekers repliceren in hun memorie van wederantwoord dat de verwerende partij ten onrechte het voorwerp van het beroep beperkt ziet tot een betwisting over het niet toepassen van een weddeschaalherziening. Het werkelijke voorwerp van het beroep betreft, aldus de verzoekers, de actualisering van het statuut van de personeelsleden van het Algemeen Ziekenhuis Sint-Dimpna, welke volgens de verzoekers gebeurt met miskenning van het voorschrift van artikel 128, § 1, van de OCMW-wet, naar luid waarvan de personeelsleden van een vereniging als bedoeld in hoofdstuk XII van de wet onderworpen zijn aan hetzelfde administratief statuut, geldelijk statuut en pensioenstelsel als de personeelsleden van het centrum dat de gemeente bedient waar de zetel van de vereniging is gevestigd. Dienvolgens is het voorliggende beroep niet beperkt tot de erkenning van enig subjectief recht in hoofde van de verzoekers. 6.
- In haar laatste memorie houdt de verwerende partij vol dat het werkelijk en rechtstreeks voorwerp van de vordering een geschil over subjectieve rechten betreft waaromtrent de bestuursoverheid een volledig gebonden bevoegdheid heeft. Zij stelt dat bijgevolg alleen de hoven en rechtbanken ter zake bevoegd zijn. Zij laat daarenboven gelden dat, in tegenstelling tot wat in het auditoraatsverslag gesteld wordt, de bestreden beslissing geenszins op algemene en abstracte wijze een rechtsregel formuleert zodat het niet als een reglementair besluit kan worden gekwalificeerd. Zelfs indien de beslissing zou beogen om rechtsgevolgen te ressorteren voor meerdere bestuurden, namelijk het statutair personeel van het ziekenhuis, dan nog zou het geen reglementair maar een collectief individueel besluit betreffen. 6.
- Met de bestreden beslissing weigert de raad van beheer van het Algemeen Ziekenhuis Sint-Dimpna om, in tegenstelling tot wat op 14 maart 1995 door de raad voor maatschappelijk welzijn van het OCMW van Geel met betrekking IX-5918-6/19 tot het statuut van het personeel van het centrum is beslist, het statuut van het personeel van het Algemeen Ziekenhuis Sint-Dimpna integraal in overeenstemming te brengen met het sectoraal akkoord van 18 juni 1993 en met de omzendbrief nr. B.A. 93/07 van 14 juli
- Het statuut van het personeel van het Algemeen Ziekenhuis Sint-Dimpna wordt door de bestreden beslissing wel “geactualiseerd” in die zin dat “de C.A.O.-Kelchtermans als richtinggevend standpunt” geldt, dat verlaagde barema’s worden ingevoerd zoals door de raad van beheer op 27 november 1997 voorgesteld, en dat dit op een “gefaseerde wijze” gebeurt. De bestreden beslissing heeft, in tegenstelling tot wat de verwerende partij voorhoudt, een algemene draagwijdte: ze stelt de statutaire toestand van een niet nader bepaald aantal personen vast, voor onbepaalde tijd. Ze heeft met andere woorden een reglementair karakter. Het behoort wel degelijk tot de bevoegdheid van de Raad van State om uitspraak te doen over een beroep tot nietigverklaring dat een dergelijke reglementaire beslissing als voorwerp heeft. Het voorliggende beroep tot nietigverklaring kan mogelijk wel gevolgen hebben voor het subjectieve recht van de verzoekers op wedde, maar strekt als zodanig niet tot de erkenning van dat recht. Het rechtstreeks voorwerp van de betwisting is een reglementaire beslissing. De exceptie faalt naar recht. 7.
- De verwerende partij werpt in haar memorie van antwoord een tweede exceptie van onontvankelijkheid van het beroep op. Zij laat gelden dat de bestreden beslissing “een zuiver declaratieve bestuurshandeling” is, en dus geen voor vernietiging vatbare bestuurshandeling als bedoeld in artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. Zij betoogt dienaangaande dat de bestreden beslissing slechts bepaalt dat het vigerende statuut van de verzoekers niet wordt gewijzigd. Die beslissing heeft aldus geen enkel rechtsgevolg. Ze brengt de verzoekers geen nadeel toe, vermits ze hun rechtstoestand niet wijzigt. Zelfs indien de bestreden beslissing zou worden opgevat als “een weigeringsbeslissing en dus als een administratieve rechtshandeling”, dan nog is het beroep niet ontvankelijk omdat de beslissing dan slechts een bevestiging inhoudt van wat reeds impliciet door de verwerende partij IX-5918-7/19 is beslist op het ogenblik dat de omzendbrief nr. B.A. 93/07 van 14 juli 1993 haar ter kennis werd gebracht of minstens op het ogenblik dat de gemeente Geel en/of het OCMW van Geel beslist hebben om de voormelde omzendbrief integraal op hun personeel toe te passen. 7.
- De verzoekers repliceren dat de bestreden beslissing “minstens in feite” een aanpassing van het statuut van het personeel inhoudt. De “actualisering” waarvan sprake, is volgens de verzoekers een “verkapte wijziging”. Een en ander blijkt uit de houding van de verwerende partij. De verzoekers besluiten dat de bestreden beslissing een wijziging van hun statuut inhoudt, dewelke weliswaar gebaseerd is op de principes vervat in de “C.A.O. Kelchtermans”, maar hen niet hetzelfde statuut verleent als de personeelsleden van het OCMW van Geel, en dat ze derhalve wel degelijk een voor vernietiging vatbare rechtshandeling is. 7.
- In haar laatste memorie reageert de verwerende partij op het standpunt van de auditeur, die in zijn verslag van mening is dat de verwerende partij onbevoegd is om een beslissing als de bestreden beslissing aan te nemen. Als dat standpunt correct is, zou de exceptie van onontvankelijkheid in elk geval gegrond verklaard moeten worden. Als de verwerende partij werkelijk onbevoegd zou zijn, zou de bestreden beslissing immers geacht moeten worden niet te bestaan. De onbevoegdheid van de verwerende partij zou voorts tot gevolg hebben dat het statuut zelf van de verzoekers net zo min als de bestreden beslissing in overeenstemming is met de afspraken van het sectoraal akkoord van 18 juni 1993 en met de omzendbrief nr. B.A. 93/07 van 14 juli 1993, en dat dit gebrek aan overeenstemming dan al zou bestaan sinds 1993, minstens sinds 30 juni 1994 en 14 maart 1995, data van de beslissingen van de raad voor maatschappelijk welzijn. De verwerende partij stelt dat in dat opzicht de rechtspositie van de verzoekers door de bestreden beslissing niet - en alvast niet in negatieve zin - gewijzigd is. Zij meent dat de vordering bijgevolg onontvankelijk is ratione materiae, minstens onontvankelijk bij gebrek aan belang. 7.
- Uit de inhoud van de bestreden beslissing blijkt dat deze wel degelijk een wijziging aanbrengt in de rechtspositie van de verzoekers. Bij het onderzoek van de exceptie van onbevoegdheid van de Raad van State is reeds IX-5918-8/19 gesteld dat de bestreden beslissing weigert het statuut van het personeel van het Algemeen Ziekenhuis Sint-Dimpna integraal in overeenstemming te brengen met het sectoraal akkoord van 18 juni 1993 en met de omzendbrief nr. B.A. 93/07 van 14 juli
- Zoals is opgemerkt, wordt het statuut van het personeel van het Algemeen Ziekenhuis Sint-Dimpna door de bestreden beslissing wel “geactualiseerd” in die zin dat “de C.A.O.-Kelchtermans als richtinggevend standpunt” geldt, dat verlaagde barema’s worden ingevoerd zoals door de raad van beheer op 27 november 1997 voorgesteld, en dat dit op een “gefaseerde wijze” gebeurt. De bestreden beslissing is hiervóór aangemerkt als een handeling met een reglementair karakter. Ze vormt derhalve geen declaratieve handeling en houdt evenmin een bevestiging in van een reeds sedert 1993, 1994 of 1995 bestaande situatie. Een dergelijke reglementaire beslissing is krachtens het destijds vigerende artikel 14 (thans artikel 14, § 1) van de gecoördineerde wetten op de Raad van State voor vernietiging vatbaar. De exceptie kan niet aangenomen worden. 8.
- De verwerende partij werpt in haar memorie van antwoord een derde exceptie van onontvankelijkheid van het beroep op, afgeleid uit de laattijdigheid ervan. Zij bouwt daarbij voort op haar standpunt dat de bestreden beslissing niet meer is dan een loutere bevestiging van wat zij impliciet reeds heeft beslist op het ogenblik dat de gemeente Geel en/of het OCMW van Geel beslist hebben om de omzendbrief nr. B.A. 93/07 van 14 juli 1993 integraal op hun personeel toe te passen. Laatstgenoemde beslissingen werden respectievelijk genomen in 1994 en in 1995, zodat voor de verzoekers de beroepstermijn van zestig dagen om op te komen tegen de impliciete beslissing van de verwerende partij ruimschoots is verstreken. 8.
- De verzoekers repliceren dat de bestreden beslissing een aanpassing inhoudt van hun statuut waarover voorheen door de verwerende partij noch expliciet, noch impliciet een beslissing is genomen. De bestreden beslissing is dan ook geen bevestigende beslissing, zodat de termijn waarover de verzoekers beschikten om tegen die beslissing een beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State in te stellen, niet is verstreken. IX-5918-9/19 8.
- In haar laatste memorie laat de verwerende partij gelden dat de verzoekers reeds lang vóór de aangevochten beslissing op de hoogte waren van het feit dat de verwerende partij de zogenaamde “C.A.O.-Kelchtermans” niet toepaste, hetgeen blijkt uit het verslag nr. 87 van het syndicaal overlegcomité van 9 december
- Vanaf die dag waren de verzoekers op de hoogte van, en volgens de verwerende partij zelfs akkoord met, het gegeven dat hun weddeschaalherziening niet volgens de “C.A.O.-Kelchtermans” werd doorgevoerd, zoals dit wel reeds eerder gebeurde voor het OCMW-personeel. Voorts voert de verwerende partij nog aan dat bezwaarlijk kan worden voorgehouden dat de bestreden beslissing een principiële wijziging zou aanbrengen in het enige gegeven dat de verzoekende partijen in werkelijkheid betwisten, namelijk dat zij niet de weddeschaalherziening kunnen genieten zoals voorgesteld in de “C.A.O.-Kelchtermans” en zoals deze reeds veel eerder werd toegepast op het OCMW-personeel. 8.
- Bij de bespreking van de tweede exceptie is reeds vastgesteld dat de bestreden beslissing een wijziging inhoudt van het statuut van de verzoekers en dat ze niet louter een bevestiging inhoudt van wat vroeger reeds zou zijn beslist. De omstandigheid dat de verzoekers, zoals de verwerende partij in haar laatste memorie laat gelden, al veel vroeger wisten dat de gemeenschappelijke krachtlijnen voor een samenhangend personeelsbeleid niet binnen de ziekenhuisvereniging werden toegepast, doet hieraan geen afbreuk. De bestreden beslissing bepaalt nader de statutaire rechtspositie van onder meer de verzoekers en men kan de verzoekers dan ook niet verwijten daartegen niet te zijn opgekomen op een ogenblik dat de beslissing nog niet was genomen. De bestreden beslissing dateert van 23 april
- Het voorliggende beroep tot nietigverklaring is op 22 juni 1998 ingediend. Het beroep is aldus binnen de termijn van zestig dagen ingesteld. De exceptie kan niet worden aangenomen. 9.
- In haar laatste memorie werpt de verwerende partij een vierde exceptie op, afgeleid uit de onbevoegdheid van de Raad van State, of minstens uit het verzuim om een georganiseerd administratief beroep uit te putten. IX-5918-10/19 Volgens de verwerende partij kent artikel 128, § 2, vierde lid, van de OCMW-wet een bevoegdheid toe aan de provinciegouverneur om uitspraak te doen over geschillen als het voorliggende. Die bevoegdheid van de gouverneur sluit die van de Raad van State uit. Minstens moet aangenomen worden dat het beroep bij de Raad van State onontvankelijk is, gelet op het feit dat de verzoekers hebben nagelaten het georganiseerde administratief beroep bij de provinciegouverneur uit te putten. 9.
- De door de verwerende partij bedoelde beroepsmogelijkheid bestaat alleen voor geschillen in verband met de toepassing van de bepalingen van artikel 128, § 2, van de OCMW-wet. Het betreft bepalingen die betrekking hebben op de overdracht aan een vereniging van het personeel van een OCMW dat deelgenoot is van de vereniging, en vice versa. Die bepalingen, die in het bijzonder de verworven rechten van het personeel regelen, zijn in de voorliggende zaak niet in het geding. Wèl in het geding zijn de bepalingen van artikel 128, § 1, van de wet, maar daaromtrent is niet in een administratieve beroepsmogelijkheid voorzien. De exceptie faalt naar recht. Over de gegrondheid van het beroep 10.
- De verzoekers roepen een eerste middel in, afgeleid uit de schending van artikel 128 van de OCMW-wet. Zij zetten uiteen dat luidens voormeld wetsartikel de personeelsleden van een vereniging opgericht overeenkomstig hoofdstuk XII van de OCMW-wet, onderworpen zijn aan hetzelfde administratief statuut, geldelijk statuut en pensioenstelsel en aan dezelfde bepalingen van de OCMW-wet als die welke van toepassing zijn op de personeelsleden van het centrum dat de gemeente bedient waar de zetel van de vereniging is gevestigd. Te dezen is de zetel van het Algemeen Ziekenhuis Sint-Dimpna gevestigd te Geel. Het OCMW van Geel heeft reeds in 1995 beslist “de weddeschaalherzieningen overeenkomstig de ‘C.A.O.- Kelchtermans’ in te voeren”. Krachtens artikel 128 van de OCMW-wet kunnen de personeelsleden van het Algemeen Ziekenhuis Sint-Dimpna aanspraak maken op hetzelfde statuut. Doordat de raad van beheer van het Algemeen Ziekenhuis Sint- Dimpna weigert de weddeschaalherzieningen, bedoeld in het sectoraal akkoord, in hun geheel in te voeren ten voordele van de personeelsleden van de ziekenhuisvereniging, zoals de raad voor maatschappelijk welzijn van het OCMW IX-5918-11/19 van Geel heeft gedaan ten voordele van het personeel van het centrum, schendt hij artikel 128 van de OCMW-wet. 10.
- De verwerende partij repliceert in haar memorie van antwoord vooreerst dat het op grond van de OCMW-wet en de statuten van het Algemeen Ziekenhuis Sint-Dimpna uitsluitend aan de raad van beheer van de ziekenhuisvereniging toekomt om beslissingen te nemen over het administratief en geldelijk statuut van het personeel. De raad voor maatschappelijk welzijn van het OCMW van Geel heeft dienaangaande geen bevoegdheid. Voorts laat zij gelden dat artikel 128 van de OCMW-wet pas geschonden kan zijn wanneer de raad van beheer van de ziekenhuisvereniging daadwerkelijk heeft beslist het statuut van het personeel te wijzigen, wat tot op heden niet is gebeurd. De verwerende partij meent dat haar standpunt wordt bevestigd door een brief van de Vlaamse minister van Cultuur, Gezin en Welzijn van 18 april 1996 aan de voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn van het OCMW van Geel, waarin wordt gesteld dat de raad na de overdracht van het ziekenhuispersoneel naar de ziekenhuisvereniging niet meer bevoegd is om het statuut van dat personeel te wijzigen, omdat dat personeel dan geen OCMW- personeel meer is. Zij houdt tevens voor dat haar interpretatie van artikel 128 van de OCMW-wet “geheel aansluit bij hetgeen uit de parlementaire voorbereidingen en uit de rechtsleer m.b.t. voormeld artikel kan worden gedistilleerd”. Ten slotte wijst de verwerende partij erop dat artikel 42 van de OCMW-wet “een principieel onderscheid” maakt tussen, enerzijds, de personeelsformatie en het personeelsstatuut van het OCMW als zodanig, en anderzijds, de personeelsformatie en het personeelsstatuut van het ziekenhuis dat onder het OCMW ressorteert. Zij leidt daaruit vooreerst af dat er reeds vóór de oprichting van de ziekenhuisvereniging een verschil bestond of alleszins mogelijk was tussen het statuut van de gewone personeelsleden van het OCMW en het statuut van de personeelsleden van het ziekenhuis van het OCMW. Voorts impliceert dit dat bij de oprichting van de ziekenhuisvereniging de statutaire personeelsleden van het ziekenhuis van het OCMW werden overgedragen met behoud van hun eigen statuut, hetwelk eventueel afweek van het statuut van het gewone personeel van het OCMW. Doordat het OCMW van Geel sinds de oprichting van de ziekenhuisvereniging geen ziekenhuispersoneel meer in dienst heeft, kan het geen wijzigingen meer hebben IX-5918-12/19 aangebracht in het statuut van dat personeel. Hieruit volgt “noodzakelijkerwijze”, aldus de verwerende partij, dat het personeel van de ziekenhuisvereniging “niet automatisch aanspraak kan maken op het administratief- en financieel statuut van het gewone statutaire personeel” van het OCMW. Vermits de ziekenhuisvereniging op het overgenomen personeel van het ziekenhuis van het OCMW het “oorspronkelijke en ongewijzigde ziekenhuispersoneelsstatuut toepast en blijft toepassen”, kan zij niet geacht worden inbreuk te plegen op artikel 128, § 1, van de OCMW-wet. 10.
- De verzoekers repliceren in hun memorie van wederantwoord vooreerst dat de verwerende partij voorbijgaat aan de beperking van haar discretionaire bevoegdheid om het statuut van haar personeel te bepalen, dewelke vervat is in artikel 128 van de OCMW-wet. Zij laten gelden dat wanneer uit de wet zelf volgt dat beslissingen van het OCMW gevolgen kunnen hebben op situaties die in principe onder de bevoegdheid van de raad van beheer van de vereniging vallen, de verwerende partij die beslissingen moet respecteren. Voorts betogen zij dat de verwerende partij ten onrechte voorhoudt dat de raad van beheer van de ziekenhuisvereniging nog geen beslissing zou hebben genomen tot wijziging van het statuut van het ziekenhuispersoneel, zodat artikel 128 van de OCMW-wet niet geschonden zou kunnen zijn. De bestreden beslissing houdt wel degelijk een wijziging in van het statuut van het ziekenhuispersoneel, ook al wordt die wijziging “een actualisering” genoemd. Volgens de verzoekers voegt de verwerende partij een voorwaarde toe aan het voorschrift van artikel 128, § 1, van de OCMW-wet wanneer zij, daarin ten onrechte gesteund door de Vlaamse minister van Cultuur, Gezin en Welzijn, ervan uitgaat dat het bedoelde voorschrift slechts toepassing kan vinden op het ogenblik van de overdracht van het personeel en niet meer nadien. De verzoekers beklemtonen dat artikel 128, § 1, van de OCMW- wet duidelijk is en geen nadere interpretatie behoeft. Zij stellen tevens dat de rechtsleer waaraan de verwerende partij refereert, betrekking heeft op artikel 128, § 3, van de OCMW-wet, dat in de voorliggende zaak niet ter zake doet. De verzoekers betwisten ook dat de artikelen 42 en 128 van de OCMW-wet in onderling verband moeten worden gelezen. Zij stellen vast dat dit niet uit de OCMW-wet blijkt. Voorts voeren zij aan dat er nooit een verschil in statuut heeft bestaan tussen het gewone statutaire personeel van het OCMW van IX-5918-13/19 Geel en het personeel van het ziekenhuis dat onder dat OCMW ressorteerde, zodat die “vermeende en onbestaande differentiatie” het door de bestreden beslissing tot stand gebrachte verschil in behandeling niet kan verantwoorden. 10.
- In haar laatste memorie betwist de verwerende partij de stelling van de auditeur-verslaggever dat de bestreden beslissing artikel 128, § 1, van de OCMW-wet schendt. Zij verwijst naar een stellingname van de toezichthoudende minister, naar het verslag van de Commissie voor Welzijn, Gezondheid en Gezin van het Vlaams Parlement over het ontwerp dat het decreet van 14 juli 1998 is geworden, en naar enkele passages uit een arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen van 19 november 2001 in een geschil tussen de verwerende partij en een personeelslid. Bovendien benadrukt de verwerende partij dat noch de afspraken van het sectoraal akkoord van 18 januari 1993, noch de omzendbrief nr. B.A. 93/07 van 14 juli 1993 enig bindend karakter hebben ten opzichte van haarzelf of ten opzichte van het OCMW van Geel. Zij stelt dat dit determinerend gegeven in het auditoraatsverslag niet onderzocht werd. Zij meent dat noch zijzelf, noch het OCMW verplicht kunnen zijn die afspraken over te nemen. 10.5.
- Op het ogenblik van de bestreden beslissing luidde artikel 128 van de OCMW-wet als volgt: “§
- Onverminderd de toepassing van de bepalingen der hiernavolgende §§ 2 en 3, zijn de personeelsleden van een vereniging onderworpen aan hetzelfde administratief statuut, geldelijk statuut en pensioenstelsel en aan dezelfde bepalingen van deze wet als die welke van toepassing zijn op de personeelsleden van het centrum dat de gemeente bedient waar de zetel van de vereniging gevestigd is. §
- Personeelsleden van een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn dat deelgenoot is van een in dit hoofdstuk bedoelde vereniging kunnen door deze worden overgenomen. Ongeacht de regelen toepasselijk bij bevorderingen worden deze leden met hun graad of met een gelijkwaardige graad en in hun hoedanigheid overgeplaatst; zij behouden de bezoldiging en de geldelijke anciënniteit die zij hadden of zouden bekomen hebben indien zij in hun dienst van herkomst het ambt dat zij bij hun overplaatsing bekleedden, verder hadden uitgeoefend. De Koning bepaalt de algemene regelen tot vaststelling van de administratieve anciënniteit van deze personeelsleden. Hij bepaalt eveneens de voorwaarden waaronder deze personeelsleden terug in hun centrum van herkomst kunnen worden opgenomen. De wetten of besluiten die een prioriteit verlenen voor de toegang tot de openbare betrekkingen zijn niet van toepassing op de overplaatsingen die op grond van deze paragraaf geschieden. Op verzoek van het centrum, van de vereniging of het betrokken personeelslid, doet de bij de artikel 126, § 2, bedoelde provinciegouverneur IX-5918-14/19 uitspraak over elke betwisting betreffende de toepassing van de bovenstaande bepalingen. §
- Bij de overname van personeel dat in dienst is van een deelgenoot van de privé-sector kan bedongen worden dat dit personeel in dezelfde toestand behouden blijft wat betreft bezoldiging, anciënniteit, sociale zekerheid en verworven rechten. De voorwaarden en modaliteiten van een eventuele regularisatie in vast verband worden door de Koning bepaald.” Paragraaf 1 stelt als algemene regel dat de personeelsleden van een vereniging bedoeld in hoofdstuk XII van de OCMW-wet zijn onderworpen aan hetzelfde administratief statuut, geldelijk statuut en pensioenstelsel en aan dezelfde bepalingen van deze wet als die welke van toepassing zijn op de personeelsleden van het centrum dat de gemeente bedient waar de zetel van de vereniging is gevestigd. In tegenstelling tot wat de verwerende partij voorhoudt, geldt deze bepaling te allen tijde ná de oprichting van de vereniging en niet alleen op het ogenblik van de overheveling van de personeelsleden van het OCMW dat deelgenoot is, naar de vereniging. De bepaling geldt trouwens voor alle personeelsleden van de vereniging, ook voor de personeelsleden die niet zijn overgenomen van het OCMW. Die bepaling mag niet verward worden met hetgeen in verband met de zogenaamde verworven rechten van de overgenomen personeelsleden wordt bepaald in paragraaf
- De garantie dat de overgenomen personeelsleden hun individuele rechten bij de overdracht naar de vereniging behouden, doet geenszins afbreuk aan de in paragraaf 1 bepaalde principiële onderwerping van het personeel van de vereniging aan het statuut van het personeel van het OCMW van de gemeente waar de zetel van de vereniging is gevestigd. Blijkens de memorie van toelichting bij het ontwerp dat de OCMW- wet is geworden, beoogde de wetgever met de in artikel 128, § 1, voorgeschreven gelijkstelling van het personeel van de verenigingen bedoeld in hoofdstuk XII van de OCMW-wet met het personeel van het OCMW dat de gemeente bedient waar de zetel van de vereniging is gevestigd, voornamelijk “misbruiken te beletten” (Parl. St., Senaat, 1974-75, nr. 581/1, p. 33). In de opvatting van de wetgever moet die gelijkstelling strikt worden toegepast. Die opvatting blijkt met name uit het feit dat volgens het oorspronkelijke ontwerp van de genoemde bepaling kon worden afgeweken “indien hiervoor dwingende redenen bestaan” en mits machtiging van de minister (oorspronkelijk artikel 136, § 2, ibid., p. 78), maar dat die afwijkingsmogelijkheid werd geschrapt IX-5918-15/19 nadat de minister in de bevoegde senaatscommissie had verklaard “niet akkoord te gaan met het geven van afwijkingen” (verslag van de commissie, Parl. St., Senaat, 1975-76, nr. 581/2, p. 174). De verwijzingen van de verwerende partij naar de parlementaire voorbereiding van de OCMW-wet en naar de rechtsleer hebben betrekking op de bepalingen van artikel 128, §§ 2 en 3, van de OCMW-wet en zijn te dezen dan ook niet relevant. 10.5.
- Uit wat voorafgaat volgt dat de personeelsleden van het Algemeen Ziekenhuis Sint-Dimpna krachtens artikel 128, § 1, van de OCMW-wet onderworpen zijn aan hetzelfde statuut als het personeel van het OCMW van Geel. Met de bestreden beslissing bepaalt de raad van beheer van het Algemeen Ziekenhuis Sint-Dimpna dat voor het personeel van het ziekenhuis de weddeschaalherziening bedoeld in de omzendbrief nr. B.A. 93/07 van 14 juli 1993 van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting, Gezondheidsinstellingen, Welzijn en Gezin en de Vlaamse minister van Openbare Werken, Ruimtelijke Ordening en Binnenlandse Aangelegenheden niet integraal, maar met “verlaagde barema’s” en “gefaseerd” zal verlopen. Aldus wijkt hij af van de beslissingen van de raad voor maatschappelijk welzijn van het OCMW van Geel van 30 juni 1994 en 14 maart 1995, waarbij de voormelde weddeschaalherziening integraal wordt toegepast op het personeel van het centrum. De bestreden beslissing is dienvolgens genomen met miskenning van artikel 128, § 1, van de OCMW-wet. 10.5.
- Meer nog, de raad van bestuur was, op het ogenblik dat hij de bestreden beslissing nam, ter zake niet bevoegd. Volgens artikel 42, vijfde lid, van de OCMW-wet, zoals het van toepassing was op het ogenblik dat de bestreden beslissing is genomen, geniet het personeel van het OCMW hetzelfde administratief en geldelijk statuut als het personeel van de gemeente waar de zetel van het centrum is gevestigd. Volgens het zesde lid kan de raad voor maatschappelijk welzijn in afwijkingen voorzien, en stelt hij onder meer het administratief en geldelijk statuut vast voor de betrekkingen die onbestaande zijn op het gemeentelijke vlak, evenals voor het personeel van het ziekenhuis. IX-5918-16/19 Krachtens artikel 128, § 1, van de OCMW-wet, zoals het van toepassing was op het ogenblik dat de bestreden beslissing is genomen, zijn de personeelsleden van een vereniging als bedoeld in hoofdstuk XII van de wet onderworpen aan het statuut dat de raad voor maatschappelijk welzijn op grond van artikel 42, zesde lid, van de wet heeft vastgesteld voor het personeel van het ziekenhuis van het OCMW. De organen van de vereniging kunnen derhalve dienaangaande geen beslissingsbevoegdheid laten gelden. In de voorliggende zaak behoorde het derhalve niet tot de bevoegdheid van de raad van beheer van het Algemeen Ziekenhuis Sint-Dimpna om een beslissing te nemen over het al dan niet toepassen van de weddeschaalherziening op het personeel van het ziekenhuis. Uit artikel 128, § 1, juncto artikel 42, zesde lid, van de OCMW-wet, zoals ze luidden op het ogenblik van het nemen van de bestreden beslissing, volgt integendeel dat voor het personeel van de vereniging, onder meer het personeel overgenomen van het Sint-Elisabethziekenhuis, de regeling gold die is vastgesteld door de raad voor maatschappelijk welzijn van het OCMW van Geel. Dat het OCMW van Geel, op het ogenblik dat de bestreden beslissing werd genomen, zelf geen ziekenhuis meer exploiteerde, kan geen invloed hebben op de toepasselijkheid van de voormelde bepalingen van de OCMW-wet. 10.5.
- In haar laatste memorie citeert de verwerende partij nog een schrijven van de toezichthoudende minister van 18 april 1996, het verslag van de Commissie voor Welzijn, Gezondheid en Gezin van het Vlaams Parlement over het ontwerp dat het decreet van 14 juli 1998 is geworden, en een arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen van 19 november
- Tevens voert zij aan dat noch zijzelf, noch het OCMW verplicht kunnen zijn de gemeenschappelijke krachtlijnen over te nemen. De zienswijze van de toezichthoudende minister, volgens wie de raad voor maatschappelijk welzijn niet meer bevoegd is en de raad van beheer bevoegd is om het statuut van zijn personeel te wijzigen, kan niet gevolgd worden, gelet op de hiervóór gemaakte analyse van de wetgeving. De wijzigingen aangebracht bij het decreet van 14 juli 1998 zijn in de voorliggende zaak niet van toepassing. Bij decreet van 14 juli 1998 is weliswaar aan artikel 128, § 1, van de OCMW-wet een tweede lid toegevoegd, dat de verenigingen bevoegd maakt om het administratief en geldelijk statuut van het ziekenhuispersoneel vast te stellen. De decreetgever beoogde daarmee te verhelpen aan de voorheen bestaande onbevoegdheid van de IX-5918-17/19 vereniging. De desbetreffende wijziging van de OCMW-wet is echter pas op 1 juni 1998 in werking getreden, terwijl de thans bestreden beslissing dateert van 23 april
- Het uittreksel uit het verslag van de Commissie voor Welzijn, Gezondheid en Gezin, waarnaar de verwerende partij verwijst, heeft bovendien betrekking op artikel 128, § 2, van de OCMW-wet, waarvan de toepassing te dezen niet in het geding is. Ook de aangehaalde overwegingen van het arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen hebben betrekking op artikel 128, § 2, van de OCMW-wet en zijn derhalve niet dienstig. Met betrekking tot de kritiek van de verwerende partij op het beweerde bindend karakter van de “Gemeenschappelijke krachtlijnen voor een samenhangend personeelsbeleid in de lokale en regionale besturen” en de beweerde verplichting voor de verwerende partij of het OCMW om die krachtlijnen over te nemen, kan worden volstaan met de vaststelling dat het OCMW van Geel in 1995 vrijwillig het statuut van het personeel aan die krachtlijnen heeft aangepast en dat dit gewijzigde statuut krachtens artikel 128, § 1, van de OCMW-wet van toepassing is op het personeel van het Algemeen Ziekenhuis Sint-Dimpna. 10.5.
- Het middel is gegrond. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- De zaak wordt van de rol afgevoerd in hoofde van de derde verzoeker. Artikel
- Vernietigd wordt de beslissing van de raad van beheer van het Algemeen Ziekenhuis Sint-Dimpna te Geel van 23 april 1998 inzake de algemene baremaherziening. IX-5918-18/19 Artikel
- De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 520,59 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 31 juli 2008, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, D. MOONS, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. P. LEMMENS. IX-5918-19/19 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.185.577 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.