← België

Arrest 185579 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 31/07/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 31 juli 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.185.579 Rolnummer: A. 141103/IX-3908 Zaak: Arrest 185579 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 31/07/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-08-27 Raadplegingen: 52 - laatst gezien 2026-06-29 08:26 Fiche Arrest nr 185.579 van 31 juli 2008 Openbaar ambt - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 185.579 van 31 juli 2008 in de zaak A. 141.103/IX-3908. In zake : Reginald LANDTSHEERE, die woonplaats kiest bij advocaat G. DUMOLEIN, kantoor houdende te POPERINGE, Ieperstraat 112 tegen : de NV POST. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Reginald LANDTSHEERE op 2 september 2003 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van “de beslissingen van de NV van publiek recht De Post, H.R.&O, Employee Relations, Tuchtstelsel, d.d. 27/03/2003 en 01/07/2003, aan verzoeker genotificeerd op 10/07/2003”, waarbij hem een terugzetting in graad naar de graad van sectiechef wordt opgelegd; Gelet op het arrest nr. 181.169 van 17 maart 2008 waarbij de debatten worden heropend en het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat gelast wordt met een aanvullend onderzoek; Gezien het aanvullend verslag opgemaakt door adjunct-auditeur J. NEUTS; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien het verzoek tot voortzetting door de verzoekende partij en de laatste memorie van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 5 juni 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 30 juni 2008; Gehoord het verslag van staatsraad D. MOONS; IX-3908-1/15 Gehoord de opmerkingen van juriste L. VANHOOREN, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelings- hoofd R. VAN DER GUCHT; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : Over de gegevens van de zaak 1.1. Op het ogenblik van de bestreden beslissing is de verzoeker postmeester met de graad van bureauchef in het postkantoor van Langemark- Poelkapelle. 1.2. Blijkens een niet-ondertekend verslag, neergelegd in het administratief dossier, werd met de verzoeker op 13 augustus 2002 een functione- ringsgesprek gehouden. Aan de verzoeker worden, specifiek wat de retail betreft, een aantal tekortkomingen verweten. Naar aanleiding hiervan worden een aantal afspraken met deadlines opgesteld. Een volgend onderhoud wordt gepland vóór 16 september 2002. Blijkens een tweede, evenmin ondertekend verslag, werd op 1 september 2002 een nieuw functioneringsgesprek gevoerd. Opnieuw worden een aantal afspraken met deadlines geformuleerd. 1.3. Op 7 november 2002 wordt het kantoor waar de verzoeker postmeester is onderworpen aan een audit. Deze doorlichting heeft in het bijzonder betrekking op de comptabiliteit, de veiligheid, de ambtsplichten, de Bank van de Post, het gebouw en de commerciële activiteiten. IX-3908-2/15 Daarbij komt het auditteam tot de volgende eindbeschouwingen: “Eindevaluatie: D Dhr. R. Landtsheere is de belichaming van alle eigenschappen die een postmeester niet mag bezitten wil hij een kantoor kunnen runnen. Deze stelling wordt geconcretiseerd door twee tendensen: 1/ Elk kantoor dat aan zijn beheer wordt toevertrouwd kent een drastische achteruitgang (Langemark-Poelkapelle). 2/ elk kantoor dat bevrijd wordt van zijn invloed kent een uitdrukkelijke vooruitgang (Cfr Vleteren, etc.). Betrokkene beweert zelf dat hij zich niet geroepen voelt voor de functie van postmeester maar dat het systeem hem brengt waar hij nu zit. De audit wenst wel te onderstrepen dat zij niet twijfelt aan de goede wil van Dhr. Landtsheere maar het kunnen is nog een ander paar mouwen. We denken dan ook dat Dhr. Landtsheere beter zou functioneren in ondergeschiktheid en dit in een niet-commerciële omgeving. Deze maatregel zou niet alleen ten gunste zijn van betrokkene maar vooral voor het personeel van het kantoor.” 1.4. Naar aanleiding van de in het auditrapport opgesomde gebreken, zendt de zonemanager Retail een zogenaamd “model 9”, vraag om inlichtingen, aan de verzoeker. De verzoeker antwoordt uitgebreid op de gestelde vragen. 1.5. Op 12 maart 2003 wordt aan de verzoeker een op 20 januari 2003 gedateerd document bezorgd, waarbij door de zonemanagers Retail en Mail de tuchtstraf “terugzetting tot graad van sectiechef” wordt voorgesteld. De motivering van deze beslissing luidt als volgt: “1/ op 7 november 2002 ter gelegenheid van de audit een eindevaluatie D te hebben bekomen. 2/ wegens het niet tegemoetkomen aan de afspraken reeds geformuleerd in het functioneringsgesprek van 13 augustus 2002: - het niet houden van operationele vergaderingen met de retailmedewer- kers. - slordig voorkomen ondanks betrokkene hier meermaals werd op gewezen tijdens bezoeken door zowel zonemanager mail als Retail. - geen actieplan te hebben opgesteld om de achterstand inzake VPO t.o.v. zonaal gemiddelde weg te werken.” 1.6. Op 12 maart 2003 wordt de verzoeker mondeling uitgenodigd voor een onderhoud op 19 maart 2003 betreffende dit voorstel van tuchtstraf. In een telefonisch onderhoud deelt de verzoeker mee dat hij het onderhoud niet zal bijwonen op het advies van zijn raadsman. IX-3908-3/15 1.7. Op 27 maart 2003 verklaart de verzoeker dat deze handelwijze is ingegeven “ten einde geen argumentatie te verliezen op de raad van beroep in opdracht van zijn raadsman”. Op diezelfde dag wordt dan beslist om aan de verzoeker de tuchtstraf “terugzetting tot de graad van sectiechef” op te leggen. De verzoeker wordt hiervan meteen in kennis gesteld. Hij geeft aan, gebruik te willen maken van zijn recht op beroep. 1.8. Op 11 juni 2003 verklaart de commissie van beroep zich met vier stemmen tegen twee akkoord met de opgelegde tuchtsanctie. De twee andere leden stellen een “tuchtschorsing gedurende een periode van vijf dagen” voor. 1.9. Op 1 juli 2003 beslissen de onmiddellijke chefs van de verzoeker dat, “rekening houdend met het hierboven vermelde ongunstig advies van de Commissie van beroep, de bestreden beslissing tot terugzetting in graad naar de graad van sectiechef definitief geworden is en dat er derhalve geen nieuwe beslissing moet getroffen worden”. De verzoeker wordt dan ook definitief de terugzetting in graad naar de graad van sectiechef opgelegd. Dit is de bestreden beslissing. Over de gegrondheid van het beroep 2.1. De verzoeker roept een eerste middel in, afgeleid uit diverse schendingen van het administratief statuut van de postambtenaren (hierna: “het administratief statuut”). In eerste onderdeel stelt hij dat artikel 112 van het administratief statuut geschonden is. Overeenkomstig dit artikel dienen de leden van de commissie van beroep die zitting hebben, minstens van het zelfde niveau te zijn als de verzoeker. De verzoeker stelt dat dit te dezen niet het geval was aangezien er twee opstellers in de commissie zetelden. Zij hadden een lagere graad dan de verzoeker. IX-3908-4/15 In een tweede onderdeel voert de verzoeker een schending aan van artikel 95, § 3, van het administratief statuut. Dit artikel bepaalt dat de tuchtvorde- ring alleen mag slaan op feiten die zich hebben voorgedaan of die werden vastgesteld binnen een periode van 6 maanden voorafgaand aan de datum waarop de tuchtvordering werd ingesteld. De verzoeker stelt dat de bestreden beslissing van 12 maart 2003 verwijst naar feiten van 13 augustus 2002, die derhalve buiten de voormelde periode van zes maanden vallen. In een derde onderdeel voert de verzoeker de schending van artikel 38 van het administratief statuut aan. Artikel 38 bepaalt dat het verzoekschrift door de onmiddellijke chef aan de evaluator wordt overgemaakt die het binnen de tien kalenderdagen aan de commissie van beroep overmaakt. De commissie geeft haar advies binnen een termijn van maximum drie maanden. De verzoeker laat gelden dat het verzoekschrift te dezen dateert van 14 februari 2003 zodat het advies uiterlijk op 24 mei 2003 verstrekt moest worden. Dit is echter niet gebeurd vermits het pas op 11 juni 2003 werd verleend. De verzoeker voert in een vierde onderdeel van het middel de schending aan van artikel 90 van het administratief statuut dat bepaalt dat de tuchtstraf voorafgegaan dient te worden door één verwittiging die door de ambtenaar moet worden geviseerd. De verzoeker stelt dat hem evenwel onmiddellijk een zware tuchtstraf werd opgelegd en dat deze tuchtstraf ingegeven is door de wraakmotieven van één persoon. In een vijfde onderdeel stelt de verzoeker tenslotte dat de beslissingen niet genomen zijn op objectieve gronden. Hij stelt dat de aangevoerde middelen subjectief zijn en niet weerhouden kunnen worden. Er werden geen objectieve criteria in ogenschouw genomen. De bewering dat de “cijfers” of streefdoelen niet gehaald zouden zijn, zijn onbewezen en zelfs onjuist. 2.2. In haar memorie van antwoord repliceert de verwerende partij met betrekking tot het eerste onderdeel van het middel dat de betrekkingen overeenkom- stig de hiërarchische indeling van De Post ingedeeld zijn in 5 niveau’s: niveau 1, niveau 2+, niveau 2 , niveau 3 en niveau 4. Ieder niveau is nogmaals verdeeld in verschillende graden. De verwerende partij erkent dat de twee assessoren waarnaar de verzoeker verwijst de graad van opsteller hebben, wat overeenstemt met niveau 2. De verzoeker heeft de graad van bureauchef, welke eveneens tot het niveau 2 IX-3908-5/15 behoort. De verwerende partij besluit dat de assessoren en de verzoeker aldus hetzelfde niveau hebben zoals artikel 112 van het administratief statuut dit vereist. Zij hebben weliswaar niet dezelfde graad, maar dat wordt dan ook geenszins vereist. Nopens het tweede onderdeel van verzoekers middel stelt de verwerende partij dat de termijn van zes maanden, zoals opgelegd door artikel 95 van het administratief statuut, gerespecteerd werd daar de tuchtsanctie niet gebaseerd is op feiten van l3 augustus 2002 maar wel op het feit dat de verzoeker naar aanleiding van het functioneringsgesprek de aldaar geformuleerde afspraken nog steeds niet is nagekomen. Met betrekking tot het derde onderdeel van het middel laat de verwerende partij gelden dat het artikel 38 van het administratief statuut betrekking heeft op de jaarlijkse evaluaties met betrekking tot de beroepsbekwaamheden van de statutaire personeelsleden. Zij stelt dat de betrokkene te dezen niet het voorwerp uitmaakt van een jaarlijkse evaluatie maar dat hem een disciplinaire sanctie is opgelegd wegens het niet nakomen van een aantal afspraken naar aanleiding van een functioneringsgesprek. De verwerende partij meent dan ook dat de onmiddellijke chef hier geen termijn van 10 dagen moest respecteren aangezien hij geen evaluator was maar de hiërarchisch bevoegde persoon die overeenkomstig de regels van het administratief statuut een disciplinaire sanctie oplegt. Evenmin, zo stelt de verwerende partij nog, is de commissie van beroep gebonden aan de termijn van drie maanden waarin zij advies moet geven met betrekking tot een disciplinaire maatregel. Aangaande het vierde onderdeel van het middel verwijst de verwerende partij naar de bewoordingen van artikel 90 van het administratief statuut. Uit de term “in principe” kan worden afgeleid dat een tuchtstraf niet steeds dient te worden voorafgegaan door een verwittiging maar dat hier een zekere vrijheid van handelen in hoofde van De Post is voorzien. Noch in het statuut, noch in de richtlijnen, worden er gevallen opgesomd waarvoor een verwittiging overeenkomstig artikel 90 noodzakelijk is om een tuchtsanctie op te leggen. Artikel 90 legt evenmin een verplichting op betreffende de wijze waarop die verwittiging moet gebeuren. Bovendien, zo stelt de verwerende partij, onder verwijzing naar de functioneringsge- sprekken met de verzoeker, kan de verzoeker niet stellen dat hij niet meermaals verwittigd was dat zijn manier van leiden van het postkantoor volgens zijn hiërarchische meerderen niet bevredigend was. IX-3908-6/15 2.3. In zijn memorie van wederantwoord stelt de verzoeker aangaande het eerste onderdeel van zijn middel nog aanvullend dat de verwerende partij niet bewijst dat de assessoren van het zelfde niveau waren als hij. Aangaande het tweede onderdeel stelt de verzoeker dat het niet opgaat te beweren dat hij naderhand zijn werk niet naar behoren zou hebben uitgevoerd aangezien hij sedert 27 november 2002 onafgebroken ziek was. Met betrekking tot de door hem opgeworpen schending van artikel 38 van het administratief statuut stelt de verzoeker dat dit “hoe dan ook van toepassing (

  1. is)voor de vordering tot nietigverklaring van de evaluatie C.” Tevens volhardt de verzoeker in zijn vierde en vijfde onderdeel. 2.4.1. In het eerste onderdeel van het middel voert de verzoeker de schending aan van artikel 112 van het administratief statuut. Hij betwist dat twee assessoren die in zijn zaak zitting hadden in de commissie van beroep van hetzelfde niveau zijn. Daartoe voert hij aan dat de beide assessoren de graad van “opsteller” hebben, hetgeen een lagere graad is dan deze van de verzoeker, die destijds de graad van bureauchef had. Uit het administratief statuut blijkt een duidelijk onderscheid tussen de termen “niveau”, “rang” en “graad”. Zo bepaalt artikel 3, § 1, van het administratief statuut dat de ambtenaren worden benoemd in graden waarvan de hiërarchie 5 niveaus omvat, genummerd als volgt: 1, 2+, 2, 3 en 4, waarbij het cijfer 1 aan het hoogste niveau wordt toegekend. Deze niveaus worden in rangen onderverdeeld. Overeenkomstig artikel 3, § 3, van het administratief statuut bepaalt de rang de belangrijkheid van een graad in zijn niveau. Artikel 4, eerste lid, van het administratief statuut bepaalt dat de graad de titel is die de ambtenaar in een rang situeert en hem machtigt een met die graad overeenstemmende betrekking van de personeelsformatie te bekleden. IX-3908-7/15 Het door de verzoeker ingeroepen artikel 112 van het administra- tief statuut handelt over de samenstelling van de commissie van beroep, meer bepaald over de assessoren die in deze commissie zetelen. Deze bepaling luidt als volgt: “Art. 112. De gewone of de plaatsvervangende assessoren, die voor het onderzoek van de zaak zitting hebben, moeten minstens van hetzelfde niveau als dat van de verzoeker zijn. Als een assessor de vermelde voorwaarde niet vervult, wordt hij vervangen door een plaatsvervangend assessor van hetzelfde of van een hoger niveau. Indien het aantal plaatsvervangende assessoren die aan die voorwaarde voldoen te laag is, worden binnen één maand, volgens de regelen die gelden voor de aanwijzing van de gewone en plaatsvervangende assessoren, tijdelijk assessoren aangewezen die aan alle gestelde voorwaarden voldoen.” Uit voormelde bepaling blijkt dat enkel vereist wordt dat de assessoren in de commissie van beroep minstens van hetzelfde niveau als dat van de verzoeker zijn. De verzoeker verwijst derhalve ten onrechte naar het verschil in graad tussen hem en de twee assessoren. Waar de verzoeker in zijn memorie van wederantwoord nog aanvoert dat de verwerende partij niet bewijst dat de assessoren van hetzelfde niveau zijn als hij, moet worden opgemerkt dat het aan de verzoeker staat om de onwettig- heid van een administratieve rechtshandeling aan te tonen en in dit geval dus te bewijzen dat de betrokken assessoren niet tot hetzelfde niveau behoren. Bovendien blijkt uit de bijlage I bij het administratief statuut van de postambtenaren dat de graad van “bureauchef” (rang 25) is ondergebracht in niveau 2. Dat wordt overigens niet betwist door de verzoeker. Evenmin wordt betwist dat de twee assessoren de graad van “opsteller” (rang 20) bekleedden, graad die volgens diezelfde bijlage I eveneens in niveau 2 is terug te vinden. Beide assessoren behoorden derhalve tot hetzelfde niveau als de verzoeker, zoals vereist door artikel 112 van het administratief statuut van de postambtenaren. Het eerste onderdeel van het eerste middel mist feitelijke grondslag. IX-3908-8/15 2.4.2. In het tweede onderdeel roept de verzoeker de schending in van artikel 95, § 3, van het administratief statuut, in zoverre de tuchtbeslissing verwijst naar feiten die zich hebben voorgedaan of die werden vastgesteld buiten de periode van zes maanden voorafgaand aan de datum waarop de tuchtvordering werd ingesteld. Artikel 95, § 3, van het administratief statuut van de postambtena- ren bepaalt: “§ 3. De tuchtvordering mag alleen op feiten slaan die zich hebben voorgedaan of die werden vastgesteld binnen een periode van zes maanden, voorafgaand aan de datum waarop de tuchtvordering wordt ingesteld. (...)”. De tuchtvordering lastens de verzoeker werd ingesteld op 12 maart 2003, ogenblik waarop de verzoeker een document bezorgd krijgt, waarbij door de zonemanagers Retail en Mail de tuchtstraf “terugzetting tot graad van sectiechef” wordt voorgesteld. Dat betekent dat de feiten die in rekening kunnen worden gebracht bij de tuchtvordering, zich slechts mogen hebben voorgedaan of slechts mogen vastgesteld zijn vanaf 12 september 2002. Uit de bestreden beslissing blijkt dat de tuchtsanctie van “terugzetting in graad” in de eerste plaats aan de verzoeker wordt opgelegd wegens het “op 7 november 2002 ter gelegenheid van de audit een eindevaluatie D te hebben bekomen”. Het betreft aldus een feit dat in de tijd minder dan zes maanden verwijderd is van 12 maart 2003. Voorts wordt de verzoeker een tuchtsanctie opgelegd “wegens het niet tegemoet komen aan de afspraken reeds geformuleerd in het functioneringsgesprek van 13 augustus 2002”. Hier is het, anders dan de verzoeker wil doen uitschijnen, niet het functioneringsgesprek dat als tuchtfeit in aanmerking wordt genomen, maar wel het feit dat de verzoeker de afspraken die tijdens dat functioneringsgesprek werden gemaakt, niet nakomt. In dat verband kan aangenomen worden, gelet op de redelijke termijn die de verzoeker moest worden gelaten om die op 13 augustus 2002 gemaakte afspraken te verwezenlijken, dat de conformiteit van verzoekers handelen aan de gemaakte afspraken pas na 12 september 2002 werd beoordeeld. De verzoeker voert trouwens niet aan, laat staan dat hij erin zou slagen aan te tonen, dat de periode van 13 augustus 2002 tot 27 november 2002 - ogenblik waarop de verzoeker in ziekteverlof is gegaan - niet volstond om die aanpassingen in zijnen hoofde door te voeren. Zijn argument dat misbruik gemaakt zou zijn van zijn ziekteperiode, gaat derhalve niet op. IX-3908-9/15 Het tweede onderdeel van het eerste middel is niet gegrond. 2.4.3. In een derde onderdeel roept de verzoeker de schending in van artikel 38 van het administratief statuut doordat de daarin bepaalde termijnen niet werden gerespecteerd. Artikel 38 van het administratief statuut van de postambtenaren bepaalt hetgeen volgt: “Art. 38. Het verzoekschrift wordt door de onmiddellijke chef aan de evaluator overgemaakt die het binnen de tien kalenderdagen aan de commissie van beroep overmaakt. Deze geeft haar advies binnen een termijn van maximum drie maanden. (...)”. Deze bepaling is terug te vinden in “Hoofdstuk IV. De evaluatie” van het administratief statuut van de postambtenaren. De thans door de verzoeker bestreden beslissing betreft echter geen evaluatie, maar wel een tuchtbeslissing, die geregeld wordt door “Hoofdstuk XII. De tuchtregeling”, meer bepaald de artikelen 89 tot en met 96 van het administratief statuut. Terzake geldt dus niet artikel 38, maar wel artikel 92, waarin te lezen staat: “Art. 92. De ambtenaar aan wie een tuchtstraf, met uitzondering van de blaam, werd opgelegd kan hiertegen een beroep indienen bij de commissie van beroep die een gemotiveerd advies uitbrengt. Het beroep is opschortend.” In dit artikel 92 van het administratief statuut van de postambtena- ren is geen spoor terug te vinden van een termijn waarbinnen de commissie van beroep, geadieerd in tuchtzaken, uitspraak zou moeten doen. In zijn memorie van wederantwoord stelt de verzoeker nog dat artikel 38 van het administratief statuut “hoe dan ook van toepassing (
  2. is)voor de vordering tot nietigverklaring van de evaluatie C.” IX-3908-10/15 De Raad van State begrijpt evenwel niet welke “evaluatie C” de verzoeker bedoelt en al evenmin is een annulatieberoep gericht tegen dergelijke evaluatie C bij de Raad van State bekend. Nadat de auditeur-verslaggever in zijn verslag hieromtrent een opmerking formuleerde heeft de verzoeker ook nagelaten om in zijn laatste memorie hieromtrent enige verduidelijking te geven. Het derde onderdeel van het eerste middel is niet gegrond. 2.4.4. In een vierde onderdeel van het middel voert de verzoeker de schending aan van artikel 90 van het administratief statuut van de postambtenaren, nu hem geen verwittiging werd gegeven, maar onmiddellijk een tuchtstraf werd opgelegd. Artikel 90 van het administratief statuut van de postambtenaren luidt als volgt: “Art. 90. De tuchtstraf wordt in principe voorafgegaan door één verwittiging die door de ambtenaar wordt geviseerd.” Dit vierde onderdeel van het eerste middel is onontvankelijk. Immers, uit geen enkel stuk van het administratief dossier, noch uit het bundel van de verzoeker blijkt dat de verzoeker deze grief heeft doen gelden in de administratie- ve procedure, voorafgaand aan de jurisdictionele procedure voor de Raad van State. Nochtans mag van diegene die voor een tuchtoverheid moet verschijnen in beginsel worden verwacht dat hij de direct zichtbare administratief- rechtelijke bezwaren aan die overheid kenbaar maakt en ze niet verzwijgt om ze dan voor het eerst voor de Raad van State te doen gelden. Te dezen is de beweerde schending van artikel 90 van het administratief statuut van de postambtenaren te beschouwen als een dergelijk direct zichtbaar administratiefrechtelijk bezwaar. De bepaling is uitdrukkelijk opgenomen in het administratief statuut waaraan de verzoeker is onderworpen, zodat hij geacht moet worden er kennis van te hebben. De bepaling vergt geen verregaande studie om de draagwijdte ervan te kunnen vatten. Er valt derhalve niet in te zien - en de verzoeker voert trouwens geen enkel argument aan - waarom het voor hem onmogelijk zou zijn geweest dit bezwaar op een nuttig tijdstip, dit wil zeggen vóór de tuchtoverheid tijdens de administratieve procedure, te doen gelden. IX-3908-11/15 De verzoeker is, na daartoe uitgenodigd te zijn, afwezig gebleven op een hoorzitting waarin hij zich kon “rechtvaardigen” ten aanzien van de voorgestelde tuchtmaatregel, en dit “ten einde geen argumentatie te verliezen op de raad van beroep in opdracht van zijn raadsman”. Maar ook voor de commissie van beroep lijkt hij geen beroep te hebben gedaan op de bepaling van artikel 90 van het administratief statuut van de postambtenaren. De verzoeker voert althans geen stuk aan waaruit het tegendeel blijkt en evenmin blijkt zulks uit het advies van de commissie van beroep. Er dient dus te worden aangenomen dat de verzoeker de schending van artikel 90 van het administratief statuut van de postambtenaren voor het eerst voor de Raad van State inroept. Het vierde onderdeel van het eerste middel is niet ontvankelijk. 2.5.1. Wat het vijfde onderdeel betreft, moet worden gewezen op de bepaling van artikel 2, § 1, 2/, thans artikel 2, § 1, 3/ van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuurs- rechtspraak van de Raad van State. Krachtens deze bepaling moet een verzoekschrift tot nietigverklaring onder meer een uiteenzetting van de feiten en de middelen bevatten. Onder een “middel”, in de zin van de voormelde reglementaire bepaling, moet worden verstaan: een voldoende duidelijke omschrijving van de overtreden rechtsregel of van het overtreden rechtsbeginsel en van de wijze waarop die regel of dat beginsel door de bestreden rechtshandeling wordt geschonden. Deze verplichting betreft een substantiële vormvereiste. Een uiteenzetting die niet beantwoordt aan de gegeven omschrijving, brengt de onontvankelijkheid van dat “middel” met zich. De verzoeker beperkt zich ertoe te stellen dat “de aangevoerde middelen subjectief (zijn) en niet (kunnen) weerhouden worden”, dat “geen objectieve criteria in ogenschouw (werden genomen)” en dat “de bewering dat de ‘cijfers’ of streefdoelen niet zouden zijn gehaald, onbewezen (zijn) en zelfs onjuist”. IX-3908-12/15 In deze uiteenzetting kan geen voldoende duidelijk uitgewerkt middel, zoals bedoeld in artikel 2, § 1, 2/, thans artikel 2, § 1, 3/ van het voormelde besluit van de Regent van 23 augustus 1948, worden onderkend. De verzoeker geeft immers niet aan welke geschreven of ongeschreven rechtsregel daardoor werd geschonden, laat staan dat hij zou aangeven waarin die schending precies bestaat en inzonderheid om welke reden de motieven van de bestreden beslissing “onjuist” of “subjectief” gekleurd zijn. Noch in zijn memorie van wederantwoord, noch in zijn laatste memorie nadat de auditeur-verslaggever in zijn verslag de onontvankelijkheid van het onderdeel adviseerde, heeft de verzoeker dit onderdeel verder verduidelijkt. Het vijfde onderdeel van het eerste middel is onontvankelijk. 3.1. De verzoeker roept nog een tweede middel in, afgeleid uit “de foutieve motivering en schending van de motiveringsplicht van de bestuurshande- lingen”. In een eerste onderdeel van het middel zet de verzoeker uiteen dat de feitelijkheden waarop de bestreden beslissingen gebaseerd zijn niet waarheidsge- trouw zijn en dat rechtsregels geschonden werden. Hij besluit dat geen deugdelijke motieven aan de grondslag van de bestreden beslissingen liggen. In een tweede onderdeel van het middel roept de verzoeker de schending in van artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. Hij stelt dat de motivering van een administratieve beslissing goed onderbouwd moet zijn, wat in casu niet het geval is. 3.2. De verwerende partij erkent dat in tuchtzaken een deugdelijke motivering vereist wordt, zeker indien het een zware tuchtstraf betreft. Zij stelt evenwel dat een goede en duidelijke motivering niet alleen gegeven werd op het formulier 12 maar tevens bij de uiteindelijke beslissing, inbegrepen het advies van de commissie van beroep. De bestreden beslissingen geven uitvoerig weer waarom De Post van oordeel is dat de terugzetting in graad een gepaste straf is en dat die volledig overeenstemt met de feiten in het dossier. 3.3. In zijn memorie van wederantwoord dupliceert de verzoeker het tweede middel, daaraan toevoegend dat hij “met klem volhardt”. IX-3908-13/15 3.4.1. In het eerste onderdeel van het tweede middel gaat de verzoeker ervan uit dat de motivering van de bestreden beslissingen “foutief is gemotiveerd”, daarbij verwijzend naar het eerste middel, waaruit volgens hem gebleken is dat “de feitelijkheden waarop de bestreden beslissing gebaseerd is niet waarheidsgetrouw zijn” en dat “daarenboven rechtsregels (werden) geschonden”. Uit de bespreking van het eerste middel is evenwel gebleken dat geen van de onderdelen van dat middel kunnen worden aangenomen. Het inroepen van een schending van de motiveringsplicht - hetzij de formele, hetzij de materiële - met loutere verwijzing naar het eerste middel, volstaat te dezen derhalve niet. Het eerste onderdeel van het tweede middel is ongegrond. 3.4.2. In het tweede onderdeel beperkt de verzoeker zich ertoe aan te geven wat de formele motiveringsplicht, zoals voorgeschreven door de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, inhoudt, daaraan toevoegend dat dit “in casu niet het geval is”. Een derwijze omschreven grief beantwoordt evenmin aan de hoger reeds gestelde vereisten voor het bestaan van een “middel” in de zin van artikel 2, § 1, 2/, thans artikel 2, § 1, 3/ van het reeds genoemde besluit van de Regent van 23 augustus 1948. De verzoeker laat andermaal na aan te geven waarin de schending precies zou bestaan en inzonderheid om welke reden de motieven van de bestreden beslissingen niet afdoende zouden zijn. Noch in zijn memorie van wederantwoord, noch in zijn laatste memorie heeft de verzoeker dit onderdeel verder verduidelijkt. Het tweede onderdeel van het tweede middel is onontvankelijk. IX-3908-14/15 OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 31 juli 2008, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, D. MOONS, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. P. LEMMENS. IX-3908-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.185.579 Gerelateerde publicatie(
  3. s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.181.169 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.